Alleen in het midden van den zomer, als de zon het hoogst aan den hemel
stond, verhelderden haar stralen de geheimzinnige schaduwen, die
zweefden boven den grafheuvel van Roruk. Hier vlochten donkere
beukentakken en dicht eikenloof een verward net, terwijl, schier
verborgen door die groene bladerenzee, een half verdroogde bron murmelde
met gedempt ruischen. Het klonk als geheimzinnige stemmen uit het ver
weleer.
Een man stond op die plek, door ieder voor wien de overleveringen uit
den heidenschen tijd nog waarde bezaten, gevreesd als een verzamelplaats
der geduchte zwartalven, door de christenen vermeden als een
vereenigingsoord van booze geesten.
Want donker en vol bijgeloof was de tijd en de geestelijken, waarvan
velen in verlichting en ontwikkeling den leeken slechts weinig vooruit
waren, geloofden zelf aan het bestaan van booze geesten en beschouwden
de voormalige heidensche vrijthoven en offerplaatsen, -- waarheen het
iederen leek streng was verboden zich te begeven, om de herinnering aan
den vroegeren eeredienst te eerder uit te roeien, als hun natuurlijke
verzamelplaats. En thans stond op de plek, waarboven sage en
overlevering hun dichten sluier weefden, die de eenvoudige landbewoners
zelfs vermeden bij lichten dag, de eenzame gestalte van een man in het
geheimzinnig uur, dat de maan haar zilverschijn goot over de toppen der
boomen. Het was Rolfr Jarl. Zijn linker hand leunde op een der
reusachtige steenen, ieder op zich zelf een rotsblok gelijk, de andere
omklemde het zwaard. Over de vlakte zwierven zijn oogen. In een wijden
cirkel had zich, aan den boschrand, zijn lijfwacht opgesteld, tot de
tanden gewapend met schild en speer, met zwaard en heirbijl; dicht
genoeg bij den grafheuvel om elken onbescheiden indringer te weren, op
een voldoenden afstand om geen woord te kunnen opvangen der
beraadslagingen. Zij bleven niet de eenige menschelijke wezens op die
stille plaats bij het weifelend maanlicht:
Wemelende stralen gloeiden op tusschen de dennen of wierpen vonken over
de slingerende, slechts den ingewijde bekende paden van het moeras.
Omstraald door den glans der toortsen, die zij droegen, naderden de
vrije hoevelingen van den ganschen omtrek. Yglo had zijn taak goed
volbracht. Opontboden in naam van Rolfr Jarl kwamen allen. Uit vrees de
meesten, uit nieuwsgierigheid velen, enkelen uit belangstelling. Hij zag
het. Hooger scheen zijn gestalte te rijzen, terwijl zijn hand zich
vaster legde op den kouden, eens door reuzen gehouwen en opgestapelden
steen. Gevoelde hij, dat ook hij reuzenkracht zou behoeven bij het
waagstuk, dat hij ging volvoeren? Zijn lippen prevelden:
„Zal ik slagen? De christelijke godsdienst heerscht, dat is een
onloochenbaar feit. De domme menigte ziet met een eerbied, die grenst
aan ontzag, op tot de christenpredikers, als tot lieden van een hoogere
orde. Zij gelooft, dat die God nader staan dan de overige menschheid en
vrees volbrengt vaak wat zachtheid te vergeefs vroeg.”
Hij balde de vuist:
„O, kon ik hen evenzoo voor mij doen vreezen, doen kruipen voor mijn
wil. Maar allen zijn verdeeld, weifelachtig de meesten.”
„Zijt gij een man, die woorden van aarzeling spreekt, in dit uur? Wie
twijfelt aan zich zelven, aan zijn zaak, lijdt de nederlaag.” Een doffe
stem sprak langzaam, doordringend die woorden. Zij gingen hem door merg
en been; verschrikt wendde hij zich om. Een vrouw stond voor hem,
dichtgesluierd, lange, grijze haren zwierden haar ordeloos over den rug,
in de hand hield zij een knoestigen staf door een slangenhuid omwonden,
een eikenkrans ritselde om haar slapen.
