Ondanks het heftig verzet van Rolfr Jarl was het gansche platte land om
Wyc en ten laatste die stad zelf, door de Denen geplunderd en
gebrandschat. Tevergeefs had hij geraden, gedrongen om terstond naar
Utrecht op te rukken, had hij gewaarschuwd voor de voortvarendheid van
bisschop Ansfried. Niemand der strijders, brooddronken van roof en
gemakkelijk vergaarden buit, sloeg acht op zijn woorden. Zelfs de voor
dezen tocht door hen gekozen „zeekoning”, Viking Harald Sigvatr, haalde
de forsche schouders op.
„Laat hen! Wij zijn sterk genoeg om over eenige dagen ook Utrecht in te
nemen en plat te branden. Nu Wyc in puin ligt kunnen wij het immers
gemakkelijk bereiken, zegt gij. Gun hun dus dit tijdverdrijf, zij hebben
een zware zeereis doorgemaakt.”
Rolfr Jarl was genoodzaakt toe te geven. Het kostte hem reeds moeite
genoeg den Viking te doen gelooven, dat Olaf door ongesteldheid werd
weerhouden zich bij het leger te voegen.
„Een Noorman is niet ziek, maar strijdt tot hij sterft om door Walküren
te worden gevoerd in Alvaders hal.”
Met verstoord wenkbrauwfronsen had Harald Sigvatr zich afgewend, terwijl
hij dit antwoord gaf en ten tweeden male was Rolfr verplicht te zwijgen.
Zoo waren drie dagen voorbijgegaan. Thans verrees de zon omgolfd door
breede stralenbundels van purper en goud, een wonderschoone dag was
verrezen. De Noormannen juichten. Midzomer was daar. Nog dien eigen
avond zouden ruiters en rossen den sprong wagen over het hoogvlammende
vuur. Gelukte die sprong, een jaar van heil wachtte den voorspoedigen
ruiter. Bij harpslag en bekerklank werd hij gehuldigd, heil hem
toegedronken bij het schallen der horens. Maar eerst zou de rijzende dag
allen voeren ten bloedigen wapendans....
De laatste hoeven gingen in vlammen op, nog een enkel uur was allen
toegestaan om de waarderobe te vergrooten, die reeds in het scheepsruim
was geborgen, dan gold voor het leger Utrecht als eerste doel van den
verderen tocht, terwijl de vloot verder zou opzeilen. Reeds werden de
ankers gelicht, ongeduldig wachtte de man aan het roer op het sein van
vertrek.... „De wind, die den wil der goden weet, wijst den weg,
welgevallig blaast hij bollend de zeilen”.... zong bij zijn harp Rolfrs
grijze Skald...
Eenige uren waren voorbijgegaan, weldra zou de zon haar hoogste punt
bereiken, gloeiend als een gouden brand waren haar stralen, zij
verzengden het gras, en bedwelmden de menschen. Keerde daarom een kleine
bende, die had gezwermd door het veld, zoo overhaast terug? Zocht zij de
schaduw der boomen bij den middaggloed, of was daar een andere reden?
Onder de groene bladerzee van een breeden eik ging Rolfr Jarl ongeduldig
op en neer. Ademloos berichtte hem de aanvoerder der bende:
„Jarl, een talrijke krijgsmacht rukt aan op den heirweg. Zij komt van de
zijde waar Utrecht ligt. Een grijsaard rijdt aan de spits naast een
gepantserden ridder, boven hun hoofd wordt de banier van Sint Maarten
geheven, violetkleurig is de mantel van den grijsaard”....
Een met moeite bedwongen kreet ontsnapte Rolfr.
„Hij of ik! Lang geleden heb ik het gezworen, nu is het uur
aangebroken!”
Het was of hij voor het laatst zijn woest, teugelloos leven langs zich
zag voorbij trekken, met de eenige taak, die hij zich ooit had gesteld.
Medelijden met den man, dien hij reeds zooveel leed had berokkend, kende
hij niet. De schande die hij, bij nederlaag, over zijn eigen hoofd
bracht deerde hem evenmin, de verachting der menschen was hem
onverschillig. Wraak riep hem en voor die roepstem was hij nooit doof
geweest of had hij geaarzeld met zijn antwoord.
