„O, Siva! Siva!” Swanwitha drukte zich angstig tegen haar voedster aan,
en deze, even verschrikt als zij zelf, trachtte haar te bemoedigen.
„Stil maar kindje! Stil! ’t Zal wel gaan!”
Want zij zagen zoowel den buiten- als den binnenhof van den Ravenhorst
vol gewapenden. Rolfr Jarl bevond zich onder hen en doorpriemde de beide
vrouwen met zijn toornigen blik.
„Volg mij!” beval hij zijn kleindochter, en op Siva wijzend, tot twee
hoorigen: „Haar twintig stokslagen.”
„Ach, heer grootvader! heb medelijden!” smeekte Witha in snikken
losbarstend. Twintig stokslagen! Dat was de dood voor de zwakke,
bejaarde vrouw. „Volg mij!” beval nogmaals de Jarl en zich zelve
vergetend fluisterde Siva weer:
„Stil maar kindje, ’t Zal”....
In een snik smoorden ook haar woorden. Als voortgedreven door het
dreigend wenkbrauwfronsen van den Jarl, volgde Witha hem met slependen
tred.
Plechtige orgeltonen waren tot haar doorgedrongen uit de kleine kerk op
den Hohorst. Vredeademend, rust schenkend ruischten zij haar nog in de
ooren. Thans werden die klanken verdrongen door woorden, vernederend en
hard, het was of de wanden der holle hal die snerpende verwijten
weerkaatsten met wreeden nadruk.
En ijskoud voegde vrouw Sigrid toe aan den woordenvloed van den Jarl:
„De vrouwen uit ons huis waren steeds de eer van ons geslacht, gij
echter zijt zijn schande.”
Verward, verschrikt sloeg Swanwitha de oogen neer. Voor zij een antwoord
vond vervolgde de Jarl: „Gij verdient niet langer den naam te dragen der
fiere schildmaagd, Swanwitha! Bezoedeld zijn uw blanke vleugelen voor
altijd.”
Een gevoel van wanhoop en bitterheid overstelpte haar.
„O, houd op! Zeg dàt niet! Het was alleen”....
„Om mij te honen, te tergen, niet waar? ’t Zal u daarom niet zeer
aangenaam aandoen te vernemen, dat uw fraaie plannen zijn verijdeld. Wat
meer zegt: Unruoch voor wien gij uw naam hebt bevlekt zal boeten met
zijn dood, gij met uw leven.”
Zij wrong de handen:
„O, genade, genade voor -- hem!”
Donker en dreigend werd de stekende blik van vrouw Sigrid; zij gaf haar
man een wenk. Deze knikte toestemmend. „Waanzinnig kind, volg mij,”
beval zij. Zwijgend gehoorzaamde Swanwitha. Alleen haar gejaagde
ademhaling bewees de spanning, waarin zij verkeerde.
Maar het witte kleed met wijde, loshangende mouwen, de gouden gordelband
en de kroon van maagdenpalm, waarvan een fijne sluier afgolfde, die zij
gereed zag liggen in het vertrek harer grootmoeder, deed die ademhaling
bijna geheel ophouden. Zij wist, wie zulk een gewaad droeg, wist wat het
beteekende toen, op een kort bevel der strenge gebiedster, een lijfmaagd
haar dit kleed over de schouders wierp.
„Grootmoeder.... Wat!”....
Vrouw Sigrid hief de hand op, bevelend. „Gij hebt het recht mij met dien
naam te noemen verbeurd. Wacht af of ik u ooit die eer weer waardig
keur.”
Hooghartig, ijskoud klonk het. Zeer stil werd het in het vertrek, maar
buiten dreunden hamerslagen; flauw drong de nagalm door de zware muren.
Er werd een nieuwe galg opgericht, in den zonneschijn van den lachenden,
klaren dag en daarop zou door een enkelen ruk van het roode beulenkoord
worden afgesneden een jong, krachtvol leven. Witha’s gelaat werd even
wit als de sluier, die haar omgolfde. Onderzoekend zagen de koele oogen
van vrouw Sigrid haar aan.
„Dat” -- zij wees naar buiten -- „kondigt het einde aan van den
deelgenoot uwer schuld. Zoudt gij hem echter redden als het in uw macht
stond?”
Swanwitha’s blikken spraken, haar bevende lippen zwegen, zij kònden de
beslissing niet uiten over leven en dood.
„Hij zal vrij heengaan, als gij er in toestemt nog heden de bruid te
worden van Olaf Erikson,” hernam vrouw Sigrid even stroef.
Swanwitha opende de oogen wijd.
„Dat kan ik niet, nooit!”
