Olaf Erikson had zijn zending niet behoeven te volbrengen. Het zwerven
door het land en langs de kust, gevaarvolle taak, waarbij zijn leven op
het spel stond, indien iemand den Noorman in hem herkende, was hem
bespaard. Nog had hij het Goye niet verlaten toen hem, bij het
oversteken der Vecht, zijn oude schilddrager Holger, dien hij op de
vloot had achtergelaten, begroette met handslag en vreugdewoord. Want,
goede tijding bracht hij:
Een kleine bende was, begunstigd door den nacht, met eenige booten
geland niet ver van Noortic. De weinige kustwachters waren door hen
overrompeld en de seinvuren gedoofd. Holger zelf had deel genomen aan
dit eerste heldenfeit.
„Gestoken in de plunje der kustwachters nemen nu de onzen hun plaats in.
Geen seinvuren zullen dus vlammen op de toppen der duinen. Ongehinderd
kan de vloot bij Leithen landen om zoo door te dringen in het hart van
het land. In Kennemerland en in Masaland heerscht evenwel reeds de
grootste verdeeldheid, naar mij werd verhaald. De heeren strijden tegen
elkander, de gravin voor het erfland van haar zoon en het volk loopt de
slagen op van beide zijden. Dáár zullen wij geen tegenstand ontmoeten;
ieder is vervuld met zijn eigen belangen en verschanst zich in burcht of
toren of kiest het hazenpad.”
„Maar het algemeen gevaar kon de bijzondere veeten doen vergeten. Dat
zou niet voor de eerste maal zijn. Keer daarom terug, zoo snel gij kunt
en vraag Harald Sigvatr uit mijn naam de vloot bijeen te houden en er
voor te waken, dat het volk zich niet verspreidt en in de kustplaatsen
aan het plunderen raakt om onze macht te verbrokkelen. Spoedt u allen
naar Utrecht. Daar ontvangen wij versterking en vinden een bondgenoot in
Rolfr Jarl.”
De schilddrager knikte:
„Ik volbreng uw last, Olaf Erikson.”
„Het is nu niet meer noodig, dat ik verder ga. Twee dienstmannen van
Rolfr Jarl zullen de vloot ten gids strekken.”
Zoo betrad Olaf opnieuw den Ravenhorst. Het onstuimig verlangen naar
zijn jonge bruid dreef hem voort. Rolfr Jarl was afwezig. Vrouw Sigrid
verscheen niet. Onaangediend ging hij de nauwe, kronkelende steenen trap
naar de hal. Door de halfronde vensters -- alle in dubbelvorm -- vielen
de zonnestralen met gouden tintelgloed. Uit den hof klonk de stem van
den Skald; met strofen in eindrijm gedicht:
„Waar Walhalla’s hooge halle,
Glinstert in den glans van goud,
Daar kiest Wodan iedren morgen
Helden zich, ’t zij jong of oud.
Wie hier viel zijn naam ter eer
Groet bij hem den morgen weer”....
Onwillekeurig zocht Olafs hand het kleine, zilveren godenbeeld, dat aan
een gouden snoer op zijn borst hing, onder den met franje omzetten
rooden mantel. Hij wenschte vurig te leven; met versnelde slagen joeg
zijn hart. Wat kon hem het schitterende Glansheim en Alvaders godenzaal
baten als hij geluk en liefde moest achterlaten op aarde?
Uit het afgescheiden gedeelte der zaal trad door het breed neerplooiend
gordijn Swanwitha. Zij kwam uit den huistempel, waar zij het
dagelijksche offer van brood en vleesch had neergelegd voor Wodans
beeld. Ernstig en droevig was haar schoon gelaat. Zij scheen het
tegendeel van gelukkig. Hij snelde naar haar toe en omvatte haar in zijn
armen. Met een gebaar vol wanhoop weerde zij hem af:
„Laat mij gaan. ’t Is ’t eenige wat ik u vraag.”
„Ge zijt mijn bruid, Swanwitha. Gij draagt mijn ring.”
Zij zag neer op den smallen, gouden band met een blik vol afkeer.
„Door dwang. Zóó zou ik geen bruid begeeren. Wij kenden elkander niet
eens. Hoe kunnen wij dan”....
Zij sloeg de handen voor het gelaat en zweeg in een snik.
Getroffen zag hij haar aan. „Ik had je lief in ’t zelfde oogenblik, dat
ik je zag,” sprak hij gesmoord. Verstikt in hartstocht beefde zijn stem.
„Maar ik niet! Olaf, geef mij mijn vrijheid weer! Wees barmhartig voor
mij! Liever sterf ik dan.... Liefde, dat groote, machtige gevoel kan
niet worden gedwongen, dan wordt wat verheffen moest verpletterd door
laagheid. Olaf, neem dien ring terug, geef mij vrij!”
Zij sloeg de oogen tot hem op, dringend, radeloos. Spanning en angst
joegen haar een blos op het gelaat. Nooit had zij hem zoo schoon
toegeschenen als in dit oogenblik. Welke reden had zij? Gesmade liefde
deed ijverzucht ontbranden, gloeiend in schrijnende pijn.
