De avond daalde over de heide, scherp teekenden zich de bruine lijnen
van het landschap af tegen het koepelgewelf der lucht. Het laatste,
gloeiend purper was reeds lang uitgewischt, thans werden de wolken
gekleurd door een vreemden, rossen gloed. Het was alsof het uitspansel
plotseling zou worden verduisterd, bloedig scheen de hemel door een
opkomenden lichten nevel.
Niemand der bestormers van den Ravenhorst sloeg er acht op. De breede
voorpoort van de buitenste gracht werd, na veel inspanning,
opengerammeid, neergelaten de onverdedigde brug. Thans was het
zegevierende landvolk de tweede gracht overgetrokken en dreunde onder
zijn bijlslagen de zware haldeur, waarachter de geringe bezetting
bescherming had gezocht, die met een flauwe poging tot verweer, haar
geringen voorraad pijlen afschoot door de smalle muuropeningen, meer
schietgaten dan vensters.
De bestormers waren aanmerkelijk versterkt. Graaf Balderik van Hamalant,
de bewindvoerder van Drenthe, had zich met een gedeelte zijner
wapenknechten bij hen gevoegd, de overigen vervolgden op koggen en
schuiten het overschot der Denenvloot, dat door de Eem het Almere
trachtte te bereiken.
Vrouw Sigrid zag het eene aan en het andere -- krampachtig waren haar
handen saamgewrongen, haar scherpe tanden knersten op elkaar. Zij stond
op den toren van het landkasteel, dat zoo menige bange klacht had
gesmoord achter zijn zware kerkermuren. Den wachter had zij weggedreven
met een snerpend:
„Ga naar beneden! Verdedig je lijf, als je niet even laf bent als die
daar!”
Haar hand wees naar de ontredderde, vluchtende Denenvloot. Met een
woeste beweging streek zij zich de grijze haren uit het gezicht, zij zag
de golven van de Eem, wonderlijk rood in de weerkaatsing der vreemd
gekleurde lucht.
„Ik wou, dat ze allen verbrandden!” Haar stem werd verstikt door
machtelooze woede, zij zag, dat alles verloren was.
Langzaam ging zij de steenen trap af, naar beneden, duizelend, tastend
naar een steun, zij, de vrouw, wier geestkracht steeds die van menigen
man had overtroffen. Zij had alles verwacht van de aarde en nu de
aardsche macht haar ontzonk, blikte zij in de leege ruimte, zocht zij
tevergeefs naar een staf om op te steunen.
Zij begreep, dat het volk algemeen in opstand was gekomen tegen de
vermetele indringers. Plotseling zag zij allen, op wier bijstand zij
vast had gerekend, tegen zich gekant. Van een gravinnekroon had zij
gedroomd, als de regentes Luitgarde van Kennemerland sierde en de
werkelijkheid zou haar aanschouwen als gevangene of vervolgde
vluchtelinge....
Het was haar eensklaps of zij door vlammen werd omringd, een verterend
vuur, dat zij zelf had ontstoken. Een donkere gloed trok bij dit
denkbeeld over haar strenge trekken -- wees het haar een uitweg?
Zij trad in de hal, waar zij de verdedigers vond van haar huis,
moedeloos, tot onderhandelen met de bestormers bereid -- hun laatste
pijlen waren verschoten.
Swanwitha zag zij er bleek, gelaten tusschen de jammerende vrouwen.
Olaf, ernstig en kalm, bevond zich aan haar zijde. Hij had de
kortstondige verdediging bestuurd, nadat de aanval, op last van vrouw
Sigrid zelf, zijn kerker had ontsloten. Nu beraadslaagde hij zacht met
Lars, den ouden slotvoogd.
Zij zag hem aan zooals een jager dat een gewonden wolf zou doen. Moet
hij den genadestoot nog hebben of heeft hij dien al beet?....
Maar geen radeloosheid, wel berusting las zij op zijn trekken. Het zou
dus aan haar zijn, hem dien stoot te geven.
Zij wenkte hem met den slotvoogd haar te volgen, Swanwitha nam zij bij
de hand. Naar het kleine torenvertrek ging zij hen voor. Het eenige
venster gaf het uitzicht op het voorplein, zij aanschouwden den dichten
drom der bestormers. Weldra zou de poort bezwijken.