„Het moet!” Scherp als een ijsvlaag sneed de koude stem. Witha richtte
zich op, hoog; krampachtig trokken haar handen.
„Vraag dat niet! Dàt kan niet!”.... Zielsangst brak haar woorden, bijna
onverstaanbaar stierven de laatste klanken weg. En weer rustte de koude,
stekende blik op haar, die haar denkkracht verwarde, haar wil verlamde.
„Gij hebt geen wil, onmondig kind. Rolfr Jarl heeft bevolen en gij
gehoorzaamt.”
„Liever sterf ik!”
Vrouw Sigrid zweeg eenige oogenblikken, toen hernam zij, en haar toon
duldde geen verzet, -- zij wist, dat zij nu haar laatste middel
aangreep:
„Eer Unruoch zijn vonnis ontvangt aan den Noorderboom, zal hij worden
gegeeseld met taaie roeden. Volgens den uitdrukkelijken last van Rolfr
Jarl, zoo zwaar beleedigd door hem, zoo diep gekrenkt door u, zal het
voor hem gelden „huid en haar.”
Een kreet van ontzetting wrong zich door Swanwitha’s keel. Glasachtig
werd de blik harer oogen. O, dat wreede, wreede vonnis....
Erger was het dan de dood! Zij kromp ineen als hoorde zij reeds de
zwiepende slagen, als troffen zij haar zelve.... Zoo menigeen stierf
onder die strafoefening, een der wreedste van haar wreeden tijd. Rood
wolkte het voor haar oogen. Zag zij Unruochs bloed reeds vloeien, deed
dit haar ineenzinken met een kreunende klacht?
En terwijl zij neerlag als wezenloos, half verdoofd, siste het in haar
ooren:
„Liefhebben kunt gij hem, maar uw eigen wenschen opofferen om zijn leven
te redden -- dát kunt gij niet. Uw liefde is zelfzucht. Een zwak,
verachtelijk wezen zijt gij.”
Swanwitha steunde van angst. Nu werd het doodsoordeel over haar
uitgesproken, over wat in waarheid léven mocht heeten in haar bestaan.
Want hoe zou Unruoch haar beoordeelen als hij haar de bruid wist van een
ander? En het eenige middel om hem te redden was het -- haar vonnis. Zij
aanvaardde het moedig en zelfvergeten. Er wàs geen andere uitweg. „Zeg
hem nooit wat hem de vrijheid hergaf en ik ben bereid mij te voegen naar
uw wil,” sprak zij nauw hoorbaar. Vrouw Sigrid knikte welvoldaan, een
lijfmaagd werd door haar naar den Jarl gezonden, met een kort bericht.
Het meisje haastte zich heen, maar een rilling liep door haar leden,
toen zij haar jonge meesteres zag in het gewaad der bruid.
Vrouw Sigrid was onverschrokken als geen van haar geslacht. Haar hand
drilde de jachtspriet even vaardig als de meest geoefende jager. Zij
kende vrees noch mededoogen, doch eens hadden beide haar getroffen. Het
was op een jacht waar het gold „haar met haar.” Een door haar pijlschot
getroffen ree wilde zij den genadestoot geven. De honden hingen reeds
aan den hals van het gemartelde dier. En toen zag dit haar aan met een
blik in de stervende oogen, die haar deed terugwijken, verschrikt,
ontroerd.
Thans zag zij dien blik ten tweeden male -- in de oogen harer
kleindochter. Zij sprak geen enkel woord, doch ging haar voor naar de
hal, maar afgewend bleef haar gelaat.
En in de hal waren toebereidselen gemaakt voor een feest. Daar was met
versche biezen de vloer bestrooid, -- onfeilbaar middel om de nadering
af te weren van booze geesten -- daar waren de pilaren omvlochten met
frisch eikenloof. Zilver snarenspel ruischte. Naast Harald, den grijzen
Skald van Olaf Erikson, had een rij van jonge knapen in gefriesde
lijfrokken en roode hozen, zich opgesteld. Begeleid door de zachte,
zilveren tonen hunner driehoekige harpen, hieven zij bij de nadering van
Swanwitha het eeuwenoude Noorsche bruidslied aan:
„Hef thans den hamer
Ter wijding der bruid
En leg den Miölnir
De maagd in den schoot,
Men volbreng de gebruiken,
Deze bruid zij de mijne”....
