HOOFDSTUK XXVII.

De zware strijd was volstreden, de kamp, met zooveel zorg tegemoet

gezien, beslecht, maar geen juichtoon werd aangeheven, geen

overwinningskreet geslaakt door de kloeke krijgers. En de ouderen van

jaren, van wie meer dan een neerzonk van vermoeidheid -- zij dachten aan

rust noch sluimering.

De roode regen viel, het begin van het einde, de laatste nacht van het

laatste jaar was daar. -- --

Snel had zich door de gansche landstreek het gerucht verspreid van den

ondergang der gevreesde Denenvloot. De vrouwen riepen het elkander toe

met hijgende stem, zij brachten het verder -- want strijdend waren nog

de mannen -- en zoo bereikte de blijmare ook Utrecht. De wachters bij

brug en poort vernamen haar het eerst, in overweldigende blijdschap

wierpen zij schild en speer van zich: „Daar was immers niets meer te

vreezen, niets meer!”....

Ademloos berichtten zij het vrouw en kinderen, die baden in den Dom.

Maar dof sprak een der vrouwen:

„Waartoe die vreugde, als de aarde toch vergaat, over enkele uren

reeds?” Toen liep opnieuw een rilling ieder, die het verstond door de

leden. Zij zagen om zich als misten zij iets. De diepe Romaansche

gewelven, waarin het flikkerde van wemelend kaarslicht, schenen

eensklaps duister.

„Onze bisschop!.... Wij moeten zijn waar hij is, als het bazuingeschal

der engelen weerklinkt! Hij zal ons voorgaan in het gebed en genade voor

ons afsmeeken van den Heer!”

„En hij zal Gods barmhartige liefde over ons inroepen, door Wiens hulp

heden ook de Denen werden verslagen”....

„En de Antichrist.” Onhoorbaar bijna was het gefluisterd, maar het werd

herhaald en geloofd.

Toen was het eensklaps of een schok voer door de geheele schare.

Alles verhief zich, mannen, vrouwen en kinderen en in plechtigen optocht

trokken allen de stadspoort uit om bisschop Ansfried op te zoeken. Hij

wist immers steeds een uitweg wanneer allen versaagden, hij had woorden

van opbeuring en troost als ieder vertwijfelde, ook nu zou hij kalmte en

vertrouwen weten te storten in harten, die sloegen tot berstens toe.

„Naar hem! Naar onzen bisschop!”

Niemand dacht aan den langen weg, die voor hen lag. Naar den Hohorst

stroomden Utrechts inwoners te paard, op wagens of te voet om daar het

einde af te wachten. Voelden zij instinctmatig, dat de man bij wien zij

schuts zochten en steun voor de vreeselijke ontknooping, die naderde

onverbiddelijk en snel, zoo hoog boven hen stond, omdat het leed der

wereld hem niet meer kon deren, nadat hij zijn zwaarste leed geleden had

en de woorden uit de Bekentenissen van Augustinus gemaakt tot de zijne:

„De mensch keert zich naar alle zijden, naar hier en daar, en alle

dingen zijn hard en bitter voor hem. Want alleen in U o, God, is ruste.

Waarheen de ziel des menschen zich wendt, overal vindt zij smart dan bij

U alleen”....

En zoo, biddend, psalmzingend, de kracht overspannend uit vrees van te

laat te komen, soms rustend als de angst sterker bleek dan zelfs die

opgeschroefde kracht, bereikten zij de hoogte door de Eem bespoeld,

schier ter zelfder tijd, dat van de andere zijde de zegevierende

overwinnaars in den slag naderstormden als sidderende vluchtelingen.

Vluchtelingen voor den rooden regen, waarvan de eerste neervallende

druppels ook de naderende burgensen het bloed hadden doen stollen in de

aderen.

Het was een verwarde, van ontzetting verbijsterde menigte, die de kleine

kerk bereikte, die elkander verdrong om daarbinnen een plaats te

bemachtigen, waarin slechts het geringste gedeelte slaagde. Toen

schoolden de overigen samen tusschen de geblakerde ten deele daklooze

muren van het woongebouw, allen trachtend om door de deuropening,

verwijd door het vuur, een blik, slechts één enkelen op te vangen van

den bisschop. Maar velen, zeer velen moesten buiten blijven, waar de

duisternis zonk op de aarde en de roode regen teekende hen als met

bloed.