„Ik heb heden een brandend schip gezien” -- ving zij aan. „Ik benijdde
allen, die zich er op bevonden. Zij vallen niet in de handen van dàt
gespuis.”
Verachtelijk wees haar hand naar beneden. Zij wist niet wie zich had
bevonden op dat brandende schip! Bitter ging zij voort:
„Ik kon hun dood niet deelen, maar ik wensch voor mijzelve een gelijk
einde. Ik zal nooit als gevangene staan voor dien christen-bisschop. Er
zijn pekkransen en teertonnen en ontvlambare stoffen genoeg in de
kelders.”
Zij wendde zich tot Lars, gebogen door de jaren, door den druk der
dienstbaarheid.
„Hoop ze op en steek ze aan. Gelast allen hier bijeen te komen. De
christenen mogen ervaren, dat niet slechts Odins zonen dapper en
onversaagd weten te sterven, maar, dat ook de vrouwen der Noormannen de
kracht bezitten om kloekmoedig hun lot tot het hare te maken.”
Zij was altijd een onverschrokken vrouw geweest, zij bleef zichzelve
gelijk tot het bitter einde. Olaf voelde de bewondering, die moed altijd
verwekt, maar met meewarigheid vermengd -- het was een wanhoopsdaad uit
trots en zelfzucht geboren. Ernstig zag hij haar aan:
„Wat gij van plan zijt is misdadig. Gij hebt u zelve het leven niet
gegeven, het behoort u niet toe. Zegt de stem van uw geweten u dan
nooit, dat het leven u werd toevertrouwd als een gift van omhoog, als
een ernstige plicht, die vervuld moet worden tot den laatsten
ademtocht, die u wordt geschonken! Geleend goed is ons aardsch bestaan,
wie heeft recht het te beschouwen als zijn eigendom? De Almachtige, die
den mensch het leven gaf snijdt het af, als Hij de ure gekomen acht, en
Hij, die de ziel terugeischt voor hooger bestaan, zal ook eenmaal zijn
schepselen oordeelen naar hun daden.”
Sprakeloos had zij hem aangestaard, hem laten uitspreken, als verstond
zij de woorden niet, die in haar oor drongen. Met een schier
waanzinnigen blik zag zij op tot de hooge gestalte van den jongen
Viking. Op Olafs edel gevormd voorhoofd las zij met den moed om pal te
staan voor zijn overtuiging, onwrikbare wilskracht. Hier zou bedreiging
baten noch bede, zij begreep het. Woede over het mislukken van haar plan
met den eigenzinnigen trots, die nadenkt noch denkt aan toegeven, namen
bezit van haar geheel.
Minachtend zag zij Olaf aan:
„U veracht ik, want gij zijt een christen. Eerder had ik verwacht, dat
Muspelheims vuurvonken zouden neervallen om ons allen in vlammen te doen
opgaan, dan, stoute Viking van weleer, dit te vernemen van u! Gij een
slaaf van den witten Christus, gij!”
Zij slingerde hem haar woorden tegen, als wilde zij hem geeselen met het
scherpste wapen, dat bestaat: de tong.
Maar hij hief de hand op ernstig, waardig:
„Geen slaaf, maar een mensch van eerbied doordrongen voor de hooge,
edele leer van den Gekruiste. Wat acht gij meer verheven: het leven te
ontvluchten door een lafhartigen zelfmoord of boete te doen voor begaan
onrecht en het aardsche bestaan te maken tot voorbereiding voor de
onsterfelijkheid, weggelegd voor allen, die God liefhebben boven alles
en hun naasten als zich zelven?”
Geen antwoord keurde zij hem waardig, den slotvoogd dreef zij voort met
een kort bevel. Olaf trad haar in den weg:
„Het zal niet geschieden! Gij moogt deze menschenlevens, -- de meesten
zijn vrouwen en kinderen -- niet opofferen aan uw waanzinnigen trots!”
