Den avond na dit onderhoud, toen het eentonig geroep van den koekoek
zweeg en de wolken verder dreven, goud en karmozijn omzoomd door het
avondrood, lag Trutha moe en zwak in een kuil op de heide. Een man had
haar gered uit den stroom, een vreemde man met grijzende haren, het
gebruind gelaat doorgroefd van naden en rimpels, een versleten kolder om
de magere leden. Hij had de drenkelinge in zijn armen genomen als de
herder een verdwaald lam, met de dankbare gewaarwording, welke hem
bezielt, die door de wereld heeft gezworven vele lange, eenzame jaren,
verlaten en alleen en wie nu een warm geluksgevoel doortintelt, omdat
hij weer een menschelijk wezen vond om voor te zorgen.
Een kuil in de heide was ras gevonden, een beschuttend dak van
dennentakken en zoden dra gereed. Nu waakte hij bij het zwakke kind en
bracht haar het karig rantsoen, dat hij op zijn smeeken ontving aan de
verspreide hutten.
Zoo vond hen Lisa, terwijl zij voortsukkelde over de heide. In weinige
woorden deelde zij hem de gebeurtenissen mee van den laatsten tijd, om
te eindigen:
„Vlucht achter de wallen van Utrecht als uw leven u lief is: Gij hebt
beschermd wie Rolfr Jarl vervolgt met zijn haat. Neem Trutha mee en
verhaal te Utrecht hoe het hier met den bisschop staat, dan zullen de
burgensen komen om hem te bevrijden. Zeg toch, dat zij zich haasten.”
Plotseling hield zij in, beducht.... „Vreemdeling, wie zijt gij?”
„Een vrije speerknecht, wien het slecht genoeg ging in de wereld.
Gerlach heet ik en voor den bisschop en dat kind daar zal ik doen wat ik
kan, al was het alleen, omdat zij vervolgd worden door Rolfr, den Deen.”
Over zijn lippen kwam die naam op schorren toon, een toon van wrok, maar
er was geen woord meer uit hem te krijgen.
„Gegroet, moeder! Met het eerste morgengrauwen breng ik het kind in
veiligheid, en drijf de Utrechtsche poorters tot handelen. Nu moet ik
zorgen voor haar avondbrood. De boerin van het Hooge land heeft gezegd,
dat ik het dezen avond bij haar mocht halen.”
Weldra werd zijn lange gestalte slechts een stip op de eenzame heide;
Trutha, uitgeput, was blijven doorslapen. Moeder Lisa dekte haar
zorgvuldig toe met den doek, dien Swanwitha haar eens had gegeven. Toen
ging ook zij verder.
Een man stond onder de dennen aan den voet van een heuvel. Moede leunde
hij op zijn staf van knoestig eikenhout. Zij slaakte een kreet:
„Henno! Hebt gij gedaan wat ik zei?”
Hij knikte zwijgend, twee groote tranen rolden uit zijn holle oogen.
„Ja! Maar zij durven niet, niemand durft! En mijn kind sterft in den
kerker van den Ravenhorst.”
Ongeduldig trok zij hem bij zijn mouw.
„Denk niet het eerst aan je zelf. Is Yglo meer dan de bisschop? Henno,
wat heb je gedaan?”
„Wat je mij hebt geraden. Gegaan ben ik van hoeve tot hoeve, van heem
tot heem om iederen vrije te vragen, te dringen, gewapend op te trekken
tegen Rolfr Jarl. Maar zij sloegen de deur dicht met een schamper:
„Eerst was uw zoon bode voor den Jarl, nu gij tègen hem. Henno, wij
vertrouwen je niet meer!”
„En o, Lisa, mijn kind sterft, mijn eenig kind!”
Strak zag Henno voor zich en voelde, dat hij gestraft werd in de zonde,
die hij beging.
Lisa hernam:
„Dan het laatste middel: naar Aken, naar heer Otto, onzen jongen keizer!
Hij moet de Utrechtsche burgensen aanvoeren.”
Henno maakte een verschrikte beweging:
„Ik, een arme visscher!”
„Maar een vrij geboren man. En Henno, „voor God zijn wij allen gelijk,”
zegt de bisschop. Vreest gij dan voor een mensch? Help ons allen en red
Yglo!”
