De witte en roode hagedoorn op den Hohorst stonden in vollen bloei.
Bonte vlinders met den gloed van het zonnegoud op hun teere vleugels
zweefden boven de geurige bloesems. Uit de takken klonk het kirren van
de woudduif. Zacht wiegelend bewogen linden en zilverkleurige berken,
die een klein plantsoen vormden om het kerkje, hun gekruiste twijgen.
Bedwelmend zoet was de meidoorngeur, liefelijk de zang der vogels,
vredeademend het ruischen van den wind. Olaf Erikson ademde diep de
verkwikkende morgenlucht in terwijl hij langzaam op en neer ging in de
groene schaduw der boomen. Zijn wond genas snel bij de zorgvuldige
verpleging, die hij genoot, maar terwijl lichamelijke schokken zich
herstelden, schrijnden zielewonden feller met iederen dag.
Die menschen welke hem verzorgden met opoffering van eigen rust en tijd
-- hoe zou hij hun dit vergelden -- als de vloot kwam? Hij wist nu
genoeg van Rolfr Jarl, van zijn plannen en daden.
Maar -- waar bleef de vloot? Bijna verwonderd gleed zijn blik over den
stroom, zocht hij de torenspits van den Ravenhorst tusschen het groen om
te ontdekken of daar Odins ravenvaan nog niet wapperde als welkomstgroet
aan de drakenschepen, die naderden, den paardenkop aan den steven, de
glinsterende schilden langs het scheepsboord. En dan -- dan zouden
strijdgerucht en wapengekletter den heerschenden vrede storen.
Wegvluchten zouden de zangvogels, de meidoornbloesems vallen op de
graven van helden, op veel nieuwe graven.
Waarom dacht hij daaraan? Alleen de verachte christenen gaven immers hun
dooden terug aan het stof? Hoog vlamde de brandstapel, die de lijken
ontving van Odins zonen; herrijzen zouden zij als zijn Einheriar om in
zijn glanzende zaal te strijden, te vallen en weer terug te worden
geroepen in het leven om dan opnieuw te sneuvelen. Strijd en bloed tot
het einde. Tot welk einde? Zou inderdaad weldra een nieuwe aarde
verrijzen uit de asch der oude en Odin voor eeuwig heerschen met zijn
trouwe volgelingen, Odin en -- bloed en strijd.
Olaf streek zich met de hand over het voorhoofd. Waartoe die kwellende
gedachten? Sinds wanneer begreep hij, dat de roem behaald bij zwaardslag
en strijdleus, niet het hoogste was wat het leven kon bieden?
Andere tonen dan het gekweel der vogelen mengden zich thans in den
warrelstroom zijner overleggingen. Gedragen door het morgenkoeltje
drong een plechtige zang tot hem door. „Gloria in excelsis!” Eere zij
God in de hoogste hemelen! Een klein koor van goed geschoolde stemmen,
helder klinkend als de snaren eener zuiver gestemde harp, droeg de
ochtendwind tot hem over. Het was of de tonen hoog, uit den hemel zelf
tot hem neerdaalden. Hij ging af op de heldere klanken. In de kerkdeur
stond hij en zag de broeders, die door het land waren gegaan het
Evangelie predikend, zieken troostend en helpend, ongelukkigen steunend
met woord en daad. Hij zag den grijzen bisschop wiens geheele bestaan
zelfverloochening was. Als gevangenen zag hij ze van zijn woesten
bondgenoot en kalm als de rots te midden der schuimende branding hoorde
hij hen een lofzang aanheffen, den God ter eere, in Wien zij geloofden.
Wie was toch de God, Die zijn volgelingen bedeelde met zoo groot een
geloofsvertrouwen, met een gerustheid te midden der grootste rampen,
wortelend in de gewisheid, dat Hij alles wel zou maken, op Zijn tijd?
Olaf zag menig tooneel verrijzen voor zijn geest, vroeger onverschillig
aanschouwd, als, bij een woesten plundertocht, kerken opgingen in
vlammen en christenen de trouw aan hun geloof bezegelden met den dood.
En weer klonk het plechtig loflied, als een opwelling van zalig
verlangen naar den tijd, waarin hun geloof zou overgaan in aanschouwen.
