Het was de avond van dienzelfden dag. Het volk verspreidde zich, de
koortsachtige opgewondenheid week met de geweldige spanning, maar nog
lang zou blijven nagloeien in de harten het gevoel van redding en
overstelpend geluk, waarvoor ieders mond vruchteloos woorden zocht.
Stilte daalde over de velden. Van de linde, die haar zoeten bloesemgeur
zond in bisschop Ansfrieds vertrek, ritselde geen blad, geen vogel zong
in de twijgen. Het was of geheel de schepping nog steeds zwijgend
aanbad, bij het wonder dat zij aanschouwd had: het licht van den
dageraad opgaande over de als herboren aarde....
Groote dankbaarheid, heilige vrede, heerschten in menig hart,
beheerschte geheel dat van graaf Frethibold, wiens geluksgevoel thans
zijn vroegere radeloosheid evenaarde, haar zelfs volkomen in de schaduw
stelde.
Gerlach had gesproken, op ’s bisschops bevel. Hij wist nu, dat zijn zoon
leefde, dien hij als dood had betreurd, den nooit vergeten oogopslag
zijner vrouw vond hij thans terug bij zijn kind -- bisschop Ansfrieds
dappersten ridder -- zijn redder uit doodsgevaar te midden van het wilde
slaggedruisch....
„Frethibold, heeft God het nu wèlgemaakt, ook met u?”
De stem van den bisschop was zacht en vriendelijk als die van een vader,
wanneer hij een dwaasheid vergeeft aan zijn kind.
De krachtige man drukte de handen voor de oogen, zij waren vochtig van
ongeschreide tranen, tranen van geluk.
„O, heer, heer! Nimmer zal ik meer klagen, nooit meer! God vergeve mijn
morren en wanhoop; ik heb Hem verlaten en Hij heeft mij gezocht en
overstelpt met Zijn grootste zegening. Wat zal ik Hem ooit kunnen
vergelden voor zulk een weldaad! God is goed, Hem looft mijn ziel!”....
„God is altijd dezelfde, Frethibold, in vreugde en in rouw, bij dag en
bij nacht, in voorspoed en leed. Alleen de menschen vergeten Hem vaak te
midden van hun geluk, dan trekt Hij hen tot zich met liefdekoorden
gevlochten uit ramp en tegenspoed. Dàn klagen zij en Hij vergeeft en
zegent.”
„Ja, zoo is het! Ach, had ik dit toch vroeger begrepen, vroeger. Hij
geeft mij zooveel!”
Zijn blik zocht de vensternis aan de tegenovergestelde zijde van het
vertrek, hij bleef rusten op twee jonge, bloeiende gestalten, die
stonden hand in hand, alles om zich heen vergetend, alleen elkander
ziende en hun geluk.
„Mijn, voor altijd mijn!” fluisterden Unruochs lippen.
Swanwitha, zijn jonge bruid nu, zag hem aan met een blik vol glans:
„Toen de duisternis mijn leven bedreigde, de ijzige koude van een
bestaan zonder liefde, een verbintenis gesloten uit dwang, toen heb ik
tot God gebeden en Hij heeft mij verhoord. Hij was het die Olaf zijn
edelmoedige woorden op de lippen legde, die mij vrij maakten van mijn
afgedwongen gelofte. Nu is uw God ook de mijne. ’t Is zoo heerlijk,
alles is licht!”
Zij stond daar zoo kalm en vredig in haar wit kleed, met zulk een
gelukkigen glimlach op het liefelijk gelaat, het avondrood tintte met
zijn glorie haar lang golvend haar, ook in haar oogen welden groote
tranen van onuitsprekelijk geluk.
Was het wonder, dat graaf Frethibold plotseling de armen uitbreidde met
een teer:
„Mijn lieve dochter, door mijn zoon nu ook mijn kind!”....
„Neen, het uwe niet, niet het uwe!” Een stem snerpte het, schor van
machtelooze woede, nog genietend tot het laatste oogenblik van haar
macht om geluk te kunnen verkeeren in leed, vreugde in rouw.
Het was vrouw Sigrid, die alleen de laatste woorden had opgevangen,
terwijl zij binnensnelde, op den voet gevolgd door haar beide wachters.
Te vergeefs hadden zij beproefd haar in bedwang te houden en te doen
blijven in het vertrek, haar aangewezen als voorloopige kerker. Zij had
de deur weten open te rukken terwijl de bewaker haar het avondbrood
bracht, toen was zij de wacht voorbijgestormd en nu stond zij hier. Een
flauw gerucht was tot haar doorgedrongen, dat graaf Frethibold zijn kind
had hervonden, wie dat was wist zij niet. Maar nu ving zij enkele zijner
woorden op, zag zij hem Swanwitha liefkoozen.... Zij zou hem doen
ontwaken uit zijn geluksdroom. Weer voelde zij haar macht, zij hield het
heft in handen.... En dit gevoel dreef haar een geheim van de lippen,
dat zij anders met zich zou hebben genomen in het graf.
„Uw dochter, zegt gij? Ha, ha! Waart gij dan gehuwd met Gisela van
Teisterbant? Die was haar moeder, haar vader -- mijn zoon.”
