HOOFDSTUK XI.

De man, die moedig droeg den last der jaren en de lasten van zijn ambt,

naast een wicht van wijsheid, van meer waarde dan menige van edelsteenen

flonkerende kroon, bisschop Ansfried van Utrecht, was alleen in zijn

eenvoudig vertrek, in zijn nauwelijks voltooid „zendingshuis” op den

Hohorst. Het scheen weinig geschikt als verblijf voor iemand wien het

oppergezag der christelijke kerk was toevertrouwd in de lage landen,

ombruist door de wilde Noordzee. Voor hem, die eenmaal de eerste was

geweest naast den troon van den keizer, wiens gevleugeld woord menigmaal

den doorslag gaf in den rijksdag, evenals zijn machtig zwaard dikwerf

het gevecht besliste, toen hij als graaf van Teisterbant onafhankelijker

was dan de opperste landheer, eer en roem zijn wapens kroonden, de faam

haar lauwerkrans vlocht om zijn schedel.

Thans sierde musiefarbeid de wanden noch beeldhouwwerk de vensternis van

zijn kamer; de vloer prijkte niet met in sterren en ruiten gelegde

tegels; geen gebeeldhouwde zetel stond naast den bronzen disch. Slechts

een enkele plank aan den wand verhaalde van weelde. Daar lagen

latijnsche handschriften opgestapeld, het persoonlijk eigendom van den

bisschop, een zeldzame en kostbare schat.

De vier Evangeliën en een drieledig psalter behoorden er toe, de

Homiliën van Johannes Chrysostomus werden er niet te vergeefs gezocht.

Het Leven van Karel den Groote, door Eginhard beschreven, stond tusschen

de werken van Seneca en Boëthius’ Troost der Wijsbegeerte, daarnaast

lagen de Aphorismen van Hippocrates -- een werk van onschatbare waarde

voor de geneeskunde van den tijd.

Maar de bisschop had geen van die zeldzame kwartijnen van hun plaats

genomen, zelfs de Walthariuslegende noch het epos van Béowulf trokken

zijn aandacht; „De Thebaansche oorlog” van Statius werd niet aangeraakt,

maar op de perkamenten en brieven, waarmee de tafel als bedekt was, lag

„Het boek der voorspellingen,” van Julianus, den Pelagiaanschen bisschop

uit de vijfde eeuw. De echtheid van dit werk werd toen nog geenszins

betwijfeld, maar het schonk geen licht voor de brandende vragen van den

dag....

Met het hoofd in de hand geleund zat bisschop Ansfried neer, vele

oogenblikken. Diepe stilte lag over woud en water, het morgenkoeltje

streek door het geopend venster, de zon deed gouden lichtvonken zweven

over de golven van de Eem. Hij sloeg acht op het eene noch op het

andere. Het was alsof hij het heden vergat, alsof zijn ernstige oogen

niet wat om hem was aanschouwden, maar alsof zij staarden ver in het

verschiet. In het verleden, in dat van zijn eigen leven, wellicht? Hoog

in de kroon der linde floot de merel haar welluidend lied; een flauwe

glimlach speelde om de peinzend geplooide lippen van den eenzamen man,

zijn voorhoofd, dat van den denker en den edeldenkenden mensch,

ontplooide zich.

Zoo liefelijk, even welluidend had ook de merel gefloten op dien

lachenden Meimorgen, -- meer dan veertig malen was de lente sinds

gekomen en gegaan. Met bloesemgeur was de lucht beladen, seringen en

meidoorns vlochten kransen tusschen het struikgewas, de woudduif gaf

kirrend het antwoord aan den jubelzang der lijsters. Wijdgeopend stonden

de donkere poorten van Keulen, de grijze rijksstad, naar buiten

stroomden edelvrouwen en ridders, poorters en nijvere handwerksgezellen.

Naar buiten gingen zij in den lachenden zonneschijn van den wolkenloozen

lentedag, om het blijde Meifeest te vieren met zang en rondedans, onder

den bloeienden meidoorn, nu, na harden wintertijd de aarde was gewekt

tot nieuw leven, de menschen als begiftigd met nieuwen levensmoed. Ook

de leerlingen der vermaarde Schola Palatina mengden zich onder de blijde

menigte. Kenbaar waren zij aan hun gewaad, met eerbied werden zij

begroet, terwijl zij verder gingen in lange, vroolijke rij.

„’t Is een geluk, dat onze aartsbisschop de Kathedraalschool weer heeft

geopend. Die cnapen brengen nog eens wat vertier in de brouwerij,”

merkte een stevige poorter welgevallig aan.

„Gij slijt er tenminste menig tonneke bier door,” antwoordde zijn

metgezel met lichten spot. De dikke brouwer knikte.

„Gelukkig, ja. ’t Is ook wel noodig, dat ons de tasch wordt gestijfd bij

al de troebelen en veeten, waarin wij leven. Wanneer zal er toch eens

een eind komen aan al die oorlogen en plundertochten? Alle handel en

welvaart wordt er door vernietigd.”

„Wanneer alle menschen de goede en wijze dingen doen, die in de

perkamenten staan, zooals de cnapen en clerken, ze nu in de Schola

Palatina leeren, als dat leeren hen brengt tot nadenken en dit hun

handelingen bestuurt. Alleen wanneer de menschen werkelijk beseffen, dat

oorlogvoeren moorden is op groote schaal, zullen zij de schuld gevoelen,

die zij op zich laden, hun krijgsroem verachten en den krijg bannen van

de aarde. En, dat leeren zij uit de perkamenten, waarin de groote

denkers en dichters der oudheid hun edelste gedachten neerlegden.”

De brouwer zag den ernstigen geestelijke, die zich plotseling mengde in

het gesprek, niet zonder schroom aan.

„Ik kan niet goed volgen wat gij daar zegt. Gij zijt zelf ook zoo

geleerd, dat is waar. Zeker nog wel meer dan die beide cnapen daar. Zie,

zij groeten u. Wie zijn dat?”

„Twee van de beste leerlingen der school. Die met de donkere oogen en

het blonde haar zal het ver brengen.”

„Wie is dat?”

„Hij heet Ansfried en is de zoon van graaf Lambert van Leuven en

Teisterbant. Zijn moeder, vrouw Gerberga, is een dochter van hertog

Karel van Lotharingen.”

„Dus behoort hij van moederszijde tot het Fransche koningshuis?”

Vol ontzag staarde de brouwer naar de bevallige, jonge gestalte.

Een heldere straal schoot uit de ernstige oogen van den geestelijke.

„De hoogheid der aarde is hem geen struikelblok, dat hem verhindert den

berg te bestijgen der heiligmaking. Hij draagt het Evangeliewoord in het

hart:

„Wie de meeste onder u wil zijn, zij aller dienaar. Geen wonder, dat hij

de lieveling is van den aartsbisschop.”

„Die is ook erg geleerd niet waar?”

„Aartsbisschop Bruno heet met recht het wonder van onzen tijd. Hij weet

alles wat den mensch gegeven is te weten. Hij is de rechterhand van zijn

broeder, keizer Otto den Groote.

„Gelukkig voor ons, dat die hooge heeren zoo eensgezind zijn,” zei de

brouwer droog.

„De keizer volgt bijna altijd zijn raad. Nu heeft de aartsbisschop heer

Otto den jongen graaf Ansfried aanbevolen. Men zegt, dat de keizer hem

zal meenemen op zijn krijgstocht naar Italië. Het doet mij leed. Niet om

den keizer, die zal zelden trouwer volgeling vinden, maar om de school.