Rolfr Jarl was stoutmoedig gelijk zijn gansche volk, thans echter
beklemde hem het bovennatuurlijke.
„Wie zijt gij?” vroeg hij ontzet.
„Een der ziensters van het volk, dat eenmaal gehuld in zijn stierenhuid,
de rosse lokken ongeschoren, trad door de wouden van dit land als
meester en heer.”
„Een Druïde alzoo!”
Reeds boog zich de trotsche Jarl aan den voet der witte vrouw.
Zij ontrukte hem verachtelijk den zoom van haar kleed.
„Raak mij niet aan, nietige sterveling! Uw weifelen, uw aarzelende
woorden, hier, op deze plaats den voorvaderen heilig, wekten mij uit een
rust van eeuwen her.
Lafaard! Waad door bloed als het moet, maar bereik uw doel. Zijt gij een
man, die zich zwak voelt op het beslissende oogenblik? Waant gij, dat de
goden zulk een erbarmelijk wezen als gij zijt, zullen steunen?”
Het gezicht van Rolfr Jarl vertrok van woede bij dien smaad, het scheen
een oogenblik alsof hij zich op de vrouw zou werpen, die waagde hem te
beschimpen, gelijk het roofdier zich werpt op zijn prooi. Slechts éen
oogenblik: het ontzag voor de zienster, dat hij met alle Germaansche
volken deelde, bedwong ook hem. Hij, wiens zwaard uit de scheede vloog
bij het minste verzet van bloedmaag of strijdgenoot, deed, wat hij tot
nu toe voor onmogelijk zou hebben gehouden: opnieuw boog hij zich voor
de onbekende, die hem haar verachting tegenslingerde.
„Machtige zienster! Wat eischen de goden?”
Hoe deemoedig klonk die trotsche stem!
„Dat gij uw jammerklachten staakt en gelooft aan uw roeping. Dit is de
eerste eisch tot welslagen. Spreek tot het volk in naam der goden en
zij, de geduchten, zullen u de kracht leeren kennen van het gevleugeld
woord. Bij u berust de macht om de vereering, die zoo velen koesteren
voor dien christenbisschop op den Hohorst, te doen verkeeren in afschuw
en haat. En kiest gij het rechte woord, zoo verschijn ik ter rechter
tijd, wanneer, onverhoopt, de zege u nog dreigt te ontgaan.”
Met de hand wees zij naar het struikgewas. Een jong rund zag hij, de
hoornen omwonden met veelkleurige linten, met kransen omstrikt, door
roode koorden gebonden aan een boomstam. „Het offer aan de goden! Breng
het trouw, naar recht en rede, gebruik en zede der vroede vaderen, opdat
de goden geven goede gaven, zegenen in huis en have, wie verwachten
vreugd en voorspoed van hun wil en macht!”
Haar woorden behelsden alleen een belofte van aardschen voorspoed en
geluk. Maar dat begreep de spreekster evenmin als Rolfr Jarl, die,
terwijl zij met een vluchtig handgebaar verdween tusschen de struiken,
zich voelde aangegord met dubbele kracht. Rechtop stond hij als een
overwinnaar en -- de strijd lag nog voor hem. Door een gebroken wolk
viel het maanlicht op zijn forsche trekken. De landbewoners, die nu in
den kring der eiken traden, zagen tot hem op met schuwe vrees. Zij
gevoelden, dat hij geloofde aan zich zelven en zijn kracht, maar ook,
dat hij zou vertreden en omverwerpen zonder genade of recht wat hem in
den weg stond.
Als machthebbende hief hij de hand op, zijn woorden dreunden, het was of
de geheimzinnige stemmen van het woud ze terugkaatsten met
onheilspellenden klank:
„Ik heb u allen hier geroepen, omdat een geweldige beslissing ons wacht.
Voelt gij hem niet op deze heilige plek: Wodans ademtocht; is het u niet
of een bedreiging klinkt in het geluid van den nachtwind? Kan het
anders? Welk licht lokt en vleit, dwalend over de vlakte, heenschemerend
door de boomen als wilde het u allen wenken tot uw verderf?”