Het geloof, dat de zangers voor al de macht, die de aarde hen bieden
kon niet zouden willen derven. Olaf bleef als gekluisterd aan zijn
plaats in de schaduw van het kerkportaal en terwijl hij zich herinnerde
hoe hij menigmaal met eigen hand de brandfakkel had geslingerd in een
bedehuis der christenen, maakte een weemoedig verlangen zich meester van
zijn ziel om meer te weten van hun leer, meer van hun godsdienst. Voor
het eerst, sinds hij had leeren nadenken over zijn daden, werd zijn
borst beklemd bij de vraag:
„Heb ik goed gehandeld met hen te vervolgen?”
„Ik zal den bisschop vragen, mij alles te verhalen van zijn geloof. Ik
wil het weten en”....
Hij voleindde den zin niet, maar zijn oogen werden vochtig en een gevoel
van verademing welde op in zijn hart gelijk de koele dauw het veld
verkwikt na laaienden zonnebrand.
Hij zag, dat de kerkdienst ten einde liep, hij verliet zijn plaats, maar
nog omzweefde hem de zang: „Eere zij God in den hooge!” en weerklank
vonden die woorden in zijn ziel.
Over het water speelde de ochtendkoelte en de zonnestralen
weerspiegelden zich in de speren van Rolfr Jarls wapenknechten, die
zorgvuldig iederen toegang tot den Hohorst bleven bewaken -- onwillig
wendde hij zich af....
En het uur kwam, waarin hij bisschop Ansfried alleen vond gebogen over
zijn psalter en schier bitter klonk zijn vraag:
„Indien de Gekruisigde God, waarin gij gelooft, zoo goed is en
rechtvaardig en vol van macht, gelijk gij zegt, waarom laat Hij dan
toe, dat gij hier zijt ingesloten om den hongerdood te sterven of om
dien te vinden in de kerkers van den Ravenhorst?”
Ernstig zag de bisschop hem aan en het was Olaf alsof zijn gelaat blonk
van licht, toen hij antwoordde:
„Indien onze God dit einde voor ons heeft bepaald, dan zullen wij het
aannemen uit Zijn hand. Want wij weten dat Hij ons niet zal verlaten,
zelfs in het dal der schaduwen des doods en, dat het sterven ons tot
gewin zal worden, omdat het ons uit dit moeitevol leven voert in Zijn
eeuwig huis.”
„In berusting draagt gij dus ieder onheil, dat u treft. Vanwaar die
wondere kracht? Het is mij een raadsel. Gij vreest zelfs den stroodood
niet. Onze helden vervloeken hun lot, wanneer zij niet mogen vallen in
’t gevecht bij zwaardhouw of hamerslag, want dan wacht hen, na den
verachten stroodood, het sombere Nevelheim of het slangenhol van Hel,
met de duisternis en de koude waaraan geen einde meer is. En onze
vrouwen? Ook zij gaan naar Nevelheim. In Walhalla is voor hen geen
plaats en een andere uitweg bestaat niet. Vaak heb ik gedacht waarom de
goden zoo machtig, zoo wijs, dulden dat zooveel leed weerlooze wezens
treft. „Indien er geen goden waren, zou dan het lot der menschen anders
zijn, minder zwaar?” Meer dan eens heb ik mij zelven die vraag gedaan,
als ik stond onder de heilige eiken, de vlammen van het offervuur zag
opstijgen en de rook opwolken tegen het donkerblauwe gewelf, waaraan de
vuurvonken schitterden van Muspelheim, dat voor ons gezicht bedekt
Alvaders gouden zaal. En dan was het mij of de adem der godheid mij
tegenwoei, zooals die mij tegenklinkt uit de zangen en sagen van mijn
volk. Geheimzinnig ruischte het in mijn ziel: „de goden bestaan!” Maar
zijn zij zoo wijs en goed, zoo machtig en edel als onze Skalden zingen
bij harpslag en loflied, de priesters getuigen met zangen en offers? En
indien de goden leven, zijn dan de goeden in Walhalla en Loki, de
leugengeest, geketend in Hel?”
Hij zweeg en staarde peinzend voor zich en een groot verlangen lag in
zijn glanzenden blik, een smachten naar waarheid.