Ansfried van Teisterbant belooft haar roem en glorie te worden. Had de

aartsbisschop dien andere maar aangewezen, maar misschien is het ook

beter niet -- voor heer Otto.”

„Wien meent ge?”

„De jonge Rolfr, die naast hem loopt.”

„Wie is dat?”

„Dat weet ik zelf niet goed. Het is een Deen”....

De brouwer deed ontsteld een stap achterwaarts. „Heer, bewaar ons in

onzen bitteren nood, voor de mannen der grimma hjerna!” als mijn

Friesche moeder altijd zei,” prevelde hij zacht.

De andere glimlachte.

„Wees gerust. Hij is hier maar alleen: niet aan het hoofd eener

Vikingervloot is hij Keulen binnen gezeild. Ook is hij gedoopt.”

„Mijn moeder bad dat altijd als zij iets hoorde van de Denen,” hernam de

brouwer verontschuldigend. „Maar hoe komt een Deen hier?”

„Hij is ouderloos en een verre verwant, ergens in Friesland of in

Kennemerland, laat hem hier opvoeden. Hij moet den Ravenhorst van hem

erven, een groot goed, dat ligt”....

„Op den weg naar Utrecht, daar ben ik eens in de verte voorbij gevaren

met een lading bier,” viel de andere in. „Toen huisden daar in de

bosschen ook al weer die vervloekte Denen. Mijn bier zwolgen zij in, mij

sloegen zij bont en blauw, toen lieten zij mij voor dood liggen. O, dat

gespuis! Dat adderengebroedsel!....” Toornig, vol wrok, balde hij

dreigend de vuist.

„Stil, stil!” hernam de geestelijke vermanend. „Ook wat door de

menschen tot ons komt, komt van God. Kan Hij die beproeving niet over u

hebben gebracht, omdat gij te veel uw vertrouwen steldet op vergankelijk

goed?”

„Teem niet als een oud wijf, eerwaarde!” gromde de brouwer. „Ik zal de

Denen vervloeken, zoolang ik leef!”

Velen deden dit als hij en niet zonder reden. Vermanend fluisterde

echter de geestelijke: „Het is lichter, dat een kemel ga door het oog

eener naald”.... en de brouwer beet zich op de lippen. Hij voelde zich

doorzien. Niet den verdelgers van zijn volk en land gold zijn haat, maar

den roovers van zijn goud en goed.

Met zijn stok sloeg hij naar de meidoorns, met zijn oogen volgde hij de

beide jongelieden, die als aanleiding hadden gegolden tot het gesprek.

Zij hadden hun tred verhaast en waren nu bijna de eersten, die de

landkapel bereikten waar de plechtige „Mei”-dienst zou worden gehouden.

De hagerozen bloeiden, hun bleekroode bloesems waren overal, hun groene

doorntwijgen slingerden door het struikgewas, zij omvlochten ook de

kleine kapel als met een net van bloesempracht en lenteglans. Langs de

bogen klommen zij op, zij tikten met hun groene vingers tegen de

kunstelooze glasrosetten, rood en blauw, blauw en rood, gelegd in

eenvoudige sterren. Purperen en azuurkleurige lichtjes wierpen zij op

den ongelijken bodem. Maar ook over het omhoog geheven gelaat van het

jonge meisje, dat knielde op de blauwe zerken van het kleine bedehuis,

viel hun wemelende gloed. Rein als klokgelui klonk zacht haar stem:

„Heer, leid mij in Uwe waarheid!”....

Zij zag de naderkomenden niet, stil vouwde zij de handen, den blik

omhoog gericht, omhóog.

Als aan den grond gekluisterd stond Ansfried van Teisterbant. Hij zag

niet het blank, zuiver ovaal gelaat, niet de groote donkerblauwe oogen

met hun stralenden blik, hij zag alleen de reine ziel, die blonk uit dat

schoone omhulsel.

Waarheid! Vol listen en lagen was zijn tijd, vervuld met wreedheid en

ruw geweld, de vorsten waadden door bloed om hun heerschzuchtige plannen

te verwezenlijken, de volken trachtten elkander te verdelgen.

Waarheid.... Zij scheen gebannen van de aarde, wie bad haar nog af van

zijn Schepper, wie smeekte om het licht Zijner waarheid? Met vroegrijp

denken begreep de schranderste leerling van de Schola Palatina hoe

anders de wereld zou zijn, indien de menschen de waarheid zochten, haar

liefhadden als een der hoogste gaven hun van God geschonken.

Had hij zelf niet dikwerf gewenscht, vurig begeerd om te bezitten de

macht van het woord, gelijk hij de kracht van het geloof in zich voelde,

om de menschen te kunnen wijzen op het eene noodige: waar te zijn en

goed, God lief te hebben boven alles en hun naasten als zich zelven? Zou

dan de wereld niet als een nieuwe gedaante ontvangen? En de menschheid

zelf?.... Maar, wanneer hij soms schuchter zijn denkbeelden onder

woorden bracht, te midden van den woeligen kring zijner medescholieren,

allen jong als hij, in wier hand eens de macht der aarde zou worden

gelegd, vorstenzonen, hertogskinderen als zij door geboorte waren, dan

ontmoette hij hier glimlachend schouderophalen, daar bijtenden spot. Zij

wezen hem op de kerkvaders, op de geschiedenis van vroeger en later

tijd. Wat was geworden van dwepers en wereldverbeteraars?

„Heerschen door de macht van staal en ijzer, dat is het eenige wat ons

overblijft, Ansfried! Woorden zijn klanken; bespiegelingen slechts

droomen. Wij leven in een ijzeren tijd!”

Meer dan eens was hem dit spottend geantwoord en dan had hij gedacht,

dat wanneer ieder in zijn eigen kring Gods geboden volgde, deed wat zijn

hand vond om te doen, hoe dan de aarde toch anders zijn zou, de menschen

beter.

En thans vond hij hier de zusterziel, die smachtte naar waarheid, die

bad zooals hij gebeden had, sinds zijn vroegste jeugd....

Hij wenkte zijn vriend met hem terug te gaan, hier mocht geen stoornis

zijn.

„Kent gij die jonkvrouw, Rolfr?” vroeg hij, toen zij weer buiten

stonden. Met een vreemden, loerenden blik in zijn diepliggende oogen zag

deze hem aan.

„Het is Hereswit, de dochter van den graaf van Strijen. Haar erfgoed en

het uwe liggen naast elkaar. Dat treft goed.”

Verwonderd zag Ansfried op. Wat meende hij? Wat -- toen hij hem hoorde

mompelen:

„Het geluk bestaat, gelijk uw schaduw bestaat. Grijpen kunt gij haar

noch vatten.” Hij zag Ansfrieds vragenden blik, toen klonk het wrevelig:

„Ik sprak niet van u, erfgraaf van Hoei en Teisterbant. Voor u bestaan

geen schaduwen”....

Hoe vele, vele jaren lagen tusschen dien zonnigen Meimorgen en het

heden! Een weemoedige glimlach speelde om de lippen van den grijsaard,

toch was in zijn oogen een herinneringsblik van geluk. De belofte van

die lente was werkelijkheid geworden: weinige jaren later had hij de

schoone Hereswit van Strijen gevoerd naar zijn hechten burcht te

Casallum, als zijn lieve vrouw.

