Bisschop Ansfried was teruggekeerd van zijn dagelijkschen tocht. Het
geheele verhaal van Rolfr Jarls strafoefeningen en bedreigingen was hem
door het ontstelde landvolk meer dan eens gedaan. Allen die den Noorman
vreesden, wellicht meer nog dan de macht die hij bezat, had de bisschop
een schuilplaats aangeboden op den Hohorst. Gelast had hij hun vrienden
en verwanten te zoeken, die nu voor hem vluchtten of den balk legden in
de haag. Vol aandrang waren allen door hem vermaand om te blijven bij
het geloof, waarin zij waren opgegroeid en, dat zij eens hadden beleden,
zich niet uit vrees te laten meesleepen door voorstellingen van
heidensche dwalingen.
De zon ging onder, het water vlamde op in purperschijn, alleen tusschen
de dennenstammen glinsterde nog het scheidend licht als vloeibaar goud.
De bisschop maakte zijn laatste beschikkingen. Broeder Johannes was bij
hem, de eerste, die hem bericht had gegeven van het tooneel bij den
grafheuvel. Hij had dien nacht gebeden bij een stervende en werd zoo de
onwillekeurige getuige van de komst der Druïde: ondanks het streng
verbod had geen der wachten hem den weg versperd. Zoo had hij gestaan
achter de haag van eikenhakhout en elzenstruiken, zoo had hij gezien en
gehoord. Het zaad, door de bewoners van den Hohorst uitgestrooid met
milde hand, was liefde geweest, het was ontloken in de harten. De
doornen van machtsvertoon noch bevel konden het verstikken: geen der
wachters had hem gegrepen of teruggewezen.
„Broeder Johannes, zorg dat de pakpaarden beladen worden en de
muildieren gezadeld. Zoodra jonker Unruoch terugkeert, vertrekken wij,
onder bedekking zijner ruiters, allen naar Utrecht. Melden zich nog
landbewoners aan, die vluchten voor Rolfr van den Ravenhorst, neem ze op
in den trein. ’t Is hier niet veilig meer.”
„Uw Hoogeerwaarde weet dus stellig, dat de Denen”....
Broeder Johannes bleef steken; een rilling liep door zijn tengere leden;
doodsangst sprak uit ieder gebaar.
„Helaas, ja! Gisteren zond de kustwachter van Witlam mij een bode.
Negentig zeilen waren door hem geteld, maar tegenwind had de vloot het
ankeren of het land in te zeilen belet tot nu toe. Tot nu toè. Wie weet
hoe het thans reeds is. Het zal een zware strijd worden. En nog is bijna
geen enkele sterkte, die ik liet bouwen om de grenzen te verdedigen van
het bisdom, gereed, slecht bemand zijn zij alle. Indien de landzaten
slechts kodde en dorschvlegel grijpen, zoodra de nood daar is, maar
Rolfr Jarl verlamt hun kracht.
Moge de onze echter door het gevaar worden verdubbeld. Voor geloof en
geboorteland hoop ik te waken, als droeg ik nog pantser en zwaard. Houd
ook gij u kloek en manhaftig, broeder. En als gij geen kracht in u voelt
een speer te grijpen, doe dan uw plicht bij de gewonden en stervenden,
ook dan wanneer de gevallenen Denen zijn.”
„Bij de Denen! Die duivels, die man, vrouw, noch kind ontzien?”
„Wilt gij een christen heeten en door geen daden toonen, dat gij het
zijt?
Zelfverloochening en barmhartige liefde tot vijanden eischt de Heer.”
„En wie beslist hoe spoedig wij allen staan voor Zijn aangezicht! St.
Jan is nabij!”
