Wapentrofeeën glinsterden noch heirbijlen blonken in den eenvoudigen
refter van den Hohorst, waarin hij nu den blik wierp. Geen wachter had
hem tegengehouden met lans of zwaard. Slechts een klein aantal mannen
was daar bijeen, sommigen reeds bejaard, in de kracht van het leven de
meesten; de eenige, die een pantser droeg, was Unruoch. Met groote
schreden mat hij het vertrek. Zijn gelaat zag nog bleek, maar strijdlust
fonkelde uit zijn oogen toen hij bitter uitriep:
„De aarde moest zich openen om Rolfr van den Ravenhorst te verslinden
met het duivelsgebroed, dat hem dient. Hier zijn wij machteloos tot
eenig verzet, aangewezen op den hongerdood en intusschen gaat het
heiligste wat wij bezitten verloren: vrijheid en geloof!”
Hij rukte zijn zwaard uit de scheede: „O, laat mij gaan en u allen een
doortocht banen! Nog blijft ons een zestal ruiters, hun wonden zullen
niet beletten, dat zij overzwemmen en u den weg vrij maken met hun
wapens om”....
„Te vallen zooals bij den grafheuvel hun strijdmakkers, die Rolfr
neerstiet met drievoudige overmacht. Unruoch, deze menschenlevens wegen
zwaar op mijn ziel. Waarom verliet gij met zulk een klein aantal den
Stuthenborch? Gij weet, wat ik u had gezegd.”
„Er waren geen ruiters meer te vinden. De angst voor den wereldbrand
breekt alle tucht. Zonder verlof waren de meesten naar Utrecht. Daar
stroomt alles naar de kerken. Verlaten zijn woningen en werkplaatsen.
Zelfs bij de poorten houdt niemand de wacht meer, naar men zei.”
De trek van overgevende berusting, die steeds het gelaat van bisschop
Ansfried stempelde, week bij dit antwoord. Zielsverdriet wierp donkere
schaduwen over zijn voorhoofd; een zucht ontsnapte hem:
„O, mijn arm, aan uw doodvijanden overgeleverd volk, kon ik u slechts
redden met mijn leven! Wie moedeloos neerzinkt is reeds half verloren.
„Volhardt ten einde toe!”.... Waarom begrijpt schier niemand, dat dit
een eisch is ook aan het leven gesteld met al zijn moeite en leed? Kon
ik slechts iets doen, maar deze machteloosheid!”....
Hij zweeg, op de borst, die hijgde naar daden, zonk het hoofd, dat
steeds dacht voor anderen, dat altijd een uitweg vond waar ieder
versaagde. Niet lang.
„God zal helpen en uitkomst geven als Zijn tijd daar is. Hij wijst den
weg, dien wij gaan moeten. Dat daarom ramp noch tegenspoed ons het
vertrouwen op Hem ontneme, Die alle dingen doet medewerken ten goede!”
Als een belofte uit beter, heiliger oord klonken zijn woorden allen
tegen. Zij stortten nieuwe kracht in harten, gebogen door een ramp, even
onverwacht als onoverkomelijk, zooals altijd waar geweld optreedt als
heerscher. Maar nu werd de deur met een ruk opengeslagen. Een vaste stem
sprak:
„Ik bied u een uitweg, hoort mij.” Op den drempel stond Olaf, het
getrokken zwaard glinsterde in zijn vuist, in zijn oogen blonk een
vreemde glans. Met een hoofdbuiging groette hij de aanwezigen, maar aan
Unruoch hechtte zich zijn blik, tot hem waren zijn woorden gericht:
„Unruoch van Teisterbant, ik daag u uit tot een kampstrijd op leven en
dood. Overwint gij, dan ben ik in uw handen en door mij kunt gij van
Rolfr Jarl uw aller vrijheid eischen. Dit zal de prijs zijn van mijn
nederlaag. Zegevier ik, dan zult ook gij allen” -- nu wierp hij een
vluchtigen blik in het rond -- „moeten toestemmen, dat de goden hebben
geoordeeld.”
„Dat het een godsoordeel was,” sprak de bisschop vermanend.
Olaf haalde de schouders op:
„Ik kan mij geen God denken, die zich, als een weerloos slachtoffer,
laat nagelen aan het kruis, terwijl de macht der aarde en van den hemel
Hem behoorden, volgens de leer der christenen. Indien iemand waagde Thor
aan te randen, zou hij zijn vijand verpletteren met één slag van zijn
donderkeil. Dat is godenwraak!”
„Zoo denkt gij. En toch zal de godsdienst van den Gekruisigde eenmaal de
wereld overwinnen en heerschen als uw goden reeds eeuwenlang zijn
vergeten, omdat Zijn leer liefde en zelfverloochening tot grondvesten
heeft en uw godendienst zich verheft op den hoeksteen van zelfzucht en
geweld.”
Olaf was niet in staat den grijzen dienaar van het Evangelie te
antwoorden. In zijn oogen flikkerde het opnieuw met verterenden gloed.
