De zon was ondergegaan, de eerste sterren zouden weldra schijnen uit een
donkere wolkenlijst, de avondwind begroette ruischend de slotbron, toen
Olaf Swanwitha vond in den hof. Het was slechts een klein plekje, haar
afgestaan binnen de omheining van den Ravenhorst, maar zorgvuldig was
iedere voet gronds gebruikt om den kruidtuin te vormen, waaruit de
geneeskunst de middelen trok om kwalen en ziekten te bestrijden. De
witte lelies -- waarvan vrouw Sigrid de bladeren in azijn bewaarde om
wonden te genezen of van de bloemen een zalf kookte als een onschatbaar
middel bij kneuzingen, bloeiden er naast de verwarmende venkel en de
donkergroene rosmarijn. Haar lichtblauwe bloemen werden gebruikt om het
verstand te verhelderen en de zinnen scherp te maken. De ruite vormde
een onschatbaar middel tegen besmetting en heette, met zout vermengd,
onfeilbaar tegen vergif. De purperen gladiolen-wortel werd met wijn
gezoden voor pijlwonden gebezigd en de bladeren der rozen dienden niet
slechts om hart en leven te versterken, maar waren ook een uitstekend
middel tegen de koorts. Zij bloeiden in een groot aantal, iedere struik
prijkte met zijn mantel van groen en een bedwelmend zoete geur steeg op
uit de wijdgeopende knoppen. Op de doornige twijgen wiegelde zich de
kleine, bruine nachtegaal, door de Noren hun god Balder toegewijd, den
zachtzinnigen god van lente en licht. Zijn zilveren zang vervulde
trillend de lucht. Of Swanwitha dacht aan een anderen avond, toen ook de
nachtegaal zong?
Langzaam ging Olaf voort. Het zachte mos dempte zijn tred. Hij zag haar,
die zijn bruid heette, op een kunstmatig aangelegd, met rozen begroeid
heuveltje. Weer dacht hij, dat zij zelve een witte bloem geleek tusschen
de rozen, weer omgolfden haar de gouden haren als een glinsterende
mantel, juist als op den morgen toen hij haar voor het eerst zag.
Hij streek zich met de hand over de oogen -- alles was gelijk het
geweest was, alleen hij zelf was een andere geworden. Toen hij Swanwitha
in het liefelijk gelaat zag, had hij met onstuimigen hartslag begeerd
haar de zijne te noemen, zonder daarbij te onderzoeken of zijn wenschen
de hare ontmoetten -- alleen aan zijn eigen geluk had hij gedacht. En
thans had een machtige stem geklonken, die doordrong tot zijn ziel:
„Zelfverloochening eischt de godsdienst der Christenen. Wie eigen
wenschen het zwijgen weet op te leggen, waar het geldt het geluk te
bevorderen van anderen, die alleen is een held.”
Van dat oogenblik wist hij, dat het Christendom stond boven zijn geloof
aan de goden, even hoog als de zon schitterde boven de grijze zee.
„Wraak, vergelding, zoek de vervulling uwer eigen wenschen”....
Dit waren de levenslessen, tot nu toe door hem opgedolven uit de
spreuken en sagen der Edda.... Gelijk ieder hooggestemd karakter voelde
Olaf diepen eerbied voor alles wat verheven was en groot. Met ontzag
begon hij, denkend, steeds denkend over alles wat de bisschop hem had
gezegd, op te zien tot een leer, die zulke hooge eischen stelde, eer hij
nog geleerd had Hem aan te hangen, in Wiens leven van liefde en
erbarming, in Wiens kruisdood van lijden en overwinning, de
zelfverloochening zich had belichaamd, den Christus, Die de
verschrikkingen der hel had te niet gedaan, gezegepraald op een lauwe of
vijandige wereld en de hemelen geopend, voor wie trachtten Hem na te
volgen met oprecht gemoed.
Voorzichtig boog Olaf de takken der „gelukbrengende” berken en de
twijgen van den „heiligen” vlier, uit elkaar. Hij glimlachte nu om dit
geloof van zijn volk. Een boom of heester door menschen den goden
gewijd, en daarna de stichter van hun geluk!.... En als de oude wereld
was voorbijgegaan zou Odin een nieuw menschengeslacht scheppen op de
nieuwe aarde, de man uit den esch, de vrouw uit elzenhout!