Dachten zij toen aan hen die geworpen zouden worden in de buitenste

duisternis, omdat zij Gods wil hadden veracht in het leven, dat hun was

geschonken als een voorbereiding tot hooger bestaan?

Het waren zeer bleeke aangezichten, die het gelaat van bisschop Ansfried

zochten, want hij bezat het geloof, dat velen nu begeerden, die vroeger,

bij de beslommeringen van het dagelijksche leven, geen tijd hadden

gevonden om te trachten het te verwerven.

„Zoekt den Heer terwijl Hij te vinden is!”.... Klonk dit ernstig woord

hun waarschuwend tegen uit den ruischenden waterstroom?

Het dichte wolkendak had zich opgestapeld tot reuzenhooge berggevaarten

-- nu scheurden zij vaneen, plotseling. Het was of vlammende lemmetten

elkander kruisten, een schorre donderslag, hol nadreunend met dof

geluid, volgde op het oogverblindend licht. De aangewakkerde wind

verhief zich tot een storm, huilend, bulderend.... In stijgenden angst

werden de handen opgeheven naar den dreigenden hemel. Waanden de

gespitste ooren reeds het schallen te vernemen der bazuinen van het

jongste gericht? Maar alles werd weer stil toen de geweldige slag was

weggestorven, alleen de stemmen der menschen klonken, samensmeltend in

denzelfden zielskreet:

„Heer, ontferm U onzer! Erbarm U onzer, o, Heer!”

Vrouwen schreiden, mannen sloegen zich op de borst, vreemden bekenden

elkander zonden, steeds verborgen gehouden als een streng geheim. Hun

ringen van rood goud -- het kostbaarste wat zij bezaten -- beloofden de

vrouwen van welvarende hoevenaars aan de kerk op den Hohorst, de mannen

voegden er al hun landbezit bij.... Wat baatte het? Wat kòn het nog

baten? De boeken zouden immers worden geopend? Wenschte thans menigeen,

dat zijn levensboek een anderen inhoud mocht bezitten?

Maar niet bij allen had de vertwijfeling den boventoon. Enkelen

knielden, de oogen omhoog geslagen, de bleeke aangezichten rustig, in

groot vertrouwen, in vast geloof.

Onder dezen bevonden zich Trutha en Yglo, hand in hand knielden zij.

„God is goed,” fluisterde het meisje. „Hij zal ons niet scheiden in Zijn

eeuwig huis, nu Hij ons hier vereenigd heeft, in ons laatste levensuur.”

Yglo drukte haar hand zonder te kunnen spreken. Hij voelde zich zwak en

duizelig, de kerker van den Ravenhorst was hard en diep geweest, maar te

midden der duisternis, die hem omringde, was het licht geworden voor

zijn ziel. Hij vreesde den dood minder dan het leven. Zijn vader en oude

Lisa baden, geknield naast hem, en de kleine, bruine hand van Trutha

hield hij in de zijne. Hij gevoelde den grooten zegen, die hem werd

geschonken: niet alleen en verlaten behoefde hij te sterven. Door liefde

omringd zou hij gaan naar de plaats van eeuwige liefde en eindelooze

zaligheid.

De roode regen had opgehouden neer te druppelen, maar de storm loeide en

de bliksem teekende de duistere wolken met zijn gloeiend schrift.

Opnieuw liep een siddering, die zich oploste in dof angstgeschrei, door

de neergebogen schare. Daar klonk op eenmaal een stem, de bekende,

geliefde stem, in den aanvang zacht als harpgesuis, dan zich verheffend,

aanzwellend gelijk plechtig psalmgezang, rust schenkend, vrede brengend

ook aan het felst geschokt gemoed. Op het door teer waslicht overgoten

altaar stond de bisschop en het was alsof het licht, dat hem omgaf van

hemzelf afstraalde, of het blonk van zijn gelaat, waarop zielevrede

zetelde, dat door onwrikbaar geloofsvertrouwen werd gestempeld.

En het was allen of zijn stem de ruimte vulde met de gewijde belofte:

„Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw.”

Vreest niet nu de duisternis dreigt, gelooft alleenlijk!”

