HOOFDSTUK XII.

Dien avond, toen Rolfr Jarl de landbewoners uit den omtrek had bevolen

bij den grafheuvel van Roruk, bleef Yglo’s moeder alleen achter in het

woonvertrek harer hoeve.

Zij rilde, de koorts steeg met den nacht; een benauwde hoest deed haar

kreunen van pijn. Haar man, haar zoon had zij zien heengaan op bevel van

den gevreesden Jarl. Nu was de eenzaamheid om haar heen. Zij kroop naar

het vuur, klappertandend.

„Och Heer, help! Geef uitkomst! Doe het nu!”

Haar stem smoorde in een rauwen hoest, zij zweeg en wachtte, -- wachtte.

Maar de tijd ging voort, hij duurde zoo lang. Klamme druppels parelden

de kranke op het koude voorhoofd:

„Als ik nu eens stierf, alleen... en zij bij het offervuur van een

heidenschen afgod! Och, lieve Heer, help!”

Een voetstap kraakte op het zand. In de deur stond een gebogen gedaante.

Een doffe stem vroeg:

„Hoe gaat het, moeder Anna? ’k Had een gevoel of ik hier noodig was. Ik

wist er al van. Rolfr Jarl... vloek over hem en de Denen. Sinds zij in

’t land kwamen is mijn woning gelijk aan het hol van een beer of vos,

wordt het voedsel, dat ik zelf verdiende of opgaarde, mij nog betwist.”

„Lisa, o, Lisa, denk toch niet het meest om de tijdelijke dingen! Dezen

nacht wordt er geofferd aan Wodan! Henno is er bij en Yglo en de

bisschop zegt, dat de Heer gebiedt: „Gij zult geen andere goden voor

mijn aangezicht hebben. O, Lisa!”

Met bevende hand streek de bleeke vrouw zich het grijze haar uit het

koude gelaat. De hoest verscheurde opnieuw haar borst. Tusschen hijgend

ademhalen klonk het:

„Ik sterf en zij zijn dààr... bij het vuur”....

O, de wanhoop van die uitgemergelde trekken! Oude Lisa’s hart, zoolang

versteend in eigen leed, brak van medelijden.

Zij zag naar buiten: de nevel hing als een zilveren wade over het veld.

Hoog door de lucht trok een vogelzwerm met vreemde klaagklanken.

Vogels aan den linkerkant! Angstig sloeg zij een kruis... Toen zag zij

nog eens naar het veld en de kronkelende paden.

De weg zou lang zijn en zwaar voor iemand als zij met zulk een

strompelenden gang, maar die radelooze vrouw voor haar met het gelaat

van een stervende... „Ik zal gaan en hen halen! Houd je goed, buurvrouw,

houd moed!”

Zij greep haar stok, maar de kranke trachtte zich op te richten met haar

laatste kracht:

„Laat me niet alleen sterven, geheel alleen!... Bid; God zal helpen!”...

En beiden fluisterden, de eene het schier verleerde, de andere het nooit

vergeten gebed:

„Onze vader, die in de hemelen zijt”... Maar toen Yglo’s moeder sprak

met bezwijkende kracht: „Uw wil geschiede!” toen haperde haar stem en

boog zij het hoofd op de borst en wachtte af wat die wil zijn zou.

Een zacht gedruisch. In de deuropening stond Trutha, omgolfd door het

zilveren licht der maan, dat den nevel had doen wijken. Aan haar oogen

was het te zien, dat zij had geschreid, maar groote zielevrede rustte op

haar jong gezichtje. Nog voor zij een woord kon zeggen, omknelde oude

Lisa haar hand:

„Trutha! Trutha! goed dat je komt! Roep Henno en Yglo! Zij zijn bij den

grafheuvel op bevel van den Jarl!” Haar hand wees naar de half bezwijmde

vrouw. Trutha begreep en snelde heen.

„Zij zal er eerder komen dan ik, rap als een hinde gaat zij over den

weg,” prevelde Lisa. Toen zonk zij op de knieën:

„Ik zal nooit meer twijfelen aan uw goedheid, Heer! Gij zelf hebt haar

gezonden!”

Bewusteloos lag Yglo’s moeder, het vredige, witte licht omzweefde haar.