Ook thans zette hij zijn horen aan den mond, ver in het rond schalde de
toon. Hij wist, dat de Denen hun tegenstanders ver in aantal
overtroffen, hij voelde zijn macht, dàt was leven.... „Rolfr Jarl
geneest heden zijn wonden, al bekoopt hij het met den dood,” mompelde
hij voor zich heen. Toen zond hij zijn ruiters weg om plunderaars op te
vangen, om anderen, die mondvoorraad roofden, te zoeken. De bewakers der
vloot werden gewaarschuwd, de voetknechten in slagorde gesteld. Weldra
zetten zij den weg af of lagen verborgen tusschen het kreupelhout,
waardoor de heirbaan werd omzoomd. Zoo wachtten de Denen de mannen van
Sint Maarten af. Nog enkele oogenblikken en een plechtige zang golfde
hun tegen. Door de geestelijken werd hij aangeheven, die de banier hoog
hielden boven het hoofd van den bisschop. Voor zoover zij latijn
verstonden vielen de leeken mee in:
„Media vita in morte sumus,
quem quaerimus adjutorem,
nisi te domine, qui pro peccatis
nostris juste irasceris
Sancte Deus[24]
Terwijl ruiters en voetknechten in dichte gelederen naderkwamen, zagen
zij de donkere menschenschaduwen op het groene veld. Wapens flikkerden
en daarboven straalde de zon en weerkaatste haar glans in die werktuigen
des doods.
„Unruoch, hoe groot schat gij den vijand?” vroeg de bisschop.
Unruoch hief zich op in de stijgbeugels:
„Het kreupelhout glinstert van wapens, de heirweg en de stroom zijn vol
helmen en houwers, vele honderden in aantal, gewis. En ginds rent een
dicht aaneengesloten bende het veld in en vele schepen der vloot varen
met hun bemanning rustig verder. Daar wordt geen boogschot gedaan, geen
pees gespannen. Willen de Denen ons omsingelen of den terugweg
afsluiten?”
„Dat moet hun worden belet!”
De stem van den bisschop klonk boven gedruisch en wapengekletter als
vele jaren vroeger, toen zij haar bevelen gaf in het ruitergevecht. Hij
wenkte graaf Frethibold aan zijn zijde. Zacht maar zakelijk klonken zijn
woorden. Toen werd Henno, wiens reis naar Aken niet noodig was geweest,
met Gerlach, waarmee hij groote vriendschap had gesloten, teruggezonden
naar Utrecht.
„Het is hoog tijd, dat wij komen!” riep Unruoch weer. „Ziet dien rooden
gloed in de verte! Weer branden er hoeven!”
„Daar ligt, geloof ik de Hohorst; heer bisschop, red uw stichting!” viel
graaf Frethibold in.
Bisschop Ansfried schudde het hoofd: „Wij mogen onze geringe strijdmacht
niet verbrokkelen. God zelf zal haar beschermen, redden wij de vrouwen
en kinderen, die te Utrecht weerloos achterbleven voor het geweld der
Denen!
„Ziet, daar rennen reeds de voorste ruiters!” hernam Unruoch. Hij rukte
zijn zwaard uit de scheede en zwaaide de kling boven zijn hoofd.
Graaf Frethibold smoorde een bitteren uitroep: in hun aanvoerder had hij
Rolfr, „den Deen” herkend.
„Groote God, sta ons bij in den ongelijken strijd!” fluisterde bisschop
Ansfried. Want de vijanden overtroffen ver in aantal zijn geringe macht
van te voet vechtende soudenieren en den slechts half voltalligen
heerban.
„Wij strijden voor vrijheid en recht. Die wetenschap schenkt iederen arm
tienvoudige kracht!” riep Unruoch, met gloeiende trekken.
„Steekt de horens, zwaait de banier! Laat een zang van zege en glorie
weerklinken!” klonk het bevel van den bisschop.
