HOOFDSTUK XVII.

Olaf Erikson had zijn zending niet behoeven te volbrengen. Het zwerven

door het land en langs de kust, gevaarvolle taak, waarbij zijn leven op

het spel stond, indien iemand den Noorman in hem herkende, was hem

bespaard. Nog had hij het Goye niet verlaten toen hem, bij het

oversteken der Vecht, zijn oude schilddrager Holger, dien hij op de

vloot had achtergelaten, begroette met handslag en vreugdewoord. Want,

goede tijding bracht hij:

Een kleine bende was, begunstigd door den nacht, met eenige booten

geland niet ver van Noortic. De weinige kustwachters waren door hen

overrompeld en de seinvuren gedoofd. Holger zelf had deel genomen aan

dit eerste heldenfeit.

„Gestoken in de plunje der kustwachters nemen nu de onzen hun plaats in.

Geen seinvuren zullen dus vlammen op de toppen der duinen. Ongehinderd

kan de vloot bij Leithen landen om zoo door te dringen in het hart van

het land. In Kennemerland en in Masaland heerscht evenwel reeds de

grootste verdeeldheid, naar mij werd verhaald. De heeren strijden tegen

elkander, de gravin voor het erfland van haar zoon en het volk loopt de

slagen op van beide zijden. Dáár zullen wij geen tegenstand ontmoeten;

ieder is vervuld met zijn eigen belangen en verschanst zich in burcht of

toren of kiest het hazenpad.”

„Maar het algemeen gevaar kon de bijzondere veeten doen vergeten. Dat

zou niet voor de eerste maal zijn. Keer daarom terug, zoo snel gij kunt

en vraag Harald Sigvatr uit mijn naam de vloot bijeen te houden en er

voor te waken, dat het volk zich niet verspreidt en in de kustplaatsen

aan het plunderen raakt om onze macht te verbrokkelen. Spoedt u allen

naar Utrecht. Daar ontvangen wij versterking en vinden een bondgenoot in

Rolfr Jarl.”

De schilddrager knikte:

„Ik volbreng uw last, Olaf Erikson.”

„Het is nu niet meer noodig, dat ik verder ga. Twee dienstmannen van

Rolfr Jarl zullen de vloot ten gids strekken.”

Zoo betrad Olaf opnieuw den Ravenhorst. Het onstuimig verlangen naar

zijn jonge bruid dreef hem voort. Rolfr Jarl was afwezig. Vrouw Sigrid

verscheen niet. Onaangediend ging hij de nauwe, kronkelende steenen trap

naar de hal. Door de halfronde vensters -- alle in dubbelvorm -- vielen

de zonnestralen met gouden tintelgloed. Uit den hof klonk de stem van

den Skald; met strofen in eindrijm gedicht:

„Waar Walhalla’s hooge halle,

Glinstert in den glans van goud,

Daar kiest Wodan iedren morgen

Helden zich, ’t zij jong of oud.

Wie hier viel zijn naam ter eer

Groet bij hem den morgen weer”....

Onwillekeurig zocht Olafs hand het kleine, zilveren godenbeeld, dat aan

een gouden snoer op zijn borst hing, onder den met franje omzetten

rooden mantel. Hij wenschte vurig te leven; met versnelde slagen joeg

zijn hart. Wat kon hem het schitterende Glansheim en Alvaders godenzaal

baten als hij geluk en liefde moest achterlaten op aarde?

Uit het afgescheiden gedeelte der zaal trad door het breed neerplooiend

gordijn Swanwitha. Zij kwam uit den huistempel, waar zij het

dagelijksche offer van brood en vleesch had neergelegd voor Wodans

beeld. Ernstig en droevig was haar schoon gelaat. Zij scheen het

tegendeel van gelukkig. Hij snelde naar haar toe en omvatte haar in zijn

armen. Met een gebaar vol wanhoop weerde zij hem af:

„Laat mij gaan. ’t Is ’t eenige wat ik u vraag.”

„Ge zijt mijn bruid, Swanwitha. Gij draagt mijn ring.”

Zij zag neer op den smallen, gouden band met een blik vol afkeer.

„Door dwang. Zóó zou ik geen bruid begeeren. Wij kenden elkander niet

eens. Hoe kunnen wij dan”....

Zij sloeg de handen voor het gelaat en zweeg in een snik.

Getroffen zag hij haar aan. „Ik had je lief in ’t zelfde oogenblik, dat

ik je zag,” sprak hij gesmoord. Verstikt in hartstocht beefde zijn stem.

„Maar ik niet! Olaf, geef mij mijn vrijheid weer! Wees barmhartig voor

mij! Liever sterf ik dan.... Liefde, dat groote, machtige gevoel kan

niet worden gedwongen, dan wordt wat verheffen moest verpletterd door

laagheid. Olaf, neem dien ring terug, geef mij vrij!”

Zij sloeg de oogen tot hem op, dringend, radeloos. Spanning en angst

joegen haar een blos op het gelaat. Nooit had zij hem zoo schoon

toegeschenen als in dit oogenblik. Welke reden had zij? Gesmade liefde

deed ijverzucht ontbranden, gloeiend in schrijnende pijn.

