HOOFDSTUK XXIV.

De nacht was voorbijgekropen onder angstig bidden en berouwvolle

klachten of doorgebracht met lofzangen van vast vertrouwen en geloof.

Vergeten was alles wat behoorde tot de aarde. De overtalrijke bevolking,

die Utrecht thans omsloot met haar paalwal en poorten, was opnieuw

saamgestroomd in de verschillende kerken der stad, de Dom kon niet allen

bevatten. Thans rees de nieuwe morgen -- de laatste welke de oude aarde

zou aanschouwen.

Want de langste dag was aangebroken!

„Ik zal heden ingaan in Gods heerlijkheid! Geprezen zij Zijn naam!”

prevelde oude Lisa. Zij lag geknield in het voorportaal van den Dom.

Trutha bevond zich naast haar.

„Lisa, o, Lisa.... Zal de Heer ook Yglo verlossen uit den kerker?”

„Zeker doet Hij dat, kind! Hij verlaat nooit wie op Hem vertrouwen.”

„Dan” -- fluisterde de bleeke Trutha, „ben ik blij, dat het einde komt!”

Een weinig verder hief Henno de gevouwen handen op:

„Laat mij niet zoo sterven, Heer! gescheiden van mijn kind! Wees

barmhartig, laat mij hem mogen verlossen uit dat donkere

burchtverlies.... Hand in hand wachten wij dan uw komst af bij het

bazuingeschal der engelen”....

Weerklonk dat reeds nu? Luid schetterende tonen deden de knielende

menigte ontsteld overeind rijzen, in de grootst mogelijke spanning, in

verbijsterende verwarring. Het snikken der vrouwen en kinderen vermengde

zich met de gebeden van geestelijken en leeken. Maar in de geopende

kerkdeur klonk een vaste stem:

„Mannen van Utrecht, te wapen! De bisschop beveelt het! Grijpt schild en

speer! Op! De Denen tegemoet!”

Verbaasd richtten zich aller blikken op den spreker: Unruoch van

Teisterbant. Zijn oogen schitterden hun tegen onder den glanzenden helm,

zijn ijzeren rusting rinkelde, het breede slagzwaard blonk in zijn vuist

als het wapen van het recht.

„Op, wakkere mannen! De soudenieren van het Sticht scharen zich reeds in

slagorde, de bisschop zelf stelt zich aan hun hoofd. Komt, om de

vijanden van ons geloof, de belagers van ons volksbestaan te helpen

verdrijven uit ons land!”

Zij zagen zijn bezielden, van strijdlust gloeienden blik en --

ontstelden schier.

„Jonker Unruoch!” riep een oud man, -- „strijden op den laatsten dag!

Laat ons in vrede bidden, eer wij sterven!....”

Tot eenig antwoord hief Unruoch zijn zwaard op, helle vonken schoot het

in het morgenlicht.

„Bidden wilt gij? Waarvoor? Om vergeving af te smeeken voor uw lauwheid

en plichtverzuim? Ginds” -- met zijn zwaard wees hij de richting aan --

„plunderen en stroopen de Denen. Indien zij het platte land niet hadden

afgeloopen en verwoest, lagen zij reeds voor de poort. Voorwaarts alzoo!

Hun macht vernietigd eer zij hier de kerken in een vuurgloed doen

verteren en ons de lansenmis zingen! God ziet u! En, wanneer gij de

Denen verslaat, wie zegt, dat gij dan niet den Antichrist velt met zijn

heir van booze geesten?”

Als een schok doortintelde ieder dit laatste woord. De Antichrist zou

verschijnen eer het einde kwam, zoo was het voorspeld.... Door hem te

weerstaan werd zonde en schuld geboet. God wilde het! Was niet reeds

door menigeen de woeste Rolfr Jarl vereenzelvigd met den Antichrist?

Vastberaden, als gewekt uit een verdooving, stormden de mannen naar

buiten. Het zou een ontembare schaar zijn, die Unruoch in het veld

voerde. Graaf Frethibold zag hem zijn manschappen opstellen voor het

Bisschopshof. Het was een zonderlinge strijdbende: ieder voerde het

wapen, dat hij bezat, zonder eenige regelmaat of orde, maar dezelfde

moed en strijdlust blonk uit aller oog.

Hij zag den slanken jongeling vol gloeienden ijver, allen bezielend door

voorbeeld en woord....

„Zoo als hij zou thans mijn zoon zijn geweest! Ach, waarom word ik

steeds opnieuw herinnerd aan mijn verlies!” Een gesmoorde zucht

ontsnapte zijn lippen, toen richtte hij het gebogen hoofd op:

„Het was Gods wil. Ik had mij moeten buigen en ik liet mij breken door

het lot, dat mij door Hem werd opgelegd. Heer, vergeef, en laat mij

weldra mijn lieve vrouw, mijn dierbaar kind hervinden bij U!”....

Hij wendde zich af en gaf den boogschutters zijn bevelen.

Aan de spits der ridders en ruiters van het bisdom verscheen de bisschop

zelf. Niet als een held die heenrijdt naar het slagveld. Harnas noch

pantser omgordde zijn leden, uit geen blinkenden helm golfden de

zilveren haren van den grijsaard, die fier en ongebogen zijn ros in toom

hield met vaste hand. In breede plooien viel het violetkleurig

opperkleed van satijndamast met goud passement geboord hem over de

schouders, zijn rechterhand hield den kromstaf, zijn vinger droeg den

gewijden ring. Langzaam reed hij langs de opgestelde gelederen.

„Mijne kinderen, ik groet en zegen u in des Heeren naam! Denkt aan het

woord van Joab: Weest sterk en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor

de steden onzes Gods!”[23] Volbrengt uw plicht tot uw laatsten

ademtocht, maar koestert haat noch oefent wraak! Gerechtigheid zij uw

wapen, het geloof in Gods albestuur uw schild. Voorwaarts thans! Ik

voer u niet aan in den strijd, maar ga u voor in den slag!”

„Heer bisschop, zonder wapen! U treffen de Denen het eerst!”

„Wie door God wordt beschermd is welbewaard. Bekommert u niet om mij.

Laat God zorgen en doet uw plicht. Voorwaarts kinderen! Te hulp hen, die

vergaan! Wyc staat in brand, bewaart Utrecht voor hetzelfde lot! God

bescherme onzen tocht!”

„God bescherme ons!” herhaalden allen. Over de ratelend neergelaten brug

volgden soudenieren en burgensen bisschop Ansfried in het vrije veld.

Wonderbare kracht, die uitging van een enkel man, welke zijn plicht

hooger stelde dan het leven! Terneer gebogenen richtte hij op, van

vreesachtigen vormde hij helden, zij, die daareven sidderden voor den

dood, deed hij thans den dood in het aangezicht zien, onverschrokken,

vast besloten stand te houden tot het uiterste voor de heiligdommen en

voor huis en haard.

[23] 2 Samuel 10 vers 12.

Toen de duisternis dreigde... · 第 30 / 38 题