Had hij dien ochtend meer geleken op den krijgsaanvoerder van weleer,

toen hij in vlammende woorden de burgensen aanvuurde om hun plicht te

volbrengen mannelijk, onversaagd, ten einde toe in den naderenden

strijd, thans, wachtende op de hemelsche heirscharen, bereidde hij zijn

gemeente met waardigen ernst voor om moedig, geloovend den dood tegen te

gaan, pleitend op Gods beloften op den zoendood van Christus....

Een zucht van ontspanning ontwelde aan menige borst, van angst

verduisterde oogen vulden zich met tranen, handen, eerst krampachtig

saamgewrongen, werden zacht gevouwen ten gebede. Buiten scheen het

onweer af te nemen, plechtig psalmgezang verhief zich in de kleine kerk

na de woorden van den bisschop, die waren geweest als het suizen eener

zachte koelte te midden van den storm. Het kaarslicht flikkerde zacht,

rooden gloed wierpen de ontstoken toortsen, fluisterend klonken de

gebeden der menschen.

Zoo ging meer dan een uur voorbij, middernacht kwam nader, ongedacht

snel, nog enkele oogenblikken, dan....

Unruoch boog zich tot Swanwitha en zag haar onderzoekend in het gelaat.

„Zijt ge bang?” vroeg hij zacht.

Zij opende het in perkament gebonden boek, waarom zij de handen vouwde

en wees hem een teekening op matgouden grond. Het was die van den Goeden

herder. Toen glimlachte zij o, zoo vertrouwend en berustend door haar

tranen heen....

Hij klemde haar hand in de zijne, hij zag aan de uitdrukking van haar

gelaat, dat zij afstand had gedaan van alle levenshoop en hoop op

levensgeluk, maar als een ademtocht gleed het van haar lippen: „God is

barmhartig, wij mogen samen sterven. Wat verder komen zal ligt in Zijn

hand.”

Een felle bliksemstraal, die de donkere wolken kliefde deed haar

zwijgen. De stormwind zwiepte opnieuw de takken der boomen, kletterend

stoven de regendruppels tegen de ramen der kerk.

Unruoch had een gevoel of de aarde zich voor zijn voeten zou openen.

Met geweld bedwong hij zijn ontroering. Als beschermend sloeg hij den

arm om Swanwitha heen, zij leunde haar blond hoofd tegen zijn schouder.

Zoo wachtten zij. Zacht bewogen zich beider lippen in stil gebed....

Olaf staarde strak omhoog naar de zwarte wolken, zonder acht te slaan op

wat geschiedde om hem heen.

„Heer, ik ben bereid om te sterven, maar laat mij mogen strijden met de

booze machten ten einde toe. Een Noorman draagt niet tevergeefs zijn

zwaard!”

Het flitste langs de sterrenlooze lucht. Was het een antwoord uit den

hooge? In vervoering trok hij zijn wapen.

„Olaf, doorsteek mij! Ik wil naar Nevelheim! Daar is mijn gansche

voorgeslacht. Bij de christenen wil ik niet wezen, nooit! In hun hemel

noch in hun hel!” mompelde vrouw Sigrid. Zij zag zich, ontwaakt uit haar

verdooving, omringd door krijgsknechten. Ontsnappen was onmogelijk. Haar

mond verwrong zich van machtelooze woede.

Het antwoord bleef Olaf, in wiens hart afkeer streed met medelijden,

bespaard.

Met statigen galm klonk een heldere slag, plechtig, langzaam. Als een

mes doorsneed hij de ruimte en de ademlooze stilte waarmee zijn geluid

werd aangehoord. De eerste der twaalf slagen van zoo ontzaglijke

beteekenis, in schier verstikkend zwijgen verbeid!....

Nog een oogenblik heerschte de looden stilte, toen klonk een tweede

slag, een derde, toen blonk een roode gloed door de boomen als een kolom

van vlammen. Een zacht suizen verhief zich, dat toenam in kracht, dat

naderkwam met snelle vaart, met schier huilend geluid. Schrik en

verlammende ontsteltenis teekende ieders aangezicht: de ure was daar!

Tusschen de boomen nam de vurige gloed toe met ieder oogenblik; was het

de naderende wereldbrand? Dichter drong de menigte opeen, vijanden

drukten elkander als vrienden de hand, moeders klemden hun kinderen in

de armen, allen baden overluid....