Maar nu wendde het indrukwekkend gelaat zich tot hem, dat niemand meer
vergat, die ooit het aanschouwde, en de stem van bisschop Ansfried,
doordringend en zacht tegelijk, klonk ten antwoord:
„De goden bestaan niet Olaf Erikson, maar er is één God, de Almachtige
Schepper van hemel en aarde, gebonden aan ruimte, plaats noch tijd.”
„Ruimte? Wat verstaat gij daaronder?”
„Daarmee bedoel ik de oneindigheid. Was zij dit niet, dan moest de
ruimte een grens bezitten, die op zich zelve weer een zelfstandig
lichaam vormde of uit ledige ruimte bestond. Alzoo weer ruimte of een
andere wereld. En even eindeloos als de ruimte is God. Ware dit niet het
geval dan zou Hij een begin of een einde hebben en niet de Eeuwige
kunnen worden genoemd, voor Wien de tijd, zooals de menschen zich dien
hebben gedacht als verleden, heden en toekomst, niet bestaat. Wat is,
was en wat was, zal worden.”
„God is een geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest
en in waarheid,” leert ons het Evangelie, dat is: Zijn heilig woord.”
„Mijn volk heeft de Edda, die leert van de goden en hun eeredienst. Met
offers en reizangen bewijzen de priesters hun eer,” viel Olaf in.
„Ook met menschenoffers.”
„Zij strekken ten zoen voor bedreven kwaad: Hebt gij dan geen vergeving
noodig?”
„Neen, want onze zonden zijn vergeven door het lijden en sterven van
Christus, den Heer, indien wij slechts in Hem gelooven.”
„Ik begrijp u niet!”
Hoe verwonderd klonk die uitroep en hoe vol verlangen!
Toen verhaalde de grijze dienaar van het Evangelie hem op zijn
eenvoudige wijze, -- die zooveel indruk maakte omdat zij waar was en
voortsproot uit een hart, dat geloofde -- van het leven van den
Christus. Van Zijn geboorte te Bethlehem, toen de engelenzang ruischte:
„Eere zij God in de hoogste hemelen!” Van zijn dood te Jeruzalem, toen
de menschen riepen: „Kruist Hem!”.... Van Zijn opstanding en hemelvaart,
de kroon van Hem, die stervend overwon....
Verbaasd luisterde Olaf, met gloeiend voorhoofd: Was dàt de bleeke
Christus, waarop de Noormannen steeds met zulk een diepe verachting
neerzagen?
„Hij was een held,” mompelde hij voor zich heen en een groote
bewondering welde op in zijn hart.
En de bisschop sprak verder en verhaalde van het leven en werken der
Apostelen, van de eerste christengemeenten, waarvan schier alle leden de
martelaren werden van hun geloof, door den wil van de machtige keizers
van Rome, die waanden de wereld te beheerschen, doch machteloos bleken
tegenover een geloofsmoed uit de kracht eener overtuiging geboren, welke
geheel een vijandige wereld overwon. En Olaf vroeg zich af wat voor een
God het zijn moest, die zijn volgelingen wist te bezielen met zulk een
heldenmoed en doodsverachting, standvastig bij de zwaarste rampen,
volhardend ondanks vervolging en dood, omdat zij gloeiden van liefde
voor Hem en geloofden in de waarheid van Zijn woord. Door bisschop
Ansfrieds eenvoudige voordracht trad geen dogma, geen ingewikkeld
leerstelsel op den voorgrond, waaraan reeds toen de kerk zoo rijk was en
die zoo menigwerf aanleiding gaf tot twist en verdeeldheid. Zijn
zachtzinnige beschouwingen ontnamen aan zelfkwellingen en boetedoening
hun afschrikwekkend voorkomen, aan de mystiek haar dweepzucht. Hij
verhaalde van den Heer, Die zalig spreekt de reinen van hart, Die
eenmaal in Zijn eeuwig huis allen zal vereenen, welke hier op aarde Hem
volgden en geduldig hun kruis droegen evenals Hij.
„Op welke wijze kunnen zij dat?”
„Door eigen wenschen en begeerten op te geven voor het geluk van
anderen, doordat zij niet meer hun eigen weg zoeken te gaan, maar alleen
begeeren te volbrengen wat God van hen eischt, door geheelen afstand te
doen van eigen ik. Zelfverloochening, dat is de grondtoon, de hoogste
eisch van het christendom.”
„Maar dat is een onmogelijke eisch. Hoe kan iemand leven, die nooit mag
denken aan zich zelven of aan eigen geluk?”