Maar daartusschen lagen jaren vol onrust en moeite, van zware plichten

en grooter verantwoordelijkheid.

Een ander tafereel doemde voor hem op:

Avondwolken met gouden randen omzoomd dreven langs de lucht, het

flikkerlicht der lange flambouwen verdrong den laatsten schijn van het

daglicht in de gewelfde Romaansche zaal van het aartsbisschoppelijk

paleis te Keulen. Aartsbisschop Bruno zat in zijn hoogen zetel,

geplaatst naast den keizerstroon van zijn broeder, Otto den Eerste.

Banderollen en vlaggen wapperden van de torentin, vroolijk

klaroengeschal klonk op het voorplein, speerknechten waakten in voorhal

en poortgewelf.... Waartoe? Zij behoefden immers geen wachters, de fiere

keizer, de groote kerkvorst, te midden der getrouwen, die hen omgaven.

Ridders hoog van moed, edel van wapen waren het, saamgestroomd uit al de

gouwen van het uitgestrekte Duitsche rijk. Gevolgd door hun stoet van

dienstmannen, stonden zij gereed moedig in ’t harnas te sterven voor de

eer van koning en rijk.

Want een nieuwe krijgstocht werd door heer Otto voorbereid. Over eenige

weken reeds zou hij zijn leger over schier onbegaanbare bergpassen

voeren naar Italië, het steeds oproerige land. Zou zijn tot nu toe

steeds zegepralende krijgsmacht nieuwe overwinningen tegengaan of

wachtte haar wellicht nederlaag, verraad en dood? Bijna geheel het

verscheurde, verdeelde Italië kantte zich thans, zeldzaam eensgezind,

tegen zijn gezag. Hij zou Lombardije eerst moeten onderwerpen, voor hij

tot koning der Longobarden kon worden gekroond en zijn vijanden zouden

dolk noch gif sparen om hem te beletten zich te Rome de keizerskroon te

verwerven, die eens Karel de Groote bezat. Uit den Italiaanschen hemel,

zoo wolkenloos blauw, schoot menigwerf een doodelijke bliksemschicht, en

de bodem met bloemen bedekt, welfde zich boven meer dan een laaienden

vulkaan....

Deed die gedachte menig oog vol zorg staren op de toekomst, die weldra

het heden zou zijn? Legde zij die ernstige wolk over het hooge voorhoofd

van den aartsbisschop?

Zij hadden elkander lief, de beide groote zonen van Hendrik den

Vogelaar, lief van hun vroegste jeugd, toen reeds het jonge, vurige

bloed hen gloeiend naar het hoofd vloeide met droomen van eer en macht,

tot een teere moederhand dien onstuimigen gedachtenstroom leidde in

kalmer bedding, tot niet langer hun hoofd brandde, doch hun hart gloeide

van verlangen om liefde te vinden, om die te winnen van hun volk door

voorbeeld en daad. En thans lag alle aardsche macht in hun hand en zij

besteedden die tot heil van hun land, tot zegen der kerk, tot

ontwikkeling van hun volk en -- veel tegenkanting, veel miskenning werd

dikwerf hun loon.

En nu wenkte de tocht naar Italië met de duisternis van onbekende

gevaren en de bliksemschichten van den haat!...

Ieder feestgedruisch was verstomd in de hooge hallen van het paleis.

Geen harnassen blonken meer half verborgen door met goudborduursel

omzoomde riddermantels. Verstomd waren de tonen van harp en luit. De

bloemfestoenen, liefelijken feesttooi slingerend om pilaren en

vensterboog, hingen verflenst neer; vertreden lagen het dennengroen en

de biezen van den vloer. Stilte heerschte, de nacht gebood.

Maar in de vermaarde librye van den aartsbisschop -- diens liefste

vertrek -- stond een jongeling met gloeiend gelaat voor heer Otto, wiens

heerschersblik een zachtere uitdrukking ontving, terwijl hij rustte op

het van blijde verrassing stralend gelaat.

Want, klonk niet de ernstige stem van aartsbisschop Bruno:

„Mijn broeder, dat is de zanger, wiens schoone stem u trof te midden

van het koor. Ik sta u hem af, mijn meest geliefden leerling, omdat ik

weet, dat gij een zwaarddrager behoeft als hij zich toonen zal. Het is

mij bekend, dat vruchtelooze eerzucht wraakplannen smeedt, die u gelden,

dat list en verraad u omringen. Hij zal trouw zijn bij anderer ontrouw,

waakzaam als ieder sluimert. Spreek, mijn Ansfried, heb ik te veel

gezegd?”

Een blos brandde op het voorhoofd van den jongeling. Daar was een stem

in zijn hart, die pleitte om te blijven, een andere, die hem wees op

zijn plicht, hem dwong tot gaan. De laatste verwon, zijn lippen spraken:

„Mijn heer is zeer genadig. Ik zal doen wat ik kan, zoo waarlijk moge

God mij helpen.”

Welgevallig volgde beider blik hem enkele oogenblikken later, toen hij

het vertrek verliet.

„Verwacht van hem geen groote woorden; zijn daden zullen spreken, hoe

jong hij ook nog is. Hij zal groot en aanzienlijk worden, omdat hij de

macht slechts begeert om het goede te kunnen doen,” sprak de

aartsbisschop eindelijk.

Zijn broeder drukte hem de hand:

„Ik dank u voor wat gij mij afstaat. Gij geeft mij véél.”

Zijn menschenkennis -- van menige bittere ervaring de vrucht -- zou heer

Otto ook ditmaal niet bedriegen, maar in de welgevulde leerzaal der

Schola Palatina verwekte het nieuws, dat Ansfried was gekozen om den

koning als zwaarddrager te vergezellen op een reis, die dezen de

keizerskroon schenken moest, geen geringe opschudding. Zoowel

toekomstige legeraanvoerders en vorsten, als aanstaande hooge

geestelijken onder de scholieren, verdrongen zich om het nieuws te

hooren. Want de kathedraalschool vormde beiden: Ovidius en Cicero werden

er gelezen, maar ook de Kerkvaders.

Het was of dezelfde toekomst allen wachtte als zij in koor hun stemmen

vereenden tot een statig psalmgezang. Toch hield de aanstaande ridder,

die zich eenmaal geharnast zou werpen in het dichtste slaggewoel, de

hand aan het gezangboek tegelijk met een vriend, wien het kerkelijk

leven wachtte. Maakte die tweeledige opleiding de laatsten evenzeer

geschikt voor een gewichtige staatsbetrekking? Want mannen van de daad,

die hun tijd noodig had en die hun tijd begrepen, vormde de Schola

Palatina. Zij verlieten het altaar voor het slagveld, die wakkere

kerkvorsten, of verwisselden de ernstige kapittelvergaderingen met een

luidruchtigen rijksdag. Zij verklaarden hun leeken het Evangelie en

drongen hen de hand aan den ploeg te slaan -- in werkelijken zin. De

handel werd door hen beschermd en aangemoedigd, zoover als het mogelijk

was in die onrustige eeuw; burchten en sterkten werden opgericht ter

beveiliging van hun gebied. Aartsbisschop Bruno gaf hierin het

voorbeeld. Zijn practische blik -- een gave door slechts weinige geniaal

aangelegde naturen met hem gedeeld -- had hem ook ditmaal gevoerd tot de

keus met zooveel verbazing of ijverzucht door alle scholieren vernomen.

