HOOFDSTUK XX.

Het was nog vroeg in den morgen. De hanen begroetten met luid gekraai de

zon en de torenwachter van den Sint Maarten wekte de slapers uit hun

rust.

Door middel van zijn langen horen verkondigde hij schetterend het

aanbreken van den nieuwen dag. Met meer genoegen dan de sluimeraars,

hoorden de wachters aan de stadspoorten die schelle tonen. Ongeduldig

zagen zij uit naar de morgenwacht, die hen moest komen aflossen.

Een verren weg had deze daartoe niet af te leggen. Utrecht was nog klein

van omvang, al had bisschop Balderic gedaan wat in zijn vermogen was, om

de stad eenigszins te herstellen van de verwoesting der Denen. Een met

keien geplaveide steenweg leidde door het benedengedeelte naar de

bovenstad, over de brug der Oude gracht. Daar verhief zich het statige

gebouw, waarvan de grondslagen reeds waren gelegd door de Friesche

vorsten, die eenmaal „Trecht” hadden beheerscht en er een koninklijken

burcht stichtten.

Thans waren -- naar luid der kroniek -- „deselfs muren niet min cierlyck

als constigh en sterck.” Het Friesche koningsslot was een keizerlijk

paleis geworden, dat keizer Otto „ter handhaving van zijn staat en

recht” den trouwen vriend van zijn huis, bisschop Ansfried, tot verblijf

had geschonken.

Statig verhieven zich gevel en torentransen van het hechte gebouw. Hun

breede schaduw werd opgevangen door de kroongewelven der zware boomen in

den hof; ter zijde rees de Sint Maarten, de dom bij uitnemendheid, niet

ver van de kerk van Sint Salvator, die het stof bewaarde van dezen

grooten geloofsheld. Want alle eer van menschen, alle macht verbonden

aan zijn rang, wierp hij van zich. Naar Friesland trok hij langs

onherbergzame paden, omringd door een vijandige bevolking, om ieder, die

daar den god Stavo eerde met menschenoffers, de leer der liefde te

prediken: het Evangelie. Hij ging en won de gloriekroon van den

martelaar: onder de knotsslagen der Friezen viel hij, stervend zijn God

nog lovend. Naast den vromen Gregorius, die, toen zijn doodsstrijd

aanving, met zijn laatste kracht fluisterde, hem te brengen naar des

Heeren huis om daar te sterven, werd hij ter ruste gelegd. De tombe van

bisschop Frederic, getroffen terwijl hij bad, door het staal van een

Deenschen sluipmoordenaar, rees niet ver van de zijne...

Uit het bloed der martelaren was ook hier de bloem van het geloof

ontsproten. Want geweld noch machtsvertoon der Noorsche vijanden bleken

ooit meer in staat het volk, dat zulke voorbeelden bezat, tot afval te

brengen van het christendom.

En thans hoopte Rolfr Jarl, dat hem zou gelukken wat zijn voorgangers in

een vroegere eeuw tevergeefs hadden gewenscht, als hij de oorlogsfakkel

slingerde in de met stroo gedekte woningen van Utrecht. Want de houten

of met rieten daken voorziene huizen der stad hadden nog geheel den

bouwvorm behouden van vroegere eeuwen.

De ringmuur en bolwerken mochten hecht zijn en hoog, de Tolsteegpoort

reeds van verre schitteren door haar roode kleur, de huizen zonder

dakgoten of waterafleidingen vormden nog even zelden straten, als zij

zich rondden tot een plein. Gelijk de hoeven buiten de poort, hadden zij

een laagafhangend dak en werd ieder erf door een boomgaard of akkers

omringd, op hun beurt door stevig paalwerk ingesloten. Slechts enkele

der voornaamste huizingen bezaten een steenen onderbouw en eenige

traptreden van blauwe zerken, die naar de hoog aangebrachte voordeur

voerden. In den hof wroetten ongehinderd de varkens, daar kakelden

kippen en snaterden ganzen.

Naast de hooischelf strekte een kleine hoogte, vereerd met den naam van

„’t land verbeteren”, niet zeer tot verfraaiing van het geheel.

Doch dezen ochtend, terwijl de dagwacht zich grommig gereed maakte voor

zijn taak en de nachtwacht ongeduldig werd, omdat hij nog niet was

afgelost, liet de horenblazer het niet bij een enkel sein. Korte stooten

wisselden de langschetterende tonen af. De wachter op den

Baldericstoren begreep het eerst, dat er iets buitengewoons plaats vond.

Spiedend, de hand boven de oogen, zag hij den Rijn af en den weg, die

kronkelde met den stroom. Toen klonk een kreet van vreugde, weldra

voortgeplant van wacht tot wacht. Als op den adem van den storm vloog

het bericht door de stad, dat ginds, op den heirweg, het vaandel van

Sint Maarten wapperde, dat zij kwamen, de mannen van Utrecht met den

bisschop, in het midden, met Unruoch, zijn pleegzoon, met de broeders

van den Hohorst, allen gered uit den ijzeren greep van Rolfr, den --

Antichrist.