Tusschen de snikkend geuite gebeden, mengden zich radeloos hulpgeroep,

woeste jammertonen, toen viel plotseling een nieuwe stilte in. Het was

of de verstijvende adem des doods reeds ieder beroerde.

„Bidden, laat ons bidden!” hijgde, snakkend naar adem een vrouw. Het was

haar laatste woord. Voorover plofte zij, levenloos van schrik.

Maar niemand verroerde zich, zelfs niet bij dit vreeselijk gezicht.

Allen zwegen en wachtten met gebogen hoofd, want het huilend geluid werd

tot een razenden storm, de boomtakken schudden wild heen en weer, schor

rolde de donder. Door de lucht klonken lang aangehouden, snerpende

kreten.... Henno mompelde op hollen toon:

„Nù komt het!”

„Stil! Stil!” werd hem toegefluisterd van allen kant. Een man hief de

vuist tegen hem op, hem dreigend met een slag. En al het volk zweeg,

ademloos. Maar buiten weergalmde opnieuw het jankend gehuil,

waartusschen schel blaffen, gillend krijschen zich mengde. Het was alsof

het voortstoof door de lucht, in wedstrijd met de jagende wolken, hoog

boven de hoofden der in ’t stof gebogen menschen.

„Wodans wilde jacht! Zijn gehelmde helden, de razende reuzen!”

schreeuwde een oude boer. Zijn gezicht was vertrokken, zijn oogen

staarden, zonder eenig geluid meer te kunnen geven viel hij als een paal

op den grond. Maar Lisa riep:

„De overste der duivelen is het met zijn gansche heir!”

Want weer joeg het over hen heen met gillen en fluiten en de menschen

trokken de schouders op als kinderen, die een doodelijken slag vreezen

en de kinderen zochten een schuilplaats bij hen. Maar plechtig als

psalmgezang boven het razen van den storm, klonk de stem van bisschop

Ansfried:

„Roept Hem aan in den dag der benauwdheid”....

En opnieuw verdrongen gebeden de angstkreten. En daartusschen dreunde de

donder en schoot de bliksem neer in verblindend licht. En geen oogenblik

bedaarde het loeien van den orkaan, het gillen der duivels met suizenden

vleugelslag in de wolken, het stampen, razen en kermen van het heir der

booze geesten. Hun hoeven sloegen tegen het dak der kerk tot zij werden

verdrongen door een nieuwe schaar demonen, wier vlerken schier zwiepend

klapwiekten tusschen het gebulder van den wind. Het scheen of de lucht

dreunde, alsof de kerkmuren wankelden en de aarde beefde....

„Waar blijven de reddende engelen? Opent alleen de hel zijn kaken om ons

te verslinden?”

Vraag vol doodsangst, die te lezen stond op van ontzetting schier

verstijfde aangezichten. En buiten antwoordden vleermuizen en katuilen

met krijschende kreten, met gillend lachen.

Verlamd, verbijsterd, als wezenloos knielden allen op den grond, die

onder hen scheen te trillen.

„Nu worden wij verpletterd, nu komt de groote brand, de sulfer en de

vuurregen!”

De vrouw van Bachevorth kermde het, haar bevende hand wees naar den

rooden gloed in het verschiet, achter de nachtzwarte boomen, heller van

gloor met ieder oogenblik. Zij rukte haar gouden ketenen, de

schitterende spang, die haar mantel bijeenhield, af en slingerde ze ver

van zich:

„Daar, duivels, dáár! God, ik voel Uw gericht! Het rust op mij, zwaar

als lood, als lood! Wees mijn arme ziel genadig!” In snikken smoorde

haar klacht.

„Ik dacht altijd het meest aan mijn eigen verdriet, omdat Yglo gevangen

was!” kreunde Henno met zijn gezicht stijf tegen den bodem. „Als ik

verpletterd moet worden, laat het dan niet lang meer duren! Ik sterf, ik

sterf van angst!”

„In de hel zal altijd die angst wezen,” mompelde iemand aan zijn oor en

Henno wrong de handen en verdubbelde zijn gebeden, terwijl de storm

raasde en het weer was alsof het over hen heentrok met gillen en

fluiten, paardenhoeven dreunden, zwartalven stoven krijschend voorbij

en wolven jankten met schel geblaf.