Zijn zwaardspits wees de richting aan, zij zagen allen het licht, dat
blonk op de hoogte, dat straalde in den nacht als een eenzame ster.
„Daar ligt de Hohorst, de heuvel van Wodan! De eeuwen door werd hij daar
vereerd, de machtige, te midden der plechtige stilte van het ruischende
woud. Daarheen riepen de priesters het volk, om het te brengen, als voor
het aangezicht der goden, wanneer de vlammen rezen bij het plechtig
offer hun gewijd.
En thans?
Vergruisd ligt Wodans heilig beeld en wanneer iemand nog hierheen zijn
schreden richt, dan rijst minachting in zijn blik of krult de spot zijn
lippen voor den „heidenschen” afgod! Waar zijn de geloovigen, die in
vroegere eeuwen opgingen met juichend hoorngeschal en plechtige
reizangen Alvader ter eere? Waar zijn zij?
Is het wonder, dat de goden u willen verdelgen, nu gij hen vergeet en de
wereld hen met u? Door wiens schuld? Wie hebben de beelden der goden
verbrand, de menschen, die hun offerden verdelgd van den aardbodem, te
vuur en te zwaard? De Franken! De belijders van den Gekruisigde, de
Evangeliedienaars, gesteund door het zwaard en de speer der machtige
Frankische vorsten. De dooden uit de geslachten, die u voorgingen,
mochten niet meer worden neergevlijd op den houtmijt, als het leven was
gebluscht in hun blik; begraven werden zij op last van den Frank en
ieder lichaam, dat zij de zuiverende vlammen weigerden, droeg de
bloedige litteekens van de felle worsteling, eens door den levende
gestreden, voor de vrijheid der vaderen, voor hun geloof in de eeuwige
goden. De Franken versloegen de vrije mannen, allen. Op last der
dienaars eener leer, welke zij het Evangelie der liefde en der
barmhartigheid noemen, deden zij dat. Een geheel geslacht roept tot u om
wraak en gij aarzelt nog, gij aarzelt?”
Als in razenden hartstocht, gedreven door vlammenden toorn, hief hij de
handen op naar den maanlichten avondhemel:
„Wodan, hoor mij, gij machtige, alwetende! Fosite, rechter der goden en
der menschen richt ook mij! Werp mij Höller, den helgod, voor als aas,
richt uw donderkeil en tref mijn schuldig hoofd, o, Donar, wanneer ik
ooit mijn eed breek! Hoort hem: „Niet rusten zal ik bij dag of bij
nacht, de slaap zal mijn sponde vlieden, spijs noch drank aanraken mijn
lippen, eer ik u heb gewroken aan hen, die zich verbonden tegen u! Weg
met de christenen! Uitgeroeid zullen zij worden als giftig
addergebroed, als het woud, dat opgaat in vuur, wanneer Donar zijn
bliksem slingert in de dichte stammen. Hoort mij, geweldige goden, hoort
mij! Wanneer de vereering voor u is gebluscht in de harten der menschen,
zoo zal ik alleen den strijd wagen, en gij zult mijn arm sterken, opdat
allen erkennen dat gij zijt de machtigste, de hoogste!” Plechtig,
doordringend had zijn stem geklonken, thans zweeg hij uitgeput, maar een
storm van bijval verhief zich onder de ademloos luisterenden, een
loeiende storm.
