Troostend en verkwikkend ruischte de linde voor het geopende venster,
waaraan graaf Frethibold stond. Hij zelf staarde roerloos in de verte,
zonder iets te zien. De bisschop had hem een onderhoud verzocht, nu
wachtte hij -- droomend. De zomerwind speelde ritselend met de
perkamentbladen, die op de tafel lagen. Het was een afschrift van Cesars
Gallische oorlogen. Hij had er in gelezen, nu maakte hij een beweging,
als wilde hij een lans grijpen, als wenkte hem een zwaard.
Hij bemerkte het binnenkomen van den bisschop niet, zwijgend bleef deze
hem eenige oogenblikken aanstaren.
„Frethibold!” sprak hij ten laatste met zijn klankvolle stem.
„Heer bisschop!” Met een hoofdbuiging begroette hij opstaande zijn
bezoeker.
„Wat deert je? Je ziet zoo bedrukt.”
„Wat mij altijd vervolgt: mijn verdriet.”
Hij wees op de perkamenten. „Ik zat straks te lezen en vond opnieuw
nood en ellende, jammer en gebrek de grondslag van het menschelijk
bestaan, zoowel nu als in Cesars tijd. Hongersnood en pest, slagvelden,
gevangenschap, dooden en verminkten, verdrukte volken, macht boven
recht, ontevredenheid, verdeeldheid, afgunst, zoo was het toen, zoo is
het nu, en zal het wel blijven, zoolang de wereld bestaat. Ik moest mij
eigenlijk gelukkig prijzen, dat ik nu gouwgraaf ben van het Bovensticht.
’t Is als een klein, groen eiland te midden eener bulderende zee. Hier
tenminste heerscht vrede. Maar wat baat zelfs dit, als men steeds in de
leegte ziet, in den nacht!”...
Hij zweeg, maar een bittere glimlach vulde zijn woorden aan.
Zijn bezoeker schudde het hoofd. Welk een tegenstelling vormde beider
gelaat: Het eene aangeraakt door den engel van den vrede, het andere
donker als sprak de demon der vertwijfeling uit iedere lijn. Frethibold
ging voort:
„Er lag een blad met vertaalde aanhalingen tusschen de perkamenten. Een
was er bij met een klein vers van Sophokles. Zie, hier is het. Ik heb
nooit een meer waar woord gelezen.”
De bisschop nam het blad, overluid las hij: „Niet geboren te zijn is
voor alles het beste, ten tweede is verreweg het beste, terstond als men
geboren is, zoo spoedig mogelijk terug te keeren, van waar men kwam.”
Langzaam legde bisschop Ansfried het blad neer, het had gebeefd in zijn
hand. Toen stond hij vele oogenblikken zwijgend, den blik gericht op
het hopelooze gelaat voor hem:
„Frethibold!” sprak hij eindelijk ernstig, „weet gij wel, dat gij met
zoo te spreken uw Schepper hoont, Die u in het leven riep om dit te
besteden tot Zijn eer?”
De andere haalde de schouders op en ging voort, als had hij niet
verstaan, als dacht hij overluid:
„Ik vraag mij zelven af: wat is mannelijker, waardiger, steeds te
dulden, te dragen al de giftige pijlen, die het lot ons toezendt of ze
te doen eindigen door een beslissenden dolkstoot, in eigen hart!”
Ontzet legde de bisschop hem de hand op den arm, het was als wilde hij
hem wakker schudden: „Frethibold! kom tot u zelven! Gij zijt ziek, uw
hoofd en uw hart zijn het beide!”
„Neen, neen! Alleen ellendig, rampzalig ben ik!”
„En gij noemt u een volgeling van den Heer, Die heeft gezegd:
„In de wereld zult gij verdrukking hebben, maar hebt goeden moed, Ik heb
de wereld overwonnen.” Gij klaagt over den last, die Zijn wijsheid u
oplegt. Hij woog niemands kruis ooit te zwaar, buig uw wil voor den
Zijne en gij zult in staat zijn ùw kruis te dragen.”
„Geheel alleen! Verlaten door alles wat ik liefhad, alles weg,
dood!”....
„Die gij liefhadt zijn u alleen voorgegaan naar het eeuwige land, uw
wegbereiders zijn zij, uw goede gidsen. Aan de aarde kluisterde u het
aardsche geluk en God wil, dat wij menschen ons hier voelen als
vreemdelingen, op weg naar Zijn vaderhuis. Ik geloof, dat God velen de
eenzaamheid zendt, die Hem misschien zouden vergeten te midden van het
geluk, doch nu door hun leed tot Hem worden gebracht.