-- In zijn glinsterend ringpantser, met zijn hooge gestalte en fraai
gevormd gelaat, de rosblonde lokken vrij vallend over het voorhoofd,
geleek hij inderdaad een der fiere godengestalten van zijn volk,
hartstochtelijk, onverschrokken, tot ieder middel bereid waar het gold
zijn doel te bereiken, dat hem zou schenken -- vergelding.
„Ik neem uw uitdaging aan.”
De stem van Unruoch klonk hard en vast, ook in zijn blik gloeide het.
„Unruoch, uw wond is nog niet geheeld!” Bisschop Ansfried riep het
bezorgd.
„Dat zal mij niet beletten, mijn zwaard te kruisen met het zijne. Mag ik
als een eerlooze handelen? Eisch geen woordbreuk. Ik heb de uitdaging
aangenomen. Moge het hier gelden:
„Wee den overwonnene!”
Hoog richtte hij zich op, nu ook zijn tegenstander groetend:
„Tref goed, edele Olaf, bepaal het uur van den strijd en buig u voor het
godsoordeel!”
Met instemming werden zijn woorden aangehoord. Overwinnaar noch
verwonnene zou ooit wagen zich te kanten tegen de uitspraak van het
godsoordeel, dat zoo menigwerf besliste, waar de meening der rechters
verschilde of de beschuldigde zijn onschuld betuigen bleef. Mocht hij --
de bisschop vroeg het zich in stilte af, -- hier tegenwerpingen maken,
waar een uitweg werd geboden aan allen, die met hem waren? Want
verlossing zou het hun schenken uit een toestand, die met ieder uur
noodlottig dreigde te worden voor het gansche volk.
Het godsoordeel zou ook hier richten; zonder vrees konden zij het
afwachten.
Toch kon bisschop Ansfried een beklemmend gevoel niet onderdrukken, maar
alle aanwezigen slaakten een zucht van verlichting, toen zij hem zijn
toestemming hoorden geven tot het tweegevecht. Rechtvaardig was hun
zaak....
Olaf wendde zich tot Unruoch: „Keurt gij goed, dat morgen, bij het
rijzen der zon, de kampstrijd zal worden gestreden volgens recht en rede
en oude zede? Tot dat uur geef ik mij over aan uw beschikking.
Ongevraagd ben ik gekomen, zonder oorlof zal ik niet heengaan. Ben ik uw
gevangene?”
De bisschop strekte de hand uit: „Vrij zijt gij gekomen, ga als een vrij
man. Als de ochtend aanlicht boven de toppen der boomen, keer dan en gij
zult het perk vinden afgepaald, vijf ellen in het vierkant, op de vier
hoeken de palen. Geen der toeschouwers mag beweren dat den beiden
kampioenen geen paal werd gezet, wanneer een van hen het perk
overschrijdt. Ga alzoo en zorg ook van uw zijde voor bijzitters en
kamprechters.”
Olaf dacht aan de wijze, waarop Unruoch eenmaal werd verlost uit Rolfr
Jarls geweld en den kerker van den Ravenhorst. Een gevoel van
vernedering kwam over hem: hij kon vrij komen en gaan -- zoo handelden
de verachte christenen!
Toch had hij geen deel aan Rolfrs verraderlijke handelwijze; maar wie
edel denkt, lijdt onder onrecht, dat hij anderen bedrijven ziet, als
beging hij het zelf.
Olaf kon heftig zijn, vol bruisenden hartstocht, laag nooit.
De boot -- geroepen op zijn horensein -- kliefde het donkere water. Hij
ging en boog zich voor den christenbisschop, dieper boog hij voor hem
dan ooit te voren voor den zegevierenden aanvoerder bij een stouten
Vikingertocht.
Het zou voor de bewoners van den Hohorst gemakkelijk zijn geweest zich
meester te maken van roeier en boot. Vrij waren zij dan, vrij!
Maar zij bleven. Trouw bleven zij het aan Olaf gegeven woord, afwachtend
het godsoordeel.
De morgen rees, een stille ochtend; geen windvlaag schudde de boomen,
alleen door de oude eikenkruinen ruischte het zacht, alsof geheimzinnige
stemmen fluisterden. En daar, op dien „Hoogen horst” werd het strijdperk
afgepaald, ver zichtbaar in den omtrek. De landbevolking was
toegestroomd, op het door de speerknechten verspreid gerucht, schuw ter
zijde wijkend, toen Rolfr Jarl verscheen aan het hoofd zijner
gewapenden.
Vrouw Sigrid reed naast hem aan de spits van den tot de tanden
gewapenden stoet. Haar oogen staken als twee dolken toen zij zich tot
Swanwitha wendde met het kort bevel: „Hef uw sluier op!” Zwijgend werd
zij gehoorzaamd.
Een stil, droevig gezichtje werd nu zichtbaar, omplooid door de
glinsterende vouwen van het doorzichtig sindaal.
Voor wiens leven vreesde zij het meest?
Het duurde vele oogenblikken, eer allen den overkant bereikten.
