Op de muren en wallen van Utrecht stonden de bisschoppelijke
boogschutters en hielden scherp wacht. Op het plein voor den Dom
oefenden zich de burgensen met schild en speer. De tijding van de
nadering der Denen had nieuwe, hevige onrust gewekt in de gemoederen,
waarin reeds zooveel angst heerschte. Een renbode bracht het bericht,
dat reeds meer dan één kustplaats door hen was geplunderd en het platte
land bij Leithen afgestroopt. Niemand bood tegenstand, rillend van vrees
vluchtte het landvolk reeds op het eerste gezicht der drakenschepen.
Duchtten allen, dat de riemen met ijzeren roeipennen zouden worden
omgevormd tot doodelijke wapens, gericht op hun hart? Waanden zij, dat
de schilden, opgehangen langs het scheepsboord, de vijanden zouden
beschermen voor iederen aanval, dat de geheimzinnige runen gegrift in
elken boeg zooveel tooverteekenen zouden blijken?....
Verwenschingen golden de regentes van Kennemerland, die steeds in veete
met West-Friezen of Vlamingen onbeschermd de kusten en vaste plaatsen
liet van eigen gebied. Wat baatte het? De Denen waren gelijk aan de zee
bij stormvloed, wie kon hun macht keeren? Heeren, vrije boeren en
eigenhoorigen uit den wijden omtrek vluchtten naar Utrecht om achter de
stevige wallen het lijf te bergen, om -- de heerschende onrust en
verwarring nog tienvoud te vergrooten.
Maar daar waren nog anderen dan radelooze vluchtelingen of in boete en
gebed verzonken vrouwen, die zelfs boven de Denen den wereldbrand
vreesden. Krachtige mannen, uit wier mond een kreet van woede en wraak
opging, toen zij hoorden van een nieuwen inval der gehate Noormannen.
Want de lijdenskelk sinds twee eeuwen den landzaten door dit volk
gereikt, was boordevol. De oogen der mannen gloeiden van toorn, de
gebalde hand omklemde een wapen. Een oproeping tot den strijd weerklonk
en werd alom herhaald. Boden renden door het land, van stad tot stad,
over velden en door wouden. Van de hoogten der Kennemerduinen klonk die
krijgskreet, voort rolde hij over de bosschen en weiden van Masaland.
Over de Drenthsche heidevelden dreunde hij, in kracht aan den stormwind
gelijk. Te wapen riep hij de stoere Friezen aan gene zij van het Almere,
dat even rusteloos knaagde aan hun land, als de Denen aan zijn welvaart.
Pas negen jaren vroeger had koning Sven van Denemarken al hun
kustplaatsen geplunderd zonder onderscheid, en Staverun, de bloeiende
stad, gelijk gemaakt met den grond. Ongewroken bleef, tot nu toe, die
inval. Waren de nakomelingen verbasterd van het heldenras, dat een eeuw
te voren den geesel der christenen, den geduchten Bioern, „met de
ijzeren rib” neersloeg en zijn ontembare legerdrommen verwon?
Van Bioern, die altijd ongeharnast ten strijde trok, ging de mare, dat
hij door de toovermiddelen zijner moeder onkwetsbaar was, behalve aan de
rechterzijde, daarom bedekt met een ijzeren plaat. Toch hadden zij die
plek weten te treffen, toen hij uit Italië keerend, Friesland trachtte
uit te plunderen. De Friezen herinnerden zich dien dag van zegepraal,
zij grepen schild en speer en verlieten hun ontoegankelijke moerassen om
den vijand op te zoeken eer hij hen vond, om zich op Sven te wreken
gelijk zij dit eenmaal deden op Bioern.[22]
Thiel, de rijke koopstad sloot haar poorten en hield scherp wacht, maar
de geringe bevolking, die te Wyc leefde op de puinhoopen van het eens
zoo machtige Dorestad, vluchtte weeklagend naar Utrecht. Heeren waakten
op hun burcht en spijker en lieten de pekpannen -- waarschuwend sein --
vlammen bij dag en bij nacht; velen beloofden hun eigenhoorigen de
vrijheid, indien zij moedig stand hielden in den komenden strijd. En de
hoop op vrijheid, met den wensch om de gehate indringers te verdrijven,
vormde zelfs die verachte door hun meesters met voeten getreden
eigenhoorigen tot helden, die onverschrokken zouden standhouden, gevaren
schuwend noch den dood vreezend. Maar uit iedere landstreek rende bode
op bode naar Utrecht, naar den bisschop, die, nu graaf Frethibold
afwezig was, de zorgen van den staat droeg met die der kerk.
