De nacht met zijn verschrikkingen was voorbij. De hemel straalde van
licht, de vogels kweelden hun morgenlied, de aarde bloeide, als een
belofte van rijken oogst. Weggevaagd was de vurige roede aan de nu weer
heldere lucht. Het landvolk was aan den arbeid -- het zong als ontheven
van een verpletterenden last:
„U, onzen Schepper, loven wij!”....
Een lofpsalm der christenen! Rolfr Jarl kende ook de woorden, lang te
voren had hij ze nog eens gehoord, lang te voren.
Hoe haatte hij dien lofzang, gelijk hem die.... Zijn hand omknelde de
greep van zijn zwaard. De herinnering aan het tooneel van den vorigen
avond verliet hem geen oogenblik. Steeds zag hij hoe hij gedwongen was
geweest den man uitgeleide te doen, dien hij begeerde te worgen met
eigen hand. Vrij was hij nu, vrij!....
In zijn volle lengte verhief zich eensklaps de Jarl:
„Nog ben ik hier heer en meester, niet alleen op den Ravenhorst, ook in
den ganschen omtrek. Het zijn allen mijn dienstmannen, mijn hoorigen. Ik
zal mij wreken, zij het dan op andere wijze dan ik wilde.”
Hij liet zijn paard zadelen en reed heen in woesten ren.
Niet ver van het dennenbosch, dat de Ravenhorst aan de eene zijde
insloot, stond een vervallen hut van plaggen en leem, met een half
vergaan dak van mos en graszoden. Wind en weer waren er ongehinderd
jaren lang in en uit getrokken. De ingang werd afgesloten door een
wolfsvel, dat genoeg koude en tocht doorliet aan alle zijden. De rook
trok weg door een gat in het dak en de eenige bewoonster was een oude in
half vergane lompen gekleede vrouw. Zij had in die hut haar leven
voortgesleept sinds de Denen haar hoeve verbrandden en haar man en zonen
door hen werden gedood. Oude Lisa zat dien morgen zich te koesteren in
de zon op den aarden drempel, die een weinig was opgehoogd boven den
uitgegraven bodem van haar hut.
Zij zag naar de lijsterbes bij den bouwvalligen gevel, naar de
kamperfoelie, die geurige bloemen vlocht door zijn takken. Het water van
een kleine beek murmelde half verborgen tusschen berken en elzen zijn
droomerig lied. Deed die golvenzang ook haar neuriën:
„Hi was minnera,
And hi was betera”....
Haar stem was zwak en beverig, maar terwijl zij zong scheen die toe te
nemen in kracht. En opnieuw klonk het:
„Kerl, hi was minnera,
And hi was betera
Hi stifte and sterde
Triwa ande werde
Ande hi sette thera Kenega jeft,
Ande allere liude leest
And Londriucht
Ande allera londe eccum sin riucht.[5]
Een breede schaduwplek viel op den zonneschijn aan haar voet. Hoog te
paard zag zij den landheer.
„Lisa, oude heks, wat durft gij daar zingen?”
„Wat ieder zong toen de Denen het land verwoestten, voor de eerste maal,
heer, voor het eerst. Toen begrepen de menschen pas wat keizer Karel was
geweest, toen begrepen zij het.”
Recht zag Lisa voor zich uit met onverschillig, strak gezicht en toch
wist zij hoe de trekken van Rolfr Jarl vreeselijk waren om aan te zien,
nog eer zij hem hoorde bulderen:
„Oude tooverkol! Ik moest je levend laten verbranden. En, als ik niet
wist, dat je gek waart, gebeurde dat vandaag nog.”
„Ga uw gang, heer! Nooit zal ik meer kunnen lijden dan ik reeds geleden
heb. Mijn leven is zoo lang geweest en even lang mijn verdriet. Dus, als
’t nu gedaan kon raken, dan was het goed.”
Besluiteloos zag hij haar een oogenblik aan. Hoe hier te treffen?
Toen viel hem iets in.
„Lisa, gij hebt vlijtig gewerkt op het veld dit jaar. Ik weet, dat gij
een vollen zak gerst bezit, om van uw wikken en rapen niet eens te
spreken. Ge kunt dus ruim brood bakken, maar waar maalt gij die gerst
tot meel?”