Harald, de Skald, vergezelde Olaf met Sven Persen, den aanvoerder van
Rolfr Jarls ruiters, als kamprechters. Samen stapten zij in de boot. Aan
wal gekomen haastte Sven Persen zich de pennen met glinsterende koppen,
de „tjösnur”, in de palen te slaan, volgens Noorsch gebruik. Langzaam,
het formulier prevelend, dat ook den priesters was voorgeschreven als
zij offerden, ging hij van paal tot paal op de voorgeschreven wijze:
het gelaat opwaarts, de handen rustend op de ooren. Toen begaf hij zich
naar zijn plaats, terwijl Erik Rafnrson, een van Olafs volgelingen, als
bijzitter de wetten herhaalde van het godsgericht.
Hij bracht in herinnering, dat ieder der kampioenen verplicht was drie
schilden met zich te voeren. Wanneer die waren „doorhouen en gheen
slagen meer conden ontfaen” hadden zij het recht zich te verdedigen met
zwaard en heirbijl. „De uitgedaagde doet den eersten slag. Wanneer het
bloed van een der beide kampioenen vloeit en den bodem kleurt met roode
druppels, is de strijd beslecht, -- doch indien een van hen buiten het
afgepaalde perk treedt, wordt hij beschouwd als vluchteling en heeft hij
de nederlaag geleden. Elk der beide kampvechters bezit het recht zich
door een weerbaar man van wapenen te doen begeleiden, die hem gedurende
het gevecht dekt met zijn schild”....
Met schellen klank dreunden de horens boven de hoofden der ademlooze
menigte, toen de bijzitter zweeg. Bisschop Ansfried strekte zegenend de
handen uit over Unruochs hoofd:
„Strijd als een dapper held! Het is van groote beteekenis als kampioen
in het perk te treden bij een godsoordeel. Het recht zal zegevieren en
Hooger hand uw zwaard voeren en tot beukelaar strekken.”
Meer bewogen dan hij wilde laten blijken zonk hij terug in zijn
eenvoudigen, tegen den kerkmuur geplaatsten zetel.
Gold die ontroering voor een deel de tegenwoordigheid van Rolfr Jarl?
De wetten van het godsoordeel gaven hem vrijgeleide om te komen en te
gaan. Hij maakte er gebruik van. Maar wat den bisschop de oogen deed
afwenden, deed hem staren in de verte. En dan zag hij in den donkeren
nacht, waarin de vlammen laaiend knetterden. Hij zag een hechten toren
aan een vuurzuil gelijk. Hij zag bij dien gloed twee vrouwenoogen, wier
blik hem de zijne deed neerslaan, een blik dien hij heden, na zooveel
jaren terug vond in de oogen zijner kleindochter.
Maar hij werd teruggevoerd tot het heden, uit het verleden van
verschrikking en schuld, waarheen zijn gedachten hem dreven, ondanks
zelfbeheersching en verzet.
Luid en vast klonk Unruochs uitdaging tot den strijd. Olaf liet niet op
zich wachten. Met forsche schreden betraden beiden het perk. Terwijl
opnieuw de horens schetterden en de klaroenen werden gestoken, hief
Unruoch het zwaard op in afwachting van den eersten stoot dien hij moest
toebrengen. Ook Olaf stond onbeweeglijk, als uit erts gehouwen, alleen
zijn arm trok krampachtig, de arm die het wapen ophief. Met overspanning
zijner kracht beheerschte hij het noodlottige beven, dat door geen vrees
veroorzaakt werd. Onzichtbaar waren zijn trekken onder den ijzeren helm
en, dat was goed, want hartstocht en brandende smart trokken hun groeven
en wischten de edele lijnen van zijn bewolkt voorhoofd en om de
vastgesloten lippen. Geen enkele maal wendde hij het hoofd naar
Swanwitha’s zijde. Wilde hij haar niet zien, die hem onbewust had
gedreven tot de beslissing, waarvan hij nu den uitslag duchtte? Daar is
een geheime stem in ieders borst, die richt, onverbiddelijk en waar, die
soms fluistert van nederlaag wanneer een juichende menigte den
overwinnaar lauwert. Olaf hoorde die stem en het deed hem, den
onversaagden held, sidderen.
En nog een ander hart dan het zijne beefde. Het was Swanwitha als zag
zij door een vochtigen sluier, diep boog zij het hoofd. Welken uitslag
gold die vrees?
„Gij hadt uw verloofde het zwaard behooren aan te gorden, in plaats
daarvan trilt gij als een espenblad, zijt gij een Vikingerbruid?”
Smadelijk, bevelend als altijd, klonk de stem van vrouw Sigrid. Zij
vergat dat macht en geweld veel vermogen, maar geen liefde kunnen
dwingen.
Het antwoord bleef Swanwitha bespaard. Het vreeselijk geluid: het
kletteren van staal tegen staal, klonk haar tegen. De kampstrijd was
aangevangen. In ademloos zwijgen werd hij gevolgd, niet slechts door
kamprechters en bijzitters, maar bovenal door bisschop Ansfried en de
zijnen, door Rolfr Jarl en zijn stoet wellicht het meest.