Het was bijna of de vrees voor het eene gevaar de gedachte aan het
andere op den achtergrond drong. Bisschop Ansfried zag het met
voldoening. Boven iedere uitlegging van het Evangelie gold bij hem
steeds het woord van Christus: „Deze dag en deze ure weet niemand.” En,
waar hij zich niet geheel kon losmaken van het ontroerende denkbeeld,
dat zijn tijd beheerschte, bleef hij het echter veroordeelen: Gods woord
was hem meer dan de meening der menschen.
Nauwkeurig zag hij toe, dat ieder de plichten vervulde, die zijn hand
vond om te doen. Zelf gaf hij het voorbeeld om, schier zonder zich bij
dag of nacht rust te gunnen, alle maatregelen te nemen, die noodig waren
om de geduchte vijanden te weerstaan. En de verweermiddelen waren even
beperkt als de tijd kort: indien de Denen niet door nieuwe strooptochten
den tijd lieten voorbijgaan, konden er nauwelijks drie dagen verloopen
tusschen het eerste bericht hunner nadering en hun komst voor Utrechts
poorten. Iederen ochtend predikte hij intusschen in den Dom, voor een
elkander verdringende menigte, allen vermanend te vertrouwen op Gods
liefde en erbarming, Die uitkomst kan geven uit elk gevaar en nooit
verlaat wie op Hem vertrouwen. Waar hij hoofden van bleeke boetelingen
zag met asch bestrooid, sidderend voor het jongste gericht, vermaande
hij tot werken zoolang het dag was, moedig het kruis te dragen tot het
einde toe; waar hij krachtige mannen aanschouwde met van wrok verwrongen
gelaatstrekken, die den naderenden vijand gold, drong hij hun het
gewijde woord niet te vergeten: „Mij komt de wraak toe, Ik zal het
vergelden,” ook als zij hun leven waagden voor het hoogste aardsche
goed: vrijheid van volk en land.
En dan, als te midden der zorgen van den dag: onderhandelingen met den
stadstimmerman of den wapensmid over het versterken der poorten of de
levering van stormkappen -- angstige gestalten het Bisschopshof
binnenwankelden en smeekende stemmen fluisterden:
„Vraag voor mij een oogenblik gehoor! Ik wenschte mijn goederen en
eigenhoorigen aan de kerk te schenken tot rust mijner ziel, nu het einde
nadert,” dan vergat hij alle aardsche zorgen om met gloeiende
welsprekendheid de milde gevers te wijzen op hun dwaalbegrippen:
„Gelooft gij uw Schepper te kunnen omkoopen, door Hem aan te bieden, wat
Hij u hier op aarde leende? Denkt gij door zoogenaamde goede werken den
hemel te verdienen, vergetend, dat geschreven staat:
„Wij worden uit genade zalig, opdat niemand roeme.” Ik zeg u, dat het
geloof zonder de werken dood is en de werken zonder waar geloof met
zonde zijn besmet. Of ontspruit uw vroomheid uit zuivere bron? Angst
voor het komend oordeel maakt u mild, geen zelfverloochenende liefde,
die wil ontberen om het geluk van anderen te verhoogen. Gaat en
onderzoekt u zelven, voor gij hier terugkeert!”
Menigeen ging met gebogen hoofd, beschaamd door de woorden van hem, die
de menschen kende en de roerselen peilde hunner daden, maar broeder
Johannes mompelde meer dan eens voor zich heen:
„Goed, dat volgens de kerkelijke wet de bisschop geen schenkingen mag
weigeren. Het schijnt of hij besmet is met ketterij. Mogen wij dan
heilige stichtingen geen goed en goud geven, om daardoor de voorspraak
der heiligen te verwerven bij den Hemelheer?”