„Wat deren mij die wezens! Alles heb ik gewaagd om groot te zijn en de
heerschappij ontvalt mij nu ik haar gegrepen waande. Men zal mij
bespotten, en -- vergeten. En, dàt duld ik niet -- nòòit! -- Ik zal mij
gehaat maken in den dood, meer dan ooit in het leven. Zoo zal ik
voortbestaan in de herinnering van dit volk. Mijn naam zal slechts met
afgrijzen worden geuit, maar hij zal worden meegedeeld aan de
geslachten, die thans nog niet zijn. Voortleven zal ik, beladen met een
vloek en -- dat is de onuitwischbaarste herinnering.”
Welk een verschrikkelijk gesprek in dit vreeselijk oogenblik! Het was te
veel!
Schreiend klemde Swanwitha zich aan haar vast:
„Grootmoeder! Grootmoeder, heb medelijden met ons -- met u zelve!”
Met een ruk stiet vrouw Sigrid haar terug:
„Ga weg! Smoor in de vlammen mijnentwege. Hoe heb ik je altijd gehaat!
Je te zien was een onafgebroken marteling, want in iedere lijn van je
wit gezicht geleek je háár. Weg, kleindochter van Hereswit van Strijen!
Weg!”....
Haar laatste woorden smoorden in een oorverdoovend gekraak.
Een dichte wolk van smook dwarrelde naar boven. In het vertrek werd het
tot stikkens toe benauwd, de hitte kwam nader....
„Lars heeft mijn bevel volvoerd! Weldra verbranden wij met dit geheele
onzalige ravennest tot asch!”
Een krijschende lach vergezelde haar woorden. Vastbesloten greep Olaf
Swanwitha’s hand.
„Kom mee, naar beneden! Ik zal u trachten te redden!”
Toen keerde hij zich nog eens, reeds bijna op den drempel van het
vertrek, tot vrouw Sigrid.
„Gij zult geen nieuwe schuld op u laden! Ik zal het voorkomen!”
„Mij belet niemand wat ik wil!”
Zij was hem voor geweest bij de deur, nu werd die met een slag
dichtgeworpen.
„Verbrandt dan samen! Voor de Denen is alleen de naam van christen reeds
een doodvonnis!”
In een schamperen lach smoorden haar woorden. Haar vaste schreden
klonken op de steenen wenteltrap. Zij ging om te zien haar triomf, de
zegepraal van een demon.
Ook Swanwitha hoorde het knappen van hout, het knetteren van het vuur,
zij wist, dat haar dood nabij was en, dat zij dan zou staan tegenover
God. Zij voelde wel de hitte naderkomen, de laaiende hitte maar het
verschrikte haar bijna niet, zij dacht alleen aan het einde, dat zoo
snel naderde, dacht, dat zij dan haar ziel zou teruggeven aan Hem, Die
haar had geroepen in het leven. En zij voelde zich als een slaaf, die
zijn ketenen afwerpt, als een vlinder jubelend opstijgend in het
zonlicht, na duisternis en winterkou.
„Het scheiden is niet zwaar,” fluisterde zij voor zich heen. „Waarom
vreezen wie God liefhebben den dood? Zij gaan toch uit de duisternis
naar het licht?”
Door haar gedachtenstroom drongen de verwarde strijdkreten, het
kletteren der wapens, vermengd met triomfgeroep en wraakgeschreeuw -- de
droevige klanken der aarde. Het was haar of al dat tumult ineenvloeide
en zich vormde tot een enkelen kreet: die der gehoonde menschheid en zij
dacht, dat het leven veel zwaarder was dan het sterven. Waarom was dit
zoo, waarom?
Dichtbij, héél dicht, hoorde zij nu al het woeste gedruisch, dat gevecht
en dood vergezelde, maar daartusschen klonk iets anders.
Het was of een plechtige stem tot haar sprak, langzaam, duidelijk, of
zij het verstond boven het geraas van den strijd:
„Wat het leven zoo zwaar en bitter maakt is, dat de menschen elkander
haten in plaats van liefhebben. En wanneer iemand sterft, dan wordt alle
haat uitgewischt; daarom is de dood minder hard dan het leven, daarom is
de liefde sterker dan de dood, want zij alleen is het die hem heeft
overwonnen.”
Toen zij dat zachte woord had verstaan, werd een plank der deur
ingetrapt, splinters en spaanders stoven rond, een bijlslag vergrootte
de gemaakte opening, gepantserde gestalten drongen binnen, Unruoch
bevond zich aan hun hoofd. Met een snelle beweging nam hij Swanwitha in
zijn sterke armen en droeg haar de nog veilige steenen trap af naar
beneden, waar zijn strijdbende trachtte de vlammen te dooven.