„Wie weet hoe ras overstemd door de bazuin van het jongste gericht,”
mompelde graaf Frethibold zacht. Maar hij gaf het verlangde teeken. Van
beide zijden suisden de eerste pijlen, zij troffen geen wit. Als
verbijsterd was de kleine ruiterbende, hiermee ook het voetvolk in
verwarring brengend, teruggedrongen op het gezicht van de breede
gevechtslinie der Denen. Toch zagen zij die niet geheel. De
linkervleugel werd verborgen door bosch en kreupelhout, zoodat het
gedeelte, door graaf Frethibold als uiterste stelling aangezien, alleen
het centrum vormde. Een derde der tegenstanders bleef zijn geringe macht
op deze wijze onbekend -- tot haar geluk.
„Voorwaarts kinderen! Waarvoor zoudt gij vreezen? Met dien ongeregelden
hoop komen wij spoedig klaar!”
Door Unruoch en zijn onmiddellijk gevolg omringd snelde hij zoo
onstuimig voorwaarts, dat de aarzelende ruiters, die nu weer stand
hielden, zich nauwelijks bij hem konden aansluiten.
Zonder zich te verroeren wachtten de in kamp en strijd vergrijsde Denen
-- Harald Sigvatr en Rolfr Jarl bevonden zich aan hun hoofd -- de
naderstormenden af. Zonder een speer te werpen of een boog te richten,
lieten voetvolk en ruiters -- het waren meest in ’t land geroofde
paarden, die de Denen bezaten -- hun tegenstanders naderen.
„Schiet nu! Stoot toe!” beval Harald. En met de snelheid van het
weerlicht wierp zich het geheele centrum op ruiters en rossen. De schok
was geweldig; de voetknechten sneden de pezen der paarden door, om
daarna handgemeen te worden, de ruiters bekampten elkander met het
zwaard. Maar kloek hielden de burgensen stand.
„Vooruit kinderen! Houdt u goed! De zege is ons!” riep hun aanvoerder.
Zijn blinkend zwaard schoot vonken, allen vooruit drong hij in op den
vijand. Met verbazing zag de bisschop het. Was dat de sombere, hopelooze
gouwgraaf van weleer? Dicht aaneengesloten volgden hem de soudenieren,
als een hagelstorm bij winternacht snorden hun pijlen van den boog.
Eensklaps dreef een gepantserde gestalte zijn paard door den warrelklomp
van strijders. Het was Rolfr Jarl. Hij had den veel gehate, lang
gezochte in het oog gekregen. Trotsch strekte hij zijn hand uit, het
was als wilde hij haar leggen niet op den man, voor hem, maar op de
macht, die dezen behoorde. Zijn stem klonk hijgend:
„Laat mij door! Een zwaardslag moge eindelijk tusschen ons beslissen!
Laat zien of zijn witte afgod hem beschermt!”
Met een forschen sprong van zijn vurig paard brak hij zich baan en
bereikte den bisschop, die hem afwachtte ongewapend, onbevreesd.
„Sterf christen!” hoonde de Noorman, en hief met beide handen zijn breed
slagzwaard op.
„Maar gij het eerst!” dreigde graaf Frethibold, naderspringend op zijn
zwarten hengst. Meteen stiet hij zijn zwaard in de okselholte van Rolfrs
pantser, waar dit onbeschermd was door den hoogopgeheven arm, die het
zwaard richtte. Het wapen ontviel de geweldige vuist van den Noorman,
kermend stortte hij uit den zadel, paardenhoeven gingen over hem heen.
Verbijsterd van schrik zagen zijn ruiters hem vallen.
„Rolfr Jarl, de onkwetsbare en reeds nu, bij het eerste treffen!”
In verwarring wendden zij hun paarden, sleepten anderen mee. Het gevecht
dreigde te ontaarden in een wilde vlucht.
Harald Sigvatr zag het. Hoog zijn reusachtige gestalte opheffend,
trachtte hij de vluchtelingen tot staan te brengen met beloften en
dreigende woorden.
„Vernietigt hen of zij doen het u! Op! Den vijand tegen! Hij vlucht
reeds op uw gezicht!”
„Zegevader, bij u is de overwinning!” juichten vele stemmen. Terwijl op
zijn bevel het beweginglooze lichaam van Rolfr Jarl naar een der schepen
werd gedragen, volgden de Denen opnieuw hun onverschrokken Viking. Uit
het kreupelhout vloog thans een wolk van pijlen.