* * * * *

Door de velden snelde Trutha. Tusschen de dichte bladerengewelven der

boomen hing de lucht donker en zwaar. Groote schaduwplekken wierpen de

eikenkruinen tot ver over den woudzoom. Behoedzaam verliet zij het

veldpad, dat zich slingerde in het licht als een zilveren lint;

voorzichtig zocht zij de schaduw der boomen. Indien de Jarl eens wachten

had uitgezet en die haar zagen of als zij trapte op een der kringen door

de gevreesde zwartalven achtergelaten op het grazige pad!.... Zij wist

immers, dat men elvenblad mocht afsnijden, noch vee in de weide laten,

na zonsondergang. Want het nachtkruid behoorde aan de alven en wie het

plukte moest sterven.[9] Evenmin als een der overige landbewoners zou

zij daarom ooit hebben gewaagd in een weide te slapen. Wanne Thekla, de

alvenkoningin zou uit haar luchtschip -- de drijvende wolken -- een

onzichtbaren pijl hebben afgeschoten op den vermetele, die den alven

belette hun rijen te dansen bij helderen nacht. Lokken zouden zij hem in

het moeras met hun dwalende lichten.

Bevreesd voor de geheimzinnige wezens, die haar ook nu gewis omgaven,

ging Trutha verder. De eene angstige gedachte verdrong de andere, tot

zij eensklaps werden vervangen door een herinnering, die met zich voerde

een wonder gevoel van vrede en rust; het was of het suizen van een

zachte koelte haar omgaf na het branden van den gloeienden middaggloed.

Klonk inderdaad de stem van bisschop Ansfried of rees een vervlogen,

nooit vergeten uur op voor haar geest: „De Heer is mijn herder”....

Zoo had hij eens gezegd.

De Heer! De Schepper van het eindeloos heelal, Die zonnen en sterren hun

banen voorschreef, die werelden te voorschijn riep uit het niet, Hij was

haar herder, Hij vergat ook haar, Zijn arm kind niet, dat dwaalde door

nacht en nevel, alleen. Hij was haar nabij. Mocht zij dan nog vreezen

voor nachtgeesten en zwartalven?

Diep ademhalend, herademend verhaastte zij haar tred. In de schaduw door

de forsche stammen geworpen slingerde nu de weg, dien zij gaan moest,

dien zij ging zonder vrees of aarzeling. En toch hoe donker was het nu

weer. Zij kon op kringen trappen.... Nu glimlachte zij er bijna om: als

de alven die hadden achtergelaten, waren zij toch niet dè machtigsten.

Eén”....

Plotseling stond zij stil, met een uitroep van schrik. Wat lag daar voor

haar, dwars op den weg? Een mensch, een boomstam.... beiden? Zij boog

zich voorover om te zien en haar ademhaling ging gejaagd en krampachtig

klemde zij de handen ineen. In de nabijheid ruischt een beekje met zacht

geklater, de trillers van den nachtegaal klinken wonderzoet, het licht

rijst hooger, dat de duisternis verdrijft en in haar hart is het nacht.

Want daar ligt hij voor haar, Yglo, bloedend, bewusteloos, dood

misschien, klaarblijkelijk gestruikeld over den boomstam, dien de storm

had geworpen op het pad, slechts weinige dagen te voren.

Trutha weende noch wrong de handen. Zij deed wat haar hand vond om te

doen. En het verband, dat zij legde om het voorhoofd van den gewonde,

dat zij verkreeg door een stuk af te scheuren van haar eigen kleed; het

water, dat zij voor hem schepte uit de beek, koel, reddend water,

brachten hem bij, na vele oogenblikken, waarin de levende meer leed dan

hij die schijnbaar neerlag als een doode.

Langzaam opende Yglo de oogen. Voor de spanning van Trutha’s zielsangst

scheen het, dat uren voorbij waren gegaan, sinds zij hem vond.

Nog altijd drong geen geluid over zijn lippen, weer verdubbelde zij haar

pogingen, ook toen hij opnieuw neerlag, strak en roerloos. En de

frissche waterdruppels brachten ook hier redding aan, nog een korte

poos, toen zag hij met bewustzijn om zich heen, zocht zijn blik zijn

redster, met klaar begrip.

Trutha’s oogen lichtten, haar stem had den diepen klank van een

dankbaarheid, die moeite heeft om woorden te vinden, toen zij snikte:

„O, God hoe zal ik U danken, hoe kan ik het ooit!”

Zij stond rechtop, de handen gevouwen, haar blik zag omhoog. Toen

doortrilde haar een schok; in de wazige verte begon het te kleuren van

rosachtig licht en lichtend rood, de blanke nevel vlamde. Nu hief Rolfr

Jarl gewis de van bloed druipende handen op bij het onheilig offervuur.

