Trutha en Yglo vluchtten door het woud. De dienstmannen van den
Ravenhorst zochten hen. Zij droegen den leeren kap over een ijzeren
kruis gespannen en den ongelooiden kolder. Sommigen hielden hun ijfel
vast en hadden gepunte en gevederde bouten aan den gordelriem --
boogschutters alzoo. Anderen waren gewapend met kolf en speer, een
drietal slingeraars met wollen kap en overkleed, voerd den stokslinger
mee -- het zou een felle jacht worden.
Yglo hield het meisje bij de hand; zoo snel zij konden, liepen zij
voort, maar de meesten der jagers op dit menschelijk wild waren te
paard, en de overigen drongen tusschen het struikgewas -- de kans van
ontkomen was gering. Toch troostte Yglo haar zoo goed mogelijk:
„Houd je maar goed, Trutha! ’t Wordt al gauw avond en dan zullen wij wel
uit het bosch weten te raken. Wij moeten ons op den Hohorst maar niet
ophouden; recht door naar Utrecht. „Stadrecht breekt landrecht,” zooals
de jonkvrouw zei. Als de weg je maar niet te lang valt! Wij zijn geheel
zonder teerkost.” Zij trachtte hem op haar beurt te bemoedigen.
„Daarvoor is geen zorg! Iedere reiziger mag immers visschen in het water
langs zijn weg, als hij maar terstond zijn vangst braadt aan den oever.
Drie rapen is ’t elk vergund in ’t voorbijgaan te roden van den akker,
drie vruchten te plukken van elken dragenden boom.[15] Als wij de
speerruiters slechts kunnen ontkomen!”
Als!.... Het geluid van snelle schreden kwam dichter bij; vloeken en
verwenschingen klonken, wanneer een laag hangende tak een der vervolgers
in het gelaat zwiepte. Tusschen het groene scherm der boomen glinsterden
wapens....
„Zij komen! Zij zien ons! Gauw! Voort!”
Met haastige, ongelijke schreden trok Yglo zijn gezellin mee. Zijn voet
bleef steken in den drassigen grond, aan een doornstruik haakte Trutha’s
rok. Yglo liet zijn plompen, houten schoen in den steek, zij een breeden
rand van haar kleedje.... Voort snelden zij, voort!....
Niet lang meer:
Na enkele minuten zagen zij, op nauwelijks een boogschot afstands, de
speerknechten. Met gestrekte wapens trokken zij om de vluchtelingen een
kring; opgewonden hitste een der voorsten met stem en gebaren een
bulhond op hen aan:
„Daar, daar! Pak ze, Snel! Daar!” Huilend en blaffend sprong de hond
voorwaarts, zijn scherpe tanden blikkerden. „Pak ze, Snel! Pak ze!”....
Radeloos zag Yglo om zich heen. Aan de eene zij waren de vervolgers, aan
den anderen kant stuwde de stroom zijn breede golven door het verlaten
landschap. Hij bedacht zich geen oogenblik. Met een ruk trok hij Trutha
in zijn sterke armen. Met wilde sprongen bereikte hij den oeverkant.
Vlak achter hem huilde de hond. Pijlen snorden van den boog boven zijn
hoofd. Een sprong, een plons -- hij lag in het water. Krampachtig hield
hij Trutha vast met de eene hand, met de andere trachtte hij zwemmende
den tegenovergestelden oever te bereiken.
„Pak ze, Snel! Hij wil overzwemmen! Pak ze!”
Jankend en keffend sprong de hond de vluchtelingen achterna. Weer snorde
een pijl van den kruisboog. Trutha, half wezenloos van angst, slaakte
een gil. Rood werden de zilveren golfjes, die zich om haar sloten als
wilden zij haar met hun blanke kracht beschermen tegen het geweld der
menschen.
„Vooruit! Snel, na! In het water!” schreeuwde een boogschutter aan den
kant. Weer gonsde een pees van den boog. Yglo voelde een stekende pijn
in zijn schouder, als verlamd viel de arm neer, die Trutha omknelde. Zij
zonk in den stroom, de glanzende sluier van zilveren waterdruppels sloot
zich boven haar. Zouden de wateralven haar dragen naar hun zuilenhal van
doorzichtig kristal?
Die gedachte deed Yglo een zucht van verlichting slaken; geen
menschelijk wezen kon haar dan meer bereiken of leed doen: de wateralven
beschermden haar, voerden haar veilig.... Bloeiende struiken, lisch en
rozelaren bogen ver over den oeverrand en vlochten hun taaie en doornige
twijgen tot een ondoordringbaar net. Yglo had nog even tijd dit te zien,
toen grepen ruwe vuisten hem bij de schouders, toen voelde hij den
scherpen beet van een hond in zijn ongewonden arm.
„Trutha! Vaarwel!” In een snik klonk het. Een slag op zijn mond smoorde
zijn stem. Aan land voelde hij zich gesleurd door vier gespierde
vuisten.
„Laat het vrouwspersoon maar liggen! Zij behoort aan de wateralven. Zij
zouden hun pijlen op ons afschieten, als wij haar meenamen. ’t Is
genoeg, dat wij hem hebben!”
Het waren de laatste woorden, die Yglo verstond; als hij weer bij kwam
zou hij met ketenen zijn gekluisterd aan den wand in den kerker van den
Ravenhorst....
De golven schuimden over Trutha heen, zacht hieven zij haar roerlooze
gestalte op en droegen haar verder in hun witte waterarmen tot zij tegen
een met mos bedekten boomstam stieten, die aan de eene zijde den stroom
stremde in zijn loop. De golfjes bekommerden zich niet om het beletsel,
dat die boomstam gaf aan hun reis naar de zee; klaterend sprongen zij
verder een man te gemoet, die de rivier oproeide in zijn plompe boot.
Trutha bleef alleen achter, de avondhemel was met een smalle streep nog
even zichtbaar boven haar hoofd. De rozelaar bewaakte haar met zijn
groene doorntwijgen en het slanke lisch bloeide als een wacht van speren
om haar heen. De azuren luchtstreep wierp zijn glans in de groene
duisternis en de witte schuimdruppels geleken een snoer van parelen op
een koningsmantel van blauw sameet.
[15] Noordewier: Ned. Rechtsoudh.