Maar de gespannen aandacht van den heer van den Ravenhorst veranderde
ras in een ontevreden wenkbrauwfronsen. Hij zag, dat Unruoch de stooten
wist af te slaan, door uit te wijken of ze voorzichtig af te weren. Hij
bleef bedaard en Olaf stiet in ’t wilde toe of gaf zich onvoorzichtig
bloot. Soms scheen het of hij zijn tegenstander wilde dooden, maar meer
nog of hij zelf den dood zocht.
En voortgezet werd onafgebroken de strijd; het eerste doorboorde schild
was -- door de schilddragers -- reeds verwisseld voor het tweede, weldra
zou ook dit geen slagen meer „connen ontfaen”.
De zwaardspitsen stieten de maliën van de pantsers, vol deuken en
blutsen waren de helmen. De zwaardhouwen dreunden; met doffen weerklank
gaven de schilden het geluid terug.
En steeds duidelijker werd het ieder, dat Unruoch als overwinnaar uit
het krijt zou treden, maar ook, dat hij wilde zegevieren over een
levenden tegenstander.
Met een flikkering van haat gloeide Olafs blik hem tegen.
Krampachtig balde hij de linkerhand tot een vuist, want hij bespeurde,
dat Unruoch ditmaal zijn zwaardslag een weinig op zijde had gericht, om
hem geen doodelijken stoot toe te brengen.
„Unruoch, tref mij, raak mij goed! Of zijt gij bang om bloed te zien?
Het is gelukkig, dat gij geen Viking zijt! Onder de Noormannen vindt men
geen lafaards!”
Het heftige bloed steeg Unruoch heet in het gelaat, nu beefde ook zijn
hand van drift. Zijn blik sprak, waar zijn mond zweeg. Olaf zag het met
een gevoel van verlichting, uit wanhoop en ijverzucht geboren.
Hij had gezien, een oogwenk slechts, die een tijdperk van knagende smart
voor hem insloot, wiens bewegingen Swanwitha volgde met stijgenden
angst, dat zij -- indien mogelijk -- nog bleeker werd bij iederen slag,
die tegen Unruoch gericht werd.
Olaf wenschte te vallen: en de vrouw, die hij liefhad, vreesde niet voor
zijn leven...
„Ondervind of dit de stoot is van een lafaard!” Heesch klonk Unruochs
stem. Het smadelijk woord had doel getroffen, het schrijnde.
Met een houw sloeg hij Olaf het zwaard uit de vuist, hoog boven de
hoofden der kamprechters viel het ver buiten perk en paal. Maar in
hetzelfde oogenblik voelde ook Unruoch zijn bloed vloeien. Het matte hem
niet af. Met kracht uit overspanning geboren, prikkelde het hem schier
tot razernij.
„Unruoch, tref beter! Kunt gij dan niet raken?” beet Olaf hem opnieuw
toe.
Reeds vele oogenblikken vroeger had Unruoch ook zijn eigen zwaard
weggeslingerd, toen hij dat van Olaf wegsloeg. Thans streden beiden met
den heirbijl, thans trof -- getergd tot het uiterste door Olafs uitval
-- Unruoch diens schedel tot zijn helmkap spleet en hij met een slag
neerstortte.
Het scheen alsof de grond dreunde van zijn val.
„Houdt op! Staakt den strijd! Hij is beslist!” beval Harald, de oudste
kamprechter. Want Olaf had zich weer opgericht, wankelend, struikelend,
om zich tastend naar een steun, dien hij vond in een der hoekpalen van
het perk. Hij hief de armen op, wild; het scheen alsof hij zich op
Unruoch zou werpen in razende drift, maar duizelend, om zich grijpend
struikelde hij opnieuw en klemde zich vast aan het struikgewas, dat
groeide op den rand der hoogte, waar die tamelijk steil afliep naar
den stroom. Het bood Olaf geen steun, nog éen oogenblik en hij zou naar
beneden zijn geslagen, toen Unruoch het gevaar ziende, toesprong en hem
wegdroeg in zijn armen. Behoedzaam legde hij den nu bijna geheel
bezwijmde neer binnen het perk. Hij zag zijn bloed den grond kleuren.
Een schetterend hoorngeschal klonk. Van zijn zetel verhief zich Harald,
plechtig de hand uitstrekkend riep hij Unruoch als overwinnaar uit in
den kampstrijd.
[Afbeelding]
Luid gejuich overstemde zijn woorden. Swanwitha hief den krans van
eikenloof op, haar gegeven door vrouw Sigrid voor hem, die de zegepraal
wegdroeg, thans sloeg zij haar de ruischende bladerenkroon uit de hand.
„Weg er mee! Niet dezen uitslag had ik verwacht!”
Zij vertrapte de saamgestrengelde groene twijgen: „Dat is niet voor
hem”....
„Hij behoeft uw krans niet, zijn daden kronen hem.”
Wanhoop en vreugde streden om den voorrang in den klank van Swanwitha’s
woorden.
„Zwijg!” Vrouw Sigrids stem dreigde nog meer dan de rijzweep in haar
toegeknepen hand.