„Die is Mijns niet waardig.” Herinnert gij u welk tekstwoord hiermee
eindigt, Frethibold?”
„Wie anderen lief heeft boven Mij”....
In een zucht klonk het:
„En dat deedt gij!”
„Ja, dat deed ik! Mijn lieve vrouw met de zachte oogen en het gouden
haar, mijn lachend kind!.... Ik had ze lief, boven alles en ieder en nu
zijn zij dood, verbrand.... Zelfs hun verkoold overschot mocht ik niet
begraven!”
Welk een droefheid beefde in die woorden, een leed, diep en onmetelijk
als de zee! Het hart van den grijzen bisschop brak van medelijden. Rezen
ook in zijn borst herinneringen aan het weleer?
„De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des Heeren zij
geloofd! Frethibold, zeg dat den zwaar beproefde na van het Oude
Verbond, zeg het met uw hart, niet met uw lippen, beproef het biddend,
mèt uw hart!”
„O, als ik kon, als ik kòn! Maar onmogelijk is het mij, onmogelijk!”....
„Niets is onmogelijk voor wie bidt met een oprecht hart. God beproeft
niet zonder reden of noodzaak. God is liefde en met Zijn liefde vormen
Zijn grootheid en almacht éen geheel. Kunt gij inderdaad gelooven, dat
Hij klein kan zijn in straf en toorn, Hij de Schepper van het heelal?
Hier zien wij in een duisteren spiegel, eenmaal zullen wij helder zien
in het eeuwig licht, indien wij slechts op Hem vertrouwen, niet vragen,
niet vertwijfelen, maar volgen, volgen Hèm na.”
„O, kon ik dat! kon ik!”
„Ik denk aan een ander woord van een denker der grijze oudheid, Plato
heette hij. Hij vergeleek de menschheid met gevangenen, vastgeketend in
een rotsholte. Zij zagen de voetgangers niet, die achter hen voorbij
gingen, zij zagen evenmin de zon. Zij aanschouwden alleen de schaduwen
op den muur geworpen door beiden en hun ketenen, die hen dwongen
onbeweeglijk te blijven.
Is het zoo niet met velen, met zéér velen? Hun levenslast ketent hen aan
de aarde, zij zien slechts schaduwen en verborgen blijft voor hen het
licht, omdat zij niet omhoog zien, omhóóg!”
„Ach, dat ik mijn ketenen van mij kon werpen, die mij neerbuigen met hun
looden wicht!”
„Gij kunt het, zoodra Gods wil de uwe wordt. Dan zal uw last u licht
toeschijnen, berusting uw wanhoop vervangen en overgave u brengen tot
den vasten grond der dingen, die men niet ziet -- het geloof.”
„Als dat nog mogelijk kon zijn! God moge mij er toe helpen!”
„Maar gij moet zelf meehelpen. Niet alleen uit bidden en zuchten bestaat
het leven, ook uit arbeiden zoolang het dag is. Het mijmeren en peinzen
in de eenzaamheid is niet goed voor u. Het verlamt u, het volle leven
hebt gij noodig, het leven van inspanning en van de daad.
Verhef u met uw vroegere kracht, Frethibold!
Ik heb een dringende taak voor u en een dringender verzoek. Vertrek nog
heden naar den keizer, naar Aken.”
Frethibold wankelde terug.
„Een gebroken man als ik! Pas ik aan het hof van heer Otto!”
„Uw plicht roept u daarheen en, die is te allen tijde de veiligste gids.
Ik vertrouw er op, dat gij spoed maakt en zal in uw afzijn uw taak op
mij nemen; zelf moet gij heer Otto spreken, op brieven slaat hij geen
acht. Haast u, de Denen kruisen aan de kust!”
Een brandende gloed steeg in Frethibolds gelaat, zijn oogen vlamden --
hoog richtte hij zich op, zijn hand balde zich tot een vuist....
„De Denen!”
Donkere golven van haat verrezen bij den klank van dit woord uit een zee
van ellende en leed.
„Frethibold! Hoe ver zijt gij nog van Gods koninkrijk. Niet ù komt de
wraak toe, gij moet vergeven. Als gij dat niet kunt, niet tracht te
doen, zijt gij niet waardig te gaan.
