„Vaarwel, God zegene u! Schenk mij uw zegen, mijn vader! Vaarwel,
vaarwel!”...
Olaf Erikson stond voor den bisschop -- het was de laatste maal. Buiten,
aan de overzij van het water, hinnikte zijn paard reeds ongeduldig de
thuisreis tegen -- het was voor de laatste maal.
Als geboeid hing zijn oog aan het gelaat van den grijsaard, dat zoo kalm
en verheven neerzag op het woelen en drijven der menschen, dat zoo zacht
en geduldig bleef bij smaad en hoon, waarvan de lippen een gebed
fluisterden voor zijn vijanden -- met woorden wellend uit het hart.
„Vaarwel!” stamelde Olaf nog eens, „vaarwel, voor altijd!”
Het scheen of hij geen ander woord wist te vinden.
Doch bisschop Ansfried had een beteren afscheidsgroet:
„Geen vaarwel voor altijd, Olaf! Dit leven is slechts kort van duur.
Pelgrims zijn wij allen, op weg naar huis. Dáár, in het eeuwige land der
onsterfelijkheid zullen eenmaal allen elkander hervinden, die God
liefhadden, al werden zij hier beneden gescheiden door het aardsche
leven en de wisselende lotgevallen der menschen.”
Het zachte suizen van den ochtendwind begeleidde zijn woorden, het klonk
als een liefelijk gezang, dat aanzweefde uit de wijde verte.
„Hoe goed zal het daar de verlosten zijn, Olaf, in het heilige land van
vrede en rust. Daar vloeien geen tranen meer, daar kent het hart, dat
moedig volhardde in den levensstrijd, zijn goeden strijd streed ten
einde toe, smart noch rouw. Olaf, is deze eindelooze vrede, dit geluk,
dat ons wacht in het land onzer toekomst, niet waard, dat men er hier op
aarde voor lijdt en draagt, dat men strijdt om in te gaan?
Laat het daarom niet langer uw wensch zijn het christendom te belijden,
omdat gij het verhevene voelt van zijn leerstellingen, maar omdat het
een godsdienst is, die de menschen edel maakt en rein en goed, omdat het
de openbaring is van Gods Woord en wil, allen tot zaligheid gegeven.
Treur daarom niet langer zoo bang, zoo zwaar om wat het leven u
ontneemt. Ik weet welke onvervulde wenschen gij hier achterlaat, ik
weet, dat het hard is alleen door het leven te gaan, zonder liefde,
zonder geluk. Maar draag het, moedig en sterk, omdat het God is, die
ieder zijn kruis geeft. Voorwaar, het is geen lichte taak een christen
te zijn. Het is een heldenleven, dat geduld eischt onder de zwaarste
slagen, levensmoed bij het bitterste zieleleed, een onwrikbaar
vertrouwen op de liefde en wijsheid van God, wanneer de zon van ons
bestaan ondergaat in nacht. Wie een christen wil wezen, moet geheel zijn
eigen ik loslaten, met al zijn wenschen, droomen en plannen voor dit
leven. Hij moet alleen willen wat God wil en met Paulus getuigen: „Het
leven is mij Christus, het sterven gewin.”
Want, wat hier ons kruis was, wordt dáár onze kroon. Omstraald door het
licht der eeuwigheid zullen wij Gods wondere leidingen leeren begrijpen,
die wij hier slechts aanschouwen in een duisteren spiegel. Hoop slechts,
Olaf, geloof en vertrouw.”
Olaf sloot de oogen.
Het was bijna te schoon, te heerlijk om te kunnen gelooven, toch voelde
hij de hoop van den christen en het geloof, „den vasten grond der dingen
die men niet ziet,” rijzen in zijn hart en een groot vertrouwen nam
bezit van hem geheel.
Mocht dan donker de zee zijn waarop zijn levensboot zou drijven in
zwarten, sterrenloozen nacht, terwijl al de baren over hem heengingen en
de wateren klotsten tegen de kiel, toch zou hij wankelen noch
vertwijfelen. Want héél ver in het verschiet, aan het einde der reis
lichtte het met blinkenden glans tegen de donkere wolken, dáár aan de
grens der levenszee, waar het eeuwige land der toekomst den zwerver
wachtte....