Maar boven hoorngeschal en juichkreten klonk thans de stem van den Jarl,
hoorbaar ver in ’t rond. Hij had zijn paard voortgedreven tot vlak aan
den waterkant. Nu hief hij de hand op waarin een wapen glinsterde. Het
was of hij zou neerstooten wie hem weerstond.
„Hoort mij, gij allen! Hier op den Hohorst, mijn wettig erf,
wederrechtelijk mij ontroofd, verklaar ik de uitspraak der kamprechters
voor onrechtvaardig en onwettig. Buiten de tjösnur zette Unruoch van
Teisterbant den voet, eer de strijd was beslist. Volgens de wetten van
den kampstrijd, zooeven nog in herinnering gebracht, is hij daarom te
beschouwen als vluchteling. Geen enkel recht heeft hij zich overwinnaar
te noemen, hij is buiten paal en perk gegaan. Onbeslist bleef alzoo de
strijd. Ik gelast daarom Olaf Erikson met mij van hier te vertrekken.
Ditmaal zal geen slag meer worden geslagen, later misschien, later!”
„Als de Denen komen,” mompelde vrouw Sigrid. Zij wisselde een snellen
blik van begrijpen met haar man. Maar met zijn laatste kracht hief Olaf
zich een weinig op, in de armen van broeder Johannes, die hem steunde.
Mat sprak hij:
„Ik was overwonnen, eer hij” -- naar Unruoch wees zijn hand met flauw
gebaar -- „toeschoot om mij te redden van een misschien doodelijken val.
Weigert gij hem den naam van overwinnaar, dan blijf ik hier als
gevangene.”
Onhoorbaar stierf zijn stem weg, maar broeder Johannes bracht zijn
woorden over aan Rolfr Jarl. Vaalwit werden diens trekken. Hij kende
Olaf genoeg om te weten, dat hij woord zou houden en hij had hem noodig,
als de Denen kwamen.
Hij zag, hoe op bevel van den bisschop het opnieuw roerlooze lichaam van
den gewonde naar binnen werd gedragen. Met een gesmoorde verwensching
wendde hij zijn paard en wilde, den Hohorst afrennend, het drijven door
de rivier, zonder dat een der speerknechten het voerde bij den teugel,
toen de bisschop hem in den weg trad:
„Rolfr van den Ravenhorst, een enkel woord.”
Zij stonden tegenover elkander; Rolfrs oogen rustten op den kerkvoogd
met sombere dreiging:
„Gij wilt mij het heengaan beletten?”
„Ik schend gastrecht noch vrijgeleide.”
Rolfr beet zich op de lippen, met toornigen tred ging hij naast den
bisschop voort, zijn vrouw trad hen in den weg. Met haar langzame,
statige gebaren, omplooid door een dichten, donkeren sluier, haar staf,
waarom een kunstig bewerkte bronzen Midgardslang zich kronkelde, in de
hand, geleek zij een der sombere Noorsche Schikgodinnen.
Wenkbrauwfronsend zag zij den bisschop in het gelaat:
„Bisschop van Utrecht, indien gij Olaf Erikson hier houdt als gijzelaar,
zal onze wraak grooter zijn dan uw onrecht. Wees voorzichtig!”
„Ik houd hier niemand tegen zijn wil, vrouw Sigrid. Olaf Erikson is vrij
zoodra hij vervoerd kan worden, nu echter eischt zijn wond zorg en
verpleging. Werd hij thans weggebracht, het werd misschien zijn dood en
ik zou het betreuren indien ik een misdadiger -- scheen.”
Zij wendde zich af met een verwoeden blik.
„Swanwitha, volg mij!”
Zwijgend werd zij ook ditmaal gehoorzaamd, weldra kliefde de boot, die
beide vrouwen droeg, den stroom.
„In memoria aeterna erit justus....”
Dat waren de woorden, sierlijk afgewerkt, meer geteekend dan geschreven
met purperinkt op zilverkleurig francyn, die Rolfr las bij het
binnentreden van bisschop Ansfrieds vertrek. Als met magisch geweld trok
hem die aan den wand opgehangen spreuk. Hij herinnerde zich uit zijn
leertijd in de Schola Palatina nog genoeg latijn om de beteekenis te
vatten:
„De rechtvaardige zal in eeuwige herinnering blijven....”
Geërgerd wendde hij zich af. Waarom? Voelde hij, dat hij zijn oordeel in
zich zelven droeg?
„Dat was een der eerste lessen, die wij van aartsbisschop Bruno
ontvingen. Weet gij nog hoe hij zei: „Laat uw daden, uw leven voor u
spreken. Dat is de maatstaf, waarmee het nageslacht hen meet die het
voorgingen. En om uw levenstaak goed te verrichten, wil daartoe nooit uw
eigen weg kiezen, maar tracht Gods wegen te gaan.”
Zoo eindigde hij. Herinnert gij het u nog? Als hij sprak werd het vrede
en zwegen de klachten door afgunst of wrok aangeheven. Dan was iedere
veete vergeten en trachtte elk zijn naaste recht te doen”....