Terwijl de vragen en antwoorden elkander kruisten, hier werd gefluisterd

van vorstengunst, en van krijgseer of hofglans elders, was er een enkele

stem, die zich niet mengde in het luidruchtig koor. Zijn eigenaar bleef

gebogen over een perkamentrol. Het scheen, dat ingespannen, geestelijke

arbeid hem geheel in beslag nam. Het was een gelaat, dat zich niet

gemakkelijk doorgronden liet. De wenkbrauwen vormden bijna een enkele

streep op het breede voorhoofd. Van ingehouden hartstocht beefde het om

de hoeken van den mond. Een beschroomde, jonge geleerde scheen hij, in

zich zelf verzonken, in zijn werk verdiept. Doch toen een vroolijke,

jonge Rijnlander hem een slag op den schouder gaf, met een half lachend,

half spottend: „Rolfr, wat zeg jij van de zaak? Ben je de eenige, die

Ansfried niet benijdt? Verdiept ge je daarom zoo vol ijver in de

Homiliën van Chrysostomus? Als het Ovidius nog was, maar die grommige

strafredenaar!”.... Toen werd eensklaps het gebogen hoofd opgeheven, de

oogen met hun ondoorgrondelijken blik zochten den veel benijden jongen

zwaarddrager en in hun diepten gloeide het van wrok.

De Rijnlander barstte uit in een schaterenden lach:

„Dat lijkt weinig op vriendschap! En Ansfried is nog wel je kamergenoot

en je waart altijd samen te vinden!”

„Ik wensch hem gaarne al het geluk, dat hij verdient. Wie de lieveling

der vrouwen is, moet ook wel die der goden zijn,” klonk het bitter terug

en om den mond van den spreker beefde het opnieuw van hevigen, nauw

onderdrukten hartstocht. Verwonderd trad Ansfried op hem toe:

„Rolfr, heer Otto heeft meer getrouwen noodig, zal ik je ook aanbevelen

in zijn gunst?”

Norsch stiet Rolfr de hand terug, die de zijne zocht.

„Mijn daden zullen mijn aanbeveling zijn, de uwe heb ik niet noodig!”

Toornig stormde hij heen. Plagend riep de jonge Rijnlander hem na:

„Lees de invectieven van Gregorius er nog eens op na. Je zult er

schimpwoorden genoeg in vinden, als je daar Ansfried liever mee

verblijdt dan met een gelukwensch!”

Er volgde geen antwoord, maar de kloof dien dag ontstaan tusschen

Ansfried van Teisterbant en Rolfr „den Deen”, zou nimmermeer worden

overwelfd, verbreed wèl....

* * * * *

Een ander beeld uit het ver weleer:

Weer waren vele maanden voorbijgegaan. De zware tocht over den Brenner

was door Otto den Groote volbracht. Gevaren hadden hem omringd; hij had

ze overwonnen. Iedere strijd had hem nieuwe zegepraal geschonken. Thans

rustte de ijzeren kroon der Longobarden op zijn hoofd, thans wenkte hem

de keizersdiadeem van Karel den Groote. Morgen, over weinige uren reeds,

zou zij neerdalen op zijn golvende lokken, dit symbool der hoogste,

aardsche macht. In de stilte van den nacht bad de jonge heerscher in het

kerkgebouw, dat het stof van den Apostel Petrus bewaarde, om kracht

voor de hooge plichten, onafscheidbaar van de uitgebreide rechten, die

hem zouden worden toevertrouwd.

Donker was het in het, door marmeren zuilen geschraagde bedehuis, de

eenige, altijd brandende lamp gaf slechts een flauwen schijn. Haar licht

deed de duisternis nog meer uitkomen, die heerschte in de hoeken en als

scheen op te klimmen naar de gewelven, schitterend van zilveren

arabesken en kostbaren mozaïekarbeid. Door een gebroken wolk gleden de

stralen der maan naar binnen. Aan den nachtelijken hemel waakten de

gouden sterrenoogen over het sluimerende Rome. Zagen zij wat gistte en

woelde in de groote stad? Het verraad, dat den dolk ophief in het

duister, de trouweloosheid, die haar offer zocht, de blinde eerzucht,

bereid anderer leven af te snijden ter bereiking van eigen doel? De

gouden sterrenoogen waakten.... Zij niet alleen. In gebed verzonken

knielde koning Otto, God, Die hem had gesteld op zijn hooge plaats,

smeekend hem een heerscher te doen zijn naar Zijn wil, hem in staat te

stellen de rechten zijner volken te handhaven, hun vrijheden te bewaren

voor iedere aanranding. Omhoog geheven was zijn blik, omhoog. Nooit zou

de keizerskroon schitteren boven edeler voorhoofd, noch het purper van

den Cesar zich hebben geplooid om vorstelijker gestalte. Nooit had het

volk van Rome fierder heerscher begroet....

Met een warm gevoel, waarin liefde zich aan eerbied paarde, dacht dit

de jongeling, die kloek, rechtop stond achter den knielenden vorst. Een

ontbloot slagzwaard blonk in zijn hand, onbeweeglijk hield hij het

uitgestrekt boven het hoofd van den in het gebed verzonken heerscher.

Want nog schuifelde de adder onder de bloemen van het weelderige Italië,

nog dreigde een bliksemschicht uit de effen blauwe lucht. De adder van

het verraad, de bliksems van den haat, zij zochten hem, die was geroepen

om den keizersschepter te voeren. Daar werd gemompeld van een

samenzwering, die het verijdelen der kroning beoogde, daar werd

gefluisterd, dat „de koning der Duitschers” het gebed niet ten einde zou

brengen aan Petrus’ graf. In navolging van Karel den Groote was hij

verplicht, dat te verrichten in de kerk der Apostelen, wilde hij zich

als diens opvolger zien erkend.

De groote Karolinger gold nog steeds als de heros van de roemrijkste

historie zijner volken. Iedere belofte van geluk, die het leven voor de

toekomst schenken kon, vlocht zich bij de toenmalige menschheid ineen

met deze herinnering aan het groot verleden. Daar waren er nog zeer

velen, die geloofden aan de wederkomst van „keizer Karel”, dien sage en

legende reeds omvlochten met hun nimbus. Een nieuw rijk zou hij

stichten, waarin vrede en gerechtigheid zouden heerschen, eer de ure

aanbrak, welke het einde zou zien van al wat behoorde tot de aarde. Want

het gerucht deed de rondte, reeds toen, hier aangehoord met heftigen

angst, daar ontvangen met ongeloovig schouderophalen, dat de groote

wereldbrand, de ondergang van al wat ademde zou plaats hebben in het

eerste jaar der komende eeuw.

Maakte die gedachte het gebed van heer Otto zoo ernstig, zoo langdurig?

Gevoelde hij geheel den omvang der zware plichten die hem wachtten: tot

het keizerlijk purper geroepen in zijn tijd?

In schemerschijn gehuld lagen de diepe gewelven; al het licht scheen

zich samen te trekken boven het gebogen hoofd van den knielenden vorst,

boven de zwaardspits van den jongeling, die stond en voor hem waakte.

Deed Ansfried dit inderdaad? Of dwaalden een oogenblik zijn gedachten

ver weg naar den groenen Rijnzoom, naar de woudbeschaduwde landkapel

dicht bij het grijze Keulen? Hij had haar teruggezien, de slanke

Hereswit van Strijen, meermalen, tot hij eindelijk, weinige dagen voor

hij optrok met het leger, zich wendde tot haar vader: „Uw dochter is

mijn levensgeluk, weiger haar mij niet!”