„Knielt! Dan snorren zij over uw hoofden heen! Mikt op het kreupelhout,
daar glinstert het van stormkappen en wapens!” beval graaf Frethibold.
Het was of hij in zijn borst al de pijlen wilde opvangen, die zijn
soudenieren moesten treffen.
Te midden der wilde, vernieuwde worsteling stormde een kleine drom
Deensche voetknechten onstuimig op hem in. De beide eersten reed hij
omver met zijn paard, doch in het eigen oogenblik suisde een speer: op
de voegen van zijn rusting, bij den halsberg was zij gericht. De stoot
zou doodelijk zijn geweest, indien Unruochs zwaardhouw de spits niet had
gescheiden van de schacht. Hoog wierp hij haar over de rijen der
strijders, toen stiet hij den voorsten aanvaller terug en reed diens
makkers onder den voet. Verschrikt vluchtten de overigen, graaf
Frethibold greep de hand van Unruoch:
„Hoe zal ik u ooit kunnen danken, gij hebt mijn leven gered!”
„Spreek daar niet over! Gij zoudt hetzelfde voor mij hebben gedaan!”
Beider oogen ontmoetten elkaar en de gouwgraaf verbleekte. Moest hij
zelfs te midden van het rumoer van den slag worden herinnerd aan zijn
verloren geluk? Lang geleden had hij dien zelfden blik gezien -- in de
zielvolle oogen zijner vrouw.
Maar thans gonsden opnieuw uit het kreupelhout aan weerszijden van den
weg de pijlen in zulk een dichte menigte, dat zij vriend en vijand
tegelijk troffen. Onafgebroken klonk het snorren der pezen, het suizen
der pijlen. Menige strijder viel, de ruiters met hun paarden, de
voetknechten waar zij stonden.
Rondom de banier, die nog steeds boven het hoofd van den bisschop haar
breede banen uitsloeg, had zich een uitgelezen groep geschaard. Het werd
een zware kamp. Met woord en voorbeeld moedigde Harald Sigvatr zijn
Denen aan, zelf stormde hij aan hun hoofd los op de ijzeren haag van
schilden en speren. De levenlooze lichamen der neergehouwen helden van
beide zijden lagen dooreen in groot aantal. Het bracht niemand aan het
wankelen. De dooden hadden hun plicht gedaan. Vol mannenmoed volgden de
levenden hun voorbeeld. Het zwaard van Harald deed opnieuw een
bloedstroom vloeien, zijn oog en doel bleef de verachte bisschop der
christenen, en de banier met het kruis. Tot nu toe was zijn aanval op
dit symbool der christenheid tevergeefs geweest, het zou niet langer
zijn. Zijn hand greep de gewijde vaan, een krakende slag spleet reeds de
schacht, toen een luid geschreeuw op den heirweg hem het hoofd deed
omwenden. Die beweging, vluchtig als een ademtocht, besliste den strijd.
Met beide handen zijn geweldig zwaard opheffend, scheidde de gouwgraaf
met een enkelen dreunenden slag hem het hoofd van den romp en terwijl
de Denen, in verbijstering over den dood van hun aanvoerder, de wapens
neerwierpen, greep Unruoch het paard van den bisschop in den teugel en
voerde hem weg uit het woest tumult naar veiliger, vrediger oord: den
Hohorst. Op den heirweg vertrapten in wilde vlucht de Denen elkander in
hun waanzinnige haast om op de schepen hun leven te redden. Want de
achterste gelederen keerden zich tegen de voorste en versperden dezen
den doortocht. Als een verward kluwen betwistten de Denen elkander
iedere schrede, het dreigend geroep herhaalde zich: een kleine bende
landbewoners uit den omtrek, door Henno aangevoerd, stormde onder luide
verwenschingen in op de achterste gelederen. Sommigen van hen waren
tegenwoordig geweest bij het offer, door Rolfr Jarl gebracht. Zij
herinnerden zich de woorden, door hem bij den grafheuvel van Roruk
gesproken -- dat was dan de uitkomst van zijn voorzeggingen en beloften!
Een nieuwe inval der moordende en plunderende Deensche benden!.... Haat
en woede maakte van geringe vrijen, van de meest verachte eigenhoorigen
helden. Zij volgden Henno, die zich aan hun hoofd stelde zonder beraad.