Gerlach boog het hoofd, hijgend, zijn gezicht was vaal, krampachtig

trokken zijn lippen.

„Dat is de dood!”

En weer ruischten als liefelijk harpgesuis te midden van den orkaan,

terwijl de kleine kerkvensters in gloed werden gezet door het licht van

den bliksem, dat flitste langs het donkere gewelf, de zachte woorden,

die toch drongen in ieders hart:

„Mijne kinderen, het sterven is gewin. Wie in God gelooft stijgt op tot

Hem, ook al dreigt duisternis en dood. Daar zal geen duivelenheir u meer

deren. Wat uw ondergang scheen, kan uw redding worden in Zijn hand.”

De grijze bisschop stond daar zoo kalm, er ging zulk een rust van hem

uit, het was of de zielevrede die blonk op zijn gelaat nogmaals de van

vertwijfeling verwrongen trekken der aanwezigen effende, er kwam weer

een weinig licht in de doffe oogen. Een zucht van verademing ontwelde

aller borst, de lucht scheen nu niet meer vervuld met een duivelenheir

aan den zwavelpoel ontstegen, dat hun ondergang zocht, om hen te kunnen

pijnigen.

En in volle kracht verhief zich nogmaals de stem van bisschop Ansfried

en zijn woorden gloeiden thans in hun hart, brandend als het laaiend

vuur, waarvan zij den gloed zagen in de verte, te midden der zwijgende

duisternis, maar louterend tevens. Hij wees op de verschrikkingen, die

ieder wachtten, welke thans berouw toonde alleen uit angst voor wat

komen ging, hij toonde het heil weggelegd voor allen, die niet met de

lippen maar uit den grond huns harten beleden:

„De Heer is mijn Herder!”....

Het was hun bij die woorden of zij uit het bulderen van den orkaan, uit

de zengende hitte der vlammen, die reeds naar hen grepen, kwamen in de

liefelijke stilte van het koele woud, waar de lofzang der vogelen trilde

en de reukoffers der bloemen omhoog stegen, waar de Gekruiste Christus

de armen uitbreidde naar allen, die vermoeid en beladen vluchtten tot

Hem, die alleen der gejaagde menschheid veiligheid kon geven en redding

uit ieder gevaar, waarmee haar het leven bedreigde of de dood.

Tranen stroomden over de wangen der vrouwen, hooger gloeiden de

gelaatstrekken der mannen, stemmen bevend van ontroering zegenden

bisschop Ansfried, die allen den rechten weg had gewezen, die ieders

leidsman wilde zijn.

„Niet mij! Kiest Christus tot uw Leidsman! „Ik ben de weg, de waarheid

en het leven!” Zoo luiden Zijn heilige woorden. Wat zoekt gij dan bij

menschen heul?”

Het was of een groote beweging ging door gansch de saamgedrongen schare.

Allen schenen gevonden te hebben wat zij zochten, ieder wilde zich

bekeeren tot God. Menig roodgeweend oog zocht opnieuw den bisschop.

„Vader Ansfried,”.... fluisterde veler trillende stem. En toen dachten

allen aan het verleden; aan het hunne. Hij had hun de leer der liefde

gepredikt en zij hadden zoo menigwerf niet geluisterd, hij had hun

zachtheid geleerd -- wanneer had die hemelgave hun woorden en daden

bestuurd? Barmhartigheid ook jegens vijanden luidde zijn eisch, haat en

wrok gaven hem het antwoord. En thans, nu zij ieder oogenblik

verwachtten de bazuin te hooren weerklinken van het jongste gericht, nu

de boeken zouden worden geopend en elk zich geoordeeld zou zien naar

zijn werken, de gloeiende zwavelstroom dreigde en het vuur en sulfer,

die de gansche aarde zouden verzwelgen, gelijk eenmaal Sodom en Gomorrha

werden weggevaagd, nu de vertwijfeling over hen kwam van het

onherroepelijk: „Te laat!”.... klonk zijn stem boven het bulderen van

den orkaan en het rollen van den donder als een lied van vrede en hope,

een psalm van heilig gelooven te midden van den zwarten nacht:

„Het is niet te laat! Het is nooit te laat! Gods hand rust zwaar op de

zondaren, maar opent zich mild voor allen, die Zijn zegen vragen, die in

Hem gelooven, en weten, dat wij allen uit genade zalig worden, opdat

niemand roeme! Hebt Hem lief, hebt Hem lief, zoekt alleen in Hem uw rust

en gij zult haar zeker vinden tot in alle eeuwigheid!”