Verschrikt zag zij op. ’t Was of haar kleur verschoot onder het tanige
vel.
„Heer, heer, laat me niet van honger sterven! Dan maar verbranden! Ik
kneusde mijn gerst tusschen twee steenen, heer! Ik heb geen gereede
penningen, geen enkele! Hoe zou ik dan het maalgeld kunnen betalen! Hoe
zou ik!”
Zij zag, dat hier geen genade was te wachten. Een snik schoot uit haar
keel, zij wrong de handen, radeloos.
„Uw gerst is verbeurd, verstaat gij? Gij hebt den wind bestolen van uw
heer. Wees dankbaar, dat ik je niet den hongerdood laat sterven in een
kerker van den Ravenhorst, maar je overlaat aan de hongertering in je
eigen krot.”
„Heer, o, heer! Dan maar verbranden, dan is het uit! Dan is het uit! Ik
wist niet”....
„Gij wist wèl, dat de molen van den Ravenhorst een dwangmolen is.
Niemand van mijn onderzaten, vrijen of hoorigen heeft het recht elders
te doen malen.”[7]
Lisa barstte uit in een schellen lach: „En nu zeggen ze, dat ik zooveel
voorrechten heb, omdat ik vrij ben en de hoorigen benijden me!”
Hij werd bang voor het woeste flikkeren van haar oogen. Menigeen noemde
haar gek. Als ze hem eens aanvloog! Gekken hebben immers dubbele
kracht.... Vaak spraken door hen de goden.
„Luister Lisa,” hernam hij wat zachter. „Ik zal u geen kwaad doen. Gij
kunt uw gerst malen waar gij wilt. ’k Zal u zelfs nog een kruik olie
laten brengen uit mijn spijker, om koeken te bakken.”
„Heer, o, heer! Wat zijt gij goed!”
Zij boog zich voor hem neer en kuste zijn handen.
„Maar onder een voorwaarde Lisa, onder een voorwaarde.”
Vragend wachtte zij.
„Gij zult niet meer naar de kerk op den Hohorst mogen gaan, nooit meer,
verstaat gij mij goed? Nooit meer. En overal moet je vertellen, dat ge
daar niet meer komt, omdat gij er den duivel gezien hebt.”
Lisa richtte haar kleine gestalte op met groote waardigheid.
„Bisschop Ansfried en de zendelingen hebben mij gezegd, dat ik een ziel
had. Vroeger wist ik dat niet en het is zulk een voorrecht om te kunnen
denken, dat daar” -- zij wees met de magere hand omhoog -- „alle tranen
zullen worden afgewischt, die hier op aarde zijn gestort. Dat te weten
maakt het leven tot een lust in plaats van een last.
Uit het verdriet en de ellende van dit leven zweef ik dan, hoog boven de
wolken, de gouden stad binnen en ieder, die daar mag komen, heeft de
onsterfelijkheid ontvangen en is gelukkig voor altijd, in het eeuwig
licht. Daar zie ik dan de engelen; schitterend wit glanzen hun vleugels,
zij zingen met gouden stem, de klank hunner harpen vervult het Paradijs
en de zweep van den meier en de kerkers van den Ravenhorst zijn er niet
meer.
Dat heb ik geleerd in de kerk op den Hohorst, daarom zeg ik nooit wat
gij mij beveelt, heer, noòit. Want iets zeggen, dat de waarheid niet is,
staat gelijk met groote zonde, zegt de bisschop. En ik wil geen zonde
doen. Ik heb liever een onsterfelijke ziel dan olie voor koeken.”
Rolfr Jarl glimlachte niet om het verhevene en alledaagsche, dat hier
werd dooreengemengd. Hij fronste opnieuw de wenkbrauwen:
„Goed Lisa, goed, gij hebt gekozen, wacht dan nu de gevolgen maar af.”
Zij zag hem na met donkeren blik.
„De Ravenhorst is hoog, maar hij kan tòch vallen. Niets is tegen het
vuur bestand.”
Nog uit de verte hoorde hij haar schamperen lach.
„Oude tooverkol, ’k zal je wel vinden!” De sprake ging immers, dat zij
kon sluipen door het kleinste sleutelgat -- alzoo was zij een heks. --
Hij zòu haar vinden.
„Niets is bestand tegen het vuur,” had zij geroepen. Dat was een
bedreiging tegen den Ravenhorst.