Broeder Johannes verborg het bleek gelaat in de magere handen, zijn
tanden klapperden op elkaar:
„Heer, heer, gij wilt niet, dat wij er over spreken of er geloof aan
slaan, maar ieder zegt het, iedereen, de geheele wereld, heer! Gij
herinnert u toch ook de beide broeders uit Parijs, die te Utrecht in ons
klooster kwamen, nog geen maand geleden? Zij keerden terug van een
pelgrimstocht naar het graf van den apostel Petrus te Rome, zij
verhaalden hoe ieder in Frankrijk en Italië geloofde, dat het einde van
alle dingen aanstaande is. Alle bedrijven en zaken staan daar stil,
alle schenkingen aan de kerk beginnen met: Appropinquante mundi termine.
Schrik en rouw vervullen ieder gemoed en de godsvrucht neemt toe met de
vrees.”
„Is dàt godsvrucht ontweld uit reine bron, broeder Johannes? De liefde
sluit de vrees buiten.”
Broeder Johannes zweeg enkele oogenblikken, toen klonk het opnieuw
gedempt:
„Ach, heer bisschop, wij zijn allen zondige menschen, tastend en dwalend
zoo lang wij leven. Maar is het duizendjarig rijk niet weldra ten einde,
en staat er niet uitdrukkelijk in de Openbaring:
„En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de Satanas uit
zijne gevangenis ontbonden worden”....
„En zijn bij God niet duizend jaren als éen dag, en éen dag als duizend
jaren? Waant gij, dat de Eeuwige rekent met aardsche tijden en uren?
Jezus zeide: Die dag en die ure kent niemand, en zich grondend op Zijn
woord heeft geen der kerkvaders het ooit gewaagd den dag te bepalen van
het jongste gericht. Wat God verborgen houdt in Zijn ondoorgrondelijke
wijsheid, mogen menschen daarvan den sluier trachten op te lichten?”
„Gewis niet, maar het geloof aan den aanstaanden ondergang bestaat nu
eenmaal bij klein en groot, bij vorsten en dienstmannen, bij vrijen en
hoorigen. In de kerken te Parijs wordt openlijk gepredikt, dat de
wereldbrand aanstaande is, dat eerst de Antichrist zal verschijnen en,
dat daarna het oordeel komt. „Als Maria boodschap en Goede Vrijdag op
een dag samentreffen, is het einde daar!”...
Gij kent toch ook die voorspelling heer bisschop, gij toch ook! En is
die dit jaar niet in vervulling gekomen?
O, er is geen hoop meer, geen hoop, geen enkele lichtsprank in den
nacht!”
Met een gevoel van innig medelijden zag de bisschop neer op den jongen
man, wien folterende angst klamme druppels op het gelaat deed parelen.
Hij wist, dat duizenden en tienduizenden dachten, geloofden als hij, dat
vijanden zich verzoenden en koningen zich verootmoedigden... Ried
broeder Johannes zijn gedachten toen hij voortging:
„Koning Robert van Frankrijk is door paus Gregorius, nu juist twee jaar
geleden, in den ban gedaan, omdat hij zich niet wilde laten scheiden van
zijn vrouw, koningin Bertha, die hem te na in den bloede bestaat. En
thans is de koning tot die scheiding besloten, „omdat nu toch de wereld
zal vergaan, nù!”
„Maar paus Gregorius heeft den koning in 998 -- wegens zijn weigering --
veroordeeld tot een _zevenjarige boetedoening_. Wijst dit op den
ondergang der wereld in dit jaar?”
„Ik weet het niet, ik kàn niet meer! Mijn hoofd, mijn hoofd!”...
Meewarig schudde de bisschop het hoofd. Van hoeveel zielsangst,
nachtwaken en vasten verhaalde dat ontvleesde gelaat!
„Broeder Johannes, gij zoekt het op een verkeerden weg. Dien uw God door
liefde tot uw naasten, door te vertrouwen op Hem en op de reddende
genade van den Zaligmaker, Die ook voor u heeft geleden en is
gestorven.”
Hij nam een klein, in francyn gebonden boekdeeltje van het rek aan den
wand.