„Waarom betracht gij, die alles zoo goed hebt onthouden, zelf die
levensles niet?”
Rolfr sprak op bitteren toon, maar gejaagder dan hij vermoedde: hij zag
de roode vlammen in den donkeren nacht.....
„Van welk onrecht beschuldigt gij mij?”
Bisschop Ansfrieds stem ging door merg en been en Rolfr hóórde nu ook de
vlammen knetteren. Viel hij daarom hevig uit:
„Het leen van Walger is mij wederrechtelijk door u ontroofd. Het grenst
aan, het behoort tot mijn bezittingen.”
Zwijgend op dien uitval opende de bisschop een donker houten, met zilver
en ivoor ingelegd kistje.
„Lees dit,” sprak hij toen bedaard, Rolfr een perkament, waarvan het
groote rijkszegel afhing, overreikend. En deze deed, wat hij in vele
jaren niet had gedaan -- lezen.
„In den naam der Heylige en onverdeelbare Drie-eenigheyd, Otto door Gods
verzoenende goedertierenheyd Koning.
Dat het kennelijk zij aan al onze getrouwen, zoo tegenwoordige als
toekomende, dat wij, thans, in den wensch van onzen achtbaren en
beminden bisschop Balderic bewilligende eenige goederen van ons recht
aan de kerk van Sint-Maarten, die gesticht is in de plaats Trecht
genaamd, en alwaar kennelijk is, dat de voorgemelde bisschop Balderic
het opperbestier heeft, in eygendom vergund hebben; te weten al hetgene
wij hadden in het dorp Amude, als ook den tol die aan het zelve
gerechtelijk dorp toebehoort, welke wij voorheen te leen aan Walger
gegeven hadden, aan de voornoemde kerk eeuwiglijk in eygendom geschonken
hebben....”
Rolfr liet den giftbrief zinken:
„Welnu, wat zou dat?” vroeg hij scherp.
„Lees verder, Rolfr van den Ravenhorst, lees verder.”
En Rolfr las hoe de visscherij in het Almeere „als onze kroon toebehoord
hebbende,” de goederen, die Hatto, graaf te Loene had bezeten, de
landstreek bespoeld door de Vecht en het land „dat Hatto hadde, liggende
op den boord des Rijns,” en „dat om deszelfs misdrijf naar rechtswege
onder onze koninklijke macht aangeslagen was, aan de meergemelde kerk
was gegeven”....
„Wat bedoelt gij met mij dit voor te leggen?” vroeg Rolfr weer.
Langzaam las, tot antwoord, bisschop Ansfried den slotzin:
„En opdat het gezag van deze onze gunst vaster en zekerder in Gods naam
onder onze getrouwen blijve, hebben wij deezen met onze eijgen hand
onder bevestigd en met onzen ring bevoolen te zegelen.
Gedaan te Quedlinburg in den Heer gelukkig. Amen.
Teken van den heer Otto onoverwinnelijksten Koning”....
Toen hief hij het hoofd op en zag den Noorman recht in de oogen:
„Durft gij nu nog beweren, dat het leen van Walger u wederrechtelijk
werd onthouden?
Reeds ten tijde van bisschop Balderic werd het aan de kerk gegeven. En
wèl behoefde zij toen die schenking, want braak lagen de velden,
verwoest waren steden en sterkten, hoeve en heem. Toen bestond er geen
volkswelvaart meer, er was slechts volksellende. Landbouw en veeteelt
waren verdwenen, nijverheid en handel dood. Dat hadden de Noormannen
gedaan. Inval op inval deden zij en de gieren volgden het spoor hunner
krijgsbenden. Schuw verborg zich het uitgeschudde landvolk in moeras en
veen bij hun nadering, want de vrees volgde de verwoesting op den voet.
Thiel, Wiedelham, Dorestad en Utrecht gingen op in vlammen, Daventre lag
in puin, het bloeiende Friesland was bedolven onder zwarte sintels en
grauwe asch, met doodsbeenderen als bezaaid en de golven van het Almeri
waren rood gekleurd, wanneer zij vloeiden over de vlakke kust.
In Niumage, in keizer Karels hooge burcht, stalden zij hun paarden, tot
zij dien, bij hun aftocht, in brand staken toen zij zagen, dat een
vliegende storm den vuurgloed zou overdragen naar de stad.
En als de lente, vol toekomstbeloften streek over de velden, werden zij
niet bezaaid, en als de oogsttijd daar was lagen zij braak.