„Niets bestand tegen het vuur!”
Zij zou het ervaren aan hut en lijf.
Vaster omklemde zijn vuist de greep van zijn zwaard. Met geheimvolle
runen was het ingelegd, wondere kracht bezat het breede lemmet. Want was
het niet gesmeed op den dag aan Wodan gewijd, den vierden van iedere
week, en bevond zich tusschen de runen geen houtsplinter, gezegend door
Donars hamerslag: uit een door den bliksem getroffen boom was die
splinter gesneden.
Rolfr wist hoe hij werd gevreesd om dat zwaard: de mare ging, dat het
ieder wapen, waarmee het zich kruiste, in stukken deed springen.
Een welgevallige glimlach speelde om zijn mond: geen menschelijk wezen
was in staat hem een wond toe te brengen: onder zijn rinkelend
maliënkleed droeg hij een slangenhuid aan Loki, den helgod gewijd....
Dien morgen wierp Henno, de visscher, zijn lijn in een plas tusschen den
Ravenhorst en den Hohorst. Half verborgen tusschen riet en lisch lag hij
en wachtte af wat de dag verder hem schenken zou. Hij was een groote,
sterke boer met vlasblond haar, dat hij, naar oud vaderlijk gebruik nog
meer bleekte door het te besprenkelen met kalkwater. Zijn wambuis en
hozen waren van hertevel -- zelf had hij het wild geschoten -- onbedekt
was zijn hoofd. Vergenoegd floot hij tusschen de tanden -- hij had reeds
een voordeelige vangst gehad -- toen de Jarl verscheen, geharnast van
zijn schedel tot den voetzool.
Henno zong -- latere eeuwen zouden op deze wijze overzetten het oude
volkslied --
„Hi woonde na dien tide
op sinen ouden casteele
gheen langde dagen meer:
den kerker bleefer gesloten,
de linden standen te groene,
den eenen steene vieler
oppe den anderen neer”....
Rolfr Jarl hechtte sinds den vorigen avond aan voorteekens, al wilde hij
dit zich zelven niet bekennen. Oude Lisa had hem bijna hetzelfde
nageroepen wat Henno zong. Vroeger zou hij er de schouders over hebben
opgehaald, nu verschrikte het hem.
Hij vergat, dat het niet de dingen zelf zijn, die vrees aanjagen, doch
de wijze waarop zij worden opgevat.
„Je bent vroolijk, Henno!” Norsch riep hij het hem toe.
Zoodra de visscher hem zag stond hij rechtop. Wel was hij een vrije,
maar zijn hoeve had alleen -- naar vaderlijke zede -- den haag en den
sluitbalk als verweermiddel en de tijden waren onrustig, steeds dreigde
gevaar. Meer dan eens was hij genoodzaakt geweest met zijn tilbare have
een schuilplaats te zoeken op den Ravenhorst.
„Wat stemt u zoo blij? Er is anders niet veel reden toe, dunkt me.”
Henno verschrok van den dreigenden blik, die de woorden onderstreepte.
Het was of een mes hem stak. Wat had de Jarl in ’t zin?
„Wees gegroet, heer.” Schier beschroomd klonk zijn stem.
„Heer! Ben ik dat nog? Ik heb u allen beschermd en gevoed als
overstrooming dreigde of de krijg ontbrandde. Als de graaf van
Kennemerland een inval deed of de keizer kwam met heircracht, als de
graaf van Hamelant of Megingos van Gelre stroopte, dan hadt gij mij
noodig, dan was ik uw heer. Maar nu ik beleedigd word en bestolen, nu is
er niemand, die het voor mij opneemt. Schimpwoorden, spotzangen, dat is
mijn dank.”
„Wat is er dan gebeurd, heer?” vroeg Henno verbaasd.
„Moet jij dat nog vragen, lompe dorper! Heb je soms gisteren avond niet
mee loopen galmen met een kaars in je knuisten!”
„Hebt gij alleen, heer, dan de vurige roede niet gezien?”
„Even goed als ieder ander, maar mij jaagt men geen schrik aan of er een
paar sterren meer of minder aan de lucht staan.”
„Mij ook niet: bisschop Ansfried zegt”....
„Spreek nog eens dien naam uit voor mijn ooren en gij hangt aan den
Noorderboom.”
