Van Ansfried, graaf van Teisterbant, getuigt zijn levensbeschrijver:
„dat hij vijf en twintig jaar stond aan het hoofd van zijn graafschap,
wijd en zijd beroemd als een uitstekend regent, een dienaar der hoogste
gerechtigheid, die zich noch door groote giften noch door gunsten van
den weg des rechts liet afbrengen, een oprecht en wijs raadsman zijner
vorsten en een moedig verdediger van de belangen zijner onderdanen.”
ALPERTUS en PERTZ VI.
* * * * *
„Wij meenen hem (Ansfried) zeker een plaats te moeten toekennen, onder
de broeders en zusters, die wij met Paulus vrijmoediglijk geheiligden in
Christus Jezus heeten.”
Prof. MOLL, in den Kalender voor Protestanten in Nederland. 1856.
* * * * *
Van den oprechten godsdienstzin zijner vrouw, Hereswit, gravin van
Strijen, worden door Giesebrecht en Thietmar in hun kronieken
verscheidene mededelingen gedaan. Ook de hierboven vermelde gebeurtenis
in de kapel bij Casallum is geheel historisch.
* * * * *
Stichtingsoorkonde van de abdij van Thorn, 992.
In den naam der Heilige en onverdeelde Drievuldigheid.
Ik Hereswit van Strijen, wensch den bruidegom der Maagden te volgen en
heb daarom in overleg met Ansfried, mijn heer, een kerk gesticht op mijn
bezittingen te Thorn, waar ik en mijn dochter Benedicta dit sterfelijk
leven zullen slijten onder den regel der heilige gehoorzaamheid, opdat
wij verdienen in de toekomstige eeuw, met witte kleederen aangedaan
onder de engelen te verschijnen voor den rechtvaardigen rechter.
Ik bezweer mijn erfgenamen, de heeren van Strijen, bij Hem, die was en
komen zal, dat zij deze schenking niet bemoeilijken, maar mijne dochter
en hare communauteit in rechtvaardigheid verdedigen.
Zie Diploma bij HABERTS.
* * * * *
Hereswit stichtte met goedvinden van Ansfried de kerk en het klooster
van Thorn, bij Maaseik. Zij werd er begraven. Hun dochter Benedicta was
er abdis.
Vergrijsd en vermoeid van de vele wisselingen zijns levens werd Ansfried
in 994 gekozen tot bisschop van Utrecht. Het Sticht, dat zooveel had
geleden van de invallen der Noormannen, behoefde een verstandigen
regent. Toen Otto III hem tot die hooge waardigheid riep, trad graaf
Ansfried in diepe verslagenheid voor den keizer en gebruikte hij al zijn
welsprekendheid, om den landsheer te overtuigen dat zulk een eer voor
hem te groot en zulk een ambt voor hem, den veldheer, ongepast was. Toen
niets baatte verzocht hij tijd om zich te beraden en te bidden.
Prof. MOLL, Kerkgeschiedenis.
* * * * *
Ook als bisschop blonk hij uit door wijsheid en godsvrucht. Hij
gebruikte al zijn inkomsten ten behoeve der kerk en was zoo sober in
zijn leefwijze, dat zijn tegenstanders hem er om bespotten.