„Dat wordt niet van den mensch geëischt, wel, dat hij niet het meest en
het eerst denkt aan zich zelf en wie gevoelt, dat dit aardsche leven
slechts een voorbereiding is voor hooger bestaan, vindt dit geen te
zwaren plicht. Uit rechtvaardigheid, liefde en opoffering is
zelfverloochening gevormd. Wie rechtvaardig is grijpt niet storend in
anderer bestaan, noch doet iemand onrecht. Doch vaak heeft deze
rechtvaardigheid geen zedelijke waarde, omdat zij zelfzucht ten
grondslag hebben kan, die geen misdrijf wil bedrijven om niet zelf als
misdadiger te worden gebrandmerkt.”
„Hoe kan zij dan met zelfverloochening gemeenschap bezitten?”
„Er is nog een andere rechtvaardigheid, die uit hooger beginsel ontstaat
en ontspruit uit het medelijden, dat mede-gevoelt met anderer leed. Wie
deze rechtvaardigheid bezit, tracht het geluk te bevorderen zijner
medemenschen. Uit deze bron ontwelt de ware rechtvaardigheid, die
beschouwd mag worden als de eerste schrede op den weg der
zelfverloochening, welke voert tot heiligmaking. Doch hoog daarboven
staat de liefde tot den naaste, die eigen rust en vreugde opoffert om
het levensheil van anderen te vergrooten. De rechtvaardige veroorzaakt
niemand leed, de liefdevolle handelt jegens zijn medemenschen als ware
het voor zich zelven, geeft hem die zijn rok eischt ook den mantel, zet
zelfs zijn leven voor zijn vrienden. Op deze wijze moet de liefde tot
den naaste overgaan in geheele verloochening van eigen ik om den
hoogsten trap van zelfopoffering te kunnen bereiken, die de volmaking is
der rechtvaardigheid en der liefde in haar hooge beteekenis, gelijk de
Apostel Paulus zegt:
„En al ware het, dat ik al mijne goederen tot onderhoud der armen
uitdeelde, en al ware het, dat ik mijn lichaam overgaf, opdat ik
verbrand zou worden, en had de liefde niet, zoo zou het mij geen
nuttigheid geven”....
Aldus leeft wie de ware liefde bezit voor het geluk zijner medemenschen,
zooals hij dit voorheen deed voor zich zelven. Het is de zwaarste taak
voor den mensch, die tracht „volmaakt te zijn, gelijk ook zijn Vader in
de hemelen volmaakt is”, want het zondig beginsel blijft en werkt,
zoolang hij hier op aarde leeft en brengt hem in onafgebroken strijd.
„Indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij
leven,” zegt wederom de Apostel. Want, Olaf, al vormt het menschelijk
lichaam met zijn verschillende onderdeden éen geheel, en lijden, als een
lid pijn heeft, al de leden, toch kan men het splitsen in twee deelen:
ziel en lijf. Het laatste behoort aan dit leven, aan de onsterfelijkheid
de eerste. Het is het inwendige bewustzijn, dat onzichtbaar toch de
handelingen van het zichtbare lichaam bestuurt, handelingen wier
beteekenis ver over het graf heenreikt. Aan de vruchten kent men den
boom, den mensch aan zijn daden, waarvan eenmaal de eeuwigheid de vrucht
schenkt in onvergankelijk geluk of in eindelooze smart. Want de mensch
bewijst wie hij is, uit zijn werken en evenals het geloof zonder de
werken slechts een luid klinkende schel is, toonen werken, die niet uit
het geloof, niet uit liefde tot God hun oorsprong nemen, dat zij
ontwellen aan onzuivere bron, die der zelfzucht, niet achtend Christus’
woord:
„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op!”....