Hoog schoot het gras op, maar geen sikkel werd er in geslagen om
voorraad te vergaren voor den komenden winter. Slechts enkele jagers en
visschers zwierven door het woud of langs poelen en plassen. Wie dacht
aan zaaien? De Denen maaiden of verbrandden immers den oogst? De Denen,
Rolfr, altijd de Denen. Er moest orde en gezag worden hersteld onder het
verwilderde volk, in het uitgeplunderde land. Steden en sterkten waren
verwoest, heeren en vrijen streden in het leger. Wie kon hier beter
handelend optreden dan zij die genoodzaakt waren thuis te blijven,
omdat de zorg voor de zielen hun was toevertrouwd en zij het volk wezen
op het eeuwige, zonder dat zij daarom het tijdelijke vergaten? Waren
toen deze schenkingen aan de kerk niet noodig? Wie zelf niets bezit kan
hij anderen helpen? Het volk moest terug worden gebracht tot den arbeid
van weleer, uit zijn midden moest de kracht voortkomen die in eigen land
het geweld der Denen breidelde. En, Rolfr, werd door bisschop Balderic
en zijn opvolgers hun zware taak niet begrepen en tot een goed einde
gebracht? Zie thans de bloeiende steden, het van de felle schokken
herstelde volk en land. Als nu de Denen kwamen, zouden zij met goed
gevolg worden weerstaan. Zij mogen daarom op hun hoede zijn, Rolfr, op
hun hoede.”
Vol argwaan, met geheime vrees vervuld, trachtte Rolfr zich te
beheerschen. Was het reeds bekend? Als de vloot nog langer uitbleef, als
het gerucht harer nadering zich verspreidde en het volk had tijd zich te
wapenen.... De stem van den bisschop brak zijn wilden gedachtenstroom
af.
„Kunt gij nu nog langer ontkennen, dat de Hohorst en het omliggende land
reeds sinds heer Otto den Eerste behoorde tot de kerkelijke goederen?
Graaf Walger liet een kleinzoon na, die, lang dood gewaand, na veel
omzwervens eindelijk moe en vergrijsd terugkeerde in zijn land. Kon hem
geheel het voorvaderlijk goed worden onthouden? Maar als het geslacht
uitstierf, wie trad dan opnieuw in zijn rechten? Dat is nu gebeurd,
Rolfr.”
„En toch zal ik mij verzetten, zij het tegen keizer en kerk en rijk te
zamen. Kunt gij beslissen wie de sterkste zal blijken in ’t eind?”
Waarschuwend zag de bisschop hem aan:
„Gij hebt den keizer trouw gezworen, gij hebt dien eed afgelegd „up ten
heiligen.”
Wrevelig haalde Rolfr de breede schouders op: „Een afgedwongen eed”...
„Blijft een eed. Gij hadt kunnen weigeren. Denk aan de schuld, die gij
op u laadt bij eedbreuk. God laat niet spotten met het heiligste.”
Hevig stampte Rolfr met den voet:
„Ik ben hier niet gekomen om een sermoen aan te hooren, noch om uw
spitsvondigheid om oude rechten te ontdekken of nieuwe te scheppen te
bewonderen. Eens waart gij de machtigste in den staat, nu wilt gij het
in de kerk worden. Het wordt u wèl vergolden, dat gij eenmaal de
hechtste steun zijt geweest der schoone keizerin Theophano, wier zoon,
de jonge Otto, dien wij nu als keizer moeten eeren, haar werd ontroofd
door haar neef, den Beierschen bisschop. Weerloos stond toen de jonge
weduwe, dat moet ik erkennen, want vele rijksgrooten in kerk en staat
kozen tegen haar partij. Gij hebt het gezag gered voor de regentes en de
moeder haar kind hergeven, dat is even waar. Gelooft gij echter niet,
dat ik dit ook had kunnen doen? Alleen het grillige lot heeft mij belet
als bemiddelaar op te treden.”
„God bestuurt de daden en het leven der menschen, niet het blinde lot.
En daarom, Rolfr, kan ik mij buigen voor mijn lot, want ook wat tot ons
komt door de menschen, komt van Hem. Dit stelt mij in staat u al het
leed, dat gij over mij hebt gebracht te vergeven.”
De vlammen knetterden, en de storm loeide, twee oogen zagen hem aan vol
jammer en wee...
Deed de nooit uitgewischte herinnering Rolfr uitroepen, meer verward dan
hij zelf wist:
„Wat bedoelt gij?”
„Wat ik niet nauwkeuriger behoef te verklaren. Wat mij bekend werd, is u
niet vreemd en -- vrienden waren wij in onze jeugd. „Wie op harten
bouwt, wat blijft hem als de stormvloed komt?” heeft een wijze gezegd.
Rolfr, waarom bracht gij den stormvloed over mij? Eenmaal zwoeren wij
elkander houw en trouw, op den tocht naar Italië, in het schitterende
legerkamp van heer Otto den Groote. Ik geloofde aan uw woorden, nu weet
ik, dat het een leugen was, waarin ik geloofde.”
Rolfr Jarl trok zijn spieren samen als wilde hij zich werpen op den
vermetele, die hem zulk een beschuldiging waagde tegen te slingeren, --
maar hij zweeg en bleef roerloos, beheerscht door zijn blik.
„Laat uw daden voor u spreken. En het leven, waarop gij, Rolfr,
terugziet is als een dorre heide, waar geen boom schaduw, geen bron
lafenis, geen bloem vreugde biedt”...