Helderder en schooner wordt het licht, het rijst, het verheft zich,
neemt toe in kracht, het doet de donkere golven baden in gloed, en
omstraald door die gouden glorie zweven lichtende gestalten nader, hun
gelaat blinkt, hun serafwieken schitteren wonderschoon. Hun stemmen
vereenen zich tot een koor met klanken, die niet meer behooren tot deze
aarde, die zich aaneensnoeren tot een hemelschen zang. Welkom heeten zij
de bevrijde ziel, die nadert om de palmen te ontvangen der overwinning,
om hun gelukzaligheid te deelen, in eeuwig, onvergankelijk heil. De
donkere zee -- thans baadt zij in licht; de ontredderde kiel -- hij rust
in veilige haven.
Kon het vluchtige, aardsche leven, hoe vol moeiten en ontgoochelingen,
ooit meer een beeld der verschrikking worden met zulk een toekomst in
het verschiet?
Olaf hief de hand op als ten plechtigen eed:
„Gij hebt over mij gezegevierd geheel, over de laatste wenschen van mijn
hart, die nog riepen om levensgeluk. Voortaan zal ik alleen vragen en
zoeken naar een levensdoel. Dat God mij de kracht verleene het te vinden
en te besteden tot Zijn eer, opdat wij eenmaal elkander mogen terugzien
in het eeuwig licht.”
„Uw levensdoel behoeft gij niet te zoeken. Het werd u reeds geschonken,
het ligt voor u bereid.”
Een verwonderde, vragende blik trof den spreker. Deze vervolgde:
„De toekomstige koning van uw groot en machtig vaderland is een kind,
opgegroeid te midden van het heidendom, omringd van alle zijden door het
geloof aan de woeste, geweldige goden van uw onverschrokken volk.
Hij draagt uw naam, ik weet, dat koning Harald u liefheeft, hem heeft
genoemd naar u, wenscht, hoe hij eens u zal gelijken. Tracht daarom het
hart van den jongen Olaf, den opperkoning van Upsala, te winnen voor het
christendom, toon hem, dat de leer van den Christus machtiger is dan de
ruwe kracht der heidensche goden, omdat zij haar oorsprong nam uit de
eeuwige liefde.
Wijs hem op het wisselvallige van aardsche macht, op het vluchtige van
het leven der menschen, dat wel mag worden vergeleken met de vallende
bladeren in den herfst, als in de purperen en goudgele wouden de boomen
onbeweeglijk staan en de bladeren neerdwarrelen in den stillen, grijzen
najaarsmorgen. Zij worden niet meer gekend, als het gras vallen zij neer
of verwelken gelijk de bloem op haar stengel. Dat is het einde. Alleen
God blijft tot in eeuwigheid, wèl is het hem, die in dat geloof zijn
rust vond: tot nieuw leven zal hij worden gewekt in Zijn eeuwig huis.
Dit, Olaf, is de levensles, die gij den jongen koning eenmaal zult
leeren. Eenmaal, zeg ik, nu is de tijd nog niet daar. Gij zelf moet nog
leeren in de school van het leven, in die van het christendom, eer gij
anderen tot gids kunt zijn. Zelfs Paulus had een tijd van voorbereiding
noodig, eer hij waardig werd gekeurd te gaan tot de heidenen.
Ook gij werdt wonderlijk getrokken, maar ook gij behoeft tijd en
nadenken en véél gebed om te worden wat gij zijn moet, om de levenstaak
te kunnen vervullen, die u wenkt.
Hier kunt gij niet blijven. Het volk weet wie gij waart, met welk doel
gij in dit land zijt gekomen. Wantrouwen zou uw deel zijn van allen
kant en wantrouwen doodt en verstikt wat goed en edel is in het
menschelijk hart. Ga daarom, -- waar ik de lessen leerde, waarvan mijn
leven de vrucht werd -- naar Keulen, naar de Schola Palatina, de groote
leerschool bij uitnemendheid. Daar zult gij vrienden vinden in
leermeesters en denkers, ik zal u aanbevelen en hoewel verwijderd van
elkander, zullen wij niet gescheiden zijn. Weldra zult gij de
letterteekens weten te ontcijferen, dan zullen onze brieven verhalen wat
wij elkander niet kunnen zeggen. Leef en werk, heb vertrouwen in uw
toekomst, dat is leven voor de toekomst.