De bisschop zweeg, en Olaf verborg het hoofd in de handen. Hij wilde
niet zien wat om hem was, maar den blik slaan in zijn binnenste, tot
ernstig zelfonderzoek, en nadenken, voor de eerste maal. Het warrelde in
zijn hoofd. De nieuwe gedachten, die ongekende voorstellingen wekten,
lieten zich niet in enkele oogenblikken verwerken. Welk een volkomen
tegenstelling vormde de godsdienst der christenen, waarop hij tot nu toe
met zooveel geringschatting had neergezien -- met het geloof aan de
goden, waarin hij was opgevoed! Een schare van kloeke helden vormden
dezen, tuk op eer en roem en macht. Uit vreemde, verre streken heetten
zij eenmaal te zijn aangekomen in het hooge Noorden. Hun stamboomen
bezaten zij evenals aardsche vorsten. Een strijdros, dat een naam droeg,
was hun eigendom. Verschillende dieren en vogels waren hun gewijd. En
het Walhalla -- was het niet gelijk aan een strijdperk van ruwe
krijgers, krijgers vol ontembare kracht, vervuld met woeste
doodsverachting?
Wel moest een veroveraar, begeerig een aardsche wereld te winnen, het
eerst den volken het bestaan dezer goden hebben geleerd, om hen te
lokken tot krijgstochten, die de geheime voorbereiding waren van zijn
eerzuchtige heerschersdroomen.
En de leer der christenen!....
Eer, noch macht, noch roem begeerden zijn aanhangers. Zelfverloochening!
luidde de eisch van hun Heer, den eenigen Almachtigen Schepper van hemel
en aarde. Zalig sprak Hij niet hen die groote, roemvolle, maar die
goede, edele daden verrichtten, uit liefde tot Hem en hun medemenschen.
En wanneer hun aardsche loopbaan was geloopen, dan nam Hij allen, die
Hem liefhadden en Zijn geboden hadden volbracht, zoover hun zwakke
kracht dit toeliet, op in Zijn eeuwig huis. Geen woest strijdperk van
een tot god verheven verdelger, als Odin, maar een hemel badend in
heilig licht waar liefde en vrede heerschten en de zegepalmen werden
gereikt, ieder die hier op aarde zijn goeden strijd had gestreden ten
einde toe....
Vaster drukte Olaf de handen tegen het gloeiend gelaat. Hij voelde
tranen branden achter zijn gesloten oogleden -- de eerste, sinds zijn
kinderjaren. Het was of een geheele omkeer plaats greep in zijn voelen,
wenschen, denken, plotseling met een schok, als of hij werd vervoerd
door een wonderbare macht, die alles deed verzinken waar hij tot nu toe
tegen op had gezien, dat hij gewijd had geloofd en waar. Een macht, die
hem dwong zich in eerbied te buigen voor denkbeelden, te voren slechts
met een verachtelijk schouderophalen begroet.
„Wat is waarheid?” Niet langer beefde die vraag op zijn lippen; hij wist
waar zij werd gevonden en --
En toen rees hij op, verwilderd. Zacht was de deur geopend en gesloten,
terwijl hij neerzat en met zich zelven worstelde en streed. Hij had het
niet opgemerkt, evenmin als hij zich thans alleen wist. Zijn blik
staarde in het verleden, in het zijne. Hij zag een bloedig slagveld.
Hoog wapperde Odins zegevierend vaandel tegen het blauw der lucht, luid
schetterden de horens, juichend werden als overwinnaars gehuldigd door
hun strijdgezellen, allen even dapper als woest, Rolfr Jarl en Olaf
Erikson...
Rolfr Jarl en hij! Een rilling liep door zijn leden. Want hij zag een
strook lang wuivend gras, hooggehouden op de spits van glinsterende
speren en daaronder traden de overwinnaars der christenen: Rolfr Jarl en
hij. En toen reten beiden den rechterarm open en zij vermengden hun
bloed, dat afdruppelde op de groene zode, gespreid voor hun voet. De
legerdrommen juichten... Bloedsbroeders waren thans de beide
aanvoerders, de een zette zijn leven voor den andere, trouw tot in den
dood, zelfs tegenover eigen verwanten en vrienden. Want wie zijn
bloedsbroeder verliet in voor- of in tegenspoed, gaf zich zelven den
goden der benedenwereld prijs in de toekomst, die werd geschuwd als
eerloos, als meineedig veracht door strijder en Skald, bij hamerworp en
harpslag te zee en te land. En thans: De Denen kwamen, om te verwoesten
en te verkeeren der christenen land, om te dooden wie de leer beleed van
den Gekruisigde. En trouw tot in, tot over het graf, dat eischte de
bloedsbroeders-eed!...