Naar buiten bracht hij haar. Onder zijn bijlslagen was de voor poort
bezweken -- zij was gered.
Unruoch zag om zich heen, de weinige verdedigers van den burcht, allen
gewond, drongen op elkaar, de vrouwen klemden hun schreiende kinderen
vaster in de armen.
Uit de groep trad Olaf naar voren, recht toe op den aanvoerder:
„Schenk jonkvrouw Swanwitha goed geleide en de vrijheid om te gaan waar
zij wil. Zij is onschuldig aan al deze gruwelen. Wat mij betreft: ik
geef mij aan u over. Het is niet mannelijk, maar lafhartig
menschenlevens of zich zelven noodeloos op te offeren voor een verloren
zaak. Wie beslist welke taak mij nog is bereid in het leven? Ik zal het
afwachten.”
Een stem schor van haat en woede brak zijn woorden af.
„Ontvang je loon nog voor je taak aanvangt. Daar, dáár!”
Vrouw Sigrid had een weggeworpen mes gegrepen; wit van drift slingerde
zij het Olaf naar het hoofd. Het trof zijn hals, zijn bloed vloeide.
Swanwitha strekte de armen naar hem uit, vrijwillig voor de eerste maal.
„Mijn lieve zuster, heb dank.” Fluisterend klonk het, en het was Olaf
bij die woorden, alsof hij nu in waarheid geheelen afstand van haar had
gedaan. Maar in de droefheid, die opnieuw bezit van hem nam, mengde zich
nog een ander gevoel. Hij wist nu, dat de godsdienst der christenen niet
alleen groot, maar ook dat hij goed was. Want wie, die zich zelven
zocht, was dit ooit? En deze godsdienst eischte geheelen afstand van
eigen ik, van alle aardsche verwachtingen en wenschen. „De liefde zoekt
zichzelve niet.” Eens had hij die woorden gehoord, nú begreep hij ze
geheel.
Maar de opschudding door vrouw Sigrids woeste daad ontstaan, voerde hem
terug tot de bittere werkelijkheid.
Met een vasten greep had Unruoch haar hand omklemd. Want weer had zij
het mes opgeraapt van den grond.
„Bind haar!” klonk nu zijn kort bevel; zij verweerde zich met vuisten en
tanden, wit schuim beefde op haar vertrokken lippen.
„Geef mij een mes, een zwaard! Doorsteek mij, laat mij het mij zelve
doen! Ik wil niet als gevangene naar.... Ik wíl niet!”...
„Zij is razend!” mompelden de speerknechten, die haar in hun midden
namen en trachtten weg te brengen op Unruochs last.
Niemand sloeg langer acht op haar woorden of bevelen! Dit deed den
beker overloopen voor de trotsche vrouw, bewusteloos sloeg zij neer.
Unruoch had intusschen bevel gegeven de kerkers te openen. Onder de
bevrijden was ook Yglo. -- Nu wendde hij zich tot de droevige groep,
waarvan Swanwitha en Olaf het middelpunt vormden. Ook in zijn borst
streden plichten en wenschen om den voorrang. De eerste verwonnen.
„Ik zal voor hem doen wat ik kan bij den bisschop. Gaat nu beiden mee,
mijn boogschutters zullen hem dragen,” sprak hij tot Swanwitha.
Hij wilde haar met geen enkel woord herinneren aan de eens in een
wonderzalig uur afgelegde gelofte. Was voor haar slechts kinderlijk spel
geweest, wat voor hem hooge levensernst was geworden? Hij wist het niet,
hij vroeg het niet, hij voelde de hand van den plicht, die hem voerde op
zijn levensweg....
De sombere stoet van menschen met gezengde haren, bloedend uit meer dan
één wond, of afgemat door kamp en strijd, trok over de brug van den
Ravenhorst. Aan het hoofd reed Unruoch; op zijn bevel was ook voor
Swanwitha een paard gebracht, zwijgend ging zij voort aan zijn zijde. Op
een baar, gevormd door gekruiste speren, met een wijden mantel bedekt,
rustte Olaf. Een ruiter had vrouw Sigrid, nog steeds bewusteloos, voor
zich op het paard gelegd. Diep haalde menige vrouw van het burchtgezin
adem, toen zij zich bevrijd zag uit het verschrikkelijk verblijf, waar
soms nog kleine vlammen opflikkerden als zooveel vurige tongen.