„Lees opmerkzaam, zoodra wij te Utrecht zijn aangekomen, dezen „Libellus
de Antichristo.” Het is reeds bijna een halve eeuw oud en geschreven
door Adson, den geleerden abt van Mons-Dervense, in Champagne.”
Begeerig strekte broeder Johannes de hand uit.
De bisschop hernam: „Koningin Gerberga was destijds even bekommerd als
gij nu. Op haar verzoek -- zij wenschte zoo vurig te weten wat de Bijbel
zegt omtrent den Antichrist en zijn gevreesde macht -- werd het boekje
geschreven. De laatste regels luiden: „Ik geloof, dat niemand weet,
hoeveel tijd er zal voorbijgaan tusschen de komst van den Antichrist en
het Laatste Oordeel, maar dit blijft ter beschikking Gods, Die de
menschheid zal oordeelen in het uur, dat Hij daartoe voor eeuwen heeft
bepaald.” --
„Moge de lezing ook u tot kalmte brengen, broeder, gelijk zij dit eens
koningin Gerberga deed en dit geschrift u tevens leeren berusten in Gods
wil door te gelooven in Zijn heilig woord. Ga echter nu de plichten
volbrengen, die thans op u wachten. Ook het aardsche leven stelt den
mensch zijn eischen.”
Zegenend legde de bisschop hem de hand op het hoofd; een groot gevoel
van rust kwam in het gefolterde hart van den jongen broeder, toen hij
in het opgeheven gelaat zag voor hem, door leed veredeld, door geloof
gewijd, rust bezittend en rust gevend.
„Ach, dat allen waren als hij! De wereld zou anders zijn, beter!”
fluisterde het in zijn hart, toen hij heenging om een der kleine
plichten te volbrengen van het leven, allen schakels van een groot
geheel. En hij dacht nogmaals, hoe verklaarbaar het was, dat door zijn
volgelingen de grijze kerkvorst zoo hoog werd vereerd. Zijn christendom
bestond niet alleen uit bidden, zijn daden toonden zijn geloof.
Bisschop Ansfried zag den jongen broeder zich naar het boothuis begeven
langs de kerk.
Onwillekeurig ontsnapte ook hem een zucht. De muren van tufsteen van het
kleine kerkgebouw waren nauwelijks opgetrokken. In den eenvoudigen
vierkanten toren met een spits tusschen twee brandgevels, hing nog geen
maand de klok, die met zilveren klank de omwonenden riep tot het gebed.
Hoe had hij gehoopt hier dikwerf eenige dagen van verademende rust te
vinden, wanneer de zorgen voor zijn uitgestrekt Bisdom geheel zijn
kracht hadden gevraagd en overspannen. Hoe had hij gewenscht zijn verder
leven te wijden aan den dienst van God en de uitbreiding van Zijn rijk.
En thans -- de klanken der aarde stegen tot hem op met stemmen van bloed
en haat.
De Denen aan de kust! Rolfr Jarl hun bondgenoot, het volk opwekkend tot
afval van zijn geloof....
Ook hij wist hoe diep de overleveringen van het heidendom nog, vaak
onbewust, leefden in menig eenvoudig hart. Want een algemeen verbreid
geloof was het onder het volk, toen dit het Christendom aannam,
gedwongen meestal, dat de goden waren gevlucht voor den God der
christenen, doch dat zij daarom niet waren gestorven: Zij hielden zich
slechts schuil in eenzame wouden of in woeste landstreken, om terug te
keeren als de nood op het hoogst was geklommen voor het volk, welks
voorgeslacht hen had vereerd. Wodan wachtte met zijn Einheriar den
laatsten strijd af, diep verborgen in een berg der Duitsche gouwen. Maar
als die strijd ontbrandde, zou hij te voorschijn treden, zijn
godenmantel van schitterend blauw om de trotsche schouders. Slingeren
zou hij zijn geduchte speer naar de afvalligen, maar zijn getrouwen zou
hij, de „zegenschenker”, veilig voeren in zijn vernieuwd rijk, dat was
verrezen uit den wereldbrand, bloeiend, wonderschoon.