Wakker geschud hadden zijn woorden de herinnering aan verdrukking en
onnoemelijk lijden, waarvan het verhaal die eenvoudigen was overgeleverd
van geslacht tot geslacht. Hun voorvaderen hadden den godsdienst der
christenen gehaat, omdat die hun was opgedrongen door vreemdelingen,
welke zij vereenzelvigden met de Franken, hun vreemde overheerschers. In
de tijden van verdrukking en vervolging, die aanvingen met den eersten
inval der Denen in de pas gekerstende, nauwelijks tot rust gekomen
landstreken, hadden zeer velen den nieuwen godsdienst vergeten: slechts
met de lippen waren zij belijders geweest -- uit vrees. Het
geheimzinnige waas, dat den naam Wodan omgeven had, bleef zijn invloed
behouden. Nog altijd luisterden velen, zeer velen vol eerbied naar de
overleveringen, die verhaalden van zijn grootheid en wondermacht. Hij
was de Alvader, de wilde jager, die de aarde zegende als hij
voorbijjoeg, gehuld in zijn wolkenmantel, aan het hoofd van zijn
godenstoet, in den bruisenden storm van den lentenacht. Anderen
vereerden de oude goden onder nieuwe namen. Niet Freya’s beeld werd meer
in de Meimaand met bloemen omvlochten; op het altaar van Maria werden de
geurige bloesemkransen gelegd. Alvader heette voortaan God, Höller, de
helgod, werd vereenzelvigd met den duivel der christelijke leer. Slechts
in weinige harten viel het zaad van het zuivere Evangelie, om opwassend
dikwerf te worden verstikt door het onkruid van het bijgeloof. Somber
was de tijd en duisternis heerschte in de harten der menschen.
En thans zou de wereld vergaan om hun afval en redden konden zij hun
bedreigd bestaan, en de wereld bewaren voor ondergang als, als....
O, verwarring van gedachten, o, aarzeling van plannen en wenschen,
gewekt door radeloozen twijfel en doodsangst voor het dreigend, met
iederen dag meer naderkomend gevaar!....
Walger was de eerste die sprak. Met zijn ruwen lach barstte hij los:
„Wat kunnen wij nog verwachten van Wodan? Hij is dood. Als hij leefde
zou hij reeds lang zijn macht hebben getoond. Sinds twee eeuwen is hij
gezwicht voor de christenen. Wat vermogen de dooden? Hij is dood!”....
„Dood!”.... Holle stemmen herhaalden beteekenisvol het ontzagwekkende
woord en het was alsof zij een echo opriepen in de wijde verte, in het
donkere woud.
Rolfr Jarl hief de hand op. Was het een waarschuwing of een bedreiging?
„Dood, zegt gij, Wodan dood? Ja, voor u ongeloovige lafaard, maar
herleven zal hij om u te straffen voor dien hoon!”
„Hoe weet gij dat, edele Jarl?”
„Voor mij, Wodans gunstgenoot, is niets verborgen.”
Zegevierend zag de Jarl in het rond, maar Walgers grove stem antwoordde
spottend:
„Waarom raadpleegt gij dan het offer nog? Ik zie het offerdier reeds
gereed staan.”
„Om zinneloozen, als gij zijt, te overtuigen, om hen te redden van
Wodans vergelding en van Donars wraak.”
Maar weer haalde Walger hardnekkig de schouders op:
„Als gij alles weet, is het u ook bekend of ik nog voor overtuiging
vatbaar ben. Mijn vrouw zegt -- en die wou niet, dat ik hierheen ging --
als de wereld verbrandt, dan doet ze dat, en als ze blijft bestaan, dan
doet ze dat niet. ’t Is alles zooals ’t is.”
„Gij spot met Wodans macht. Hij zal zich wreken!” hernam Rolfr Jarl
gestreng. „Ik zie uw noodlot naderen! Wee u! Wee!”....
Zijn oogen staarden in de verte, afwerend strekten zich zijn handen uit.
Opnieuw opende Walger den mond voor een onverschillig antwoord, maar
verschrikte handen trokken hem terug, het verder spreken werd hem belet
door een stem schor van angst, dof van ontzetting. Een der wachten, die
aan den boschrand op post stond, kwam; bijna kermend riep hij:
„De vlammende roede! Daar is zij weer, dáár!”....
Strakke oogen, met levenloozen blik, zochten den nachthemel, waaraan
opnieuw de gevreesde komeet fonkelde. Ter aarde bogen zich de hoofden,
de handen woelden krampachtig in het stof van den bodem en dezelfde
lippen die, een etmaal te voren, hadden gebeden in de kerk der
christenen, riepen thans tot Wodan om bijstand en redding, met stemmen
onverstaanbaar van vrees en wanhoop.
