Het was nog vroeg in den morgen. De hanen begroetten met luid gekraai de
zon en de torenwachter van den Sint Maarten wekte de slapers uit hun
rust.
Door middel van zijn langen horen verkondigde hij schetterend het
aanbreken van den nieuwen dag. Met meer genoegen dan de sluimeraars,
hoorden de wachters aan de stadspoorten die schelle tonen. Ongeduldig
zagen zij uit naar de morgenwacht, die hen moest komen aflossen.
Een verren weg had deze daartoe niet af te leggen. Utrecht was nog klein
van omvang, al had bisschop Balderic gedaan wat in zijn vermogen was, om
de stad eenigszins te herstellen van de verwoesting der Denen. Een met
keien geplaveide steenweg leidde door het benedengedeelte naar de
bovenstad, over de brug der Oude gracht. Daar verhief zich het statige
gebouw, waarvan de grondslagen reeds waren gelegd door de Friesche
vorsten, die eenmaal „Trecht” hadden beheerscht en er een koninklijken
burcht stichtten.
Thans waren -- naar luid der kroniek -- „deselfs muren niet min cierlyck
als constigh en sterck.” Het Friesche koningsslot was een keizerlijk
paleis geworden, dat keizer Otto „ter handhaving van zijn staat en
recht” den trouwen vriend van zijn huis, bisschop Ansfried, tot verblijf
had geschonken.
Statig verhieven zich gevel en torentransen van het hechte gebouw. Hun
breede schaduw werd opgevangen door de kroongewelven der zware boomen in
den hof; ter zijde rees de Sint Maarten, de dom bij uitnemendheid, niet
ver van de kerk van Sint Salvator, die het stof bewaarde van dezen
grooten geloofsheld. Want alle eer van menschen, alle macht verbonden
aan zijn rang, wierp hij van zich. Naar Friesland trok hij langs
onherbergzame paden, omringd door een vijandige bevolking, om ieder, die
daar den god Stavo eerde met menschenoffers, de leer der liefde te
prediken: het Evangelie. Hij ging en won de gloriekroon van den
martelaar: onder de knotsslagen der Friezen viel hij, stervend zijn God
nog lovend. Naast den vromen Gregorius, die, toen zijn doodsstrijd
aanving, met zijn laatste kracht fluisterde, hem te brengen naar des
Heeren huis om daar te sterven, werd hij ter ruste gelegd. De tombe van
bisschop Frederic, getroffen terwijl hij bad, door het staal van een
Deenschen sluipmoordenaar, rees niet ver van de zijne...
Uit het bloed der martelaren was ook hier de bloem van het geloof
ontsproten. Want geweld noch machtsvertoon der Noorsche vijanden bleken
ooit meer in staat het volk, dat zulke voorbeelden bezat, tot afval te
brengen van het christendom.
En thans hoopte Rolfr Jarl, dat hem zou gelukken wat zijn voorgangers in
een vroegere eeuw tevergeefs hadden gewenscht, als hij de oorlogsfakkel
slingerde in de met stroo gedekte woningen van Utrecht. Want de houten
of met rieten daken voorziene huizen der stad hadden nog geheel den
bouwvorm behouden van vroegere eeuwen.
De ringmuur en bolwerken mochten hecht zijn en hoog, de Tolsteegpoort
reeds van verre schitteren door haar roode kleur, de huizen zonder
dakgoten of waterafleidingen vormden nog even zelden straten, als zij
zich rondden tot een plein. Gelijk de hoeven buiten de poort, hadden zij
een laagafhangend dak en werd ieder erf door een boomgaard of akkers
omringd, op hun beurt door stevig paalwerk ingesloten. Slechts enkele
der voornaamste huizingen bezaten een steenen onderbouw en eenige
traptreden van blauwe zerken, die naar de hoog aangebrachte voordeur
voerden. In den hof wroetten ongehinderd de varkens, daar kakelden
kippen en snaterden ganzen.
Naast de hooischelf strekte een kleine hoogte, vereerd met den naam van
„’t land verbeteren”, niet zeer tot verfraaiing van het geheel.
Doch dezen ochtend, terwijl de dagwacht zich grommig gereed maakte voor
zijn taak en de nachtwacht ongeduldig werd, omdat hij nog niet was
afgelost, liet de horenblazer het niet bij een enkel sein. Korte stooten
wisselden de langschetterende tonen af. De wachter op den
Baldericstoren begreep het eerst, dat er iets buitengewoons plaats vond.
Spiedend, de hand boven de oogen, zag hij den Rijn af en den weg, die
kronkelde met den stroom. Toen klonk een kreet van vreugde, weldra
voortgeplant van wacht tot wacht. Als op den adem van den storm vloog
het bericht door de stad, dat ginds, op den heirweg, het vaandel van
Sint Maarten wapperde, dat zij kwamen, de mannen van Utrecht met den
bisschop, in het midden, met Unruoch, zijn pleegzoon, met de broeders
van den Hohorst, allen gered uit den ijzeren greep van Rolfr, den --
Antichrist.