Welke verkeerde voorstellingen hij zich vormde en welk een ergerlijke
zedenleer hij voorstond, begreep broeder Johannes evenmin als zijn tijd,
die deze denkbeelden huldigde.
Intusschen zag de bisschop vol ongeduld uit naar den terugkeer van graaf
Frethibold. Waarom bleef hij zoo lang uit? Reeds was hem een renbode
tegemoet gezonden. Hulp van den keizer moèst komen, kón immers niet
uitblijven. Dan zouden de mannen van Sint Maarten zelf aanvallend kunnen
optreden tegen de Denen, die hij nu genoodzaakt was af te wachten achter
de muren van Utrecht, dat, werd het bestormd, misschien opnieuw zou
worden verwoest. Zijn macht was te zwak om de stoute aanvallers met
eenige hoop op goeden uitslag te kunnen weerstaan.
En terwijl zoo vele leden zijner gemeente zich in de kerken verdrongen,
kermend, biddend, gelaten afwachtend wat komen zou of in doodsangst de
handen wringend bij de gedachte aan het snel naderend einde, deed de
bisschop zijn plicht. Niet alleen zorgde hij voor de geestelijke zaken
van zijn ambt, ook de wereldsche kwam hij nauwgezet na.
„Wie trouw blijft ook in het kleine, alledaagsche, is Gode meer
welgevallig dan hij die vast en zich op de borst slaat, zonder te doen
wat hij moet verrichten,” luidde steeds zijn woord.
En zijn voorbeeld gaf velen de beradenheid en kalmte van geest terug,
die zoo noodig waren in deze dagen van angst en spanning. Zijn vast
vertrouwen op Gods vergevende liefde hergaf de rust aan fel geschokte
gemoederen, zijn onvermoeide ijver wekte in de harten van allen, die
zijn gloedvolle predikingen hoorden in den Dom, het vurig verlangen om
te helpen, te redden, de hand aan den ploeg te slaan als hij.
Zoo herstelde het voorbeeld van een enkele de rust in een door de meest
tegenovergestelde gevoelens geslingerde menigte, die thans de overvolle
stad herbergde.
Maar de tijd drong. Nieuwe vluchtelingen brachten nieuwe
onheilstijdingen. Roovend en plunderend trokken de Denen door het land.
Tevergeefs had Rolfr Jarl, zoodra hij zich aan hun hoofd stelde,
aangedrongen in den krijgsraad om terstond naar Utrecht op te rukken.
Over den ganschen omtrek scheen de adem des doods te zijn heengestreken:
platgebrande velden, het gezaaide en bloeiende vertreden, de woningen
verwoest, de menschen verjaagd of gedood.... Het deed den bisschop met
stijgend verlangen uitzien naar den terugkeer van graaf Frethibold. Hij
moest immers komen aan het hoofd van een welgewapend heir....
De toppen van beuk en linde in den tuin van het Bisschopshof werden rood
gekleurd door het licht der scheidende zon, toen de vurig verwachte
eindelijk keerde -- slechts door zijn lijfwacht vergezeld. In hevige
gemoedsbeweging zag bisschop Ansfried hem komen, met uitgestrekte hand
ging hij hem tegemoet. Men zag het noch aan zijn uiterlijk noch aan zijn
bewegingen, dat hij de laatste dagen zelfs bij nacht geen rust had
gekend.
„Frethibold, gij zijt alleen? Welke tijding brengt gij? Volgt u een
leger? Het is hoog tijd, zal dit land niet geheel verwoest en deze stad
behouden blijven.”
Frethibold schudde het hoofd. Nieuwe kracht rustte op zijn gelaat.
Blijkbaar had de afwisseling der reis hem gestaald. De blik zijner oogen
echter werd grenzeloos weemoedig bij ’s bisschops vraag.
„Heer, al mijn pleiten, mijn aandringen op hulp bleef tevergeefs. De
jonge keizer gelooft vast, dat weldra de wereld in vlammen zal opgaan.
Zijn hofgezin gelijkt een schare boetelingen, hijzelf, de eigen
kleinzoon van Otto den Groote, geeselt zich driemaal daags ten bloede
toe en bidt aan het graf van keizer Karel te Aken.