Een zegevierende glimlach speelde om de dunne lippen van Rolfr Jarl. De
doodsangst van het volk bevorderde zijn plannen....
„Vreest niet! Wodan redt wie op hem vertrouwt! Zijn vlammende speer --
gij ziet haar tusschen Muspelheims vuurvonken -- treft alleen de
ongeloovigen.”
Zijn luide stem klonk boven het kermen en de radelooze kreten der van
ontzetting schier verstijfde menigte. Maar de uitroep van jubel en
verlossing, die hij verwachtte, bleef uit. Kwam het, doordat Henno,
alles vergetend wat de Jarl had beloofd, plotseling, vastbesloten --
legde het vlammende zwaard in de wolken hem zijn woorden op de lippen?
-- stond te midden van het knielende volk.
„Gij kunt beweren wat gij wilt, maar ik geloof in Gods almacht, waaraan
iedere macht der wereld is onderworpen, ook Wodans macht, zooals die
vroeger bestond.”
„Gij zùlt overtuigd worden, willooze twijfelaar. Te laat zult gij uw
aarzeling beklagen! Geen oogenblik blijft gij uzelf gelijk!”
Als het weerlicht, verzengend wat het aanraakt, was de stem van den
Jarl.
„Henno! Henno! nog dezen middag kwam Yglo, uw zoon, tot ons met uw
goedkeuring!”
Bevende stemmen riepen het verbijsterd; allen zagen het vreeselijke
teeken aan de lucht. En weer klonk de stem van Rolfr Jarl met dreunende
klem:
„Vreest niet, gij allen! Ik weet wat Henno denkt. Voor de twijfelenden
met oprecht hart is vergeving bij den Alvader.”
„Alvader moest wel blind zijn, als hij niet zag hoe ieder twijfelt of
slechts uit doodsangst zich tot gelooven dwingt,” mompelde Henno.
Weer scheen een vuurstraal uit de oogen te schieten van den Jarl.
„Uw ongeloof ontvangt weldra haar loon. Het zal Wodan niet zwaar vallen
u te vernietigen!”
Zijn stem overheerschte opnieuw elk geluid, en te midden eener nu
invallende doodsche stilte, trad hij toe op het uit graszoden opgehoogde
altaar. Het waren zeer bleeke gelaatstrekken, die tot hem werden
opgeheven en ieder zijner bewegingen volgden.
„Heer, smeek Alvader voor ons! Wij twijfelen niet langer aan zijn
bestaan!” mompelde een grijsaard, bevend.
Hij begreep niet welk een waarheid hij uitte in gebrekkigen vorm. Rolfr
antwoordde niet. Hoog zwaaide zijn hand het offermes, het lemmet
weerspiegelde den vuurgloed. Als een bliksemstraal schoot het lemmet
door de keel van het met linten en bloemen versierde rund, dof brullend
stortte het stuiptrekkend neer. Onder het uitstooten van
onsamenhangende, op vreemden, half zingenden toon geuite kreten, wroette
de Jarl met het staal in de lillende ingewanden. Langzaam legde hij ze
bloot, een stroom drabbig bloed vloeide neer, zorgvuldig ving hij dit op
in een glinsterend bekken. Onder ademlooze stilte zag het volk hoe hij
de ingewanden nauwkeurig onderzocht. Het was of zijn oogen hierbij
grooter werden, of zij strak werden in hun staren.... Toen boog hij zich
plotseling neer, de handen in vervoering opgeheven, dwependen gloed in
zijn blik:
„Heil u allen, heil! Wodan neemt uw offer aan; de teekenen zijn gunstig!
Buigt u voor hem in het stof, herbouwt zijn tempels, Alvader ter eere!
Wodan, machtige, steun ons, red ons!”
„Welke redding smeekt Rolfr Jarl af van Wodan?”