Bericht heer Otto den nood, die opnieuw dit arme volk dreigt, smeek hem
in te grijpen met de macht zijner speren, de kracht zijner lansen. Leer
ùw levensles, ook op dezen tocht. Zij heet: zelfvergetelheid.”
„Ik zal het beproeven! Ik zal het beproeven. Dat zal ik waarlijk!”....
„En hij zal slagen,” fluisterde de bisschop, toen hij eenige uren later
ook dezen afgezant naoogde. „Wie heeft het recht hem te veroordeelen?
Zijn wij niet allen zwak?”
„Homo sum!”....
Aan zijn eigen verleden dacht hij, aan de dagen toen ook de levensreis
voor hem bergopwaarts ging, schrede voor schrede, en de weg hem zwaar
viel en hij dien zag met steenen bezaaid.
Hij zag bij die gedachte om zich als zocht, als miste hij iets. Een
zucht ontsnapte hem; hij wist, dat hij niet zou vinden wat hij zocht.
Hij voelde zich als een reiziger, die afgemat van het klimmen op een
woesten rotsweg, verlangend opwaarts blikt naar den bergtop, het eind
van zijn reis, die vol heimwee uitziet naar een trouwe hand, welke de
zijne zal vatten om door haar druk den laatsten, zwaren gang te
verzachten.
Ook zijn leven was bergopwaarts gegaan en aan het einde stond hij
alleen.
„Het uitnemendste is moeite en verdriet” -- hij wist het bij ervaring.
En nu die nieuwe, zware moeilijkheid, terwijl hij zich oud voelde en
zwak, terwijl zijn kracht hem ontzonk en hij wist welk een
verantwoording op hem rustte bij den inval, die dreigde van het
vermetelste volk der wereld, het dapperste en het wreedste.
„Voorwaar, ik heb het recht Frethibold te vermanen! Zelf gevoel ik mij
even verlaten als hij,” klonk het in zijn borst. Hij zonk op de knieën;
hoelang hij geknield lag wist hij niet, maar toen hij weer oprees
fluisterden opnieuw zijn lippen: „Homo Sum,” maar voegde zijn hart er
bij: „Fiat voluntas!”
Zijn gelaat glansde. Het ruischen van den luwen wind door de linde voor
het venster verkwikte hem met zijn zachte koelte. Hij begaf zich naar
buiten. Weldra kliefde het bootje, dat hem overvoerde, den klaren
waterspiegel. Aan de overzijde wachtte zijn muildier; slechts door een
enkelen leekebroeder vergezeld ving hij zijn dagelijkschen tocht aan
naar de kranken in den wijden omtrek, die hulp behoefden en zelf niet
tot hem konden komen.
Maar dezen dag klopte hij tevergeefs aan menige deur -- zij waren alle
gegrendeld en het landvolk scheen huis en hof te hebben verlaten. Was
het uit angst voor Rolfr Jarl of uit vrees voor zijn Denen?
Hij zou het spoedig weten. De vrouw van Walger zag hij op haar
smadelijken tocht. Met een vloed van woorden -- niet te weerhouden door
de bedreigingen der speerdragers, die haar omringden, riep zij gillend
alles wat was geschied, van de straf, die haar man moest ondergaan, van
Henno, aan de kaeck gesteld, van Yglo en Trutha....
„Laat die vrouw vrij. Uw heer heeft geen recht haar te straffen. Zij en
haar huis staan onder mijn rechtsgebied,” beval de bisschop den
speerknechten. Hun aanvoerder haalde de schouders op:
„Edele Ansfried, wij volgen onzen last, het kost ons anders zelf onze
huid. Doe uw beklag bij Rolfr Jarl!” Voort dreven zij het grauwtje,
krijschend gilde en schold Walgers vrouw....
De bisschop reed zwijgend verder. Hij ging over een grond, hem
onvervreemdbaar in leen gegeven. Het welzijn der bewoners hing van hem
af, het was hem toevertrouwd en wat vermocht hij tegen de
onbeschaamdheid van het ruw geweld, dat gezag verachtte, het recht
hoonde?
De middagzon wierp haar gouden glorie over het veld. De beek kabbelde
rustig verder. Hoog bloeiden de bloemen op aan den groenen oeverkant.
Rust en liefelijken vrede ademde de aarde, overal waar de menschen niet
kwamen met hun jammer en tweedracht.