In spanning wachtte hij, de beslissing vreezend. Maar een welgevallige

glimlach krulde de trotsche lippen van den graaf Van Strijen:

„Toon u het vertrouwen waardig, dat heer Otto in u stelt, en, na het

einde van zijn tocht naar Italië, wacht u mijn dochter als bruid!”

Dacht hij aan die belofte, aan de zon van het leven, die zou opgaan voor

hem, waarvan hij reeds de stralen zag rijzen? Vergat hij daarom het

heden met zijn strengen plicht?

Niemand scheen aanwezig in het eenzaam gewelf, nog waren de deuren niet

geopend, nog was het uur niet daar voor den plechtigen dienst, die

geheel de bevolking van Rome zou zien toestroomen.

Niemand bewoog zich. Heer Otto bad, zijn zwaarddrager droomde....

Toch: er ritselde iets tusschen de pijlers, een voetstap sloop nader met

langzamen, schuifelenden tred, in blauwen staalgloed glinsterde een

hooggeheven dolk....

„Sterf!” Het snijdend uitgesproken woord was gericht tot den koning, de

dolk werd gezwaaid boven zijn hoofd, twee oogen waarin het gloeide van

een verterend vuur zochten de plek, bestemd voor den doodelijken stoot.

Met een rauwen kreet ontwaakte Ansfried uit zijn droom.

Zijn eene hand greep den uitgestrekten arm van den sluipmoordenaar, zijn

zwaard wondde hem in het gelaat....

„Vervloekt!” Schor klonk het; maar ondanks den sluier, die de trekken

van den aanvaller onzichtbaar maakte, het geluid dempte, meende Ansfried

de stem te herkennen....

„Rolfr!” stiet hij uit. Twee gloeiende oogen boorden in de zijne door de

openingen in het sluierdoek. Een worsteling volgde, slechts enkele

oogenblikken, toen ontrukte zich de aanvaller met de kracht der

vertwijfeling aan zijn greep, toen werden de deuren geopend en begonnen

de klokken te luiden. De bevolking van Rome stroomde binnen voor den

plechtigen dienst en in de verwarring liet men den moordenaar

ontsnappen. Waren tijd en uur van aanval te voren bepaald? Daar liep zoo

menig gerucht....

Maar nu juichte het volk den redder toe van den nieuwen keizer en deze

dankte hem met blik en woord....

Het eerste morgenlicht deed den glans der sterren verbleeken, de

rijzende zon bescheen een stad, badend in luister en glans; de

kroningsstoet werd opgesteld in feestelijke praal.

Maar in de tent van heer Otto knielde een jongeling, wien de bitterste

tranen in de oogen gloeiden, tranen van smart, van schaamte over zich

zelven.

„Heer, gij hebt mij lof gebracht, maar uw vonnis verdien ik. Ver af

dwaalden mijn gedachten, terwijl gij uw leven hadt toevertrouwd aan mijn

waakzaamheid. Niet de daad alleen maakt schuldig. Leg mij de boete op,

die ik verdien en dan.... dat God mij genadig zij!”....

In een gesmoorden snik eindigden zijn woorden. Hij zag in den geheelen

omvang de gevolgen, die zijn verzuim na zich had kunnen sleepen voor het

leven van den vorst, voor het bestaan zijner volken.

De groote schuld en het vluchtig verzuim, de gevolgen afgewend door

Hooger hand, doch de schuld gebleven....

Maar heer Otto hief de in het stof gebogen gestalte op, een milde glans

lichtte over zijn heerscherstrekken:

„Deze schuldbekentenis delgt uw schuld. Wie zijn vergrijp durft

bekennen is een held, wie geen vrees voor de gevolgen doet afwijken van

de waarheid, werd door God begenadigd. Sta op! Voortaan zal uw tent

tegenover de mijne worden geplaatst in het legerkamp, want zelfs wanneer

allen mij mochten begeven zult gij trouw blijven, omdat gij waar

zijt.”....

* * * * *

Weer een ander beeld:

Reusachtig rees, niet ver van Roermond, boven het laag golvende

heideland de burcht Casallum. Hecht en hoog verhieven zich zijn

torentransen. Ver zagen zijn vensters, als trouwe wachters, over het

omliggende land. Een landstreek, waarin rust en veiligheid heerschten,

bij al het krijgstumult en de verdeeldheid van rijken en staten

onderling, die de wereld in vlam dreigden te zetten.

Graaf Ansfried van Teisterbant gebood hier als heer, doch geen symbool

van heerschzucht was zijn slot met den versterkten toren en de breede,

dubbele gracht. Wijd werd de voorpoort geopend voor ieder, die hulp

behoefde; de harnasschoen der speerknechten dreunde slechts op de brug,

wanneer de grenzen werden bedreigd van het uitgestrekte graafschap.

Hier gold het woord, dat de reiziger, die zijn goud verloor, het een

jaar daarna op dezelfde plaats onaangeroerd kon terugvinden; dat geen

koopman het geweld der roofridders had te duchten: onbezorgd kon hij

zijn handelswaren verzenden langs heirweg of stroom. Graaf Ansfried

heerschte door recht; zijn schoone vrouw, gravin Hereswit, deed het

door liefde. Voor haar waren de menschen niet verdeeld in heeren en

slaven, zij beschouwde hen als pelgrims reizend naar één Vaderhuis. Het

beeld der eerste christengemeente, waarvan de leden kwamen en wat zij

bezaten legden aan de voeten der Apostelen, werd haar ideaal. In haar

huis waar geloof en liefde de richtsnoeren waren van gedachten en daden,

heerschte de vrede, welken de wereld niet kent, doch dien zij te midden

van haar zorg en onrust voor wat vergankelijk is, benijdt en --

vruchteloos zoekt.

„Kon zooveel geluk, steeds beschenen door de voorspoedszon, van langen

duur zijn?” Soms vroeg „de heer van vijftien graafschappen” -- gelijk

graaf Ansfried werd genoemd, -- zich dit af, wanneer hij zijn levenslot

vergeleek met dat van veel, zéér veel anderen. Vooral bij vroegere

studiegenooten wijlden vaak zijn gedachten, bij dien eenen niet het

minst, dien hij voor het laatst had gezien in de schemering van een

kerkgebouw, den opgeheven moorddolk in de vuist. Met een huivering

herinnerde hij zich steeds dat vreeselijk oogenblik, tot de

onbeantwoorde vraag rees: Wat werd van Rolfr, „den Deen”? Behelsde het

gerucht waarheid, dat hij was gezien op een Vikingervloot, dat hij

opnieuw Thor den beker plengde en zwoer bij Odins speer, in vlammen deed

opgaan de kerken, waarin hij vroeger had gebeden?

Het werd verhaald op een rijksdag, waar de keizer, gekroond met roem en

eer, omstraald door geheel zijn vorstelijken luister, door de

keurvorsten omstuwd, zat op zijn troon; waar de vrije ridders kwamen,

evenals de rijksgraven, aan het hoofd van hun stoet, waar harnassen

schitterden en de hooge geestelijkheid verscheen in statig plechtgewaad.