Hoog klonk de onverwachte stem, die dit vroeg, als kwam zij uit de
hoogte. Zware rookwolken dwarrelden op boven het vuur, en hingen boven
de hoofden der knielenden als een donkere nevel, maar daartusschen blonk
de blanke schittering van een wit vrouwenkleed, breed uitwaaiend, en de
glans van een golvenden, zilverkleurigen sluier. Eensklaps verdeelden
zich de rookwolken, het vuur rees, daalde weer, nu opflikkerend, dan
verdoovend. Het was of uit zijn gloed de vrouw verscheen, die thans
stond in den kring der onthutste mannen. Sneller joegen de polsen,
beklemd werd ieders ademhaling, niemand bewoog zich. Alleen het vuur
knetterde, het offervleesch siste, donker dwarrelde de rook. In een
stilte, aan waanzinnigen eerbied grenzend, zagen allen naar de
onbekende, de gevreesde verschijning.
Was het een der Druïden, der ziensters van weleer, van wie zij bij
overlevering wisten.... Op de vlakte, onder de boomen heerschte doodsche
stilte, zelfs de nachtwind hield zijn adem in, alleen de woorden der
zienster schenen te worden weerkaatst door de echo’s van het woud. De
speren en heirbijlen der opgestelde wachten flikkerden geheimzinnig, en
over de sidderend bijeengedrongen menschen wierp het vuur zijn hellen
gloed.
Al het opgehoopte sprokkelhout had nu vlam gevat, begeerig lekten de
roode vuurtongen naar buit.
„Zonen van Wodan!” -- plechtig klonk de stem der als uit den grond
opgerezen zienster -- „kinderen van den Alvader, hoort wat hij u heeft
te zeggen door mij!”
Een siddering liep door de leden der landbewoners. Vrees voor de
toekomst, de streng door Rolfr van den Ravenhorst gehandhaafde
overlevering, verbonden aan den grafheuvel van Roruk, als plaats van
godsdienstige vereering weleer, het nachtelijk uur en de angst voor het
onbekende, alles werkte mee om den indruk te weeg te brengen, dien de
Druïde verlangde en verwachtte.
„Wodan, gij eeuwige! schenk mijn tong de taal, die haar voegt, om te
verheffen uw eer en uw lof!
Alwijze, gij dreigt met ondergang de aarde en de menschen die afvielen
van u. Dan, als de maat is volgemeten stormen razende reuzen op tegen
den regenboogbrug, den toegang tot Alvaders gouden zaal. Goede geesten
hadden hen gesloten in boeien, zij verbraken die ketenen met hun alles
kneuzende kracht. Dan ontbrandt de felle strijd tusschen goden en
reuzen, een worsteling, waarbij ook de wereld moet opgaan in vlammen en
gloed.
Maar Alvader zal aan zijn zijde voeren, door zijn macht, de goeden en
getrouwen onder de kinderen der menschen. Met zijn hooggehelmde helden
zullen zij kampen tegen de reuzen in de woeste worsteling. En de goden,
de hoogen, de heerlijken, zullen bijstaan de getrouwen, die hen bleven
eeren bij den afval en het verraad eener halve wereld.
Donar, de oorlogsgod, zal nederstormen uit zijn ijsbergen, met dreunend
gedruisch. Miölner, zijn geduchten hamer, dien boozen noch reuzen kunnen
weerstaan, zwaait hij vuurschietend boven zijn hel flikkerenden helm.
Hoort gij niet het rollen der raderen van zijn wagen in het dreunen van
den donder, ziet gij niet den vuurgloed van zijn golvenden baard in het
flikkeren van het weerlicht? Luistert naar zijn stem, machtig,
meesleepend:
„Kracht beheerscht het aardrijk, kracht en geweld. Medelijden, liefde is
zwakheid, onverzettelijkheid zegepraalt in den geweldigen wereldstrijd.
Daarom, laat af van de leer van den bleeken God der christenen, Hij moet
ondergaan, want liefde luidt zijn eisch en slechts kracht kan bestaan!”