En als gij u bereid voelt voor uw taak, ga dan tot den jongen koning.
Erken hoe wonderlijk God u heeft geleid: Gij zijt hier gekomen om dit
volk te verderven, gij wordt geroepen om, in hooger kracht, een ander te
behouden.”
Een nieuwe glans lichtte in Olafs blik; om zijn mond speelde een
glimlach, die de trek van berusting uitwischte, welke er nu sinds
zoovele dagen zetelde, die verhaalde wat eens zegepraal wezen zou, als
de goede strijd gestreden was en de loop voleindigd.
Bisschop Ansfried zag het, hij was voldaan. Zegenend legde hij Olaf de
rechterhand op het hoofd, met de andere reikte hij hem een perkamentrol,
beschreven met zijn eigen vast, duidelijk schrift. Het was het Evangelie
van Johannes.
„Ziedaar Olaf, de beste gids, dien ik u geven kan voor het leven, nu
gij, als mijn eerste zendeling, mijn zendingshuis verlaat. Neem het,
lees dit boek zoodra gij het kunt en heb het lief, iederen dag meer en
meer. Heilig zij u het rein en verheven woord, opgeteekend onder de
ingeving van den Heiligen Geest door den Apostel dien Jezus liefhad.”
Hand in hand herhaalden beiden nog eenmaal hun afscheidsgroet -- thans
niet meer een „vaarwel!”....
Buiten straalde de aarde in den luister van zonlicht en zomerglans. Olaf
wendde zijn paard. Een moeilijke leerschool wachtte hem, eer hij terug
ging naar het land der trotsche bergen, wier duizelingwekkende
rotstoppen, wier onbegaanbare sneeuwkloven zich omhullen met grijze
wolken, met nevelen dicht en zwaar.
Vele jaren moesten verloopen in den vreemde eer hij weer zou keeren naar
de schitterende koningshal, waar hij voorheen als bloedsbroeder en
schildgenoot werd welkom geheeten, bij het plengen van den Bragibeker,
bij zwaardslag en harpslag, waar hij dan als vijand zou worden gehouden,
al de tegenkanting zou ondervinden, ingegeven door het wantrouwen en den
haat tegen het christendom, die geheel zijn volk beheerschten.
Zijn volk, even krachtig, onoverwinnelijk en woest als de trotsche
natuur van zijn land.
Zou hij slagen in zijn levenstaak?
* * * * *
De geschiedrollen, die de wereld richten, die blijven tot een onwrikbare
getuigenis, zelfs als het erts vergruist en het hechtste arduin in puin
valt, zouden het antwoord geven op die vraag.
Zij zouden eenmaal den jongen opperkoning van Upsala den naam schenken
van „Olaf, de Heilige.”
Zij zouden vermelden, dat hij de eerste heerscher was van het ruwe
Noorden, die koning van Zweden heette, die orde en recht wist te
scheppen in de verwilderde Staten, welke hij vereende onder zijn gezag.
Hij zou het heldenras, waarover hij den schepter hield geheven, vormen
tot een christenvolk, dat hij door zijn heerschersgaven binnen voerde in
de gewijde rijken der historie, door zijn voorbeeld en woorden bracht
tot het geloof in het eeuwige land der onsterfelijkheid, weggelegd voor
allen, die leven in dit geloof, dat eens zal worden tot zalig
aanschouwen.
* * * * *
Nog eenmaal wendde Olaf het hoofd om, voor de laatste maal, want
voorwaarts ligt de weg door het leven. Hij wist, hij gevoelde het,
gelijk ieder, die zijn roeping begrijpt, de taak hem door God op aarde
toevertrouwd.
Het klare, levenwekkende zonlicht stroomde over het landschap en tintte
het water om den Hohorst met zijn schitterenden gloed. Het was of
gewijde stemmen zegeningen fluisterden, of de gouden stralenbundels een
lichtweg wilden vormen, die rechtstreeks voerde van de donkere aarde
naar den hoogen hemel. Het scheen alsof al het licht, dat aan dien
wijden hemel glansde, ineenvloeide boven den „Heiligen berg.”