Eens -- hoe goed herinnerde de bisschop het zich! -- had hij op een reis
door Duitschland zijn gids gevraagd, op een bergtop wijzend, die statig
oprees boven het omliggende land:
„Dat is de Kyffhäuser, nietwaar?”
Maar tersluiks had de gids op zijn voorhoofd een teeken gevormd, dat
geen kruis was, terwijl hij schuw mompelde, met een zijblik op het
berggevaarte, waarboven de grijze wolken laag dreven en de raven
geheimvol krasten:
„Het is de Wodansberg, heer. Zie, zijn raven vliegen om den top,
gehoorzaam lettend op zijn bevelen en de wolken wachten of hij, door
hen omsluierd ongezien wil rijden over de aarde.
Hij slaapt nu in den berg met zijn getrouwen, heer! In den marmeren
disch voor hem groeit zijn baard, maar als de nood dreigt en het einde
komt, zal hij ontwaken en dan, en dan”....
Met verbazing zag de spreker zich het zwijgen opgelegd door den
onbekende. Waarom? Ieder wist immers, dat het zoo was en eenmaal zoo
zijn zou? Zijn grootvader had het hem verhaald, die had het van zijn
voorganger gehoord en die....
Graaf Ansfried leerde dien dag opnieuw, hoe zwaar het valt,
volksoverleveringen uit te roeien, die eenmaal wortelden in volksgeloof.
Voorwaar, Rolfr Jarl had ditmaal geen zware taak! Hoe dikwijls was hij
-- gedurende de korte jaren zijner kerkelijke waardigheid -- niet
genoodzaakt geweest krachtig op te treden tegen heidensche gebruiken,
ingeslopen in den christelijken eeredienst, of gehandhaafd ondanks
verbod en bevel. Het land was gekerstend sinds meer dan twee eeuwen,
maar velen zijner bewoners waren daarom nog geen christenen.
Gespannen zag de bisschop naar den landweg. Het was hoog tijd om te
vertrekken. Er zou te Utrecht veel te doen zijn. De stad moest versterkt
en in staat van tegenweer worden gebracht, de heirban worden opgeroepen,
boden gezonden door het land om het volk aan te manen zich te wapenen.
Scherp wacht moest worden gehouden op den toren van ieder landkasteel,
zoowel als op de heidehoogten, terwijl op de duinen roodgloeiende
wachtvuren hoog opvlammend, elkander het teeken moesten geven van de
landing der gevreesde vijanden.
Of de gravin-weduwe van Kennemerland reeds was gewaarschuwd of op haar
hoede? De graven van die landstreek waren door den keizer belast met de
kustwacht en de kustverdediging tegen de invallen der Noormannen. Maar
de krachtige graaf Aernout was enkele jaren geleden gesneuveld op de
made van Winckel in een zijner veelvuldige veeten met de woeste
West-Friezen; zijn zoon Dirc nog een kind. En het berokkende zijner
weduwe, de schoone Luitgarde, reeds zooveel zorgen, om het van alle
zijden aangevochten erfdeel van haar zoon te beschermen, dat reeds nu
diepe lijnen zich hadden gegroefd in haar blank voorhoofd, dat zich
welfde onder den sluierkroon en den weelderigen diadeem harer golvende
haren.
Neen, van die zijde was niet op hulp te rekenen. Had de bedrukte
regentes nog niet kort geleden de tusschenkomst verzocht zijner
gewapenden om het burggraafschap van Gent terug te verwerven, dat voor
goed verloren dreigde te gaan van haar zoon, evenals dit reeds zijn
vader was ontroofd?
Bisschop Ansfried wist zich aangewezen op eigen krachtsontwikkeling. Hij
moest handelen, terstond naar Utrecht vertrekken en -- nog kwam Unruoch
niet.