En daar was het, dat allen luisterden naar het woord, van den heer der

„vijftien graafschappen”, naar zijn raadgevingen, hoe het best een

nieuwen inval der Noormannen, in de Rijnstreek, te weerstaan, beraamd --

naar werd gemompeld -- door den geduchten Viking, Rolfr, wiens naam

slechts werd geuit met een rilling van afschuw of een verwensching. En

toen, na het zegevierend einde van den geduchten krijgstocht tegen de

vermetele zeeschuimers, graaf Ansfried oorlof vroeg van den keizer, meer

zijn vriend dan zijn heer, en terugkeerde naar zijn bezittingen, die hij

terugvond aangevallen, verarmd, doch geheel uitgeplunderd, uitgemoord

niet, en hij zijn vrouw zag, bloeiend als hij haar verliet, terwijl zijn

dochtertje hem tegentrippelde met rozige wangen en zonnige oogen, vond

hij zich toen niet opnieuw gezegend boven duizenden? Niet over een pas

gedolven graf, het stof bevattend, van een hem dierbaarder dan eigen

leven, voerde zijn weg naar huis.

Stoffelijke verliezen had hij geleden door den inval der Denen, zijn

vrienden wendden zich tot hem met deelnemend woord.... Waarom? Het

kostbaarste was hem immers gebleven. Daar was geen leege plaats in zijn

hart....

Met purperen rozen was zijn pad bestrooid, zijn levensbeker schuimde van

kristalheldere druppels; maar onder bloemen schuifelt de adder en in

den doorzichtig klaren drank schuilt vaak gif -- niet onder den stralend

blauwen Italiaanschen hemel alleen.

Eenige weken waren voorbijgegaan. De avondwind klaagde om de hoektorens

van het kasteel; alleen, in zijn bijzonder vertrek, bevond zich de

burchtheer.

Een perkament met roode koorden omstrikt, voorzien van het groote,

afhangende keizerlijk zegel, lag ontrold voor hem op den eikenhouten

disch. Een woord van hulde, hem gebracht door heer Otto, met den dank

van het rijk voor zijn krijgsbeleid, zijn moed in de zware dagen, nog

zoo nabij voor ieders ontstelde herinnering,... een nieuwe schenking van

land en goed....

„Waartoe zooveel zegen? Mijn God, wie ben ik, dat ik dit verdien? Deden

niet allen hun plicht van den geringste tot den hoogste? Wat verrichtte

ik meer?”

Deemoed overmeesterde hem terwijl de menschen hem verhieven, de

levensrozen voor hem geurden.... Toen schuifelde de slang....

„Edele heer, vergunt gij ook uw nederigen dienaar een gelukwensch?”

Een vleiende stem lispelde het woord. Met den avonddronk kwam Diederik,

sinds enkele jaren zijn hofmeester. Het gezicht van dien man stond hem

tegen, maar Hereswit had hem aanbevolen. Arm, uitgeschud, gebroken door

het leven, had hij eens haar bescherming ingeroepen en bekwaam bleek hij

voor de taak, die hem werd toevertrouwd. Ook ditmaal stond hij in

nederige, bescheiden houding -- afwachtend. Zijn heer nam den beker, met

welwillend woord, om er terstond op te laten volgen:

„Waar is de gravin?”

Hereswit was altijd de eerste, die hem tegemoet trad bij vreugde of

rouw. Zij was, zij bleef de eerste voor hem; thans miste hij haar

gelukwensch.

Een geheimzinnige uitdrukking gleed over Diederiks trekken:

„Mevrouwe bidt in de kapel bij de rivier, zij bidt daar dikwijls heer,

in den laatsten tijd. Zeer dikwijls.”

Een sluwe blik begeleidde zijn woorden, een ernstige het antwoord:

„Voegt het u zoo te spreken van de gravin, die uw redster is geweest?”

„Ik ben mevrouwe dankbaar, maar, mag ik daarom der waarheid te kort

doen?”

Twee oogen zagen hem aan, waarschuwend, doordringend:

„Wat wilt gij zeggen? Er ligt een bedoeling in uw woorden? Spreek!”

In zijn hart klonk het:

„Wat kan Hereswit bewegen zoo laat en in ’t geheim haar huis te

verlaten? Heeft zij verdriet, dat zij verbergt?”

Hij dacht er aan, dat geen zoon hun was geboren, zij leden er door, maar

zij leden samen.

Maar de oogen van zijn dienaar kregen weer dien zonderlingen blik. En

plotseling kwam een vreemde gewaarwording over hem, gelijk hij eens had

gevoeld in Italië, toen de bodem onder hem wankelde. Het was of een

nevel voor zijn oogen kwam of iets hem werd ontrukt, dat hem dierbaarder

was geweest dan eigen leven. Donker werd die nevel -- nacht. En te

midden der duisternis, verstikkend, beklemmend, drongen woorden tot hem

door zonder samenhang, vol ontzettende beteekenis toch. Woorden, die

behoorden tot den nacht.

Maar hij beheerschte zich, wees den dienaar terug met een gebiedend:

„Zwijg! Ga!”

Zoo straf had tot dusver nooit een woord geklonken van zijn lippen. En

Diederik ging onderdanig, sluipend, maar hij glimlachte toen zich de

gesloten deur bevond tusschen zijn heer en hem.

Deze was alleen achtergebleven, alleen. Verbijsterd zag hij om zich, als

wezenloos. Een rilling liep door zijn leden, het was of hij van zich

schudde wat hij had gehoord, wat hij niet gelooven wilde, nu niet,

nòoit. Hereswit zoo open, zoo waar....

Gaan mocht zij waar zij wilde, hij zou haar laten bespieden noch volgen.

De kleine zijpoort zou nu evenmin worden afgesloten als te voren, --

evenmin. De ridder met gesloten vizier, gezien door de landlieden, door

het burchtgezin, toen hij streed ver van huis, hij zou vragen naar zijn

naam noch blazoen, eer deze dit zelf bekend maakte. Ongehinderd zou hij

de kapel kunnen binnentreden als te voren, ook wanneer zijn vrouw daar

bad -- alleen, in den nacht.

De duisternis was om hem, de wind loeide. Het scheen hem of zijn keel

werd dichtgeknepen. Bleef hij daarom zwijgen, zwijgen ook toen hij meer

dan een uur later de witte gestalte zag, zoo rank, zoo schoon, die ging

door de kleine zijpoort en stil den voorhof betrad....

Hij verried met geen enkelen klank wat schrijnde in zijn borst met

knagende, ondraaglijke pijn, maar het gif van het wantrouwen werkte. Hij

begon Hereswit te bespieden, aan ieder woord, elk gebaar schonk hij

beteekenis. Hij vond haar anders dan te voren. ’s Nachts stond hij aan

het venster, wakend, met bonzende slapen en dan zag hij haar gaan door

de kleine zijpoort en dan zag hij haar terugkeeren bij den eersten,

bleekrooden schijn van den rijzenden dag. De schroeiende pijn, als van

een brandwond, verliet hem geen enkel oogenblik, bij dag noch bij nacht

-- maar hij zweeg.

Toen klonk de lispelende stem opnieuw:

„Heer, kort recht, goed recht! Is het ditmaal geen plicht uw eigen

rechter te zijn? Behoort gij niet te waken voor de eer van uw naam, als

anderen die vergeten?”

Een handbeweging wees den hofmeester terug, maar opnieuw alleen gebleven

streek hij zich de klamme druppels van het voorhoofd. Ja, het was zijn

plicht, zijn ijzeren tijd wrong hem het wapen in de vuist; zou hij

echter ooit kunnen vergelden wat hij zelf had doorgeleden? Feller dan

een dolkstoot wondt trouweloosheid.