Bisschop Ansfrieds woorden zwegen, maar het was allen of het plechtig

psalmgezang voortduurde, hymne van zielevrede en geloof, stammend uit

beter, heiliger oord, die het woest geweld der aarde breidelde, vredig

als de zilverschijn van het maanlicht, wanneer dit valt door

voortgezweepte stormwolken.

Een groote kalmte daalde in de harten der fel geschokte menschen.

„Heilige woorden, ruischend van den Heiligen berg,” fluisterde

Swanwitha’s zachte stem en het diep bewogen woord repte zich als

gevleugeld door het gansche kerkgebouw. Stil werd het binnen, waar allen

zich voelden beschermd en bewaard door de tegenwoordigheid van een

enkele die -- als eenmaal Henoch -- wandelde met God, die voor hen bad.

Stil werd het buiten, waar de storm zich legde en het gerommel van het

onweer nog slechts uit de verte werd gehoord.

Geruime tijd ging onder dezelfde ademlooze stilte voorbij... Was het

duivelenheir overwonnen door de engelen, die zouden komen en de

menschheid voeren ten gericht?

Maar geen bazuingeschal weerklonk, geen geruisch van blanke serafwieken

werd vernomen...

Stil bleef het, ademloos stil. Bisschop Ansfried zag neer op een in

gebed verzonken gemeente...

Niemand waagde zich te verroeren, maar toen eindelijk, eindelijk Olaf

moedig de deur openstiet, waarbij hij zoolang had geknield op den grond,

ontdekte ieders verbaasde blik de zon, die langzaam en statig zich

losmaakte uit de nevelen, welke haar glans onderschepten. Zij zagen den

bodem vast, onbewogen -- zij zagen, dat de aarde nog bestond.

Naar buiten snelden allen, wankelend, -- als in een droom. Zij zagen de

verwoesting aangericht door den storm, de gevallen boomen, de doode

vogels, vleermuizen met uitgespreide vlerken, katuilen met ronde,

starende oogen, zij zagen een wolf, gewond, soms nog flauw jankend en

blazend, waarschijnlijk vluchtend voor het weer, getroffen door een

vallenden boomstam, op den grond liggen met gebroken poot... Dat waren

de krijschende geluiden geweest, die zij hadden toegeschreven aan

helsche geesten, voortgebracht hadden hen de dieren van het woud, en de

uit angst voor het noodweer opgejaagde vogels. En toen gleed de door

dankbare tranen gesluierde blik der geredden over het glanzend

golvenvlak van de Eem en zij zagen het overschot der voor weinige dagen

zoo machtige Denenvloot teruggeslagen door den storm, ontredderd drijven

-- iedere bodem thans een wrak. Waren nog enkele schepen ontkomen? Zij

wisten het niet, zij vroegen het niet, zij zagen eigen leven gered, maar

meer dan dit, bevrijd hun volk en vaderland. Toen zocht menig oog de

plek, van waar zooveel onheil was uitgegaan, waar de eerste schakel

gesmeed was van den keten, die hen moest omknellen voor altijd -- en zij

zagen den Ravenhorst, zwart verbrand, een vormlooze steenklomp.

Had de bliksem zijn hooge transen neergeslagen, was het vuur op last van

vrouw Sigrid ontstoken, opnieuw aangewakkerd door den vliegenden storm

en had dit zijn werk verricht?

Niemand vroeg het. Met lippen, die een dankgebed stamelden, zagen vrijen

en hoorigen den dwangburcht vernietigd, die een schaduw des doods had

geworpen op geheel het omliggende land.

In het oosten kleurde een roode gloed den hemel en deed zijn

koepelgewelf opvlammen en stralen van licht.