Want zoo was, niet zonder schroom, Rolfr Jarl fluisterend genoemd in
Utrecht, toen Henno ademloos den vorigen dag het bericht bracht wat deze
had gewaagd.
Geen der drie jaarmarkten -- het recht der stad -- was aangekondigd, het
roode kruis niet aangeslagen bij de brug aan de Tolsteegpoort tot een
bewijs, dat iedere reiziger vrijgeleide had om te komen en te gaan.
Alzoo was het geen vreemdeling veroorloofd zijn nachtverblijf binnen de
omwalling der stad te houden, zonder dat hij twee borgen stelde --
niemand dacht hier ditmaal aan. Ademloos werd Henno omringd en
aangehoord, tot een dichte menigte hem voerde naar den proost van Sint
Maarten. Het bleeke kind en de verweerde wapentuur, die bij hem waren --
om strijd boden de burgensen aan, zonder te vragen vanwaar zij kwamen,
hen te herbergen.
De bisschop was in gevaar en nood. Hij, de goede, edele, vader
Ansfried... Wie behalve de Antichrist zou durven wagen de hand aan den
gezalfde des Heeren te slaan?... Werd hiermee opnieuw niet de profetie
vervuld uit het boek der Openbaring:
„Het duizend-jarig rijk -- de Antichrist omgaande als een brullende
leeuw, vervuld met plannen van schuld en misdaad -- dan het
bazuingeschal der engelen en de Heer komend op de wolken om te richten
de levenden en de dooden!”....
Een plotselinge angst, angst reeds zoo menigwerf gewekt, dikwerf slechts
met geweld onderdrukt, overviel allen. Als schapen zonder herder voelden
zij zich... Gegrepen werd speer en boog, schild en scharmsax -- de
geduchte knots met ijzeren spits. Nauwelijks bleef een voldoende
bezetting achter ter bewaking van brug en poort. Voort stormden Utrechts
weerbare mannen -- voort. En thans, na een nacht van vrees en
onzekerheid, zagen zij hem keeren, gered, ongedeerd.... Als zilver
glinsterden in de morgenzon de langgolvende lokken, die het eerwaardige
gelaat omlijstten van den grijsaard. En toen ratelend de brug omlaag
ging en hij reed door de breede poort en de oogen op hen rustten, wier
blik onvergeetlijk bleef voor ieder, die hem eenmaal zag, toen losten
vrees en vreugde zich op in een snik, die een zegenbede insloot.
Zij omringden hem met jubelende woorden. In triomf omgaven de dichte
drommen zijn draagstoel, voerden zij hem naar het bisschopshof:
Zonder vragen of verlof waren vele burgensen de groote zaal mee
binnengegaan -- in oogenblikken van diepe ontroering verliezen
wereldsche vormen hun kracht. Nu verdrongen de inwoners zich in de meer
lange dan hooge zaal met haar Romaansche rondbogen en de dubbele rij
houten, kleurrijk beschilderde pilaren. Op zijn hoogzetel, door een
kunstig besneden, door zuilen gesteunden baldakijn overwelfd, had de
bisschop plaats genomen.
Thans drong Petrus, de proost van Sint Maarten, naar voren uit de zacht
fluisterende groepen.
„Hoogeerwaarde, voor deze grove beleediging u aangedaan geldt slechts
een woord: wraak!”
De diep beleedigde grijsaard schudde het hoofd:
„Laat de wraak aan God over en aan den keizer, dien Hij heeft gesteld op
zijn hooge plaats om het wereldrijk recht te beschermen met de scherpte
van het zwaard. Mij voegt alleen te waken voor rust en recht door de
kracht van woord en gebed.”
„Wat baten die tegenover Rolfr, den Deen?” De scherpe oogen van den
proost flikkerden. „Heer, was hij niet te allen tijde uw bitterste
vijand?”
De ernstige blik van bisschop Ansfried rustte op hem waarschuwend,
vermanend:
„Gij weet, dat die man veel leed over mij bracht en wilt mij thans wraak
als plicht voorstellen, door den hartstocht te prikkelen, die vergelding
heet en sluimert in iedere door onrecht getroffen ziel. Maar zwaar zou
ik zondigen, indien ik hier vergelding zocht, mijn vergelding.”
„Maar uw ambtsplicht, heer! Werd de handhaving van het recht in het
bisdom u niet toevertrouwd?”
„Waar plicht en lust samen strijdvoeren, is het plicht te doen wat ons
het minst behaagt. En daar het mij zwaar valt hier werkeloos af te
wachten, zoo beschouw ik dit als wereldsche zin, als strijdlust, die ik
boet door te wachten.”
Hij drukte de hand tegen de borst, hoe heftig klopte nog het hart van
den ridder onder de breede plooien van zijn geestelijk kleed!
„Nog is de oude mensch niet dood, éen woord en hij wordt gewekt in mijn
binnenste. Heer, vergeef!” klonk het in zijn hart.