„Ge hebt een ander lief!” barstte hij uit. Verward wendde zij zich af,
schier vluchtend uit de hal. Toen wist hij zijn vermoeden juist. Een
heete gloed steeg hem in ’t gelaat bij de vraag: „Wie, wie!”....
Was zij misschien betooverd? De nagelbloemen bloeiden. Had een vijand
die misschien in ’t geheim gebakken in het brood, dat zij at? Dan was de
betoovering ongeneeslijk. Maar zij droeg immers een gedroogden
brandneteltak tusschen de voering van haar mantel. Vrouw Sigrid had hem
dit zelf gezegd. Dit bewaarde haar tegen alle tooverij. Hij verwierp
daarom zijn eerste denkbeeld. Er was dus iets anders. „Wie -- wat?” Het
martelde hem. Hij was gewoon, dat maagdenblikken schuchter zijn gelaat
zochten, om zich dan snel weer te verbergen achter de lange wimpers en
thans was de schaduw der onverschilligheid tusschen hem en de vrouw, die
hij liefhad vol hartstocht en zelfzucht. Wie, wat scheidde hen? Als een
warrelende duizeling, éen met den maalstroom der gedachten, die hamerden
in zijn hoofd, zwermde een breede vlucht van raven om den toren. Het was
hem of zij een zwarte schaduw wierpen over het in licht badend
landschap, of hun krijschende schreeuw de echo vormde van zijn wanhoop.
Hij knarsetandde en beet zich de lippen tot bloed. Zijn hartstocht
begeerde haar, hij wilde haar bezitten, gelukkig zijn.... Gelukkig --
zij ontvluchtte hem, smeekte om haar vrijheid.... Nooit zou hij haar die
hergeven, nooit!.... Een zware tred dreunde op de steenen treden, een
harnasschoen ratelde. Rolfr Jarl kwam. Hij was uitgereden om den
Stuthenborch plat te branden. In weinig woorden deelde Olaf hem mee, dat
de vloot in aantocht was. Rolfr lachte, hard en snerpend -- volgens zijn
gewoonte. Een zegevierende trek speelde om zijn vastgesloten lippen.
„Als de laatste lansenmis gezongen is voor het christengebroed zal
Miölners bruidszang voor u weerklinken, Olaf!”
Hij trok de schouders op, neerslachtig: „Misschien. Swanwitha wil niet.”
„Wat? Dat kind? Zij heeft geen wil, ik wil voor haar.”
„Wanneer een vrouw iets niet wil, wie dwingt haar dan? Swanwitha is in
staat zich van den toren te werpen, eerder dan onder mijn zwaard door
te treden als mijn bruid. Ik verliet een kind, een vrouw vind ik terug.
Wat is er gebeurd?”
Rolfr smoorde een verwensching tusschen de tanden.
„Heeft zij niet gezegd wat zij wil?”
„Neen, alleen wat zij niet wil.”
„Echt vrouwelijk. Gij behoeft u er niet aan te storen. Hij zit als een
rat in de val en de klep is dicht.”
„Ik begrijp u evenmin als straks Swanwitha.”
„Zij is de speelbal van Unruoch, maar heb geen zorg: met den bisschop en
zijn aanhang zit hij in de klem op den Hohorst.”
Rolfr verhaalde wat gebeurd was gedurende zijn afwezigheid en Olaf
luisterde zonder te verstaan. De raven krasten boven zijn hoofd en het
scherm hunner zwarte vlerken scheen hem als een rouwsluier, die zich
verstikkend zou leggen over al zijn hoop en geluk -- eigen geluk. Hij
begreep niet volkomen wat in hem omging, maar hij voelde, hoe woede en
jaloerschheid bezit van hem namen, geheel. Zijn wenkbrauwen trokken
samen, diep groeven zich zijn tanden in de onderlip; in stilte deed hij
zich zelf een gelofte...
Het was waar wat Rolfr Jarl zei, volkomen! Waarom had hij het niet
eerder verstaan? Had hij niet meer dan eens een snellen blos zien komen
en gaan, wanneer de naam van Unruoch werd uitgesproken in haar bijzijn?
En als hij zelf onverwacht binnentrad bleef zij stil, neerslachtig voor
zich uitstaren. Hij vond haar dan met de naald in de hand naast haar
grootmoeder, die haar bestrafte omdat zij niet werkte. Schuw wendde zij
de oogen af als hij haar naderde... Zijn ijverzucht steeg tot brandende
physieke pijn. Vergelding zou hij zoeken en ook weten te vinden. Met een
slag zette hij den beker, hem door den hofmeester geboden, neer op den
bronzen disch. Zijn vingers hadden het fijn bewerkte metaal gedeukt. Van
hartstocht trilden zijn lippen toen hij mompelde: „Ik zal mij wreken.”
Hij vroeg zich niet af met welk recht hij was gedrongen in haar leven,
hij, de onbekende, wien zij gedwongen was geweest haar hand te reiken op
bevel. Hij wilde alleen bezitten zijn eigen, zelfzuchtig geluk, evenals
hij nu zocht zijn eigen zelfzuchtige wraak...