De avond viel snel en bij dit schemerlicht volbracht de bisschop zijn
plicht van het oogenblik. Hij zocht eerst naar een kussen voor oude
Lisa om haar den tocht wat gemakkelijker te maken in den zadel van een
muildier op den weg vol kuilen en gaten en borg toen de kwartijnen, die
de werken van Augustinus, de Topica van Aristoteles, de Aphorismen van
Hippocrates en de godgeleerde beschouwingen van Athanasius bevatten in
een leeren tasch.
Dichter werd de schemering, vale schaduwen wierpen de boomen, tot
loodkleur verdofte het watervlak. Plotseling klonk het gedruisch van
vele paardenhoeven door de suizende stilte. Zij kwamen! De bisschop
greep zijn mantel. De eerste sterren glinsterden, avondrust was rondom.
Nu kon de tocht aanvangen. Zij kwamen.... Maar, als overwinnaars niet.
Snel als de wind renden de bisschoppelijke ruiters over de bruine heide,
Unruoch aan het hoofd, maar als een huilende Novemberstorm volgde hen
Rolfr Jarl met zijn Denen. Pijlen snorden van den boog -- met lossen
teugel reden de Denen -- wonden bijtende speren zochten hun wit. Reeds
meer dan een angstig hinnikend paard zonder ruiter toonde, dat zij doel
hadden getroffen. Nu bereikten de bisschoppelijke ruiters den waterkant.
Slechts op een tiental schreden afstands waren de vervolgers. Hoog
richtte Unruoch zich op in den zadel. Ver in ’t rond klonk zijn stem tot
de ruiters:
„Redt u! Hier is het water ons behoud. Werpt u in den stroom, op den
Hohorst zijt gij veilig!”
Ver in de meerderheid waren de Noorsche ruiters. Langer verzet was de
dood. De mannen van St. Maarten begrepen het. Een sprong, een plons, de
paarden voelden het water opspatten boven hun manen. Zwemmend poogden
zij den tegenovergestelden oever te bereiken. Maar ondiep was de stroom.
De modder van den bodem kleefde en trok omlaag. Het was een hachelijk
oogenblik. Met stem en teugel vuurden de ruiters hun paarden aan.
Vruchteloos arbeidden de vermoeide dieren, en de bende door Rolfr Jarl
zelf aangevoerd, had hen bereikt. Thans trof iedere pijl zijn doel. Op
den heuvel stonden de kloosterbroeders met den bisschop, hun eigen leven
niet vreezend voor de snorrende pijlen, toch tot helpen machteloos.
Unruoch zag het. Hij stond nog alleen aan den oever, met zijn zwaard den
overtocht der zijnen dekkend. De pijlen kletterden tegen zijn schild;
als ijzeren veeren bleven zij er trillend in steken. Met smeekend gebaar
wendde hij zich tot den bisschop:
„Blijf daar niet! Het bestaan van dit volk hangt af van uw leven. Met u
staat en valt zijn vrijheid! De Denen!”.... Hij kon niet verder. Een
pijl drong door de voegen van zijn helmkap. Bloed druppelde op zijn
pantser. Het zwaard ontglipte zijn vuist.
„Grijpt hem! Grijpt hem levend!” dreunde de stem van Rolfr Jarl.
„Dan”....
De belooning door hem toegezegd ging verloren in rumoer en geschreeuw,
-- het antwoord op zijn bevel. Als honden op een gewond hert wierpen
zich de Denen op Unruoch. Zij trachtten hem van het paard te rukken,
hij verweerde zich als een wanhopige, de heirbijl in de ongewonde hand.