Hij zag Hereswit gaan, opnieuw gaan en hij volgde haar langzaam, zonder

omzien of aarzelen. Langs het eenzame veldpad begaf hij zich naar den

boschrand, die zwart scheen in de schaduwen van den nacht.

In de verte schemerden de golven der rivier. Daar waren de schaduwen

minder dicht, daar verrees met muren, wit glinsterend in de duisternis,

het nederige kerkje, half verborgen onder het breede kroongewelf van een

eik, in wiens ruwe schors vervlogen eeuwen hun stempel drukten.

De nachtelijke nevel werd uiteengevaagd; dooreen drijvende wolk viel de

zilverschijn der maan. Zij goot haar licht door de geopende kerkdeur,

over de witte gestalte, die nu zacht over den drempel trad. De man, die

roerloos stond, tusschen het struikgewas, smoorde een kreet, waarin

woede, wanhoop en hartstocht samensmolten. Met een ruk trok hij zijn

zwaard, zijn oogen zagen in de leegte, toen hij het boschpad afstormde,

dat hem scheidde van zijn wraak.

Wild sloeg de deur open, het zwaard zocht zijn doel: het hart van een

mensch en -- werd teruggetrokken, de vlijmende spits omlaag.

Voor het altaar knielde een vrouw. Haar gelaat was omhoog geheven. In

zacht gebed bewogen zich de lippen. De blanke luister van het maanlicht,

dat door het kleine venster viel, scheen terug te stralen van haar

voorhoofd.

Zoo als zij had gewis ook eenmaal Hanna gebeden in Jeruzalems tempel...

[Afbeelding]

De man, die kwam met dood en vergelding in het hart, stond bewegingloos,

minutenlang. De wolk van bloed, die zoo vele weken had geschemerd voor

zijn oogen, werd uitgewischt door het licht, dat neergleed uit den

hooge. Het was of zijn eigen ik hem ontzonk. Hij zag alleen de bleeke

vrouw, die aan den vluchtenden tijd, aan zich zelve ontvoerd, bad, als

aanschouwde zij reeds de zaligheid van het eeuwige land harer

onsterfelijke toekomst.

Hij durfde haar bijna niet aanzien; hij waagde niet zich te bewegen. De

haat, het wantrouwen, de ijverzucht, zoo lang door hem gekoesterd, hoe

verdwenen zij nu voor de werkelijkheid, als de nachtelijke nevelen voor

het licht, dat thans blonk door de donkere wolken, ze omzoomde met

zilveren glans. Geen onrustige flikkerschijn van purper en blauw, van

flonkervolle regenboogstralen: alles sereen en puur -- als de in het

witte kleed gehulde, in het gebed verzonken vrouw, wier woorden en daden

steeds voor hem waren geweest doorzichtig als glas, en die hij had

verdacht in zijn ijverzucht van een laaienden hartstocht, donker als de

nacht, waarop geen hemellichten hun helderen glans laten vallen.

Zijn geweldige, harde tijd had hem het wapen gewrongen in de vuist; het

was zijn goed recht, het was hooge plicht zijn gehoonde eer te wreken,

snel, onherroepelijk te wreken.

En thans -- het ontbloote zwaard -- schrille tegenstelling met den

gewijden vrede, dien het verbrak, ontzonk de saamgenepen vuist, die het

voerde; kletterend rinkelde het neer op de groote steenen van den bodem.

Op dezen wanklank der aarde wendde de knielende vrouw langzaam het hoofd

om. De blik harer oogen scheen hem een azuren wonder. Als een zachte

ademtocht klonk haar verwonderde stem:

„O, wat is dat! Waarom een wapen hier?”

Hij boog het hoofd op de borst, boog zich voor zijn jonge vrouw met haar

kalme onschuld-oogen, voor haar, die stond in het volle licht.

„Dood mij! Gij hebt er het recht toe! Ik”....

Onsamenhangend beefden hem de woorden van de lippen, die haar

verhaalden, hoe diep gezonken hij haar had geloofd.

Zij luisterde zwijgend, met, o, zulk een droevigen trek om den kleinen

mond!

„En dat hebt gij kùnnen gelooven! Gij kent mij toch, zooveel jaren

reeds!”

Het gif van argwaan en ijverzucht werkt snel, hij wist het thans. Het

was of het nu licht werd voor zijn blik. Ook hij trad uit de duisternis

-- nog niet volkomen.

„Ik zal u wreken met bloedig, snel recht. Diederik boet met zijn leven

zijn schuld, nog vóór de dag aanbreekt!”

Welke oogen zagen hem aan, oogen vol hemelglans!

„Indien hij waarheid had gesproken, was het uw recht geweest mij te doen

boeten met den dood; nu is het mijn recht hier te beslissen. Er staat

geschreven: „Wreekt uzelven niet!”

Stil boog zij het hoofd, in haar oogen lag een gebed. Hij wist, dat zij

genade afsmeekte voor den man, die haar meer had pogen te ontnemen, dan

het leven alleen.

„Mijn lelie, het is te veel!”

Zijn stem beefde, hij zag tot haar op als tot een hooger wezen, ver

verheven boven alles wat behoorde tot de aarde.... Maar haar glimlach

welsprekender dan een woordenstroom, herhaalde: „Genade!”....

En het geschiedde naar haar wil. Maar toen hij Diederik ontsloeg zonder

een woord van verwijt, hem alleen zeggend aan wier voorspraak hij zijn

verachtelijk leven dankte; hem alleen de waarheid afeischend, wat hem

had gedreven tot zijn daad, toen klonk het hem tegen in een angst, te

wanhopig om naar nieuwe uitvluchten te kunnen zoeken:

„De Deensche aanvoerder, die hier plunderend het land afliep, toen gij,

heer, streedt aan den Rijn, gaf mij goud, veel goud op voorwaarde”....

Het heete bloed steeg graaf Ansfried opnieuw naar de bonzende slapen.

Rolfr, altijd Rolfr! Hij had ook eenmaal gedongen naar de gunst der

schoone Hereswit van Strijen -- vruchteloos. Sinds zocht hij zijn wraak.

Zou die thans voldaan zijn of....

* * * * *

Opnieuw waren vele jaren opgeteekend in de geschiedrollen van het

verleden. Aan een stormenden springvloed gelijk bleef het onrustige

jaarhonderd. Veel krachtsinspanning vorderde het van denkende hoofden en

moedige handen, van graaf Ansfried bovenal. Raadsheer van den keizer,

veldheer in den slag, beslechter van meer dan één twist tusschen

naijverige prelaten... het leven stelde hem zware eischen. Doch hij

telde geen moeite, geen dagen van onrust, geen weken van strijd of

overwinning, van bezwaren of nederlaag. Als hooge plicht lag het leven

voor hem. Hij wist wie hem den weg gewezen had.

Maar eens, toen hij opnieuw terugkeerde, na maandenlang afzijn hijgend

naar rust, naar huis, toen vlamde de avondlucht donkerrood, als laaiend

van wreede zegepraal, daar waar de torenspitsen van zijn slot zich

ophieven aan den horizon. Hoog rezen en daalden de vlammen met den gloed

van een smeltoven. Tot wilder ren spoorde hij zijn paard. Zijn ridders

en speerknechten volgden hem als in wedloop met den wind en toen zij

eindelijk Casallum bereikten, eindelijk! -- in slechts weinig minuten

was het laatste gedeelte van den weg afgelegd, maar dat korte

tijdsverloop besloot het leed van jaren -- toen vond hij zijn vrouw met

Benedicta, zijn oudste dochter, handenwringend om het verlies der

jongste. Gisela was in de vlammen omgekomen, maar vruchteloos werd haar

lijk gezocht....