Zwervend door het veld, beroofd van hun ellendige woning of geringe
have, hadden zij, zonder aanvoerder zelf geen aanvallers durven zijn.
Blootshoofds, barrevoets volgden zij hem, gewapend met kodde en
herdersstaf, met woesten wrok in het hart. En hun aanval bracht de
verwarring te weeg -- die hier de aanvang werd van de volkomen
nederlaag der Denen: beroofd van hun dapperen aanvoerder kozen zij de
vlucht als eenige uitkomst.
Voort joegen zij, voort, naar de schepen, thans hun redding; vergetend,
dat hun nederlaag in zegepraal zou kunnen eindigen, als zij Utrecht, het
nu geheel van verdedigers ontbloote Utrecht konden bereiken. Voort
renden zij, voort, hun laatsten pijl afschietend, zich met de vuisten
een weg banend, elkander iederen duimbreed gronds betwistend. Dwars over
de velden stormden zij, vluchtend door het rietgras, dat menigmaal met
zijn sierlijk wuivende pluimen het verraderlijk moeras bedekte, waardoor
ieder, die waagde zijn vrijen grond te drukken, werd meegesleurd naar de
diepte. Geduchter ketenen voor den vermetele dan boeien van ijzer ooit
konden zijn. Het moeras voerde de vluchtenden in den dood en die achter
hen waren snelden over hen heen of zonken, om een gelijk lot te vinden,
in de taaie modder, waar hun de genadeslag wachtte der mannen van
Utrecht.
Anderen, gelukkiger, slaagden er in over den heirweg naar de schepen te
ontkomen. Zij waadden door den stroom, riemen werden hun toegestoken,
zij werkten zich aan boord... „Gered!” klonk de schorre juichkreet
honderdwerf herhaald. Zij grepen roer en touwen, spanden de zeilen,
nieuwe vluchtelingen kwamen... „Naar Utrecht!” luidde de algemeene
kreet, door een nieuwen pijlenzwerm gevolgd, nu afgeschoten van het
veilige dek.
Graaf Frethibold zag het rustig aan, de pijlen troffen geen doel en de
wind blies niet in de zeilen in de gewenschte richting. Zwaar zou het
den afgematten strijders vallen alleen met behulp der riemen eerst het
Almere en dan, door de Vecht, Utrecht te bereiken; àls zij dit
bereikten. Want reeds moest Gerlach, op zijn last teruggekeerd, daar
over den heirweg zijn aangekomen. En de weinige achtergebleven wachters
hadden thans gewis zijn bevel reeds volvoerd om alle beschikbare
schuiten en koggen dwars in de rivier te laten zinken. Dit zou de
nadering onmogelijk maken voor iederen vijand.
Een woest gehuil, opklinkend van een der grootste schepen, voerde zijn
gedachten terug, een kreet van ontzetting ontsnapte ook zijn lippen.
Rolfr Jarl, ontwaakt uit zijn bezwijming, stond bij het roer van het
bevelhebbersschip. Zijn eigenaar, de gevallen Viking, verbloedde
verlaten op het veld. Vertrapt was zijn lichaam door vluchtende menschen
en steigerende paarden. In ongeregelde drommen, met opgeheven armen, de
wapens wegwerpend, vluchtten nog altijd de Denen verder landwaarts in of
bestormden zij de schepen, over lijken of met bloed doorweekt slijk,
achtervolgd door een schier razende menigte. Tusschen de angstkreten der
vluchtenden en het gekerm der gewonden rezen de juichkreten der
overwinnaars.
Rolfr ving beide op. Sloeg de gewisheid, dat alles verloren was voor
zijn volk, voor hem, ook zijn geregeld denken in boeien?
Met een brandende toorts rende hij langs het scheepsboord, de helm was
hem ontvallen, wild zwierden de dichte haren hem langs het woest
gelaat.
„Lafaards! Vluchtende gezellen, gaat! Van hier! Vlucht ook van hier! Ik
wil het! Laat mij alleen, ook in den dood alleen!”