Maar zijn krachten begaven hem, hij voelde het. Nog éen oogenblik en zij
zouden hem op den grond werpen, hem sleuren over heide en boomstronken
naar hun heer, die hem ten tweeden male niet zou vrijgeven -- door
overmacht gedwongen. Krampachtig omknelden hem de gespierde armen in de
harde lederen kolders, nog éen oogenblik.... Toen gaf hij zijn paard een
slag met de heirbijl, die doordrong diep in de flank van het moedige
dier. Een scherp, snijdend geluid, hoog steigerde het paard op zijn
achterbeenen, in den wind fladderden de lange manen, met een ruk van
getergde kracht, uit felle pijn ontstaan, wierp hij het verwarde
menschelijke kluwen van zich, trappend, bijtend in schier razende
woestheid. Toen nogmaals een sprong en neer ploften ruiter en ros in den
stroom. Geen eigen gevaar meer achtend, waadden de enkele nog ongewond
gebleven ruiters -- het was hun eindelijk gelukt den wal te bereiken --
terug. Na eenige oogenblikken zag Rolfr Jarl, met trekken donker van
woede en drift zijn prooi ontsnapt. Tevergeefs dreigde hij met gebalde
hand de ruiters; vruchteloos vergat hij den afstand, die hem van hen
scheidde, door zijn teleurstelling te uiten in een woordenvloed, die hem
tot gelijke stempelde zijner ruwste eigenhoorigen. Ten laatste zweeg hij
met droge keel, naar adem snakkend. Met een ruk wendde hij zijn paard.
Een pijl suisde hem voorbij, een tweede trof zijn hand, toen keerde hij
zich opnieuw naar den Hohorst met een plotselingen inval:
„Des te beter! Ik rook den beer uit zijn hol!”
Norsch wendde hij zich tot zijn ruiters. Zij verwachtten zijn bevelen,
sidderend, deemoedig. Hij wees naar de loodsen, den stal en het
boothuis:
„Steekt die kotten in brand, maar bewaar de boot en houdt scherp wacht.
Ieder die tracht over te steken zingt gij de lansenmis. Wij zullen ze
uithongeren of van de aardsche jammeren verlossen, die verheven
christenen! Vlammende pekkransen op het dak en geen teerkost
binnenshuis! Past op, dat gij niemand doorlaat! Gij boet het met uw
leven!”
Rolfr Jarl reed heen, de ruiters bleven. Van voldoening hamerde zijn
hart met versnelden slag. Bisschop Ansfried zijn gevangene op den
Hohorst en de Denen tot den inval gereed!
* * * * *
Oude Lisa strompelde dien avond door de velden. De sterren verlichtten
haar pad, ook de ster met de gevreesde vurige roede. Zij klopte aan de
huisdeuren -- van binnen versperd door een balk als waren er vijanden in
’t gezicht; op een kier werden zij geopend om haar in te laten. En dan
zag zij:
In het eene gezin alle huisgenooten knielen voor de alruinen.
„Boer, boer! sta op! De bisschop is gevangen als een muis in de val!”
klonk haar bevende stem. En zij verstond het antwoord:
„Is dat mijn schuld? Hij heeft ons die willen afnemen” -- met een
gebaar naar de alruinen -- „en gij weet, wie een alruin uit den grond
trekt moet sterven.[16] Zij waren de machtigsten, lang voordat keizer
Karel leefde of nu de bisschop. Had hij de alruinen maar met rust
gelaten, maar hij ging rond door het land om alle overblijfselen uit te
roeien van het heidendom. Nu hebben zij hun wraak!”
De deur sloeg toe, de wachthond blafte, oude Lisa stond weer alleen
buiten, onder den sterrenhemel. Zij ging met moeite het erf af, het
vonder over, als een groet uit het Paradijs drong de lindengeur tot haar
door. Doch geen paradijsvrede heerschte in de volgende woning waar zij
aanklopte. Geknield lagen ook hier allen, maar doodsangst sprak uit den
starren blik der oogen, radelooze wanhoop uit de saamgewrongen, omhoog
geheven handen:
„Bergen valt op ons, heuvelen bedekt ons! Het is aanstaande, het oordeel
komt! Heer, erbarm u onzer!”
„Menschen, komt tot je zelven! Let op het heden: onze bisschop!”....
„Vrouw, wat hebben wij met je noodig? Houd ons niet op: Het einde is
nabij. Op Midzomer -- ik meen met St.-Jan is de groote, geweldige dag
daar. En wij verbranden mee! Heer, erbarm u! Erbarm u!”....