Hevig viel Rolfr hem in ’t woord:
„Mijn leven was steeds een woestenij; kon daaruit voor anderen een
paradijs opbloeien? Reeds op de Schola Palatina begon het:
achteruitgezet, vergeten. Toen, op den tocht naar Italië, gij waart in
het leger als heer Otto’s bevoorrechte zwaardjonker, ik werd
onopgemerkt, ongeacht, ingedeeld bij een der huurbenden.”
„Zou het een geluk zijn geweest voor keizer en rijk, als gij het zwaard
hadt opgeheven boven het hoofd van heer Otto -- toen hij bad?”
Rolfr wendde onwillekeurig de oogen af.
„Ik zal u niet aanklagen,” ging de bisschop voort, „noch met een beroep
op het verleden, noch met betrekking tot dit heden. Ik herinner u niet
wat gij tegen het geloof, dat gij eens hebt beleden, wat gij den keizer
of mij misdeedt. Ik vraag u niet, waar mijn jongste dochter is, al
gelijkt ook geen enkele witte lelie zoo op de andere als uw
kleindochter, Swanwitha, op mijn kind toen dit haar leeftijd had. Spot
zou uw eenig antwoord zijn en die hoon zou ik op zulk een vraag niet
kunnen verdragen.”
O, de felle smart op dat bleeke gelaat, nog bleeker in schijn door de
zilveren lokken, die het omlijstten!
Voelde in dit oogenblik Rolfr het wicht zijner schuld?
Hij boog het hoofd. Maar weer dwong de machtige stem van den vriend
zijner jeugd hem tot luisteren:
„Ik zal niet langer lijden door u, dan God het toelaat. Dien troost kunt
gij mij niet ontrooven, en zij stelt mij in staat het zwaarste te
dragen. Doch” -- hoog richtte de spreker zich op -- „hier, waar wij van
aangezicht tot aangezicht staan tegenover elkander -- waar niemand ons
hoort -- daag ik u voor de vierschaar van uw geweten, tegen u zelven
klaag ik u aan. Gaven en talenten waren u geschonken, gij hebt ze in
dienst gesteld van het kwade. De kracht van uw arm hebt gij gebruikt om
een moordwapen op te heffen, tegen hem die verdiende de hoogste te zijn,
omdat hij de edelste was; door de macht van uw geest zijt gij anderen
ten vloek geworden. Toen de koning van het Noorden u den gouden
hoofdband reikte van den Jarl en u den hertogsmantel om de schouders
deed slaan, toen strekte deze slechts om de smetten uwer schande te
bedekken, evenals de schitterende diadeem onzichtbaar moest maken het
Kaïnsbrandmerk van misdaad en verraad, dat brandt op uw voorhoofd.”
Met een uitroep schor van drift sprong Rolfr toe op zijn aanklager, zijn
tot een vuist gebalde hand dreigde boven diens hoofd; bisschop Ansfried
greep die vuist en dwong den opgeheven arm neer te zinken. Nog bezat hij
zijn oude kracht, hij voelde het, maar ook, dat verontwaardiging haar
verdubbelde.
„Rolfr Jarl, ga nu. Ik heb u gezegd wat ik moest. Verlaat vrij dit huis,
waar gij mij gevangen houdt, terwijl de Denen in aantocht zijn, geroepen
door u, om opnieuw dit volk ten ondergang te brengen, het land te
herscheppen in een woestenij.”
Een brullende kreet stiet Rolfr uit, vreemd aan iederen menschelijken
klank. Als een roofdier wilde hij zich werpen op den onversaagden
spreker, twee sterke armen trokken hem terug met een ruk. Unruoch was
binnengetreden.
„Jarl!” riep hij forsch. „Loont gij vrijgeleide met een moord?”
Rolfr deinsde terug, aschgrauw werden zijn trekken.
„Ga!” herhaalde de bisschop, „en weet dat God mij vrij kan maken,
wanneer Hij dit wil, al haalt gij de mazen van het net nog tienvoud
enger toe. Hij, die de macht bezit om dit arme volk te redden, dat gij
prijs geeft aan ellende en ondergang. Ga!”
Zijn opgeheven arm wees naar de deur en Rolfr ging thans inderdaad,
tandenknersend, geslagen. Nooit te voren in zijn van bittere ervaringen
en teleurstellingen overvloeiend leven, was hij vernederd als in dit
uur, nu bisschop Ansfried hem een blik had doen slaan in den spiegel der
zelfkennis en hij daarin zijn verafschuwd beeld had gezien met
onmiskenbaar scherpe lijnen, nu deze hem zoo diep verachtte, hem en zijn
drijven, dat hij het zelfs versmaadde hem -- in wiens macht hij zich
bevond -- te houden als gijzelaar of gevangene.
En heimelijk vroeg de Jarl zich af:
„Vanwaar de wondere kracht van dien bisschop der christenen? Hij kent
vrees noch angst waar allen zouden versagen, hij verwacht redding, waar
ieder zou vertwijfelen. Zou zijn God dan toch de machtigste zijn en
hooren en uitredden wie Hem aanroept, geloovend in zijn sterkte, op Zijn
hulp vertrouwend?”