Een donkere blos steeg in zijn gelaat. Dàt had hij geloofd! Was hij tot
nu toe een kind gelijk geweest in zijn denken en droomen? Indien Gods
toorn den ondergang beval eener in zonden verzonken wereld, dan was
alleen de eindelooze liefde van den gekruisigden Christus in staat, de
menschheid veilig te voeren door de loeiende vlammenzee naar de nieuwe
aarde van zegepralend geloof, dat werd tot zalig aanschouwen, waar het
witte kleed zou bekleeden het verheerlijkte lichaam en de van iedere
smet gereinigde ziel....
Hij vergat opnieuw bijna, meegesleept door zijn gloeiende gedachten,
waarvoor hij was gekomen. Doch nu wendde Swanwitha het hoofd om en in
den glans van het zinkend avondrood zag hij haar oogen vochtig. Hij
gevoelde, dat het geen lenigende tranen waren, verkwikkend als de
zilveren dauw voor de velden, na den zonnebrand van den dag. Brandend,
een verterenden gloed gelijk, moesten zij voor haar zijn, want met een
plotselinge beweging van schrik stond zij op, krampachtig trokken haar
lippen -- zij zag hèm.
Hij stak haar beide handen toe en toen zij aarzelde er de hare in te
leggen, greep hij ze. De angstige blik, waarmee zij hem aanzag, zonk tot
in zijn ziel. Welke kluisters hij haar had aangelegd begreep hij in zijn
geheelen omvang, thans, voor de eerste maal, nu hij niet aan zich zelven
dacht.
„Schrik niet voor mij terug, Swanwitha! Ik kom niet meer om u Freya’s
minne toe te drinken uit den zilveren hoorn. Neem uw ring weer” -- hij
gaf haar den smallen, glinsterenden band. -- „Ik weet nu, dat liefde
niet door dwang wordt verkregen, dat de ring niet het onderpand van
verkoop is, maar die der trouw behoort te zijn.
Wie liefde dwingen wil zoekt de zon bij nacht, dat heb ik ingezien,
gelukkig nog niet te laat. Niet wie alleen is op aarde, maar wie werd
gescheiden van wat hij liefhad, is eenzaam en verlaten. Vergeef daarom
wat ik u aandeed. Ik zal u niet scheiden van hem naar wien uw hart
verlangt. Vind eenmaal het geluk, dat”....
Hij wendde zich af, haperend. Zijn kloeke gestalte beefde.
Wèl stelde de „witte Christus”, op Wien Odins zonen met zooveel
minachting neerzagen, hóoge eischen aan Zijn volgelingen. Zich zelven
overwinnen in ernstigen, stillen strijd met eigen wenschen of den vijand
tegenstormen met heirbijl en speer te midden van het opwindend
strijdgewoel -- hij wist nu wat het zwaarst viel. Maar hij hoorde een
snik van verlossing, schier van bevrijding....
„Vaarwel!” mompelde hij nog eens, „vaarwel!”
Nu omklemde zij zijn hand, met haar gloeiende vingers.
„Olaf, dank, o dank! Wat ben ik u dankbaar! Vrij!”.... Als een
jubelkreet klonk het. Toen vervolgde zij aarzelend:
„Maar, weet mijn grootvader”....
„Ik zal hem alles zeggen, wees niet bang. Niemand heeft het recht u te
verkoopen naar ziel en lichaam. Ik begrijp het nu. ’t Is of mij een
blinddoek is ontvallen, of ik van een last, die mijn denken benevelde,
ben bevrijd. Zie, Witha, op den Hohorst was ik gevangen en daar werd ik
waarlijk vrij! Wel mag die plaats de „Heilige berg” heeten, sinds
bisschop Ansfried daar heerscht, niet door het geweld van den sterkste
maar door de macht der hoogste liefde, die niet zich zelve zoekt.”
Welk een ongeveinsde verbazing las hij op haar trekken!
Eenvoudig en eerlijk volgens zijn karakter, hernam hij:
„Ik ben nog geen christen, maar ik hoop het eenmaal te worden, als God
mij helpen wil. O, Witha, welk een geluk van Hem kracht te ontvangen, om
den Gekruisigden Christus te kunnen navolgen! Alleen kan ik het niet,
het is een zware weg.”
„O, Olaf, wat zijt ge toch goed!”
Zij schreide om hem! -- Een gevoel sloop zijn hart binnen, dat geen
geluk was, zooals hij dit vroeger had begrepen, maar, dat daar ver boven
was verheven.
„De God, die mijn moeder liefhad, zegene u! Hij zal ook ùw God worden!”
fluisterde zij opnieuw in een grooten snik.
Toen legde zij nog eenmaal haar hand in de zijne en terwijl zij
scheidden voor het leven, wisten zij, dat zij elkander hadden begrepen
-- voor het eerst.