Zwijgend ging Lisa. Allen dachten alleen aan eigen behoud, niemand
scheen zich meer te herinneren, wat de grijze kerkvorst was geweest
voor hen; hij, die zoo hoog in aanzien en macht, hier rondging als de
minste der broeders om te raden, te helpen, te redden bij iederen nood.
Wie zijn leven zal willen behouden zal het verliezen....
Lisa’s voetstappen stierven weg.
Henno kruiste haar pad. Hij zag haar niet voor zij hem staande hield.
Toen trof haar een blik vol doodsangst uit oogen, door droefheid
verduisterd:
„Weet ge ’t al, Lisa? Mijn Yglo ligt in den slangenkelder van den
Ravenhorst en verdronken is Trutha! Mijn vrouw dood, gevangen om te
sterven mijn zoon! O, dat het einde ook voor mij kwam! nu, nù! Ik ben
weggegeeseld van den Ravenhorst. Hadden zij mij maar dood geslagen!
Waarom duurt het nog zoo lang, dat de wereld vergaat! Zoolang!”
Het was of de gebogen gestalte voor hem, rees. Beschikte inderdaad die
oude, doffe stem over zooveel kracht?
„Omdat er nog veel te doen is in die wereld, ook voor jou visscher, ook
voor jou!”
„Wat meen je, moeder Lisa? Wat meen je?” Zij verhaalde hem wat er op den
Hohorst was gebeurd:
„Ik stond en zag het uit de verte. Een onderkomen was mij daar beloofd
door onzen bisschop. Nu moet ik zwerven door ’t land, naar mijn hutje
durf ik niet meer. Henno, hij was goed voor ieder van ons; niemand, die
hulp behoefde, werd ooit door hem afgewezen en nu laten allen hem
alleen. Allen, Henno!” De visscher verborg het hoofd in de handen.
„Ik deed het ook. God vergeve mij en rekene het mij niet toe! Ook ik
vergat hem en nu is de straf gekomen! Ik was bij het offervuur, in
vlammen ging mijn hoeve op. Den bisschop werd door Rolfr Jarl de dood
gezworen en nu.... mijn vrouw, mijn kind!”....
„Maak het goed, Henno, maak het goed!”
„Hoe zou ik, arme man, dat kunnen?”
Toen ontwikkelde Lisa haar plan. Wat maakte die oude, onwetende vrouw
zoo vindingrijk?
Een blik in het verleden:
Door de velden rende Rolfr Jarl met zijn stoet. De middagzon brandde;
naar verademing hijgde geheel de natuur. Onvoordeelig was de jacht
geweest; een zijner beste brakken had een jachtspriet in ’t lijf
gekregen door de schuld van een drijver -- hij was op last van zijn heer
dadelijk opgehangen. Nu reed Rolfr huiswaarts; wie de uitdrukking van
zijn gezicht zag, sidderde.
Dietmer, den koeherder, zag hij van verre. Het vel eener koe met kop en
horens er nog aan, slingerde hem over den rug. Rolfr spande den boog,
terwijl de herder naderkwam. Grauwend klonk het:
„Wat waag je nu weer, aartsdief! Een van mijn koeien heb je dood
gestoken om”....
Drift belette hem verder te spreken. Het gaf Dietmer gelegenheid
smeekend uit te roepen:
„Heer, spaar mij! Het dier is zijn natuurlijken dood gestorven! Huid en
kop lever ik u immers onbeschadigd, dan is de herder vrij van
schuld.[17] Met zijn boog sloeg Rolfr den herder in het gezicht. Dat
was zijn antwoord. Toen wees hij de Denen van zijn gevolg op een groepje
hoorigen, dat het noenmaal verorberde: boonen, een stuk grof, zwart
brood, na de zware morgentaak.
„Wij hebben heden een slechte jacht gehad. Jaagt op dat vee! Ik zal ze
leeren, te luieren en te stelen!”