Als een razende zwaaide hij de brandende pijnhoutspaan. De spattende
vonken vielen overal, weldra dansten vurige vlammentongen om het droge
touwwerk en over de opgetaste waarderobe op het dek. Tevergeefs
trachtten de schepelingen hem de brandende fakkel te ontrukken, of de
vlammen, die de opstekende wind aanwakkerde, te dooven. Met de
reuzenkracht van den waanzinnige sloeg hij de helpende handen van zich,
zengde hij met de gloeiende toorts zijn redders haren en gelaat. Zij
moesten het allen opgeven tegen dien eene, die niets menschelijks meer
bezat, die hen vervolgde, voortdreef over het schip in stormende vaart,
onder het uitstooten van rauwe kreten, een roofdier der wouden gelijk.
De in den krijg geharde mannen zwichtten voor deze overmacht, zij
sprongen over boord, om zwemmend een der overige schepen te bereiken of
bij hun vernieuwde vlucht te vallen onder de pijlen der Utrechtsche
burgensen.
Nog eenmaal klonk Rolfrs honende schaterlach. Hij stond op de voorplecht
alleen, om hem sloegen reeds de vlammen, die hoog opkringelden om den
mast.
„Lafaards, gij allen! Weest vervloekt! Ik blijf en ga onder in den
vuurdood. Dan stijg ik op tot de goden, doch gij, nietswaardige
vluchtelingen, daalt af in den nacht! In hel zinkt gij, in hel!”
Weer zwaaide hij in krankzinnige woede zijn toorts, hooger verhieven
zich de rosse vlammen, vleugels van vuur geleken de strakgespannen
zeilen. De wind wakkerde aan; met scherpen ademtocht blies en huilde
hij, driftige storm wolken met een eigenaardigen rooden gloed, joegen
donker langs het zwerk. Voort, op de vleugelen van den wind dreef het
drakenschip, voort.... Onbeweeglijk met door bloed beloopen oogen zag
Rolfr het aan. De gouden dolfijnen werden tot een vormloozen klomp, de
blinkende schilden langs het scheepsboord zwart van den rook, de zeilen
van zeehondenvel een hoogslaande vuurzuil, de geroofde schatten
verbrandden tot asch.
Hij lachte, als het huilen van een demon klonk het. Want de vonkenregen
spatte over op de andere schepen, en de strijders van daareven met hun
bloedende handen, hun gewonde, van vermoeidheid bevende armen haastten
zich te blusschen, te redden wat nog te redden scheen.
Rolfr Jarl lachte, zegevierend. Hij alleen stond in de vlammen, hij
vreesde noch bluschte ze. Nog eenmaal, toen de wind het gordijn van vuur
en rook terugsloeg, werd zijn forsche gestalte zichtbaar. Weggeworpen
had hij de vonkenspattende toorts, zijn geweldigen hamer met de
zegerunen zwaaide hij boven zijn hoofd als daagde hij een geheele
vijandige wereld uit ten kamp en strijd -- nog een oogenblik, toen viel
krakend de brandende mast neer met dof gedreun. De Noorman wankelde en
plofte voorover in den gloed, de vlammende zeilen bedekten hem
geheel.... Op de vleugelen van den wind vloog de vurige scheepsromp
verder, altijd verder naar de zijde van den Ravenhorst.
Het landvolk uit den omtrek, wier ingrijpen de zege had beslist, die
terstond verder waren getrokken naar den gehaten dwangburcht en nu de
breede, gesloten poort rameiden van het schijnbaar verlaten slot,
snelden toe. Met haken en kodden gelukte het hun, na menige vergeefsche
poging, het gloeiende, half uitgedoofde wrak aan land te trekken en den
brand geheel te blusschen. Zij riepen en vroegen, maar aan boord gaf
niemand antwoord.
In de verte zagen zij het overschot der ontredderde vloot. De gedunde
bemanning roeiend met al de kracht, die haar restte om het land te
ontvluchten, dat zij hadden willen maken tot hun roof en buit, tot een
vernederd wingewest.
[24]
Ons leven is, op aard ten deel slechts leven,
Wij zien den dood gestadig ons omgeven,
Wie schenkt ons kracht in ’t uur der scheidingssmart,
Dan Gij, o, Heer, gij rechter van ons hart?
Heilig God!”