Gezegend, heilig licht! Het gloeide op de kroongewelven der eiken, het

straalde tusschen de donkere takken der dennen, het glansde over weide

en veld. De schaduwplekken baadden in gloed, de wolken werden omzoomd

met een gouden glorie, en de golven der rivier weerkaatsten het

vlekkeloos blauw van den hemel. Licht was alles, enkel licht...

De grijze bisschop hief beide handen op, zegenend. Ook zijn gelaat

straalde als verheerlijkt, toen hij omgolfd door het licht, dat

neergleed van omhoog uitriep:

„De donkere nacht van vrees en verschrikkingen is voorbij, het is of de

aarde werd herboren. Mijne kinderen, houdt de gelofte afgelegd in het

geweldig uur, toen gij dacht weldra te zullen staan voor uw eeuwigen

Rechter, toen de buitenste duisternis dreigde en gij Zijn genade hebt

ingeroepen om Jezus Christus’ wil. Hecht nimmermeer geloof aan

menschenwoord, zoekt steeds uw rust in dat van God: „Deze dag en deze

ure weet niemand.”

En thans, dankt allen met mij onzen God, Die ons als een nieuw leven

schenkt op een nieuwe aarde.” Op de knieën zonken allen overweldigd door

wonderbare aandoening. Met een huivering van ontzag gevoelde ieder de

wijding van het oogenblik, niemand waagde bijna zich te bewegen. Weer

was het een oogenblik ademloos stil als dien eigen nacht. Toen echter

heerschte het zwijgen van den doodsangst, nu een onbeschrijfelijk gevoel

van verlossing en redding.

Aangezichten bleek van aandoening zochten den hemel, waaraan de zon

opging, eerst wemelend in teere ochtendtinten van opaal en rozerood, dan

opgloeiend in glanzend lila, in stralenbundels van vlammend karmozijn.

Het was alsof het rijzend licht in waarheid een nieuwen hemel deed baden

in gloed, of zijn goudglans viel op een nieuwe aarde.

En onder dien hemel, schitterend blauw met zacht verder drijvende

zilverwolken boog zich de gansche saamgestroomde menigte met tranen van

een geluk, dat de woorden miste om zich te uiten. Maar in vervoering

hief bisschop Ansfried de rechterhand op, omhoog wees hij, omhóóg.

„Ziet daarheen! Aanschouwt het licht! Geloofd hebt gij allen, dat de

aarde ten ondergang was gedoemd, een rilling van ontzetting, die de

voorbode scheen des doods, ging door uw leden en -- nu!.... Ziet

daarheen!

Thans is ieder hart een tempel des gebeds, en de hemelen schijnen

geopend. Het is of de wolken als zilveren booten zeilen langs de

stralende lucht. Engelen omzweven ons, hoort hun wiekslag! Neer dalen

zij terwille van allen, die bereid zijn hun goeden strijd te strijden

ten einde toe, wier namen zijn geschreven in het boek des levens.

Mijn verloste kinderen, toen de duisternis dreigde, hebt gij God

gezocht; vergeet Hem niet, vergeet Hem nimmermeer, nu het licht voor u

werd en gij Zijn eindelooze liefde ervaart met zijn grenzenlooze

erbarming. Houdt Hem vast, houdt Hem vast in leven en dood, Hij verlaat

nooit wie op Hem vertrouwen. Dan dragen u eenmaal de engelen in Zijn

eeuwig huis, waar de onsterfelijkheid uw deel, de oneindigheid uw woning

en de eindelooze gelukzaligheid uw toekomst zal zijn!”

Slechts tranen gaven hem het antwoord, zwijgende gelofte afgelegd in het

onvergeetlijk levensuur van allen, die de heilige woorden van geloof en

liefde en hope opvingen, ruischend als met engelenstem van den Heiligen

berg.

Tot die zwijgende gelofte overging in stil gebed, zich oploste in den

als bij ingeving door allen, die de woorden machtig waren, aangeheven

jubelzang:

„Te Deum laudamus: te Dominum confitemur

Te aeternum Patrem omnis terra veneratur.

Tibi omnes Angeli, tibi coeli et universae potestates:

Tibi Cherubim et Seraphim incessabili voce proclamant:

Sanctus, Sanctus, Sanctus!”....[25]

[25] Gezang 3 vers 1.

Toen de duisternis dreigde... · 第 33 / 38 题