Met wilde bijvalskreten volgden de woeste Denen het bevel. Jacht werd
gemaakt op de hoorigen als op de hazen en konijnen der heide. Gewond
lagen zij weldra. De herder stierf door een boogschot van den Jarl. Lisa
kwam van den molen. Ook haar trof een pijl in den arm.
„En ik ben vrijgeboren! Niet mijns heeren eigendom, met lijf en huid,
als de hoorigen!”
Als de stervenskreet van het gehoonde recht klonk haar uitroep den
geestelijke in de ooren, die de ongelukkigen vond in het veld,
gekwetsten en dooden, nadat de jachtstoet onder hoorngeschal en lustig
hondgebas verder was gerend.
Zij kenden hem geen van allen, dien man met het ernstig, denkend gelaat
en het zilveren haar, de arme hoorigen. Hij droeg het eenvoudige, zwarte
kleed der Benedictijner kloosterbroeders. Maar hij had de dooden
begraven en gebeden bij hun lijk. Hij had de gewonden verpleegd met
eigen hand, ze gebracht naar den Hohorst en gelijk eerst voor de dooden
bad hij nu met de levenden. En terwijl hij hen tot lijdzaamheid
aanspoorde in hun lot en hen wees op den Gekruisigden Heer, Wiens last
den hunnen had overtroffen tien- en honderdvoud, daalde berusting in
menig tot weerwraak getergde borst en werden klachten en verwenschingen
omgeschapen in gebeden tot God, Die eenmaal alle tranen zou afwisschen
van de vermoeide oogen.
„Niet Hooge Horst, Heilige berg, moest deze plek heeten!”....
Het was het laatste woord van een stervende, die het eeuwige leven had
gevonden op de plaats waar hij het aardsche liet, maar het ging van mond
tot mond en het werd nooit meer vergeten in geheel den omtrek --
nimmermeer. Ook door oude Lisa niet. En daarom wist zij heden een
uitweg, nu allen versaagden....
Mistroostig zaten Walger en zijn vrouw op den grond voor hun half
verwoeste woning. Nu was er vuur noch visch, gejoel noch bruin bier. In
wanhoop had hij eindelijk zich zelven verlost uit den schandkorf, met
het touw door te snijden. Met veel moeite, doornat aan wal gekropen, na
zijn plons in het water, was hij terstond gegrepen en op den „blauwen
steen” voor het gehate heerenhuis te pronk gesteld, tot de avond viel.
Toen werd hij den Ravenhorst afgejaagd en thuiskomend had hij zijn vrouw
gevonden als een waanzinnige gillend in zijn bijna geheel omgetrokken
woning. De kinderen waren weggeloopen, waarheen wist niemand. Nu zaten
zij en staarden in den nacht.
„Vloek over Rolfr Jarl!”....
„Voltrek dien! Hij houdt onzen bisschop opgesloten op den Hohorst. Dàt
doet hij nu!”
Lisa’s stem drong aan, maar Walger kroop weg van angst onder een
wilgenstruik.
„Ik een geringe, arme man? Hoe zou ik de hand durven opheffen tegen den
Jarl, die machtig is en groot?”
„Zijt gij niet evenzeer vrij geboren als hij?”
Uit den wilgenstruik klonk geen antwoord, maar de vrouw mompelde -- op
welk een anderen toon dan de vorige maal! -- „De dagen zijn geteld,
waarin de wereld nog bestaat. Wat zullen menschen elkander richten? Het
oordeel komt!”....
Zij zweeg en Lisa met haar. Hier was geen hulp te wachten. Angst en
moedeloosheid voerden deze menschen tot radeloos afwachten. Zij hieven
hen niet op tot zelfvergetelheid door mede-lijden met anderen, even
zwaar of meer nog getroffen dan zij zelven.
[16] Van den Bergh: Ned. volksoverleveringen.
[17] Noordewier: Ned. rechtsoudh.