Het was of de storm, ontketend in zijn ziel, hem schudde. Hij trad aan
een venster en zag naar buiten met dwalenden blik. Niet lang. Een man
stormde over de brug, ademloos, het stof van den heirweg bedekte zijn
versleten kolder. Zijn paard struikelde bij iederen tred, toch dreef hij
het voort, voort. Hij was reeds de zaal binnen gedrongen, eer nog het
gemurmel van teleurstelling zweeg, uitgelokt door de beslissing van den
bisschop.
„Dat is de vreemde wapentuur, die gisteren met den visscher van den
Ravenhorst hier kwam. Hij is straks niet teruggekeerd van den Hohorst
met onze mannen,” mompelden verscheidene stemmen. Barrevoets,
blootshoofds, hijgend naar adem viel de onbekende den bisschop te voet:
„Heer, heer! Wapen u! Laat uw dienstmannen zich gorden ten strijde!
Odins bloedroode vaan wappert van den Ravenhorst als welkomstgroet aan
de Vikingervloot, die de rivier opzeilt, reeds nu met buit beladen!”
Toen hief de bisschop beide handen op, gevouwen:
„Heer, nu ken ik Uw wil! Dat is Uw vingerwijzing! Wie zijn aardschen
vorst niet bijstaat in nood en dood, pleegt félonie, wie niet pal staat
als een rots, waar het geldt het geloof aan U, den Heer van hemel en
aarde, en de eer Uwer kerk te verdedigen, is een afvallige gelijk!” Zijn
oogen vlamden als in vroegere jaren toen hij zich tot de burgensen
wendde:
„Mijne kinderen, gordt u het zwaard aan! Op Gods bevel ten strijd! Het
is voor Zijn kerk, voor de vrijheid van dit land! Het zij zege of
ondergang ons deel wordt, weerstaat de Deensche roovers, die het
heiligste vertreden in grimmigen haat. Deze strijd is zondig noch
misdadig, hij geldt ons hoogste goed, geldt vrijheid, geloof en recht!
Te wapen!”
Een doffe stem brak zijn woorden af, een stem met sidderenden klank. Een
bejaard man trad naar voren, een der invloedrijkste inwoners der stad.
Sneeuwwit was zijn kruin, moede van het staren op véél onrecht zijn
oogen:
„Hoogeerwaarde, waartoe thans nog bloed en strijd? Over eenige weken,
dagen wellicht -- wie beslist het -- is het immers met alles voorbij.
Ach, laat ons biddend ondergaan, niet bloedvergietend!”
De bisschop maakte een afwerend gebaar. De oude moed van den held, die
eenmaal gansche legerscharen bezielde door zijn voorbeeld, lichtte uit
zijn oogen. In zijn volle lengte richtte hij zich op:
„Zwijg over deze geruchten en wacht af, wat God over ons beslist, niet
alleen biddend, maar ook wakend, hetzij, dat de groote, geweldige dag
komt, of dat de Heer in Zijn oneindige goedheid de wereld nog laat
voortbestaan. Geschiedt het eerste, zorgt dan, dat uw laatste daad op
aarde niets met lafhartigheid gemeen heeft. Beschermt de kerken, opdat
God u vinden moge biddend in Zijn huis. Doch, drijven deze dagen van
angst en onzekerheid voorbij gelijk stormwolken en wordt de aarde als
gewekt tot nieuw leven, bewaart dan u zelven voor de wroeging, dat gij
niet hebt volhard ten einde toe tegen de Deensche heiligschenners, dat
ook door uw toedoen de asch werd verstrooid van geloofshelden en
martelaren en vrees ketenen klonk voor ons vrije volk!
Ten strijde alzoo! De Heer trekt ons voor! God wil het!”
Met honderdvoudige echo werd dit woord herhaald. Haastig verspreidde
zich de menigte. Allen wilden het eerst gereed zijn om tegen de Denen op
te trekken. Terwijl de bisschop, op Unruoch leunend, terugkeerde naar
zijn bijzonder vertrek en eenigen der voornaamste burgers hem op zijn
verzoek volgden, -- plannen moesten worden gemaakt voor de verdediging
der stad -- rustte de blik van den „vreemden wapentuur” lang op beiden.
„Wie is die jonge ridder?” vroeg hij broeder Johannes. Het was of hij in
Unruochs regelmatige trekken een gelijkenis zocht en die ook vond.
„Hij heet Unruoch van Teisterbant. Door bisschop Ansfried werd hij
aangenomen als zoon, maar hij is hem niet verwant, naar men zegt. Vrouwe
Benedicta, de dochter van den bisschop, heeft hem opgenomen als
vondeling.”
De andere schudde het hoofd:
„Een vondeling? Neen, dat is hij niet. Mijn vrouw heeft stervend het
kind toevertrouwd aan de abdis van Thorn. Dat heb ik veel jaren later
gehoord”....
De proost van Sint Maarten liet hem niet uitspreken. Hij had
verstaan.... „Volg mij!” beval hij kort.