„Ik ben een vrijgeboren man, heer.”
„Ja, dat weet ik wel. Halfr, waar gij van afstamt, kwam met mijn
voorvader Roruk in het land. Hij was zijn schilddrager en bleef zijn
Jarl trouw.”
Henno wendde den blik af, de herinnering knaagde. Rolfr ging voort:
„Ik geloof niet, dat iemand mij kan veroordeelen, omdat ik het volk
tracht terug te brengen tot het oude geloof.”
„Gij doet het op een zachtzinnige wijze. Wie zich tegen u verzet,
ondervindt wat dit beteekent,” waagde de visscher te mompelen.
„Je zoudt zeker willen, dat ik niets te zeggen had op mijn eigen
goederen?”
Henno had nu zijn mond vol touw; hij knoopte aan een vischnet; hij moest
daarom wel zwijgen.
„’t Is een fraaie leer, die zoo’n bisschop verkondigt. „Hebt elkander
lief!” Wel aardig om aan te hooren voor een jong paar in de Winnemonath!
Maar werd de macht der Noormannen en die van keizer Karel groot door
liefde of door geweld en kracht?”
Henno zuchtte: „Dat heb ik niet beleefd, heer! Daar weet ik niet van.”
„En met al dat liefdegepreek is er twist in iedere woning.”
Henno keek in zijn vischkorf.
„’t Is jelui schuld niet, dat je gevangen werdt beestjes. De koorden van
het net trokken je en toen was je bij elkaar. Zoo doet bisschop Ansfried
ook, Jarl, hij weet het volk bij elkaar te houden, als schapen den
herder loopt het hem na. Hoe komt hij aan die macht, heer? Hoe komt hij
er aan?
Hij hitst nooit de honden op iemand aan, hij scheldt noch noemt ons
„slechte dieven.” Menschen, die vroeger elkander stug voorbij gingen
maakt hij tot vrienden en de welgestelden onder ons leert hij de armen
te helpen en de vrijen niet laag neer te zien op de hoorigen, omdat God
ons allen heeft geschapen.”
„Hm, hm! Dus gij kiest ook de zijde van dien christen? Gij eert het
geloof van uw voorgeslacht, noch vreest meer zijn vloek, als gij eens
zult verschijnen in Walhalla? Het is ver met u gekomen, Henno. De man
die zijn vaderen vergeet heeft geen recht meer iets te verwachten voor
zijn zonen.”
De oude Noorsche spreuk, als heilig overgeleverd van geslacht tot
geslacht, was hier zoo behendig aangewend, dat de eenvoudige visscher
van kleur verschoot. Hij verwachtte zooveel van het leven voor zijn
eenig kind! Alles wat dit leven hem zelf had onthouden, hoopte hij voor
zijn zoon.
Berouwvol zag hij voor zich:
„Wat wilt gij, dat ik zal doen, Rolfr Jarl?” Deemoedig klonk zijn vraag.
Rolfr beproefde een welwillenden klank te leggen in zijn norsche stem:
„Henno, luister eens. Gij zijt verkeerd ingelicht en een man van invloed
en gezag in deze streek. Gij behoort tot de oudsten. De raad, dien gij
geeft, wordt gevolgd.” -- Henno glimlachte gevleid -- „En nu weet ge
evengoed als ik, wat er tegenwoordig op den Hohorst gebeurt; ge weet
hoe dat stuk land met den heuvel mij onwettig wordt onthouden.”
Henno wist niets, maar hij vond het aangenaam gewichtig te schijnen en
knikte daarom veelbeteekenend.
„Ongelukkig de man, die wordt vervolgd door den haat van een machtige,”
hernam Rolfr bijna vertrouwelijk. „Uit eigenbelang bewerkt de bisschop u
allen met mooie woorden; uit hebzucht, om van zijn heerschzucht te
zwijgen, heeft hij mij bij den keizer belasterd. Hij wil hier heer zijn,
bevelen wil hij op mijn gebied. Daarom vroeg en verkreeg hij den
Hohorst.” Weer knikte Henno. Toch antwoordde hij aarzelend:
„De bisschop is een goed man, dat blijft waar. Hij helpt ieder, die het
noodig heeft, gevraagd of ongevraagd. De armen uit den omtrek mogen hun
middagmaal komen halen op den Hohorst, iederen dag heer, iederen dag!