„Hij alleen heeft ons gered van den vuurdood!” fluisterde er een op
Unruoch wijzend.
„Maar hij wilde het ook doen,” hernam een ander en dankbare blikken
gleden over Olafs kleurloos gelaat.
Ja, gered waren zij, gered!
Zij stonden en zagen het welbekende landschap, zoo rustig nu en vredig:
de heidehoogten met donkere dennen begroeid, het zilveren water van de
Eem. Een overweldigend gevoel van verlossing en bevrijding rees in aller
hart. Slechts enkele vluchtige oogenblikken.
Eensklaps begon het te druppelen uit de wolken met hun vreemden rossen
gloed. Ruischend viel plotseling de regen neer, een regen rood als
bloed. De doodsverf der ontzetting streek zelfs over de aangezichten der
ruwste krijgers, een steunend geluid drong uit menige dappere borst, het
vreeselijk wonder deed het bloed stollen in ieders aderen.
De ondergang der wereld! Zij hadden de steeds met zooveel angst
aangehoorde voorspelling vergeten in de hitte van het gevecht, bij de
woede der vervolging.
Doch zoo was het dan waar, wààr! Zoo was thans het uur aangebroken,
juist als werd voorspeld, met den langsten dag, die ten einde neigde.
Als middernacht aanbrak dan.... Doodsangst vereende zich in één enkelen,
door merg en been dringenden kreet. Het was of een schot vloog uit
ieders keel. En de regen ruischte, ruischte aldoor.... de bloedregen!
Steeds grooter werden de druppels, rood verfden zij heide en
struikgewas, rood de sidderende aangezichten en angstvol opgeheven
handen der menschen. Op de knieën zonken allen, snikkend, kermend,
rillend van vrees meer dan ooit te voren. Wanhoopskreten met tranen en
afgebroken gebeden vermengd stegen op naar de wolken:
„O, Heer, wees ons genadig! Erbarm u onzer, o, Heer!”
Een gedaante, als uit den grond opgerezen, stond eensklaps tusschen de
knielende, in radeloozen angst saamgedrongen menigte.
Niemand herkende in het eerste oogenblik de oude Lisa, die altijd zoo
gebogen en droevig rondsloop. Zij droeg een schoonen hoofddoek en stond
rechtop vol kalmen ernst. Haar oogen, anders meestal neergeslagen,
zochten nu de door doodsangst verwrongen trekken van het knielende volk.
Een ongewoon zachte uitdrukking lag op haar gerimpeld gezicht, toen zij
sprak -- sommigen meenden, dat zij tranen in de oogen had:
„Ik ben gekomen om u allen te zeggen, dat gij niet bang behoeft te zijn,
want de Heer Jezus leeft en Hij zal over ons waken. Hij zal in het
verschrikkelijke oogenblik zijn engelen zenden om ons te voeren naar een
betere wereld. Komt, gaat allen mee, dáárheen! Daar bidden zij en wie
bidt heeft niets te vreezen, want onze God is de hoorder der gebeden!”
Zij hief de hand op en aller oog volgde zonder onderscheid, die
beweging. Hoog op den heuvel zagen zij den Hohorst met de kleine kerk,
geblakerd en zwart geschroeid door een plunderende Denenhorde, maar
toch onaangetast door het vuur, dat het woongebouw verteerd had. Helder
licht straalde uit de kleine vensters, de klok begon te kleppen met
zilveren klank....
„Daarheen! Daarheen!”....
Met hijgend verlangen, als zagen zij een vluchthaven ter redding en
veiligheid in den uitersten nood, richtten de in ’t stof gebogenen zich
op.
Van enkele op de Denen veroverde schepen was reeds te voren een brug
gevormd, dwars in de rivier, op Unruochs bevel, toen hij bisschop
Ansfried in veiligheid bracht uit het krijgstumult van het slagveld.
Over die wiegelende bodems stroomden thans allen....