* * * * *
Zijn gesprekken kruidde hij met het bijbrengen van voorbeelden uit den
bijbel. Hij predikte, deed visitatie-reizen, sprak verstandig op de
rijksdagen, zocht de overblijfselen van het heidendom uit te roeien en
schonk zijn bezittingen „ad restaurandum ib idem Dei servitium.”
De schenkingsacte vindt men in zijn geheel bij HEDA.
* * * * *
Het voorbeeld van Ansfried werd gevolgd door zijn vriend, graaf
Frethibold. Deze gaf aanzienlijke bezittingen aan den Dom van St.
Maarten.
ROYAARDS vermeldt, dat bisschop Ansfried in persoon tegen de Noormannen
optrok.
Zelf wijdde hij de door hem gestichte kerk op den Hohorst bij
Amersfoort, dat toen nog alleen bestond uit het slot Bachevorth en
eenige omliggende hutten. De Hohorst was destijds een heuvel, die
tusschen een breeden stroom (de Eem) en een moerassigen poel lag en
alleen met een boot kon worden genaderd.
Zie THIERMAR en HEDA.
* * * * *
Sinds bisschop Ansfried er verblijf hield, heet de Hohorst „de Heilige
berg.” In gezelschap van eenige vrome monniken wenschte hij daar van
tijd tot tijd uit te rusten van zijn zware plichten en zich voor te
bereiden op zijn naderenden sterfdag. Zoo dikwijls het hem mogelijk was
trok hij er heen en dan was de machtige kerkvoogd, die als jongeling de
banier droeg en de zwaarddrager was der Ottonen en nu nog dikwerf nevens
den keizer zijn plaats innam, een eenvoudige monnik, in niets van de
broeders onderscheiden, dan door hoogeren ijver voor den godsdienst en
door dieperen ootmoed. Alle dagen kwamen twee en zeventig armen uit den
omtrek tot hem en hij spijsde ze met eigen hand, en als er kranken waren
werden zij door hem verzorgd en opgenomen.
MOLL. Kerkgeschiedenis.
* * * * *
Het was een algemeen verbreid geloof, dat in het jaar 1000 de wereld zou
vergaan.
Met angst en beving had men het aanbreken van die eeuw afgewacht, want
tal van sombere voorspellingen schenen het jaar duizend als het einde
der wereld aan te duiden.
DE ROEVER: Het leven onzer voorouders.
* * * * *
„Het jaar 1000, dat bange tijdstip, waarop onkunde en bijgeloof
samenspanden om den menschelijken geest te doen sidderen voor de
gevreesde ure van den met zekerheid in dat jaar geprofeteerden
oordeelsdag.”
HOFDIJK, Het Ned. volk.
* * * * *
Het Concilie in Rome gehouden in 998 houdt er zich echter evenmin mee
bezig als dat van Poitiers in 999.
* * * * *
Koning Robert van Frankrijk, vroeg bisschop Fulbert van Chartres naar
een verklaring van den bloedregen, die toen op de aarde was gevallen.
Fulbert antwoordde: „dat het geen voorspelling van ramp of onheil kon
zijn.”
VICTOR DURAY; Hist. de France.
„Robert begon zijn regeering te midden eener alom heerschende vrees.”
(Idem.)
* * * * *
Toen in 909 het Concilie van Trosby werd gehouden eindigde Heriveüs,
aartsbisschop van Reims, zijn klacht over het verval van den godsdienst
bij geestelijken en leeken met de woorden:
„Het herderlijk ambt wordt een onduldbare last, wanneer het oogenblik
nadert om rekenschap af te leggen van de taak, die ons is toevertrouwd,
want hij nadert in zijn verschrikkelijke majesteit, die dag, waarop alle
herders met hun kudden voor den Opperheer zullen staan.”
De abt Abbo van Fleury meldt daarentegen in 990:
In mijn jeugd heb ik te Parijs een prediking gehoord, dat zoodra het
jaar 1000 daar zou zijn, de wereld zou vergaan, dat eerst de Antichrist
zou verschijnen en niet lang daarna het oordeel zou volgen. Met een
beroep op de Evangeliën heb ik deze prediking met al de kracht, die ik
bezat weersproken.”
* * * * *
Ontelbare charters, stukken en schenkingen aan de kerk vangen in dien
tijd -- volgens Plaine reeds sinds de 7^{de} en 8^{ste} eeuw -- aan met
de woorden:
„Waar alles voor onze voeten ten ondergang neigt, waar de
verschrikkelijke dag, het einde der wereld nadert” enz.
Tegen het einde der 10^{de} eeuw komt die aanhef niet meer voor.
* * * * *
„Der Glaube dass mit der Sommersonnenwende des Jahres 1000 die Welt
untergehen und das jüngste Gericht hereinbrechen werde, galt während
jenes Jahres im Abendland als unfehlbare Wahrheit.”