„Ge hebt een ander lief!” barstte hij uit. Verward wendde zij zich af,

schier vluchtend uit de hal. Toen wist hij zijn vermoeden juist. Een

heete gloed steeg hem in ’t gelaat bij de vraag: „Wie, wie!”....

Was zij misschien betooverd? De nagelbloemen bloeiden. Had een vijand

die misschien in ’t geheim gebakken in het brood, dat zij at? Dan was de

betoovering ongeneeslijk. Maar zij droeg immers een gedroogden

brandneteltak tusschen de voering van haar mantel. Vrouw Sigrid had hem

dit zelf gezegd. Dit bewaarde haar tegen alle tooverij. Hij verwierp

daarom zijn eerste denkbeeld. Er was dus iets anders. „Wie -- wat?” Het

martelde hem. Hij was gewoon, dat maagdenblikken schuchter zijn gelaat

zochten, om zich dan snel weer te verbergen achter de lange wimpers en

thans was de schaduw der onverschilligheid tusschen hem en de vrouw, die

hij liefhad vol hartstocht en zelfzucht. Wie, wat scheidde hen? Als een

warrelende duizeling, éen met den maalstroom der gedachten, die hamerden

in zijn hoofd, zwermde een breede vlucht van raven om den toren. Het was

hem of zij een zwarte schaduw wierpen over het in licht badend

landschap, of hun krijschende schreeuw de echo vormde van zijn wanhoop.

Hij knarsetandde en beet zich de lippen tot bloed. Zijn hartstocht

begeerde haar, hij wilde haar bezitten, gelukkig zijn.... Gelukkig --

zij ontvluchtte hem, smeekte om haar vrijheid.... Nooit zou hij haar die

hergeven, nooit!.... Een zware tred dreunde op de steenen treden, een

harnasschoen ratelde. Rolfr Jarl kwam. Hij was uitgereden om den

Stuthenborch plat te branden. In weinig woorden deelde Olaf hem mee, dat

de vloot in aantocht was. Rolfr lachte, hard en snerpend -- volgens zijn

gewoonte. Een zegevierende trek speelde om zijn vastgesloten lippen.

„Als de laatste lansenmis gezongen is voor het christengebroed zal

Miölners bruidszang voor u weerklinken, Olaf!”

Hij trok de schouders op, neerslachtig: „Misschien. Swanwitha wil niet.”

„Wat? Dat kind? Zij heeft geen wil, ik wil voor haar.”

„Wanneer een vrouw iets niet wil, wie dwingt haar dan? Swanwitha is in

staat zich van den toren te werpen, eerder dan onder mijn zwaard door

te treden als mijn bruid. Ik verliet een kind, een vrouw vind ik terug.

Wat is er gebeurd?”

Rolfr smoorde een verwensching tusschen de tanden.

„Heeft zij niet gezegd wat zij wil?”

„Neen, alleen wat zij niet wil.”

„Echt vrouwelijk. Gij behoeft u er niet aan te storen. Hij zit als een

rat in de val en de klep is dicht.”

„Ik begrijp u evenmin als straks Swanwitha.”

„Zij is de speelbal van Unruoch, maar heb geen zorg: met den bisschop en

zijn aanhang zit hij in de klem op den Hohorst.”

Rolfr verhaalde wat gebeurd was gedurende zijn afwezigheid en Olaf

luisterde zonder te verstaan. De raven krasten boven zijn hoofd en het

scherm hunner zwarte vlerken scheen hem als een rouwsluier, die zich

verstikkend zou leggen over al zijn hoop en geluk -- eigen geluk. Hij

begreep niet volkomen wat in hem omging, maar hij voelde, hoe woede en

jaloerschheid bezit van hem namen, geheel. Zijn wenkbrauwen trokken

samen, diep groeven zich zijn tanden in de onderlip; in stilte deed hij

zich zelf een gelofte...

Het was waar wat Rolfr Jarl zei, volkomen! Waarom had hij het niet

eerder verstaan? Had hij niet meer dan eens een snellen blos zien komen

en gaan, wanneer de naam van Unruoch werd uitgesproken in haar bijzijn?

En als hij zelf onverwacht binnentrad bleef zij stil, neerslachtig voor

zich uitstaren. Hij vond haar dan met de naald in de hand naast haar

grootmoeder, die haar bestrafte omdat zij niet werkte. Schuw wendde zij

de oogen af als hij haar naderde... Zijn ijverzucht steeg tot brandende

physieke pijn. Vergelding zou hij zoeken en ook weten te vinden. Met een

slag zette hij den beker, hem door den hofmeester geboden, neer op den

bronzen disch. Zijn vingers hadden het fijn bewerkte metaal gedeukt. Van

hartstocht trilden zijn lippen toen hij mompelde: „Ik zal mij wreken.”

Hij vroeg zich niet af met welk recht hij was gedrongen in haar leven,

hij, de onbekende, wien zij gedwongen was geweest haar hand te reiken op

bevel. Hij wilde alleen bezitten zijn eigen, zelfzuchtig geluk, evenals

hij nu zocht zijn eigen zelfzuchtige wraak...