Een dubbele kreet weerklonk. Bisschop Ansfried drukte Swanwitha aan zijn
hart, hij snikte als een kind:
„Heb ik het niet altijd geweten, altijd! Dochter mijner dochter, wees
gezegend, wees tot zegen! Hoe zal ik den Heer loven Die mij u deed
hervinden!”
Hij wendde zich tot vrouw Sigrid:
„Wèl mag ik hier de woorden herhalen eenmaal in Egypteland door Jozef
gesproken tot zijn broeders:
„Gij hebt kwaad tegen mij gedacht doch God heeft dat ten goede gedacht!”
Hij wees op Unruoch: „Daar staat de zoon van den gouwgraaf, de
toekomstige graaf van Teisterbant en zijn bruid -- het is mijn eigen
kleindochter, mijn lieve Swanwitha!”
Zijn lippen liefkoosden den naam, zijn hand het gouden haar. Die
gelukkige in elkaar als verzonken groep.... Het gezicht maakte vrouw
Sigrid bijna razend. Met een verwensching trok zij haar langen, zwarten
mantel om zich heen; als een visioen van den nacht, die rouw en jammer
opriep, was zij verschenen, als een schaduw wilde zij verdwijnen uit het
vertrek, uit de herinnering dezer menschen.
Maar de bisschop trad haar in den weg:
„Vrouw Sigrid, waarheen wilt gij? Gij zijt een gevangene, vergeet gij
dat?”
Zij barstte uit in een tergenden lach:
„Gevangen, ik? Misschien zoolang ik dit zelf wil, maar ook geen
oogenblik langer. Als ik het verkies verlaat ik uw kerker evenals ik het
nu deed, dwars door de wachten heen.”
„Gij zult slechts weinig dagen een gevangene blijven, op deze wijze. In
een stil, afgelegen vrouwenklooster zal u tijd worden gegeven tot boete
en nadenken, die, God geve het, eenmaal ook bij u mogen worden gevolgd
door bekeering en berouw.”
Weer die verachtelijke lach, die tartende blik:
„Berouw, ik? Ha, ha! Ik zie de tuchtroede reeds geheven boven mijn
hoofd! Nu, deze handen zullen nog krachtig genoeg blijken om haar te
breken.
Hoor, wat ik u zeg: Als gij mij opsluit, zal ik ontsnappen, als gij mij
opnieuw weet te vinden weiger ik alle voedsel, dan sterf ik den
hongerdood door uw toedoen, vrome bisschop, door ùw schuld! Voor mij
bestaat er altijd een uitweg. Gezworen heb ik terug te keeren naar mijn
Noorsch vaderland, en ik houd dien eed. Daar tusschen de zwijgende
bosschen, in wier schors de eeuwen hun runen schreven, zal ik mijn leven
voortsleepen in herinnering, die mij ten vloek zal zijn, door uw
toedoen. Want de ongerepte sneeuw, die daar zwaar ligt en dicht, die de
takken der dennen doet breken onder haar last, zal nooit in staat wezen
den hellebrand te blusschen, die gloeit in mijn hart aan een verterend
vuur gelijk, nu ik u heb zien zegevieren, terwijl mijn grootsche plannen
faalden -- alle!”
„Ongelukkige, misdadige vrouw, ik laat u niet gaan, nooit! Ook uw ziel
is kostbaar in het oog van God, Die alleen haar kan redden van het
eeuwige verderf.”
„Red u zelven van het verderf! Daar, dáár! Zie of gij er toe in staat
zijt! Dáár!”
Als een furie gilde, krijschte zij. Zij hief den arm op. De manshooge
luchter, die reeds was ontstoken in de nis voor het kleine huisaltaar,
kantelde, viel om met een slag. Vuur vatten de drooge biezen op den
vloer, weldra zou de vlam zich verspreiden....
„Redt! Helpt!” klonk het uit ieders mond.
„Onzalige vrouw! Gij, die steeds speelt met vuur, in vlammen zult gij
eenmaal vergaan!”
Graaf Frethibolds stem klonk bitter van rechtmatigen toorn, een even
bittere lach gaf hem het antwoord, daartusschen siste reeds het brandend
stroo.
Terwijl allen zich beijverden om den brand te blusschen, sloeg de deur
toe. Zij hoorden er den grendel voorschuiven aan de buitenzijde, zij
moesten de vluchtende overlaten aan zich zelve om eigen leven, om het
bedreigde kerkgebouw en het kleine gedeelte, dat nog over was van het
zendingshuis te redden.
Toen die zware arbeid eindelijk was volbracht en door een toesnellenden
speerknecht de deur ontgrendeld, lagen de vale schaduwen van den nacht
over het land, waarin vrouw Sigrid nimmermeer zou worden gezien.
Over haar verder leven, over haar dood bleef de sluier rusten der
vergetelheid.
Daar waren geen werken verricht door haar hand, die haar konden volgen.
Zij behoorden tot den nacht en gingen onder in den nacht, beladen met
smaad en verachting.
Of de trotsche vrouw nooit gevoelde, dat zij de straf harer schuld droeg
in zich zelve? Haar verder leven zou zijn verlatenheid en wroeging.
Verteerd door vruchtelooze wenschen naar voormalige macht, zou haar deel
zijn de te late erkenning, dat ieder verantwoordelijk is voor eigen
daden en, dat die daden hem het antwoord geven in de vergelding, welke
zijn leven treft.