Kluizenaars en pelgrims uit Italië, waaruit hij sinds enkele weken
terugkeerde, wisten tot hem door te dringen, nadat zij op de straten van
Rome en Parijs de onheilsmare hadden verkondigd. Mannen, vrouwen en
kinderen volgen in onafzienbare rijen, met gescheurde kleederen, de
hoofden met asch bestrooid, huilend, kermend of biddend. Iedereen denkt,
vol angst, alleen aan de naaste toekomst; het heden heeft voor allen
zijn beteekenis verloren.
„Hulp vraagt gij mij tegen de Denen? Weet gij dan niet, hoe in mijn
Duitsche gouwen boeren en hoorigen roovend en moordend het land
afloopen, zonder dat ik mijn krijgsbenden tegen hen uitzend? Waarvoor
zou het baten? Over enkele dagen is alles voorbij.... Red daarom uw
ziel, graaf Frethibold! Schud van u de wereld en haar zorgen!
Gij wilt tegen de Denen optrekken? Ik zeg u, dat het de duivel met zijn
booze geesten zelf is, die zich vermommen in hun gedaante! Weersta hen
niet, vlied hen en doe boete!.... Red uw ziel!”.... Zijn oogen, de
schitterende blauwe oogen, die ook Otto de Groote bezat, gloeiden mij
tegen als twee vurige kolen, diep lagen zij gezonken in de kassen.
Geeselslagen striemden onafgebroken zijn rug, in stroomen vloeide zijn
bloed, tot zijn brandende oogleden zich sloten en hij nog eenmaal
fluisterde met bezwijkende, klanklooze stem:
„Het oordeel komt, graaf Frethibold! Doe boete!”... Terwijl de artsen
kwamen om den keizer bij te brengen werd ik naar buiten gevoerd. Ook
daar klonken slechts geween en jammerkreten; de Dom en de kruisgangen
waren overvol door een saamgedrongen, wanhopige menigte.
De zendeling Athanasius predikte: uit Italië is hij te voet alle
Duitsche gouwen, waardoor zijn weg voerde, doorgetrokken om het naderend
oordeel te verkondigen. Vele honderden zijn hem gevolgd, biddend,
kermend, honger en dorst verdurend, zware ketenen achter zich aan
sleepend bij dag, psalmen zingend in den donkeren nacht. Sommigen
kruipen op de knieën langs den weg, barrevoets, bloothoofds zijn allen.
Zij gaan tot hun voeten hen niet meer kunnen dragen, zij zingen tot de
stem hun den dienst weigert, zij staren biddend omhoog tot hun slapen
bonzen en het hun duizelt voor de oogen.
„Boet uw zonden! Bekeert u! Het laatste oordeel naakt!” luidt de kreet
duizendmaal herhaald, voortgeplant langs de wegen door alle boetelingen,
wier stemmen smoren in krampachtig snikken. En hoe verder men komt in
Duitschland, hoe dieper men in Frankrijk doordringt, hoe grooter ook de
tooneelen van angst en wanhoop worden, naar men mij verhaalde. In Italië
stijgt de vrees schier tot razernij, evenals bij den jongen keizer. In
onze landstreken is het betrekkelijk rustig vergeleken bij de
radeloosheid, die in de zuidelijke landen allen heeft bevangen. Sinds
daar de schrikmare werd verspreid, hebben de volken zich op het einde
voorbereid en gebeden bij dag en bij nacht. Elders trekken troepen
gewapende boeren en weggeloopen hoorigen rond. Zij rooven en plunderen
wat zij begeeren en geven zich aan de meest uitgelaten brooddronkenheid
over.
„Genieten, eer wij vergaan!” luidt hun leus en de ergerlijkste tooneelen
verdringen elkander.
Dat zijn de berichten en ervaringen die ik meebreng van mijn reis.
Treurig zijn zij gewis.” Peinzend zag hij voor zich: „Een keizer, die
zijn kracht verteert in boetedoeningen, een radelooze menigte, die zijn
voorbeeld volgt, kluizenaars schier waanzinnig van dweepzucht,
brooddronken plunderaars, aan alle uitspattingen overgegeven -- daaruit
bestaat thans de wereld, die haar plichten vergeet en haar schuld
vergroot. O, was ik slechts in staat die verblinden de oogen te openen!