En, om hun te kunnen geven onthoudt de bisschop zich zelven het
noodigste. Wie heeft dat voor hem ooit gedaan, wie?”
Rolfr beet zich op de lippen. Hij zeker niet; als slaven, aan lastdieren
gelijk, hield hij zijn hoorigen. Dikwerf hadden zij geen middagmaal, dat
wist hij, maar als er iets verdween uit spijker of schuur van den
Ravenhorst, dan hield hij een drijfjacht op zijn „menschelijk vee”,
waarbij vaak schuldeloozen met hun leven voor de schuldigen moesten
boeten. Hij drong zijn gedachten terug, en vervolgde streng:
„Niemand heeft ooit durven doen wat de bisschop waagt, dat is waar.
Niemand heeft ooit getracht op den aan Wodan gewijden Hohorst een
christenkerk te bouwen. Henno, toen Halfr, uw voorvader oud en grijs was
geworden en alle hoop hem begaf, dat de schildmaagden hem zouden voeren
naar Alvaders hal, uit het heetst van den slag, toen liet hij zich
dragen naar den Hohorst. Hij zag de offervlammen opstijgen, hij hoorde
den reizang der priesters, toen kleurde zich zijn speerspits met den
gloed van de vlam: zij zocht en vond zijn hart. Doorstoken had hij zich
met zijn laatste kracht, niet den stroodood wilde hij sterven. Maar toen
zijn zonen zich over hem bogen, treurend om zijn einde, op zijn
heldendaad fier, toen vingen zij zijn laatste woord op:
„Blijft trouw den goden, trouw onzen Jarl!”
Met zijn zwaard wees Rolfr naar den Ravenhorst, die forsch en machtig
oprees tusschen de donkere sparren. Het dichte scherm hunner takken
belette zelfs de morgenzon haar gouden lichtsprankels te werpen op het
mos. Het was daar donker.
„Henno, ik ben het geloof mijner voorvaderen trouw gebleven, maar gij
Henno, gij?” De machtige stem van den Jarl maakte indruk op den
visscher. Hij liet het hoofd op de borst zinken.
„Jarl, het hamerteeken of het kruis, ’t is haast hetzelfde. En verleden
winter was mijn vrouw ziek en de bisschop gaf haar medicijnen en heeft
voor haar gebeden en toen genas zij. Mijn vader en grootvader waren toch
ook christenen.”
Als verontschuldigend voegde hij dit er bij.
„Dan rust op u, Henno, een dubbele plicht. Gij moet de goden verzoenen,
boete doen ook voor de schuld uwer vaderen. Ik handhaaf op den
Ravenhorst het oude geloof en gij, de nakomeling van Halfr, den
schilddrager van Roruk, bidt in een christenkerk.”
Henno zag voor zich, berouwvol.
„Dat doen zij tegenwoordig allen. Zij zeggen, dat het oude geloof
voorbij is en dan” -- tot geheimzinnig gefluister daalde zijn stem --
„als het waar is, dat de wereld moet vergaan”....
„Dan is dit het oordeel van Wodan, den oppergod en van Donar, den
Donderaar. Geen wonder is het, dat het koren en vlas drijft op het land
en de schepen vergaan op de kust. ’t Is de straf van Donar voor de
afvalligen. ’t Is de aanvang van de straffen waarmee hij de wereld zal
kastijden. De aanvang.”
Het gezicht van den visscher werd wit van angst.
„Zoudt gij dat denken, Jarl! Gelooft gij waarlijk, dat”....
„Dat de wereld zal vergaan door den toorn der goden, ja, dat wéet ik. ’t
Is alles leugen wat de christenen zeggen. Donar, de machtige met den
vlammenrooden baard, is mij verschenen. Daarom: doe boete, gij redt niet
uw eigen leven alleen.”
„Mijn zwakke vrouw en Yglo, mijn zoon! Hij is mijn eenige nu.”
„Doe boete, als in het bijzijn der goden en Yglo zal eens mijn
schilddrager wezen.”
„Hij kan zijn ouden vader niet verlaten; scheid ons niet heer, doe ons
dat niet aan!”
„Dan zal ik hem breede roeden uitmeten, naast zijn vaders land en
Trutha zal vrij zijn om de vrouw te kunnen worden van een vrij man.”
