Blonde Trutha dwaalde in haar wit geplooid lijfje en zelfgeweven rok van
grof wadmer langs de smalle paden van moeras en bosch. Haar kleine
voeten waren bloot; kortgeknipt -- wat haar als onvrije kenmerkte -- de
kroezende haren. Om kruiden te zoeken was zij uitgezonden door vrouw
Sigrid -- niemand in de gansche streek kon beter artsenijen mengen dan
zij. Het deed de bijgeloovige vrees, die het landvolk voor haar
koesterde, nog toenemen.
Een zwaren bundel had Trutha reeds bijeengegaard. Een vroolijk lentelied
klonk van haar lippen, het eerste sinds vele maanden. Zij wist reeds van
den omkeer in haar lot: Yglo had haar het groote, gelukkige nieuws
verteld, haperend, vol vreugd en -- vol geheimen angst.
Trutha zong: de hemel zag zoo lachend blauw en de velden bloeiden. O,
die schoone aarde, zij kòn immers niet vergaan! God was zoo goed, Hij
maakte haar zoo gelukkig. Waarom zou Hij dat niet Zijn heele wereld
doen?
Een schaduw viel over den rozelaar, waarvan zij de bleekroode bloemen
plukte; met porceleine en honig gekookt zouden zij een veel begeerd
middel schenken voor de gevreesde koorts, waartegen zoo menigmaal
bezweringen noch aderlaten hielpen.
Zij zag op, een uitroep van eerbied waarin genegenheid zich mengde,
ontsnapte haar:
„De bisschop!....”
Bisschop Ansfried glimlachte. Hij droeg weer het eenvoudige, zwarte
ordekleed. Zijn forsche gestalte scheen meer die van een krijgsman dan
van een geestelijke, maar slechts goedheid was in den glimlach, waarmee
hij zich tot het meisje wendde.
„Uw lied lokte mij hierheen. Ik verheugde mij er over, want een
opgewekte christenzin is God aangenaam. Wat stemt u zoo blij, mijn
kind?”
Het stralend gezichtje werd tot hem opgeheven, de roode lippen
fluisterden: „Heer bisschop, ik ben zoo gelukkig.”
„Gelukkig is ieder, die Gods wegen gaat, niet zijn eigen weg. Doet ge
dat ook, mijn dochter?”
Trutha bloosde, zij dacht aan Yglo’s woorden en aan Rolfr Jarls eisch.
Wist de bisschop?.... Of kon hij lezen in de harten der menschen, zooals
soms werd gefluisterd, en was wat anderen dachten hem bekend?
Zij geloofde het nu. Antwoordde zij daarom zonder te weten, dat zij dit
deed op haar eigen gedachten: „Niets kan het gemis vergoeden van iemand
dien men zoo echt lief heeft. Ik ben zoo bedroefd geweest, zoo lang, en
nu....”
„Nu zult ge misschien nog meer tranen storten, arm kind! Als gij God
verlaat om aardsch geluk, dan zal dat geluk u verlaten.”
Het was waar: bisschop Ansfried wist alles! Dan wist hij ook, dat Yglo
bij den ouden grafheuvel....
Het was of er iets schreide in haar hart; zij behoorde tot de
christengemeente evenals Yglo, evenals hij!... Hoe menigmaal had hun bij
het verdriet, dat hen overstelpte, de gedachte kracht ingestort en
nieuwen moed, dat God hun levenslot bestuurde. En thans.... Mochten zij
om aardsch geluk vergeten wat onvergankelijk was en eeuwig? Het
natuurkind kon niet onder woorden brengen, wat zij diep gevoelde, maar
zij wist, dat thans berekening haar daden bestuurde -- brak er iets in
haar binnenste?
Zacht raakte de hand van den bisschop haar schouder aan.
„Mijn kind, het leven is maar kort. Het gaat voorbij als een nevel en al
zijn moeiten en teleurstellingen zullen zoo nietig schijnen, als zij
worden gemeten met de maat der eeuwigheid. Thans ligt dat leven nog zoo
lang voor u, maar als gij er eens op terugziet in uw grijsheid zult ge
zeggen: „Het was een schaduw op den wand der oneindigheid.” En al uw
wenschen en uw plannen, gevormd in de jaren, die dan lang, lang voorbij
zijn, zullen zoo onbeduidend lijken bij de groote eeuwigheid, die ons
wacht en allen, die Gods wil deden op aarde, het geluk schenkt, dat geen
einde meer nemen zal. Wie God vasthoudt heeft niets verloren, al
begeeft de geheele wereld hem, doch wie Hem verlaat, verliest alles.”
Trutha liet het hoofdje hangen, de overgang was zoo groot, zoo
plotseling. Maar, wat haar te doen stond zag zij duidelijk -- al was het
bitter en zwaar -- omdat zij in haar schuldeloos hart voelde wat recht
was en plicht. Eenvoudig en dapper nam zij haar besluit, maar het scheen
ineens donker voor haar oogen en de tranen schoten haar in de keel.
„O, heer bisschop, ik zal mijn best doen, dat zal ik waarlijk om niet
meer het meest te denken aan Yglo en aan ons geluk. Maar het was zoo
heerlijk en de zon scheen en nu lijkt alles zwart en ’t is of ik loop op
brandnetels of die steken in mijn hart. Het doet zoo’n pijn. Overal is
onkruid waar vroeger bloemen bloeiden. ’t Is zoo erg alles te moeten
opgeven, nu ik dacht, dat het geluk was gekomen. Dan blijf ik een
hoorige en dan is alles verdriet, mijn heele leven!...
O, maar ik zal doen wat ik kan, om geduldig te wezen; God weet alleen
wat goed voor mij is, als Hij mij dan maar wil helpen.” -- --
Snikken braken haar woorden. Meer bewogen dan hij wilde schijnen legde
de bisschop haar de hand op het voorhoofd en het was Trutha of een wolk
van zegen op haar neerdaalde:
„Mijn kleine heldin, houd moed en wees goed. Gods wegen zijn niet onze
wegen, maar wat ons nu een last lijkt, zal eenmaal wellicht blijken een
licht te zijn geweest, dat ons den weg wees naar huis.
God geeft niemand te veel om te dragen en als wij ons eenzaam voelen en
zielsbedroefd zijn, is het om ons te brengen tot Hem. Doe wat Hij wil,
niet wat gij wilt, dan is het goed, hier op aarde en in het eeuwige
land.”
Het werd reeds minder donker voor Trutha’s oogen: ook de nacht bezit
zijn sterren. Zij dacht aan de dwalende lichten, die zij soms had zien
zweven boven het moeras: was zóó het geluk geweest, dat zij had
verwacht? Vluchtig, tijdelijk, verschenen en verdwenen....
Haar zachte oogen zochten den hemel waaraan het groote licht straalde,
de flauwe afschaduwing der Onsterfelijke Liefde. Neen, het was niet
alleen duisternis meer.
„God zal mij helpen, ik wil sterk zijn en goed”....
Zij boog het jonge hoofd, evenals de zwakke korenaar, die den storm
voelt naderen.
Maar de orkaan spaart, als hij den forschen eik ontwortelt, de gouden
garven, die lijdzaam buigen voor zijn macht.