Plotseling rees hij op, met een kreet. Want, daar buiten glinsterden
speren, daar sloeg een banier haar banen uit, hoog tegen ’s hemels
blauw, maar niet van de drakenschepen flikkerden de doodelijke wapens,
niet Odins bloedroode vaan zag hij.
Hij zag een banier wapperen, met het beeld van den held, die eenmaal
zijn mantel deelde met een armen voetknecht.
De mannen van Sint Maarten kwamen, in rechtmatigen toorn ontstoken, nu
hun bisschop en heer de gevangene was van een tuchteloozen vasal. De
overgang was zoo plotseling, zoo snel, dat hij Olaf als bedwelmde, vele
oogenblikken.
Wie hen had gewaarschuwd, wakker geschud uit hun doffen angst voor eigen
lot, wie allen had gewezen op hun plicht, behoefde hij evenwel niet te
vragen.
Aan de spits der kloeke schaar reed een boer, blootshoofds, gekleed in
grof wadmer, met oogen donker van zorg en angst -- Henno.
„Te hulp! Onzen heer te hulp!” riep hij luid. Van alle zijden werd die
kreet herhaald. Hij klonk uit den mond der mannen van Utrecht, het
landvolk ving hem op en droeg hem van hoeve tot hoeve, hij werd
teruggekaatst door de gevels van het slot Bacheforth, tegen de half
verbrande muren van den Stuthenborch, verder golfde hij met den breeden
stroom langs weide en woud.
„Te hulp tegen Rolfr Jarl! Te hulp!” Het was of plotseling de vrees
verdween, die den geduchten Jarl zijn kracht schonk. De mannen van Sint
Maarten waren gekomen, in de schaduw der banier van hem, dapper en
edelmoedig krijgsoverste -- eer hij zich wijdde aan den dienst der kerk
-- waren zij veilig.
„Te hulp! Redt onzen bisschop!” Want, was ook deze niet aan Sint-Maarten
gelijk, deelde hij niet evenzóó met de armen en lijdenden wat hij bezat?
„Redding voor bisschop Ansfried!”
Oorverdoovend werd de kreet, kodde en herdersstaf, sikkel en
dorschvlegel werden gegrepen door gespierde, bruine handen, dreigend
werden zij opgeheven naast de flikkerende speren der wapenknechten.
Als een springvloed door dijken noch dammen te stuiten viel het landvolk
-- nu sterk, omdat het werd gesteund, aan op de boogschutters van den
Ravenhorst. Overrompeld werden de ruiters, die de wacht hielden op de
kruiswegen, doorschoten de voorbeenen der paarden van aanvallers of
vluchtelingen, met pijlen even scherp als wel gericht.
Een vreeselijk treffen ving aan, niet reusachtig door het getal der
strijders, doch moorddadig in zijn woestheid en ontzettenden ernst.
Toen, reeds bijna een uur duurde de kamp, drong een man hoog te paard
door den warrelklomp der strijders, een geheel geharnaste forsche
gestalte:
„Hier, laffe wapenknechten! Uw heer beveelt! Graaf Ansfried vrij!....
Dat nooit! De dood hale hem! Slaat u door of ik vel u met eigen hand!”
Rolfr Jarl brulde het meer dan hij sprak in razenden toorn. Hij streed
vol woeste doodsverachting als nimmer te voren, zijn bijlslag suisde, in
zijn vuist blonk het zwaard, zijn werpspies trof wien hij koos tot zijn
wit. Verdubbelen deed zijn komst het geroep en gedruisch, de wilde
strijdkreten, de doodelijke slagen. Tot waanzin schier steeg de woede
aan beide zijden. Henno stiet terwijl hij trachtte den Jarl te bereiken
op Sven Persen. Als roofdieren stortten zij op elkander en vielen, na
een moorddadig tweegevecht, bloedend, kreunend naast elkaar, de een zijn
verwenschingen slingerend naar den andere met bezwijmende kracht.
„Sterf, hond!” brulde in het eigen oogenblik Walger, zijn dorschvlegel
zwaaiend. De doodelijke stoot, die hem trof als antwoord, kwam van
Harald, den Skald; met bloedig schuim op de lippen zonk hij neer om niet
meer op te staan.