„Heer! O, Jarl! Wat zijt gij goed!” -- Het was de tweede maal, dat hij
dit hoorde dien morgen. -- „Hoe zal ik dit ooit vergelden”....
„Dat zult gij hooren.”
Toen ontwikkelde de Jarl zijn plan en Henno luisterde en boog het hoofd.
Waarom liep een rilling door zijn leden?....
Een gillend gezang klonk Rolfr tegen toen hij het erf opreed van een
welvarende hoeve, kort nadat hij Henno verlaten en diens belofte had
ontvangen. Een stapel honigkoeken lag op den disch van ongeschaafd hout;
groote, ruw bewerkte drinkhoorns schuimden gevuld met bruin gerstebier;
visch roosterde op een walmend kolenvuur. Het gaf een ondraaglijke lucht
in het lage vertrek, waar toch de smook reeds dicht opklom tegen de
bruine balken. Niemand sloeg hier acht op of dacht er aan de tafel naar
buiten te dragen in de schaduw van olm en esch, naast de frissche bron.
Ongeschoeide voeten trappelden dansend op den bodem van vastgestampte
klei; ruwe stemmen zongen krijschend....
„Wat is hier te doen?” vroeg de Jarl verwonderd.
„Vrouw, den grooten hoorn, schenk den hoorn van mijn oudvader vol! Wij
zullen den Jarl toedrinken, voor ’t laatst. Heil Rolfr Jarl! Het verga
hem goed bij Wodan als de Ravenhorst brandt!”
Weer hetzelfde! Voor de derde maal! Bezwerend maakte Rolfr Jarl het
hamerteeken.
„Wat voert gij allen uit?” vroeg hij nog eens.
„Pleizier maken, zoolang de wereld nog staat, waar zij stond. Die barst
nu toch gauw uit mekaar, zeggen ze!”
Rolfr zag doodsangst flikkeren in de oogen, die hem aanstaarden door het
masker der brooddronkenheid. En weer zong en joelde de dolle bende en
allen dronken en klonken op het vergaan der wereld.
„Walger, dat geraas moet ophouden, dadelijk! Ik kan mijn eigen woorden
niet verstaan,” beval hij den boer.
„Vrouw, jongens, scheid uit! Heidaar, jullie meiden!” -- dit tot zijn
dochters en vrouwelijke verwanten -- ransel je met mijn zweep het erf af
als je niet zwijgt! De Jarl heeft wat te zeggen!”
„Wat geven wij daarom! Laat hij zijn mond houden! ’t Is toch met ons
gedaan!” Onverschillig klonk het terug.
De diepliggende oogen van Rolfr kregen weer den stekenden blik, dien
ieder in den omtrek kende en vreesde.
„’t Zal zeker gauw gedaan zijn, maar eer de wereld vergaat, heeft mijn
beul nog wel den tijd u allen te roosteren als nu die visch daar!”
De vrouw van Walger verschoot van kleur.
„Jarl, o, Jarl! Doe ons toch geen kwaad! Uit angst zijn wij vroolijk.
Denk toch aan die vreeselijke ster met de roede van vuur! Iederen dag
groeit die aan zeggen ze, en eindelijk steekt zij de wereld in brand. O,
o!”....
„Jarl, ik heb een gouden spang. Gevonden heb ik die in....”
„Gestolen, meent ge!” Grimmig sneed Rolfr aan Imma, de dochter van
Walger, het woord af.
„Neen, Jarl, waarlijk.... bij de rivier”....
„Dan behoort ze mij. Alles wat wordt gevonden op het land of in het
vischwater van den landheer komt hem alleen toe. Branden zult ge
dievegge en hangen er bij!”
„O, heer, heer! Erbarming, genade!”....
De nieuwe schrik maakte den geheelen troep nuchter. Zij kropen voor hem
in het stof. Rolfr zag het met welgevallen. Om ze nu te kunnen
vertrappen, allemaal die ellendige boeren! Maar hij had ze noodig,
vooralsnog.
„Luistert, gij allen. Of de wereld zal vergaan of behouden blijven, dat
ligt in uw eigen macht.”
„Wij, wij! Wat zouden wij arme stakkerds daaraan kunnen doen!”