De roode schijn in de verte wees Yglo den weg en herinnerde haar waarom

zij hier was gekomen. Zij hielp hem zich oprichten in haar krachtige,

jonge armen.

„Yglo, kom mee, je moeder roept je! Zij is erg ziek.”

Hij schudde het hoofd, zijn hand hief zich op naar den weerschijn van

den vuurgloed in de verte.

„Ik moet dáárheen. Je weet het, Trutha. Anders blijven wij gescheiden,

ons gansche leven.”

Zij zag hem aan, ernstig, droevig, met de rust van een groot besluit in

haar schuchtere oogen. Toen verhaalde zij hem alles wat de bisschop had

gezegd. Diep bedroefd had hij geluisterd:

„Rolfr Jarl vergeeft nooit iets. Vader is daar en Walger en al de vrijen

uit den omtrek. Als ik ontbreek dan”....

Zij vouwde de handen om zijn arm met hartstochtelijk smeekgebaar:

„Laat alles komen zoo als het moet. Doe wat God wil, denk niet langer om

wat wij zelf wenschen. Dan zal alles goed wezen, misschien niet hier,

maar zeker toch in het andere leven. God alleen weet wat best is. Doe

nooit -- al denkt gij er ook alles bij te verliezen -- wat gij weet, dat

Hij afkeurt. Dat heeft de bisschop mij gezegd.”

Het was hem of een engel tot hem sprak door haar mond:

„Denk je, dat het toeval was, die boomstam op den weg, waardoor je bent

gestruikeld?

Kom mee naar huis, uw moeder is erg ziek, heel erg. Zij roept om je”....

Met een schok leunde Yglo op haar arm. Zijn oogen brandden van angst. Nu

begreep hij -- een vaste trek kwam op zijn jong gezicht. Zij vingen den

terugweg aan. Rondom was stilte en het suizen van het woud. De roode

schijn van het offervuur verglom in de verte....

* * * * *

Een nieuwe morgen lichtte. Rozeroode wolkjes dreven langs de lucht. De

velden ontvingen glans en kleur. Maar uit de hoeve van Henno klonken

droeve klaagzangen. In den donkersten hoek van het woonvertrek lichtte

iets, schemerwit: een laken gespreid over een strooleger, over een

roerlooze gestalte. Twee kaarsen ontstoken aan het hoofdeinde, dienden

om de booze geesten te verjagen. Aan het voeteneinde zaten de

klaagvrouwen. Met oogen overwolkt van droefheid knielden Trutha en Yglo

naast de doode. Zij had beiden gezegend met haar laatste kracht en tot

haar zoon gefluisterd:

„Zoo iemand achter Mij wil komen, die neme zijn kruis op”.... om te

vervolgen met schier onhoorbare stem:

„Mijne kinderen, gij behoeft uw kruisweg niet alleen te gaan. Een

Machtige leidt u en gaat u voor. Volgt den Heer, dan komt gij waarheen

ik nu ga, in Zijn eeuwig huis.”

Tranen hadden beider stem verstikt, maar een glimlach, verhalend van een

vrede, die niet behoorde tot dèze wereld, speelde over het gelaat der

doode. Kende zij de stille gelofte, afgelegd in twee diep bewogen jonge

harten? Snelle voetstappen knarsten op het zand, een vaalbleek gelaat

verscheen in de deuropening. Radeloos wrong Henno de handen op het

gezicht der doode, op dat der levenden.

„O, vrouw! o, kinderen! o, vrouw!”.... Hopeloos herhaalde hij aldoor

hetzelfde, toen sprong hij toe op de deur om den grendel er voor te

schuiven, om den schutbalk in de opening van de haag te leggen, als

wilde hij een dreigend gevaar buiten sluiten. Maar met een schreeuw

deinsde hij terug:

„Daar is het al! Daar komt het! Genade, o, genade!”

Verbaasd zag Swanwitha, die nu binnentrad, naar den man, die zich in ’t

stof wrong aan haar voet. Waarom deed haar komst hem zoo ontstellen?

„Henno, bedaar toch! Ik kwam nog eens naar moeder Anna zien, ik wist

niet dat zij reeds”....

Haar zachte blik, rustend op het witte leger in den donkeren hoek, vulde

haar woorden aan, haar gelaat scheen bijna even kleurloos als dat der

ontslapene. Henno kermde:

„Komt gij dan niet op last van den Jarl? Yglo was niet bij het offer,

dezen nacht. Toen heeft de Jarl gezworen hem levend te zullen spietsen.

O, Yglo, mijn zoon, mijn zoon! Eerst mijn vrouw, mijn kind nu.... mijn

eenige.... o, Yglo, Yglo!”