Want zoo was, niet zonder schroom, Rolfr Jarl fluisterend genoemd in

Utrecht, toen Henno ademloos den vorigen dag het bericht bracht wat deze

had gewaagd.

Geen der drie jaarmarkten -- het recht der stad -- was aangekondigd, het

roode kruis niet aangeslagen bij de brug aan de Tolsteegpoort tot een

bewijs, dat iedere reiziger vrijgeleide had om te komen en te gaan.

Alzoo was het geen vreemdeling veroorloofd zijn nachtverblijf binnen de

omwalling der stad te houden, zonder dat hij twee borgen stelde --

niemand dacht hier ditmaal aan. Ademloos werd Henno omringd en

aangehoord, tot een dichte menigte hem voerde naar den proost van Sint

Maarten. Het bleeke kind en de verweerde wapentuur, die bij hem waren --

om strijd boden de burgensen aan, zonder te vragen vanwaar zij kwamen,

hen te herbergen.

De bisschop was in gevaar en nood. Hij, de goede, edele, vader

Ansfried... Wie behalve de Antichrist zou durven wagen de hand aan den

gezalfde des Heeren te slaan?... Werd hiermee opnieuw niet de profetie

vervuld uit het boek der Openbaring:

„Het duizend-jarig rijk -- de Antichrist omgaande als een brullende

leeuw, vervuld met plannen van schuld en misdaad -- dan het

bazuingeschal der engelen en de Heer komend op de wolken om te richten

de levenden en de dooden!”....

Een plotselinge angst, angst reeds zoo menigwerf gewekt, dikwerf slechts

met geweld onderdrukt, overviel allen. Als schapen zonder herder voelden

zij zich... Gegrepen werd speer en boog, schild en scharmsax -- de

geduchte knots met ijzeren spits. Nauwelijks bleef een voldoende

bezetting achter ter bewaking van brug en poort. Voort stormden Utrechts

weerbare mannen -- voort. En thans, na een nacht van vrees en

onzekerheid, zagen zij hem keeren, gered, ongedeerd.... Als zilver

glinsterden in de morgenzon de langgolvende lokken, die het eerwaardige

gelaat omlijstten van den grijsaard. En toen ratelend de brug omlaag

ging en hij reed door de breede poort en de oogen op hen rustten, wier

blik onvergeetlijk bleef voor ieder, die hem eenmaal zag, toen losten

vrees en vreugde zich op in een snik, die een zegenbede insloot.

Zij omringden hem met jubelende woorden. In triomf omgaven de dichte

drommen zijn draagstoel, voerden zij hem naar het bisschopshof:

Zonder vragen of verlof waren vele burgensen de groote zaal mee

binnengegaan -- in oogenblikken van diepe ontroering verliezen

wereldsche vormen hun kracht. Nu verdrongen de inwoners zich in de meer

lange dan hooge zaal met haar Romaansche rondbogen en de dubbele rij

houten, kleurrijk beschilderde pilaren. Op zijn hoogzetel, door een

kunstig besneden, door zuilen gesteunden baldakijn overwelfd, had de

bisschop plaats genomen.

Thans drong Petrus, de proost van Sint Maarten, naar voren uit de zacht

fluisterende groepen.

„Hoogeerwaarde, voor deze grove beleediging u aangedaan geldt slechts

een woord: wraak!”

De diep beleedigde grijsaard schudde het hoofd:

„Laat de wraak aan God over en aan den keizer, dien Hij heeft gesteld op

zijn hooge plaats om het wereldrijk recht te beschermen met de scherpte

van het zwaard. Mij voegt alleen te waken voor rust en recht door de

kracht van woord en gebed.”

„Wat baten die tegenover Rolfr, den Deen?” De scherpe oogen van den

proost flikkerden. „Heer, was hij niet te allen tijde uw bitterste

vijand?”

De ernstige blik van bisschop Ansfried rustte op hem waarschuwend,

vermanend:

„Gij weet, dat die man veel leed over mij bracht en wilt mij thans wraak

als plicht voorstellen, door den hartstocht te prikkelen, die vergelding

heet en sluimert in iedere door onrecht getroffen ziel. Maar zwaar zou

ik zondigen, indien ik hier vergelding zocht, mijn vergelding.”

„Maar uw ambtsplicht, heer! Werd de handhaving van het recht in het

bisdom u niet toevertrouwd?”

„Waar plicht en lust samen strijdvoeren, is het plicht te doen wat ons

het minst behaagt. En daar het mij zwaar valt hier werkeloos af te

wachten, zoo beschouw ik dit als wereldsche zin, als strijdlust, die ik

boet door te wachten.”

Hij drukte de hand tegen de borst, hoe heftig klopte nog het hart van

den ridder onder de breede plooien van zijn geestelijk kleed!

„Nog is de oude mensch niet dood, éen woord en hij wordt gewekt in mijn

binnenste. Heer, vergeef!” klonk het in zijn hart.