„Ja, dat kunt gij wèl, als gij doet wat ik zeg. Keert weer tot de oude
goden, dan is alle gevaar voorbij. Om den afval van hun geloof dreigen
zij de wereld met ondergang, de menschen met den dood.
Komt alzoo hedenavond bij den grafheuvel van Roruk en gij zult allen
hooren wat u te doen staat om eigen leven te redden en de wereld er bij.
Wees niet bang” -- dit tot Imma, die nog altijd voor hem knielde -- „die
spang moogt ge houden, ik vraag niet meer naar de herkomst. Daar hebt ge
nog een ring van roodgoud er bij.” Hij wierp haar een ring toe en
ontving van de gedachtelooze bende de belofte, die hij begeerde.
Het opnieuw brullend uitgeschreeuwde lied van Wodans wilde jacht dreef
zelfs hem op de vlucht....
* * * * *
Yglo, Henno’s zoon, kwam dien middag thuis van de jacht. Een reebok hing
dwars over zijn schouder. Hij was een kloeke, jonge man, twee heldere
oogen lichtten als sterren in zijn schrander gelaat. Hij vond zijn vader
bezig het oude, roestige zwaard op te poetsen van Halfr, den
schilddrager.
„Wat zijt gij van plan, vader? Is er een inval van de Denen te vreezen?”
Henno schudde zuchtend het hoofd:
„Dat was nog het ergste niet. Maar Yglo, dat andere, je weet wel.
Gisteren zijn wij allen als boetelingen naar de kerk gegaan van den
bisschop en nu zegt Rolfr Jarl, dat het de goden zijn die toornen, en
dat daarom de wereld.... O, Yglo, ik ben oud en afgeleefd en als ik
vergaan moet dan zal ik vergaan, Alvader moge mij richten, maar dat jij,
zoo jong, in den bloei van je leven.... En ik had zoo gehoopt jou
althans gelukkig te zien.
Je bent de eenige van mijn kinderen, die ik mocht behouden. En, dat is
nu alles om den afval onzer vaderen van het oude geloof.”
De eerlijke stem van Henno stierf weg, gesmoord in snikken. De
droefheid, die zijn welmeenend, braaf gezicht teekende, was
deerniswaardig.
Yglo had zwijgend geluisterd, eerst niet recht begrijpend, nu sloeg hij
zijn door verdriet neergebogen vader den arm om den schouder.
„Vader, bedaar, kom tot u zelven. Wat over ons is besloten kan wanhoop
noch vrees van ons afwenden. Houd echter moed. Heeft bisschop Ansfried
ons niet geleerd, hoe de Heer zelf heeft gezegd: „Van dezen dag en deze
ure weet niemand.” Hoe kunnen dan menschen een gebeurtenis bepalen, die
zelfs verborgen bleef voor Gods eigen Zoon?”
„Maar omdat ons voorgeslacht, ten tijde van keizer Karel, van de goden
is afgevallen, komt thans het oordeel over ons. Het christendom is het
rechte geloof niet, zegt Rolfr Jarl. En die weet zooveel, hij is overal
geweest in de wereld.”
„Wat aan koren gelijk is, zou Rolfr van den Ravenhorst gaarne tot
onkruid maken. Vader, kunt gij nog hechten aan de heidensche dwalingen?”
„Wat zou Rolfr Jarl er dan mee voor hebben om ons te waarschuwen?”
„Kunnen wij beoordeelen wat hem drijft? Medelijden met ons lot zeker
niet. Daar heeft hij nooit blijk van gegeven.”
Yglo had met diepen wrok gesproken, zijn vader wist de reden. De blonde
Trutha was hofhoorige op den Ravenhorst. Tevergeefs had de visscher
aangeboden het vereischte losgeld voor haar te betalen: twee koeien en
een weldoorvoed schaap. De eisch van Rolfr Jarl luidde, dat Yglo zich
zou voegen tot dezelfde hoorigheid als Trutha, dan alleen wilde hij
zijn toestemming geven tot het huwelijk[8]. De tranen van Trutha hadden
wellicht bewerkt, dat Yglo zich driemaal boog onder den galg op den
Ravenhorst, dat hij, de vrij geborene, zich daar het hoofd liet scheren,
wat hem voor altijd tot den gelijke zou maken der eigenhoorigen -- de
wanhoop van zijn vader hield hem terug.