Die hartbrekende jammer op dat van smart verteerde gezicht! Tranen

druppelden door Swanwitha’s oogleden.

„Henno, zeg mij alles; misschien weet ik nog een middel,” sprak zij

zacht. In korte, afgebroken woorden werd haar alles meegedeeld. Eentonig

zongen daar tusschen de klaagvrouwen haar refrein, zacht flikkerden de

kaarsen, wit was het gelaat der doode. Maar toen Henno zweeg, sloeg

Swanwitha de oogen naar hem op en haar blik glansde door haar tranen

heen. Beslist sprak zij:

„Yglo en Trutha, gij moet terstond vluchten. Mijn heer grootvader heeft

mij vier eigenhoorige maagden afgestaan om mij te volgen, na mijn

huwelijk” -- hoe aarzelend klonk dit laatste woord -- „waar ik ga. Gij,

Trutha behoort er toe. Ik schenk u de vrijheid. Ga waar de weg en de zon

u voeren, als vrije vrouw.

Laat lang groeien uw lokken, ten teeken, dat niemand het recht heeft de

hand op u te leggen, om u te verklaren voor belmundig of eigenhoorig.”

Maar terwijl Yglo zijn verbaasden dank stamelde, en Trutha zich

neerwierp om den zoom te kussen van het gewaad der jonkvrouw, ging

Henno’s ademhaling hijgend. Zijn oogen waren op zijn zoon gericht, vol

angst:

„Jonkvrouw, wij weten het allen hier in den omtrek, hoe velen gij hebt

bijgestaan in dagen van ziekte en tegenspoed. Zij leven op aarde om u te

zegenen of zullen u eens welkom heeten in -- het andere land.” --

Aarzelend werden de laatste woorden geuit. Dien nacht had hij

verloochend, waarin hij eens had geloofd. -- Maar weer waren zijn oogen

op zijn zoon, en hij hernam:

„Thans doet gij meer dan een van ons zou kunnen hopen of wenschen.

Trutha geeft gij de vrijheid, hooger gift dan het leven, maar o,

bloedbloemen vlecht gij haar als bruidskrans door het haar!”

„Bloedbloemen?” -- De jongelieden herhaalden het verschrikt, schuw

fluisterden de klaagvrouwen, die nog steeds de wacht hielden bij het

lijk.

„Zal Rolfr Jarl hen verschoonen, haar en hem? Nooit zal hij uw besluit

goedkeuren, beweren zal hij, dat Yglo zijn bruid heeft ontvoerd en

dan”.... Zijn doffe blik week niet van zijns zoons gezicht, al de

verschrikkingen, die de folterkelder van den Ravenhorst verborg in zijn

donkere diepte, zag hij voor zich. Koude druppels gleden langs zijn

grijze haren af langs zijn slapen.

„Vader, kom tot u zelven! De Jarl zal ons niets doen, als gij hem tot

erfgenaam maakt uwer vrije, vererfbare hoeve.” Liefkoozend streek Yglo

hem het vochtige haar van het voorhoofd, ook zijn krachtige hand beefde.

„Ons huis, onze eigen vrije woning! Mijn moeder stierf er in, zooals nu

de uwe en gij werdt hier geboren.”

O, die wanhoop op dat dierbare, oude gelaat! Het was meer dan Yglo kon

dragen! Toch was het de eenige uitweg. Vastbesloten nam hij een

stroohalm van den vloer en wierp dien ver van zich.

„Hier doe ik afstand van mijns vaders huis en goed, volgens de zede der

vaderen,” sprak hij overluid. Zijn oogen volgden den kring, dien de

stroohalm beschreef, ver van hem verwijderd viel hij neer. Hij had zich

losgemaakt van zijn erfdeel. Henno zag het, nu was het beslist. Hij hief

de hand op:

„Zoo zijt gij vrij van huis en hof, van vliet en veld. Ga waar de wind u

voert en de weg u leidt.”

„Houdt u schuil te Utrecht een jaar en een dag. Dan kan geen enkele

rechtsvordering meer tegen u gelden. Stadrecht breekt landrecht.[10] De

bisschop zal u beschermen.”

In de stilte, die volgde op Swanwitha’s woorden, die vooraf gingen aan

het bitter vaarwel, mengde zich het gedruisch van vele paardenhoeven,

het zwol aan, kwam nader...

„De speerruiters van den Ravenhorst rijden! Yglo, zij zoeken u! De Jarl

heeft het gedreigd, dezen nacht: Hij zag te vergeefs naar u uit!”