Het was of de storm, ontketend in zijn ziel, hem schudde. Hij trad aan

een venster en zag naar buiten met dwalenden blik. Niet lang. Een man

stormde over de brug, ademloos, het stof van den heirweg bedekte zijn

versleten kolder. Zijn paard struikelde bij iederen tred, toch dreef hij

het voort, voort. Hij was reeds de zaal binnen gedrongen, eer nog het

gemurmel van teleurstelling zweeg, uitgelokt door de beslissing van den

bisschop.

„Dat is de vreemde wapentuur, die gisteren met den visscher van den

Ravenhorst hier kwam. Hij is straks niet teruggekeerd van den Hohorst

met onze mannen,” mompelden verscheidene stemmen. Barrevoets,

blootshoofds, hijgend naar adem viel de onbekende den bisschop te voet:

„Heer, heer! Wapen u! Laat uw dienstmannen zich gorden ten strijde!

Odins bloedroode vaan wappert van den Ravenhorst als welkomstgroet aan

de Vikingervloot, die de rivier opzeilt, reeds nu met buit beladen!”

Toen hief de bisschop beide handen op, gevouwen:

„Heer, nu ken ik Uw wil! Dat is Uw vingerwijzing! Wie zijn aardschen

vorst niet bijstaat in nood en dood, pleegt félonie, wie niet pal staat

als een rots, waar het geldt het geloof aan U, den Heer van hemel en

aarde, en de eer Uwer kerk te verdedigen, is een afvallige gelijk!” Zijn

oogen vlamden als in vroegere jaren toen hij zich tot de burgensen

wendde:

„Mijne kinderen, gordt u het zwaard aan! Op Gods bevel ten strijd! Het

is voor Zijn kerk, voor de vrijheid van dit land! Het zij zege of

ondergang ons deel wordt, weerstaat de Deensche roovers, die het

heiligste vertreden in grimmigen haat. Deze strijd is zondig noch

misdadig, hij geldt ons hoogste goed, geldt vrijheid, geloof en recht!

Te wapen!”

Een doffe stem brak zijn woorden af, een stem met sidderenden klank. Een

bejaard man trad naar voren, een der invloedrijkste inwoners der stad.

Sneeuwwit was zijn kruin, moede van het staren op véél onrecht zijn

oogen:

„Hoogeerwaarde, waartoe thans nog bloed en strijd? Over eenige weken,

dagen wellicht -- wie beslist het -- is het immers met alles voorbij.

Ach, laat ons biddend ondergaan, niet bloedvergietend!”

De bisschop maakte een afwerend gebaar. De oude moed van den held, die

eenmaal gansche legerscharen bezielde door zijn voorbeeld, lichtte uit

zijn oogen. In zijn volle lengte richtte hij zich op:

„Zwijg over deze geruchten en wacht af, wat God over ons beslist, niet

alleen biddend, maar ook wakend, hetzij, dat de groote, geweldige dag

komt, of dat de Heer in Zijn oneindige goedheid de wereld nog laat

voortbestaan. Geschiedt het eerste, zorgt dan, dat uw laatste daad op

aarde niets met lafhartigheid gemeen heeft. Beschermt de kerken, opdat

God u vinden moge biddend in Zijn huis. Doch, drijven deze dagen van

angst en onzekerheid voorbij gelijk stormwolken en wordt de aarde als

gewekt tot nieuw leven, bewaart dan u zelven voor de wroeging, dat gij

niet hebt volhard ten einde toe tegen de Deensche heiligschenners, dat

ook door uw toedoen de asch werd verstrooid van geloofshelden en

martelaren en vrees ketenen klonk voor ons vrije volk!

Ten strijde alzoo! De Heer trekt ons voor! God wil het!”

Met honderdvoudige echo werd dit woord herhaald. Haastig verspreidde

zich de menigte. Allen wilden het eerst gereed zijn om tegen de Denen op

te trekken. Terwijl de bisschop, op Unruoch leunend, terugkeerde naar

zijn bijzonder vertrek en eenigen der voornaamste burgers hem op zijn

verzoek volgden, -- plannen moesten worden gemaakt voor de verdediging

der stad -- rustte de blik van den „vreemden wapentuur” lang op beiden.

„Wie is die jonge ridder?” vroeg hij broeder Johannes. Het was of hij in

Unruochs regelmatige trekken een gelijkenis zocht en die ook vond.

„Hij heet Unruoch van Teisterbant. Door bisschop Ansfried werd hij

aangenomen als zoon, maar hij is hem niet verwant, naar men zegt. Vrouwe

Benedicta, de dochter van den bisschop, heeft hem opgenomen als

vondeling.”

De andere schudde het hoofd:

„Een vondeling? Neen, dat is hij niet. Mijn vrouw heeft stervend het

kind toevertrouwd aan de abdis van Thorn. Dat heb ik veel jaren later

gehoord”....

De proost van Sint Maarten liet hem niet uitspreken. Hij had

verstaan.... „Volg mij!” beval hij kort.

Toen de duisternis dreigde... · 第 26 / 38 题