Henno wischte zich de klamme druppels van het voorhoofd:
„Ik zal het doen; ik zal het! O, mijn kind, mijn kind!”
Zij hief de hand op:
„Ginds, op den heuvel ligt Trutha, zwak en ziek, gered door een vreemden
speerknecht, die haar naar Utrecht zal brengen. Verberg u over dag, want
Rolfr Jarl laat scherp wacht houden op iederen kruisweg; ga bij nacht
over hei en veld en verhaal overal te Utrecht wat hier voorvalt. Dring
er toch bij ieder op aan, dat de burgensen uittrekken den bisschop te
hulp en als gij ze daartoe bereid weet, zie dan een paard te krijgen en
haast je naar Aken. Maar zeg niets van dit plan, omdat het een goed plan
is, want dan wordt gij tegengewerkt door menschen, die niet van zins
zijn zelf te handelen, maar die toch niet kunnen verdragen, dat een
ander verricht waarmee hij misschien de eer zal behalen, die zij voor
zich zelven wenschen zonder de inspanning.
Zorg nu echter eerst voor Trutha. Altijd is het best te doen wat het
eerst voor de hand ligt.”
Lisa begreep in haar eenvoud niet welke levenslessen zij had verkondigd,
maar Henno knikte en beloofde nogmaals haar raad te volgen. -- -- --
En de Hohorst bleef scherp bewaakt en iedere weg, die er heenleidde
afgezet. Rolfr Jarl hield zijn volk in strenge tucht en de landbewoners
verscholen zich reeds vol angst, als een boogschutter, die de rondte
deed met zijn gevreesd wapen, zichtbaar werd. Lang kon die toestand
echter niet voortduren. Rolfr Jarl begreep dit zelf het best, maar
iedere dag was voordeel: de Denenvloot zou nu niet lang meer uitblijven
en den bisschop werd belet maatregelen ter verdediging te nemen. Of nog
anderen dan hij wisten van den beraamden inval? Met bezorgdheid vroeg
Rolfr zich dit af en opnieuw rees zijn verlangen naar zegepraal niet het
meest, doch naar vergelding. Nooit zou hij het uur vergeten toen hij
vrij heenging van den Hohorst en bijna wenschte gevangen te worden
gehouden om zoo groot een smaad te ontgaan. Het met zooveel onverholen
minachting geuite woord: „Ga!” klonk hem in de ooren bij het gewoel van
den dag als in de stilte van den nacht. Te verachtelijk zelfs om
gevangen te blijven!.... Het denkbeeld prikkelde hem schier tot
razernij. Dat Olaf, herstellend van zijn vleeschwond, weigerde den
Hohorst te verlaten, wanneer het den bewoners niet werd vergund om te
gaan waar zij wilden, maakte zijn stemming slechts meer verbitterd.
En verscheidene dagen gingen en kwamen zonder eenige verandering te
brengen. De stroom vloeide om den Hohorst, vele visschen droeg hij aan,
ook fraaie zilverzalmen, die de glinsterende koppen omhoog staken boven
het effen watervlak. Unruoch en broeder Johannes wierpen haken en netten
uit, zoodat het den door een sperenhaag omringden niet geheel aan
voedsel ontbrak, ofschoon de teerkost steeds schaarscher werd en weldra
het gebrek zou nijpen.
„O, om mij te mogen meten met Rolfr Jarl bij het schallen der hoorns,
het flikkeren der zwaarden en het stooten der speren!” mompelde Unruoch
meer dan eens met een onstuimig verlangen naar een daad, die de
beslissing brengen zou.
„Wij zullen misschien hier wel blijven tot de bazuin klinkt van het
jongste gericht en dan zijn wij te uitgevast om te strijden tegen den
Antichrist en zijn heir van booze geesten,” steunde broeder Johannes.
De overige broeders vielen hem bij, de ruiters kozen Unruoch’s zijde.
De eenige, die kalm bleef bij de naderende of reeds aanwezige gevaren,
was de grijze bisschop. Hij leidde zelf de godsdienstoefeningen in de
kleine kerk, verpleegde Olaf met eigen hand en las kalm of er niets
dreigde, in zijn weer op hun plaats gestelde boeken, op deze wijze
opnieuw de spreuk bevestigend, dat een zuiver geweten en een rustig
gemoed meer waarde bezitten dan alles wat de wereld kan nemen of geven.