Gordt u aan, gij allen, die mij hoort, om te kampen met de goede, de
heerlijke goden, die spreken uit mijn mond. Dan zal, na strijd en
wereldbrand, verrijzen de nieuwe, goudglanzende aarde en daarop zult gij
leven voor altijd, in voorspoed en heil met de goden, wien gij trouw
bleeft, die hoog zullen loonen uw heldenmoed.
Maar de slechten en afvalligen, zij vergaan met de oude aarde en
nimmermeer wordt hun naam genoemd, bij de levenden noch bij de dooden.
Ondergang werd hun vloek, vergetelheid hun deel!”
De onbekende sprak als in geestvervoering, het volmaakte den indruk, die
haar verschijning te weeg bracht. Met verbazing zagen allen hoe de
machtige heer van den Ravenhorst knielend den zoom aanraakte van haar
gewaad, zij zagen de vlammen van het offervuur recht omhoog stijgen, aan
een eerezuil gelijk. Wodan nam het offer aan!
Opgeheven werden de handen, als gedreven door hetzelfde gevoel riepen
vele stemmen:
„Wodan, Wodan! Alvader, u zij de eere, u alleen! Wij aanbidden voortaan
slechts u en vervolgen wie u afvalt en veracht!”
De boomen wierpen trillende schaduwen, omhoog, naar Walhalla wees de
gloeiende vlammenzuil; de stem der onbekende zienster vulde de ruimte:
„Hoort! Hoort! Muspelheims vonken, de sterren, zingen, de goden zeggen
het! U, Alvader, behoort de macht! Gij redt van ondergang en wereldbrand
wie op u vertrouwt! Wie u weerstaat treedt gij onder den voet, de aarde
is u onderworpen, uw kracht zegeviert over uw vijanden! Alles buigt
zich voor u neer en heerschen zal met u tot het einde der dagen, wie
volbrengt uw wil en houdt uw wet! Wee, wee den afvalligen! Heil den
getrouwen, heil duizendvoud!”
Zij had als bezwerend de armen opgeheven bij haar laatste woorden.
„Wodan, kom mij te hulp!” smeekte zij nu zacht, toch drong haar stem
door tot aller hart. Nu strooide haar hand de runen, roode en zwarte, in
smalle stukjes eikenhout gesneden op een wit kleed, reeds te voren door
Rolfr gespreid aan haar voet.
„Urd, Vernandi en Skuld, alwijze Nornen, weefsters van der menschen lot,
wijst mij den weg!”
Zacht gleed haar hand over de runen: „Goed zijn de goden gezind wie het
goede wenscht, het goede volbrengt volgens Alvaders wil! Wodan, Wodan,
heil!”
„Wodan heil!” herhaalden schier al de aanwezigen, de speren werden
geschud, vonken schoten de heirbijlen in den gloed van het vuur,
ontroerd drukten vrienden en vreemden elkander de hand.
Maar toen eindelijk ieders oog opnieuw de zienster zocht, ontdekte
niemand haar meer.
Verdwenen was de witte gedaante plotseling gelijk zij verscheen, als in
den grond gezonken.
* * * * *
Vrouw Sigrid zag Rolfr Jarl keeren in den witten maannacht, die de
toppen der boomen verzilverde.
Haar langslepend Druïdekleed, de glinsterende sluier met den ruischenden
eikenkrans lagen nog in een hoek. Verachtelijk schopte zij ze weg, toen
vertrad zij met haar voet den groenen krans en het witte gewaad.
„Zal ik slagen?” prevelden haar dunne lippen. „Zal ik mij kunnen wreken
eindelijk, eindelijk -- op hém?”
Vele jaren doorvlogen haar gedachten, jaren, die voorbij waren gekropen,
gedrenkt in haat en bitter leed. Zij was weer jong, zij zag zich de
speelnoote van Hereswit van Strijen, zij droomde een droom van geluk en
hij, wien die droom gold, reikte Hereswit de hand voor het leven. Toen
huwde zij Rolfr, den Deen. Onverschillig was hij haar, maar hij zou haar
kunnen wreken, hij alleen.
Jaren bij jaren had zij haar dag afgewacht. Zou die thans rijzen?....