„Een boot! Een plank slechts om den stroom over te zwemmen!” riep
Unruoch. Als voortgezweept ging hij op en neer op den Hohorst, hij wierp
zijn rusting af om zonder wapen of verweermiddel zich van de hoogte in
de golven te storten. De weinige ruiters, die waren ontkomen aan het
bloedbad bij den grafheuvel, wilden hem volgen. Slechts door een streng
bevel kon de bisschop allen terughouden: want diep was de stroom, hun
dood gewis, indien zij er zich in wierpen.
„De Heer kastijdt ons met een zeer zware beproeving!” jammerde broeder
Johannes met opgeheven handen. Toen, ze als een roeper aan den mond
brengend, gillend tot de mannen van Sint Maarten:
„Slaat dood! Slaat dood! Vraagt niet naar heiden of christen! De Heer
beschermt de zijnen, slaat toe!”
„Broeder, zwijg!” Bevelend klonk bisschop Ansfrieds ernstige stem. „Dit
is godslastering. Het zijn menschen! Bid voor de dwalenden, die Wodan
aanroepen en zijn heir van booze geesten. Vervloek ze niet!”
In zijn vertrek wrong Olaf de handen:
„Mijn bloedsbroeder delft het onderspit en ik lijd niet om hem, en geen
droefheid is in mijn hart, omdat ik hier machteloos, weerloos sta! Een
meineedige -- ik!”
Zijn hoofd zonk op de borst, zijn lippen fluisterden:
„Alvader vergeef!... Wijs mij den weg dien ik gaan moet.... eeuwig
God!”...
Op de hoogte verscheen opnieuw de bisschop, voor iederen pijl een
weerlooze prooi, niet achtend het gevaar, dat hem dreigde:
„Vrede! Vrede! Staakt dit moorden! Houdt op! Ik wil het!”....
Als een roepende in de woestijn was zijn stem, overstemd door
strijdgerucht en wapengekletter, door het wraakgehuil, dat den smaad
gold hem aangedaan.
„Berg uw lijf! De pijlen der Denen worden alle op u gericht!”
Heesch stiet Unruoch de woorden uit; tegen diens wil sleepte hij zijn
vaderlijken vriend mee. Olaf zag het met een zucht van verlichting.
Maar opnieuw drong een kreet in zijn ooren van smart en van toorn, door
merg en been ging de snijdende klank. Hij klemde zich aan het kleine
venster, hij zag Rolfr Jarl wegdragen, zag Unruoch zegevierend -- zijn
pijl had gemikt en doel getroffen -- over het breede golvenvlak.
Nog eenmaal vlogen links en rechts de pijlen, en sloegen opnieuw de
speren hun bijtende wonden. Menige krijger zonk ineen op het veld. Wild
door elkaar warrelden, streden de laatst overgebleven Denen tot zij hun
Jarl en heer zagen wegdragen. Toen klonk een gehuil aan het brullen van
een wouddier gelijk, toen vluchtten „de zonen van Odin” en wapperde
zegepralend de banier van Sint Maarten boven de hoofden der
overwinnaars, knielend op het veld:
„Heer, U zij de eere! Heil onzen bisschop”.... Hoe ras was de boot
bemand, die hem veilig droeg in hun midden, veilig en vrij!
Met jubelenden heilzang, met vochtige oogen begroetten hem de stoere
strijders van daareven. In hoog aanzien stond hij bij allen, maar de
eerbied en liefde, die hem werden gewijd, overtroffen het ontzag, omdat
hij heerschte door goedheid en ieder zijner daden een zegening was.
„Naar Utrecht voeren wij u! Wij brengen u in veilige rust!”
Doch waarschuwend hief hij de hand op: „Staakt dien jubel! Hier voegt de
stilte: onze gebeden vragen de dooden, de gewonden onzen bijstand!”....
Een draagstoel werd aangebracht, toen deze eerste plicht was vervuld. De
bisschop steeg in.
In ’t zelfde oogenblik sloeg een hand het gordijn terug: „Ik ben uw
gevangene. Beschik over mijn lot!”
Bisschop Ansfried schudde het hoofd en zag den spreker meewarig aan: „Ga
in vrede, mijn zoon! Gij zijt vrij!”
Twee groote tranen sprongen Olaf uit de oogen. Aan zijn bloedseed
gedachtig moest hij terugkeeren, zijn bloedsbroeder te hulp. En hij wist
thans wat dat beduidde!
En het werd stil in zijn hart, dat daar even nog jagend geklopt had --
verstijvend stil.