De heldere dag met den blauwen hemel, waaraan witte wolken dreven, waar
leeuweriken opstegen zingend, jubelend, was voorbij. Nieuwen moed,
dubbele kracht had de frissche wind getracht te wekken in de harten; het
was alsof hij de menschen wilde opnemen, ze voort dragen, ver weg op
vleugelen van zonnegoud en bloesemgeur.
Nu viel de avond en eentonig, grijs lagen de velden en lusteloos
stroomde het water.
Ach, frissche wind noch leeuwerikenzang hadden een echo kunnen wekken in
de borst van dienstman of hoorige, die scherp wacht hielden en waakten
om den Hohorst, nu vele dagen reeds. Alle uitgangen en wegen, in heide
en woud, waren afgezet op bevel van Rolfr Jarl; door schuiten was de
rivier versperd. Elke reiziger of koopman, die onbewust van wat plaats
greep zich vertoonde in den omtrek, werd als gevangene naar den
Ravenhorst gebracht.
Hoe menige bittere klacht, hoe veler gloeiende wraakgelofte vingen de
kille muren op van het trotsche landkasteel!
Zijn eigenaar glimlachte. Geen boogschot mocht worden gedaan, geen pijl
geslingerd naar een der ingeslotenen op den Hohorst. Door honger
uitgeput wilde hij den voormaligen graaf van Teisterbant, nu bisschop
van Utrecht, zien voor zich buigen als vernederde, machtelooze
gevangene. En dan zou de Deensche vloot daar zijn om zijn zegepraal
volkomen te maken, ook op het weerlooze Utrecht, dat geheel onbewust
bleef van den naderenden ramp; waar hij zou ontbreken als de Denen storm
liepen, die door zijn bezielend woord steeds de harten nieuwen moed wist
te schenken, de handen aanvuurde tot daden van zelfopoffering en kracht.
De duisternis nam toe met ieder oogenblik. Met hellen schijn gloeiden de
wachtvuren om den Hohorst.
Twee hofhoorigen van den Ravenhorst spraken fluisterend met elkander.
Hun blik zocht de kleine kerk en het half voltooide houten woonhuis. Een
flauw licht gleed door een der smalle vensters, over den zilveren
avonddauw.
„Het is een vreeselijk middel,” mompelde de eene. „Hoe durft onze heer
het wagen! En wij -- „gehoorzamen of de dood” -- luidde zijn woord, maar
zullen wij den toorn niet uitlokken van God? En wat dan? Het einde is
nabij. Dat zegt iedereen.”
Dof klonk de stem van den andere:
„Bisschop Ansfried heeft nooit gezegd, dat hoorigen geen ziel bezitten
en gedoemd zijn na hun dood tot het eeuwig niet. „Komt tot Mij allen die
vermoeid en beladen zijt en Ik zal u ruste geven,” dat was de troost,
dien hij mij eens gaf toen ik neerlag, bloedend en krimpend, nadat
honderd geeselslagen waren neergestriemd op mijn rug. Te rotten lag het
koren op het veld in den regenachtigen zomer. Den geheelen dag had ik
gewerkt om den oogst binnen te halen voor onzen heer. „Dat moest het
eerst geschieden,” beval de meier. Maar ’s nachts dacht ik hoe mijn
vrouw en kinderen in den naderenden winter misschien zouden omkomen van
gebrek. Ik stond op en sloeg den sikkel in het graan op mijn eigen
hoekje grond. Dat hoorde de Jarl. Als ik voor mij zelf werkte had ik
geen kracht om voor hem te arbeiden, zei hij. En toen.... o, de woorden
van den bisschop waren als balsem voor mijn ziel, meer dan de
geneeskruiden waarmee hij mijn wonden zalfde. En nu vergelden wij hem
dit zóó.”
Beiden zwegen en zagen naar het licht, dat blonk in de duisternis.
„Is er nog een boot hier?”
Een bevelende stem vroeg het. Bij den glans van het wachtvuur -- een
licht van verwoesting en dood -- zagen zij den jongen vreemdeling die
eens hun heer zou zijn door zijn huwelijk met de kleindochter van hun
meester. Menigeen had toen hij dit vernam gedacht met een gevoel van
verlichting, dat zijn kinderen betere tijden tegemoet gingen dan hij
zelf had doorleefd. Swanwitha was geliefd en haar bruidegom boezemde
geen angst in, maar thans --
Was hij dat werkelijk? Wat beteekende die sombere gloed in zijn oog, die
dreigende uitdrukking op zijn trekken?
„De boot is nog gaaf, edele Olaf. De Jarl beval haar niet te verbranden;
zij moest bewaard blijven om er de gevangenen mee af te halen, na de
overgave.”
„Zet mij dan over, terstond.”
„Alleen? Edele Olaf, de jonge Unruoch is daar en nog enkele speerruiters
van den Stuthenborch. Zij hebben allen wapens.”
„Zet mij over!” Zijn stem knarste bij dat woord! Nauw verkropte haat
gloeide er in.