De heldere dag met den blauwen hemel, waaraan witte wolken dreven, waar

leeuweriken opstegen zingend, jubelend, was voorbij. Nieuwen moed,

dubbele kracht had de frissche wind getracht te wekken in de harten; het

was alsof hij de menschen wilde opnemen, ze voort dragen, ver weg op

vleugelen van zonnegoud en bloesemgeur.

Nu viel de avond en eentonig, grijs lagen de velden en lusteloos

stroomde het water.

Ach, frissche wind noch leeuwerikenzang hadden een echo kunnen wekken in

de borst van dienstman of hoorige, die scherp wacht hielden en waakten

om den Hohorst, nu vele dagen reeds. Alle uitgangen en wegen, in heide

en woud, waren afgezet op bevel van Rolfr Jarl; door schuiten was de

rivier versperd. Elke reiziger of koopman, die onbewust van wat plaats

greep zich vertoonde in den omtrek, werd als gevangene naar den

Ravenhorst gebracht.

Hoe menige bittere klacht, hoe veler gloeiende wraakgelofte vingen de

kille muren op van het trotsche landkasteel!

Zijn eigenaar glimlachte. Geen boogschot mocht worden gedaan, geen pijl

geslingerd naar een der ingeslotenen op den Hohorst. Door honger

uitgeput wilde hij den voormaligen graaf van Teisterbant, nu bisschop

van Utrecht, zien voor zich buigen als vernederde, machtelooze

gevangene. En dan zou de Deensche vloot daar zijn om zijn zegepraal

volkomen te maken, ook op het weerlooze Utrecht, dat geheel onbewust

bleef van den naderenden ramp; waar hij zou ontbreken als de Denen storm

liepen, die door zijn bezielend woord steeds de harten nieuwen moed wist

te schenken, de handen aanvuurde tot daden van zelfopoffering en kracht.

De duisternis nam toe met ieder oogenblik. Met hellen schijn gloeiden de

wachtvuren om den Hohorst.

Twee hofhoorigen van den Ravenhorst spraken fluisterend met elkander.

Hun blik zocht de kleine kerk en het half voltooide houten woonhuis. Een

flauw licht gleed door een der smalle vensters, over den zilveren

avonddauw.

„Het is een vreeselijk middel,” mompelde de eene. „Hoe durft onze heer

het wagen! En wij -- „gehoorzamen of de dood” -- luidde zijn woord, maar

zullen wij den toorn niet uitlokken van God? En wat dan? Het einde is

nabij. Dat zegt iedereen.”

Dof klonk de stem van den andere:

„Bisschop Ansfried heeft nooit gezegd, dat hoorigen geen ziel bezitten

en gedoemd zijn na hun dood tot het eeuwig niet. „Komt tot Mij allen die

vermoeid en beladen zijt en Ik zal u ruste geven,” dat was de troost,

dien hij mij eens gaf toen ik neerlag, bloedend en krimpend, nadat

honderd geeselslagen waren neergestriemd op mijn rug. Te rotten lag het

koren op het veld in den regenachtigen zomer. Den geheelen dag had ik

gewerkt om den oogst binnen te halen voor onzen heer. „Dat moest het

eerst geschieden,” beval de meier. Maar ’s nachts dacht ik hoe mijn

vrouw en kinderen in den naderenden winter misschien zouden omkomen van

gebrek. Ik stond op en sloeg den sikkel in het graan op mijn eigen

hoekje grond. Dat hoorde de Jarl. Als ik voor mij zelf werkte had ik

geen kracht om voor hem te arbeiden, zei hij. En toen.... o, de woorden

van den bisschop waren als balsem voor mijn ziel, meer dan de

geneeskruiden waarmee hij mijn wonden zalfde. En nu vergelden wij hem

dit zóó.”

Beiden zwegen en zagen naar het licht, dat blonk in de duisternis.

„Is er nog een boot hier?”

Een bevelende stem vroeg het. Bij den glans van het wachtvuur -- een

licht van verwoesting en dood -- zagen zij den jongen vreemdeling die

eens hun heer zou zijn door zijn huwelijk met de kleindochter van hun

meester. Menigeen had toen hij dit vernam gedacht met een gevoel van

verlichting, dat zijn kinderen betere tijden tegemoet gingen dan hij

zelf had doorleefd. Swanwitha was geliefd en haar bruidegom boezemde

geen angst in, maar thans --

Was hij dat werkelijk? Wat beteekende die sombere gloed in zijn oog, die

dreigende uitdrukking op zijn trekken?

„De boot is nog gaaf, edele Olaf. De Jarl beval haar niet te verbranden;

zij moest bewaard blijven om er de gevangenen mee af te halen, na de

overgave.”

„Zet mij dan over, terstond.”

„Alleen? Edele Olaf, de jonge Unruoch is daar en nog enkele speerruiters

van den Stuthenborch. Zij hebben allen wapens.”

„Zet mij over!” Zijn stem knarste bij dat woord! Nauw verkropte haat

gloeide er in.

Toen de duisternis dreigde... · 第 22 / 38 题