De nacht was voorbijgekropen onder angstig bidden en berouwvolle
klachten of doorgebracht met lofzangen van vast vertrouwen en geloof.
Vergeten was alles wat behoorde tot de aarde. De overtalrijke bevolking,
die Utrecht thans omsloot met haar paalwal en poorten, was opnieuw
saamgestroomd in de verschillende kerken der stad, de Dom kon niet allen
bevatten. Thans rees de nieuwe morgen -- de laatste welke de oude aarde
zou aanschouwen.
Want de langste dag was aangebroken!
„Ik zal heden ingaan in Gods heerlijkheid! Geprezen zij Zijn naam!”
prevelde oude Lisa. Zij lag geknield in het voorportaal van den Dom.
Trutha bevond zich naast haar.
„Lisa, o, Lisa.... Zal de Heer ook Yglo verlossen uit den kerker?”
„Zeker doet Hij dat, kind! Hij verlaat nooit wie op Hem vertrouwen.”
„Dan” -- fluisterde de bleeke Trutha, „ben ik blij, dat het einde komt!”
Een weinig verder hief Henno de gevouwen handen op:
„Laat mij niet zoo sterven, Heer! gescheiden van mijn kind! Wees
barmhartig, laat mij hem mogen verlossen uit dat donkere
burchtverlies.... Hand in hand wachten wij dan uw komst af bij het
bazuingeschal der engelen”....
Weerklonk dat reeds nu? Luid schetterende tonen deden de knielende
menigte ontsteld overeind rijzen, in de grootst mogelijke spanning, in
verbijsterende verwarring. Het snikken der vrouwen en kinderen vermengde
zich met de gebeden van geestelijken en leeken. Maar in de geopende
kerkdeur klonk een vaste stem:
„Mannen van Utrecht, te wapen! De bisschop beveelt het! Grijpt schild en
speer! Op! De Denen tegemoet!”
Verbaasd richtten zich aller blikken op den spreker: Unruoch van
Teisterbant. Zijn oogen schitterden hun tegen onder den glanzenden helm,
zijn ijzeren rusting rinkelde, het breede slagzwaard blonk in zijn vuist
als het wapen van het recht.
„Op, wakkere mannen! De soudenieren van het Sticht scharen zich reeds in
slagorde, de bisschop zelf stelt zich aan hun hoofd. Komt, om de
vijanden van ons geloof, de belagers van ons volksbestaan te helpen
verdrijven uit ons land!”
Zij zagen zijn bezielden, van strijdlust gloeienden blik en --
ontstelden schier.
„Jonker Unruoch!” riep een oud man, -- „strijden op den laatsten dag!
Laat ons in vrede bidden, eer wij sterven!....”
Tot eenig antwoord hief Unruoch zijn zwaard op, helle vonken schoot het
in het morgenlicht.
„Bidden wilt gij? Waarvoor? Om vergeving af te smeeken voor uw lauwheid
en plichtverzuim? Ginds” -- met zijn zwaard wees hij de richting aan --
„plunderen en stroopen de Denen. Indien zij het platte land niet hadden
afgeloopen en verwoest, lagen zij reeds voor de poort. Voorwaarts alzoo!
Hun macht vernietigd eer zij hier de kerken in een vuurgloed doen
verteren en ons de lansenmis zingen! God ziet u! En, wanneer gij de
Denen verslaat, wie zegt, dat gij dan niet den Antichrist velt met zijn
heir van booze geesten?”
Als een schok doortintelde ieder dit laatste woord. De Antichrist zou
verschijnen eer het einde kwam, zoo was het voorspeld.... Door hem te
weerstaan werd zonde en schuld geboet. God wilde het! Was niet reeds
door menigeen de woeste Rolfr Jarl vereenzelvigd met den Antichrist?
Vastberaden, als gewekt uit een verdooving, stormden de mannen naar
buiten. Het zou een ontembare schaar zijn, die Unruoch in het veld
voerde. Graaf Frethibold zag hem zijn manschappen opstellen voor het
Bisschopshof. Het was een zonderlinge strijdbende: ieder voerde het
wapen, dat hij bezat, zonder eenige regelmaat of orde, maar dezelfde
moed en strijdlust blonk uit aller oog.
Hij zag den slanken jongeling vol gloeienden ijver, allen bezielend door
voorbeeld en woord....
„Zoo als hij zou thans mijn zoon zijn geweest! Ach, waarom word ik
steeds opnieuw herinnerd aan mijn verlies!” Een gesmoorde zucht
ontsnapte zijn lippen, toen richtte hij het gebogen hoofd op:
„Het was Gods wil. Ik had mij moeten buigen en ik liet mij breken door
het lot, dat mij door Hem werd opgelegd. Heer, vergeef, en laat mij
weldra mijn lieve vrouw, mijn dierbaar kind hervinden bij U!”....
Hij wendde zich af en gaf den boogschutters zijn bevelen.
Aan de spits der ridders en ruiters van het bisdom verscheen de bisschop
zelf. Niet als een held die heenrijdt naar het slagveld. Harnas noch
pantser omgordde zijn leden, uit geen blinkenden helm golfden de
zilveren haren van den grijsaard, die fier en ongebogen zijn ros in toom
hield met vaste hand. In breede plooien viel het violetkleurig
opperkleed van satijndamast met goud passement geboord hem over de
schouders, zijn rechterhand hield den kromstaf, zijn vinger droeg den
gewijden ring. Langzaam reed hij langs de opgestelde gelederen.
„Mijne kinderen, ik groet en zegen u in des Heeren naam! Denkt aan het
woord van Joab: Weest sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor
de steden onzes Gods!”[23] Volbrengt uw plicht tot uw laatsten
ademtocht, maar koestert haat noch oefent wraak! Gerechtigheid zij uw
wapen, het geloof in Gods albestuur uw schild. Voorwaarts thans! Ik
voer u niet aan in den strijd, maar ga u voor in den slag!”
„Heer bisschop, zonder wapen! U treffen de Denen het eerst!”
„Wie door God wordt beschermd is welbewaard. Bekommert u niet om mij.
Laat God zorgen en doet uw plicht. Voorwaarts kinderen! Te hulp hen, die
vergaan! Wyc staat in brand, bewaart Utrecht voor hetzelfde lot! God
bescherme onzen tocht!”
„God bescherme ons!” herhaalden allen. Over de ratelend neergelaten brug
volgden soudenieren en burgensen bisschop Ansfried in het vrije veld.
Wonderbare kracht, die uitging van een enkel man, welke zijn plicht
hooger stelde dan het leven! Terneer gebogenen richtte hij op, van
vreesachtigen vormde hij helden, zij, die daareven sidderden voor den
dood, deed hij thans den dood in het aangezicht zien, onverschrokken,
vast besloten stand te houden tot het uiterste voor de heiligdommen en
voor huis en haard.
[23] 2 Samuel 10 vers 12.