„De gelijke van een lagen knecht, een strik van hennep om den hals, gij!
Wel zijn wij, door den nood der tijden, gedaald, doch onze stamvader
droeg een Viking het schild, hij was hem het naast in den slag. Yglo,
heb geduld tot gij mij ter ruste legt aan den rand van het vrijthof. Het
zal niet lang meer duren.” -- --
En Yglo boog het hoofd, met de gelofte zijn vader een smart te besparen,
die zijn leven zou breken, maar somber werd zijn blik, vastopelkaar
geklemd bleven zijn lippen, die tot wit verschoten toen de meier van den
Ravenhorst hem meedeelde, dat Rolfr Jarl op het Midzomerfeest Trutha zou
toewijzen aan een zijner keurmedigen. Wat kon, bij verzet, voor haar
volgen dan de dood? Rolfr Jarl bezat de macht en het recht, zijn
hoorigen te dwingen tot slaafsche gehoorzaamheid. Trutha’s blos
verbleekte, geen lied klonk meer uit haar mond, wellicht was zij dichter
bij het vrijthof dan Yglo’s oude vader.... Hoeveel levensgeluk Rolfr
Jarl verwoestte door éen norsch bevel, hoeveel levensleed hij
veroorzaakte -- wie vroeg daarnaar? Hij bezat de macht....
En thans was hij gekomen en Trutha zou vrij zijn, vrij als de vogel in
de struiken, als, als.... Fluisterend, aarzelend schier, deelde Henno
zijn zoon mee wat van hem werd verlangd en, gebroken door den
tweestrijd, die woelde in zijn borst, nam hij eindelijk het zwaard, dat
zijn vader hem reikte en deze zegende hem, maar zijn kranke moeder --
zwijgend had zij alles aangehoord -- schreide....
Van hoeve tot hoeve ging Yglo, bij al de vrijen in den omtrek tot zelfs
naar Bacheforth om hen te nooden, het zwaard in de hand, naar oud
vaderlijke zede, bij den grafheuvel van Roruk, dien avond als de maan
zou zijn gerezen boven de toppen der boomen.
Hij kwam voorbij den grafheuvel. Hoog lagen de zware steenblokken
opgestapeld. Reuzen hadden hem eenmaal gebouwd, naar het volk geloofde.
De sporen hunner vingers, waar zij de steenen hadden aangevat, waren nog
zichtbaar.
Streng was door de geestelijken der christelijke kerk daar het offeren
verboden. „Een werk des duivels,” noemden zij die oude grafheuvels.
En thans ging Yglo de hoevelingen oproepen om zich te verzamelen op die
verboden plaats....
Onrustig sloeg zijn hart; een misdadiger voelde hij zich -- hij, een
christen, zou.... Met geweld verdreef hij die gedachte. Het gold immers
zijn levensgeluk, het gold Trutha te redden van een lot wreeder dan de
dood.
„Wat baat het een mensch of hij de gansche wereld wint en schade lijdt
aan zijn ziel?”....
Waarom kon hij dat heilige woord niet vergeten? Stond het te lezen op
het glinsterend watervlak van de Eem, schreef de zon het met gouden
lichtvonken op de bladeren der boomen, las hij het op de steenen aan
zijn voet?
„Wat baat het een mensch”.... Ook Trutha was een christin, niet slechts
met de lippen, dat wist hij. „Wat baat het een mensch”....
Sneller ging hij voort, het zwaard brandde in zijn vuist, heftiger
sloegen zijn polsen, maar verder ging hij, volgens Rolfr Jarls wil en
bevel, verder....
[5]
Karel, hij was de geliefdste
En hij was de beste.
Hij stichtte en stierde
Trouwe en waarheid,
En hij zette der koningen giften,[6]
En aller lieden keuren
En Landrecht
En alle landen elk zijn recht.
[6] „Hij stelde koninklijke vergunningen vast, gaf ons belangrijke
rechten en vrijheden.”
In het oude Hunsingoërlandrecht van 1252 vindt men in de voorrede dit
fragment van een oud Friesch volkslied, dat blijkbaar veel ouder is
dan de kronieken en boeken, waarin het voor het eerst werd
opgeteekend.
[7] Noordewier. Nederl. Rechtsoudheden.
[8] Noordewier: Ned. Rechtsoudh. 126.