Bijna zinneloos van schrik, kwamen Henno hortend en stootend de woorden

over de lippen.

Luid jammerend wierp hij zich op den grond.

„Vlucht naar den Hohorst, door kreupelbosch en moeras. Daar kunnen zij u

niet volgen. Het altaar is een vrijplaats. Haast u! Verlaat de hoeve aan

de achterzijde, daar staan de boomen dicht!”

De beide vluchtelingen konden slechts snikken tot Swanwitha:

„O, onze redster, onze redster! Wees gezegend met den zegen dien gij

verspreidt!”... Toen omarmden zij krampachtig den levende en de doode en

gingen het onbekende tegen.

Slechts weinige uren later brandde het dak boven Henno’s hoofd. En, toen

hij zich naar buiten sleepte, in de armen het levenloos overschot zijner

vrouw, toen stonden daar de speerruiters als een ijzeren haag en wierpen

haar terug in de vlammen en voerden hem mee naar den Ravenhorst.

Gesnoerd met koorden, die scherp sneden in zijn lichaam, werd hij aan

„de kaeck” gesteld op den blauwen steen. Hoelang zou deze eerste

foltering duren? „Tot regen en zon uw gebeente verbleeken,” had Rolfr

Jarl gezegd, met zijn wreeden lach en verschrikkelijk was zijn gelaat

geweest om aan te zien bij dat woord. Hij was niet de eenige, die werd

getuchtigd. De vrouw van Walger werd, tot straf, dat zij zich had verzet

tegen den gang van haar man naar het offervuur, achterwaarts op een ezel

gebonden, geleid van hoeve tot hoeve. De smadelijkste tocht, die bestond

voor een vrijgeboren vrouw. Eigenhoorigen van den Ravenhorst braken de

helft van het dak af harer woning; de straf voor een tweedrachtig

echtpaar.

Walger zelf hing onderwijl in een mand boven de gracht van den

Ravenhorst. Hij zou de touwen van die mand zelf moeten afsnijden en, na

zijn val in het water -- als hij nog levend den oever bereikte --

vernemen welke straf hem verder wachtte.

Op Yglo’s hoofd was een bloedprijs gesteld, veroordeeld tot de put werd

Trutha...

Rolfrs lippen krulden zich zegevierend, terwijl hij op en neer ging in

zijn hooge hal. Hij zag zijn slachtoffers en was voldaan.

„Kort recht, goed recht! Ik heb er nu den schrik in, allen doen wat ik

wil! De geheele streek is als was in mijn hand.”

Hij dacht aan de berichten hem door den aanvoerder zijner ruiters

gebracht, hoe vrijen en onvrijen sidderend bogen voor zijn bevelen,

indien slechts hun ellendig leven, en hun schamel eigendom bleven

gespaard.

Rolfr kneep zijn oogen half toe, als een op de loer liggend roofdier.

„Als Yglo en die deern naar den Hohorst zijn gevlucht, komt het mij goed

te stade. Dan heb ik het recht haar op te eischen en de bisschop zal

haar willen beschermen. Uitstekend!”

Swanwitha kwam. Zij was zeer bleek, van droefheid vertrokken waren haar

lippen.

„Grootvader, wees barmhartig voor”.... Zij zag in een aschgrauw,

verwrongen gezicht. Een zweepslag striemde haar.

„Ga weg! Ik wil niets meer met je te doen hebben!” Zijn razende drift

overmeesterde hem, rood wolkte het voor zijn oogen, het benam hem schier

de bezinning, zijn geregeld denken stond stil.

„Weg! Weg!”

De zweep zwiepte opnieuw door de lucht, voort dreef hij zijn

kleindochter door hal en hof, de poort sloeg achter haar toe....

In haar torenvertrek wierp vrouw Sigrid de runen. Wat las zij? Haar

trekken werden vaal.

Op den heirweg reed Olaf met zijn gewapenden stoet. Hij ging de vloot

zoeken -- zij moest nu reeds zijn geankerd -- om de bemanning te voeren

in het hart van het land.

Bewusteloos lag Swanwitha op den drempel van haar huis. Zij wist niet,

dat oude Lisa haar hoofd ophief, dat de klaagvrouwen, die met haar

Henno’s brandende woning waren ontvlucht, haar behoedzaam voortdroegen.

De avondwind huiverde over het land, rood ging de zon onder.

[9] Wolf: Niederländische Sagen.

[10] Noordewier Ned. rechtsoudheden.

Toen de duisternis dreigde... · 第 17 / 38 题