Een vrouw richtte zich op tusschen het lisch, een ellendig, erbarmelijk
wezen, met een schootsvel en sandalen van boombast, nauwelijks voldoende
gekleed met een hemd en rok van grof hennipgaren. Met haar doffen blik
zocht zij den bisschop, eenige eendeneieren hield zij in de magere hand.
„Die breng ik aan Lisa, zij heeft mij van haar boonen gegeven en
jonkvrouw Swanwitha ligt ziek in haar hut, zoo bleek als een geest. --
Geen wonder: haar eigen grootvader, die helhond, heeft haar uit zijn
huis gejaagd.”
Zoo snel hij kon ging de bisschop naar oude Lisa’s vervallen hut. Hij
zag het bleeke hoofdje rustend op den vloer tegen een kussen van
boomschors en dorre bladeren. Ingezonken waren de oogen. Tooverspreuken
prevelend wreef Lisa met de palm harer hand Swanwitha de gekneusde
leden.
„Is het geen gruwel, heer bisschop?
Op den drempel van den Ravenhorst lag zij als een bloedend lam. O, ’k
wou, dat ik hem zelf daar zoo zag liggen, dien duivel”....
„Stil, Lisa! Gij moet uw vijand vergeven, zeventig maal zeven maal, de
Heer wil het!”
„Dat kan ik later in den hemel misschien doen, maar hier niet.”
„Gij zult den hemel niet binnengaan, als ge het hier niet leert.”
Zij zweeg en boog zich over Swanwitha.
De flauwe ademhaling werd een weinig dieper. Geduldig wachtte ook de
bisschop. Eindelijk sloeg de half bewustelooze de oogen op, die hun
glans hadden verloren, evenals haar gelaat zijn blos. Vol nameloozen
angst, iederen polsslag trillend van vrees, hief zij het hoofd op. Haar
gloeiende vingers grepen de hand van bisschop Ansfried:
„O, help mij! Breng mij ver weg van hier, ver weg! Ik wil nooit meer
naar huis, nóóit meer!”....
Onder snikken en tranen vertelde zij alles, om toen, met dubbelen nadruk
te herhalen: „Nooit meer!”
Hij had haar zwijgend aangehoord en nu, terwijl haar oogen vol angst,
smeekend de zijne zochten, kwam weer die zonderlinge ontroering over
hem: geleken twee sterren, twee witte leliën zoo op elkander als dit
kind op zijn verloren dochter? En weer dacht hij aan al het leed, dat
Rolfr over zijn leven had gebracht.
„Hoe heette uw moeder, mijn kind?” vroeg hij plotseling, zonder eenigen
overgang.
„Gisela.” Verwonderd klonk het. Swanwitha had een ander antwoord
verwacht op haar droeve klacht, maar het hart van den bisschop hield
bijna op te kloppen.
„Zij was gehuwd met den eenigen zoon van.... van”....
Zij knikte. „Ja, en nu heeft hij mij geslagen, zooals vroeger haar. O,
toen zij leefde was alles anders. Een boek van den goeden Herder had zij
ook. Grootmoeder wou het mij afnemen, maar ik”....
„Waar is het nu?”
Vol belangstelling werd het gevraagd.
Toch verwierp de bisschop als een hersenschim -- wat hij hoopte. Zijn
kind de vrouw van Rolfr Jarl’s zoon.... Te ongerijmd was die gedachte.
Hij hoorde Swanwitha vervolgen:
„Het boek is th -- daar waar ik niet meer heen wil.”
Zij richtte zich op. Een flauw rood kleurde haar wangen. Het was of haar
kracht keerde met haar vast besluit. En dringender klonk haar zachte
stem:
„O, neem mij mee! Verberg mij! Ik kán niet meer naar h -- daarheen!”
O, hoe gaarne, hoe gaarne had hij haar beschermd voor de gansche wereld,
tegen de ruwheid van dien enkele! Met zijn leven had hij haar geluk
willen koopen. Maar beslist klonk zijn stem:
„Neen, mijn kind, dat kan niet!”
Zij liet het hoofdje hangen en barstte uit in tranen, die gloeiden op
zijn hart.
„O, waarom niet, waarom niet! ’t Is daar zoo vreeselijk!”
„Omdat Rolfr Jarl uw grootvader is en uw ouders u toevertrouwden aan
hem. Volgens de wet en van rechtswege is hij uw voogd en momboir. Alleen
als gij andere verwanten bezat u even na bestaande”....