Wie droeg schuld aan de nieuwe misdaad? Een puinhoop was Casallum nu. Of

was alleen een ongeluk oorzaak van de ramp?

Weer vlogen zijn gedachten naar Rolfr, den Deen. Rolfr Jarl, luidde

thans zijn naam. Hij was de zwaardgenoot geweest van een der Noorsche

koningen, vele jaren, bij menigen woesten krijgstocht. Dat schonk hem

dien titel. Doch sinds eenigen tijd bezat hij de goederen van zijn

bloedverwant. Toen had hij zich laten doopen en de nieuwe keizer, wien

de kracht en onverschrokkenheid van Otto den Groote vreemd waren,

begeerig om een geduchten Viking te herscheppen in een gehoorzamen

onderdaan, had vergeten en zijn hulde en manschap aangenomen.

Thans leefde Rolfr Jarl op zijn bezittingen eenige uren van Utrecht,

maar er werd gemompeld, dat het beeld van Odin met de opgeheven speer

achter een gordijn was verborgen in zijn vertrek, naast dat van Thor met

den geduchten hamer....

Er waren evenwel aanduidingen noch bewijzen omtrent den brand....

Casallum was zoo afgelegen, niemand kon beslissen over de oorzaak van

het onheil. Maar de beroofde moeder, in het hart getroffen, treurde

gelijk eenmaal Rachel deed. Welke uitdrukking lag in de diepte van haar

oogen, wat was in elk harer bewegingen, dat wien haar zag de keel als

toesnoerde?

En eens, toen buiten de zomernacht glansde en de maan een breed tapijt

van zilver ontrolde over weide en woud, stond zij voor hem, een blank

perkament in haar gevouwen witte handen. Haar stille oogen vestigden

zich op hem met ernstigen blik, haar stem klonk schier klankloos, als

van een die heeft geleden en gestreden, maandenlang.

„Wilt gij dit lezen?”

Zij gaf hem het perkament. Hij voelde een schok door zijn leden gaan.

Hij las. Het scheen hem of het maanwitte veld donker werd of de sterren

hun glans verloren.

„Gij wilt van mij gaan! En Benedicta nam den sluier, en Gisela”....

Zijn krachtige stem beefde, het scheen hem zoo zwaar, een leven geheel

verlaten, zonder liefde, zonder geluk.... Zij vouwde haar handen om zijn

arm en begroef haar gelaat tegen zijn schouder met smeekend, droevig

gebaar. Maar de vaste overtuiging van haar hart was in haar stem, toen

zij antwoordde:

„God geeft ons zooveel en wij doen zoo weinig om Hem onze dankbaarheid

te toonen. Soms vraag ik mij af:

„Leefden wij ook te veel voor ons zelven, voor ons geluk en werd

daarom”....

Haar stem brak, zij kòn den naam niet uiten van het kind, dat haar was

ontroofd.

„God alleen geeft mij kracht om het vreeselijke te dragen. Hij heeft

gegeven, Hij heeft genomen, geloofd zij Zijn naam. Maar o, laat mij de

levensjaren, die mij nog geschonken zullen worden, geheel wijden aan

Zijn dienst, evenals ik eens Hem de uren offerde van mijn nachtelijke

rust. Laat mij mogen bidden voor mijn arm kind. Waar moet ik het zoeken,

bij de levenden, bij de dooden?.... Ik weet het niet. Hem alleen is het

bekend, Die beslist over der menschen leven en lot.”

Haar denkbeelden waren geheel volgens den geest van den tijd, die het

geestelijke leven stelde ver boven het wereldsche. Zijn hart, zijn

moedig krijgsmanshart, brak van deernis bij haar klacht, brak in

medeleed. Opnieuw zag hij het perkament in. Het behelsde de

schenkingsoorkonde aan het klooster van Thorn, waar Benedicta de

gelofte had afgelegd, der uitgestrekte bezittingen van Hereswit van

Strijen.

* * * * *

Rondom was stilte, ook in het vertrek, vele, vele oogenblikken. Ten

laatste hernam hij:

„Over uw bezittingen kunt gij niet beter beschikken dan ter uitbreiding

van Gods kerk op aarde. Maar gij zelve wilt u afscheiden van de wereld,

mij verlaten voor de dood ons scheidt? Dat pijnt.”

Haar stem klonk dof van overstelpend leed:

„Christus gaf Zijn leven voor ons, mogen wij Hem dan niet offeren ons

levensgeluk? Volg mijn voorbeeld, scheid van de wereld, wijd uw verder

leven aan den dienst van God. Wie beslist of de ure niet spoedig zal

daar zijn, waarin Hij ons roept voor Zijn gericht? Nadert niet het jaar

duizend?”

Hij begreep haar zinspeling. Reeds nu stroomde het volk naar de kerken

en namen met den dag de schenkingen toe, die aanvingen: „Voor de rust

mijner ziel, bij het aanstaande vergaan der wereld....” En velen zagen

in de verwoestende invallen der Denen een teeken der nadering van den

Antichrist....

Maar langzaam vloeiden de tranen door de half geloken oogleden der

beroofde moeder, toen zij stil hernam:

„Geloof niet, dat ik mij wil wijden aan den dienst van God uit angst

voor Zijn naderend oordeel. Het is ook niet, omdat mijn hart ziek is van

leed of omdat ik u niet meer liefheb als uw vrouw. Dat is het niet,

maar de aarde en de hemel hebben met elkander gestreden in mijn hart en

de hemel heeft overwonnen.”

Hij zweeg een wijle:

„Geef mij tijd om na te denken, ik zeg u dan later mijn besluit.”

Toen legde zij haar handen in de zijne, vertrouwend, vol overgave, maar

uit den kus dien zij elkander gaven, eer zij hem verliet, was iedere

hartstocht geweken, alleen de liefde was er in over gebleven, die niet

zich zelve zoekt, die, diep en onpeilbaar als de zee, geen woorden bezit

om zich te uiten.

Doch, toen na vele dagen van strijd en zelfonderzoek, haar zijn besluit

tegenklonk:

„Wij zullen elkander niet terugzien in deze wereld. Mogen wij elkander

eens hervinden in hooger bestaan;” toen zweefde de doodsengel over zijn

drempel en diens aanraking was hier de heelende balsem voor een gebroken

moederhart.

En toen, kort na dien dag, die hem het liefste ontnam wat hij bezat, de

graaf van Teisterbant zich gereed maakte zelf afstand te doen van de

wereld, van aardsche macht en aanzien, toen stonden daar de

afgevaardigden van den keizer en riepen hem tot het hoogste kerkelijk

ambt in zijn vaderland, tot plichten zwaarder dan eenig wereldlijk gezag

kon insluiten. Geroepen werd hij om den ledigstaanden zetel te bekleeden

van den bisschop van Utrecht.

Niet in stille afzondering, bij bespiegeling en gebed, tusschen

zwijgende kloostermuren; te midden van het volle leven eischte God zijn

toewijding, zijn kracht.

Hij aanvaardde de gewichtige taak hem toevertrouwd door Hooger hand.

En thans voerde in zijn nieuwen werkkring het leven hem nogmaals

tegenover zijn ouden tegenstander: Rolfr, den Deen....

Toen de duisternis dreigde... · 第 16 / 38 题