Mijn leven zou ik er voor willen geven!”
Opmerkzaam zag bisschop Ansfried hem aan. Zijn gelaat was gebruind door
wind en weer, kloek hield hij het hoofd opgeheven, een heldere blik
tintelde in zijn oogen.
De bisschop trad op hem toe en legde de hand op zijn arm:
„Frethibold, vruchteloos schijnt uw reis en toch was zij een gezegende.
Gij hebt bij het zien der ellende van anderen uw eigen leed leeren
vergeten. Omgord met nieuwe kracht heeft u dit gevoel. Dank God
daarvoor. Wie zijn leven zal willen verliezen zal het behouden, wie zich
zelven kan verloochenen wordt door God gezocht. Gij zijt als gewekt tot
nieuw leven. Dank den Heer!”
Bewogen drukte graaf Frethibold den spreker de hand:
„Gij hebt gelijk, God is goed. Hij heeft mij het beste gegeven:
zelfvergetelheid. Nu kan ik Hem danken als het einde daar is.”
„En tot die ure komt, waarvan niemand weet dan de Vader alleen” -- hoe
beteekenisvol werd het opnieuw gezegd -- „zullen wij allen volharden
zoowel in onze kleine, dagelijksche plichten als in de groote, die het
leven van ons eischt. Wie waagt te beslissen wat bij God groot is of
klein?
Niet uit waken en bidden alleen bestaat het leven. God vraagt onze daden
zoolang Hij ons hier op aarde laat. En wie zijn bestaan wil geven voor
de vrijheid van het volk waartoe hij behoort, wie bereid is te vallen
voor zijn aardsch vaderland, vervult een hoogen plicht.
„Volhardt ten einde toe!” luidt de eisch van den Heer. Laat ons dit
woord opvolgen met Zijn hulp, alsof ons nog vele jaren wachten op aarde,
zonder echter Hem te vergeten, Die ons wellicht oproept uit den strijd
nog voor het einde komt voor alle levens. Zijn wij te midden van het
leven niet altijd in den dood? Waartoe dan die onrust: geheel ons lot is
in Zijn hand.” Hij voerde Frethibold naar het venster: een donkerroode
gloed kleurde aan den horizon den avondhemel.
„Ginds rooven en moorden de Denen. Bij Leithen zijn zij Kennemerland
binnengevallen, Aemstelland en Amuda werden door hen gebrandschat,
daarna zijn zij door het Almeri langs de kust van Nardengerland de Eem
opgezeild naar den Ravenhorst, waar Rolfr Jarl zich met zijn soudenieren
bij hen heeft aangesloten.
Vurig had ik gehoopt hen met voldoende heirkracht te kunnen tegentrekken
-- het was tevergeefs. Misschien hechtte ik te veel aan hulp van
menschen. Moge thans God ons schild zijn, ons wapen ons goed recht.
Morgen bij het rijzen der zon dagen wij hen in het open veld uit tot den
strijd. Ik heb mijn ridderzwaard neergelegd op het altaar, toen ik tot
den dienst der kerk werd gewijd, thans echter in dezen grooten nood
gevoel ik, dat God mij terugroept in het leger. Maak dus uw
toebereidselen; op u rust de plicht de krijgsbenden aan te voeren.
„Heer bisschop, u behoort die eer!”
„Mij zult gij vinden waar het gevaar het grootst is. Laat mij thans
echter alleen: straks moet ik de gemeente voorgaan in den Dom; ik hoop
ook u daar niet te missen.”
Terwijl Frethibold ging zag de bisschop hem ernstig na:
„Is het mijn plicht het hem nu te zeggen?” Zware tweestrijd deed hem
weifelen, vele oogenblikken, toen was zijn besluit genomen: „Neen, thans
niet. Na den strijd. Het zou hem nu aftrekken van zijn plicht.”
[22]
Var Bier sen volt returner
E vers Danemarche sigler
Kar oies aveit noveles
De le qui mult li erent beles
Un mult gros vent e une bise
Le rameine tut dreit en Frise
La ariva la pristrent proz
Là dit l’estorie quil fu morz.
(Chronique M. S. de Normandie de Benoit de Saint Maur.)