Weer trilde zijn stem en weer zweeg hij; neen, het was onmogelijk. Had
hij niet overal gevraagd en gezocht, na het groote onheil zijns
levens?....
De zoon van Rolfr was toen zelfs niet gezien in het land en verscheidene
jaren daarna nog niet. Hij mocht dit kind niet afbrengen van haar
plicht, hoe ook zijn hart hem drong haar te helpen.
„Als het leven u zwaar valt, waarom zoekt gij dan geen steun bij hem,
wien gij u hebt toevertrouwd voor het leven?”
Toen zocht zij tevergeefs naar woorden, vele oogenblikken. Eindelijk
klonk het nauw verstaanbaar:
„Dat is het ergste! Ik wil zijn vrouw niet worden en ik moet!”
Opnieuw verstikten tranen haar stem. Maar de bisschop legde de hand op
haar schouder met ernstig gebaar.
„Als gij hem niet liefhebt, dan moogt gij zijn vrouw niet worden, nooit,
wie het u ook gebiedt, wat zich tegen u kant. Gij mòogt niet. Het is
doodzonde. Wie om hoogheid en eer bij de menschen, om goud of goed, door
dwang of bevel zich laat verbinden voor het leven, zonder diep te dragen
in het hart de liefde, „die alles gelooft, hoopt en verdraagt,” de
liefde „die nooit wordt verbitterd en nooit zich zelve zoekt,” -- die is
een zelfmoordenaar gelijk. Want hij doodt zijn eigen eer met alles wat
hoog en edel, en voor de eeuwigheid is geschapen in zijn hart.
Swanwitha, gij moet openlijk spreken en zonder vrees met hem, die u als
bruidegom werd opgedrongen, met hen, die u dwongen tot die verloving.
Het is uw hoogste plicht. Ik zal met u naar Rolfr Jarl gaan en
trachten”....
„Haar nog verder van den rechten weg te brengen. Naar buiten, zeg ik u!”
Een scherpe vrouwenstem sprak het woord, een harde hand schudde
Swanwitha bij den schouder.
„Grootmoeder!”
Welk een wanhoop lag in dat eene woord! Streng zag vrouw Sigrid haar
aan:
„In het kot van een oude tooverkol vind ik je dus, in gezelschap van een
christenpriester, eervergeten wezen! Er uit, zeg ik je, weg! En wat jou
betreft” dit tot de bevende Lisa -- „je zult gauw genoeg gerookt worden
uit je hol en -- heksen moeten branden, ha, ha!”
Zij dreef Swanwitha naar buiten, zij versperde den bisschop den uitgang.
Hij trad haar in den weg, hoog, bevelend.
„Vrouw, zie toe wat gij doet! Gij brengt het oordeel over u zelve!”
Een uitdagende blik trof hem, zij hief haar hand op tot een slag. Lisa
kroop naderbij op de knieën.
„Vrouw Sigrid, o, vrouw Si”....
De slag trof haar, het oude, stramme lichaam kromp ineen. Swanwitha
schreide.
„Vrouw Sigrid, ik daag u voor mijn gericht. Gij kent de straf door wet
en recht voor ieder bepaald, die een vrijgeborene tuchtigt.”
„Ik lach om uw wetten en rechten; bij mij geldt alleen het recht van den
sterkste. Wat laat gij u in met de zaken van mijn kleindochter? Zij is
niet meerderjarig, ik heb hier te bevelen, niet gij.”
„Gij zult zien, wat ik vermag. Ik zal niet rusten....”
Zij liet hem niet uitspreken, met een zwaai had zij Swanwitha voor zich
op het paard geworpen. Nu reed zij met haar weg, zoo snel de ongelijke
weg het toeliet.
Machteloos moest de bisschop het aanzien. Zijn hart bloedde. Een flauw
kreunen klonk in zijn nabijheid. De slag, die oude Lisa had getroffen,
was aangekomen.
Toen zag hij den plicht, die het dichtste bij was. Hij richtte haar op:
„Lisa, ga naar den Hohorst, eer de speerruiters komen. Ge hebt de
bedreiging gehoord. Ge zult het daar beter hebben dan hier en ik zal je
beschermen.”
Zij kuste zijn hand, een traan rolde over haar gebruinde wang. Sinds
vele jaren had niemand zich om haar bekommerd of naar haar omgezien, bij
verdriet en rouw. Beschermd, zij.... Een weldadig gevoel sloop haar in
leed verstijfd hart binnen.