Het klonk Witha in de ooren alsof melodieën aanzwollen uit de wijde
verte, uit een droomenland. Het was alles zoo vreemd. Het kón immers
geen werkelijkheid zijn, geen voelbare, tastbare werkelijkheid. Zij zag
haar grootvader, recht en kloek, ondanks zijn jarental geheel
gepantserd, van zijn glinsterenden helm tot zijn rinkelenden
harnasschoen, in het midden der hal. Zijn dienstmannen omringden hem,
maar naast hem stond de vreemde Viking, rank en fier met een vurigen
blik in de groote oogen, die zich hechtten aan haar bleek gelaat. Hem
zou zij toebehooren en op haar lippen zweefde nog het woord van trouw
gegeven aan een ander!
In een warreling van gedachten legde zij de weinige schreden af, die
haar brachten voor Rolfr Jarl en het was haar of die korte oogenblikken
den duur van jaren bezaten. Toen leerde zij, dat niet de tijd het leven
vormt, maar zijn ervaringen.
Maar de vaste stem van hem, die het recht bezat, te beslissen over haar
leven en lot, sprak luide:
„Swanwitha, mijn kleindochter en erfgename, ik stel u voor een mijner
waardste schildgenooten in menigen harden strijd, Olaf Erikson.
Houd hem hoog: hij zal weldra zijn uw heil en uw heer, op den dag
wanneer zijn ontbloot zwaard u wordt voorgedragen en gij zult worden
begroet als zijn vrouw op den drempel zijner hal. Tot die ure aanbreekt,
verloof ik u thans aan hem als zijn wettige bruid.”
Een smalle gouden ring werd haar, op een wenk van den Jarl, aan den
vinger geschoven, door een hand, krachtig en gespierd, die thans echter
beefde. Met een gevoel van afgrijzen zag zij op tot hem, die nu haar
bruidegom heette -- de onbekende jonge Viking. Zijn maliënpantser
glinsterde als zilver. Geheel zijn wezen ademde eenvoud en goedheid. Het
was een schier bedroefde blik, dien zij van hem afwendde want hij zag
haar aan glanzend van gouden geluk, hopend....
Zij wilde spreken, zij kòn, zij mocht het niet: aan haar zwijgen hing
immers Unruochs leven of dood? O, wat zou hem dit leven zijn, zonder
haar? En toen herinnerde zij zich hoe haar moeder eens had gezegd:
„De christenen leven niet alleen voor deze aarde. Hun leuze luidt:
Excelsior! Worden ook zieleleed en smart hun niet bespaard, zij dragen
geduldig wat God hun bereidt, wetend, dat Hij alleen weet wat zij
behoeven en alle dingen doet medewerken ten goede.”
Op deze wijze veranderde iedere smart in zegen, en háár boog het leed
neer tot verpletterens toe. O, welk een groote kloof bestond er tusschen
Unruochs geloof en denkbeelden en de hare! Misschien was het wel goed
voor hem, ja, voor hèm, dat zij werden gescheiden. Hij zou een rijk
arbeidsveld vinden en haar vergeten, en zij....
Maar luid, met jubelenden koperklank schetterden horens en pauken, hoog
en hooger zwollen zang en lied, terwijl zij rondging door de hal,
getooid met de bruidskroon van maagdenpalm, aan haar vinger den gouden
ring, het bewijs, dat zij was verkocht aan hem, die haar nu voortleidde
aan zijn hand, gelijk hij dit zou doen door ’t leven.
Haar heer.... Onder zijn zwaard zou zij doorgaan en dan zou hij meester
wezen over haar leven of dood, hij zou haar opnieuw kunnen verkoopen....
Met moeite bedwong zij een snik. De leer der christenen gebood liefde en
trouw tusschen echtgenooten; bij de heidenen echter bestond de
verhouding van meester en slavin!.... Bittere, vernederende gedachte --
niet geheel bitterheid meer: Unruoch was gered, wat deed het er dan
verder toe. Te midden van den nacht die haar omgaf, de nacht harer
toekomst, werd het voor hem licht....
En ook om haar heen was het licht, gelijk schijn en wezen menigmaal zijn
vereenigd in het leven. Weer verhieven zich lied en snarenspel; over een
schaar van luidruchtige dischgenooten wierpen de flikkerende toortsen
hun wemelenden gloed. Swanwitha zag zich nu het middenpunt van ieders
aandacht; op het verhoogde gedeelte der zaal, waar de zilveren schotels
werden geplaatst voor den burchtheer, zat zij naast den onbekende, die
zou zijn „haar heil en haar heer”....
De kleine halfronde vensters waren geopend. Donker welfde zich de
avondhemel over het land, slechts enkele sterren flikkerden met gouden
tintelglans. Donker stonden de hooge dennen, hun takken bewogen zich
niet, alleen aan hun voet, daar waar de Eem een stroomlandschap vormde,
was het licht. Een witte, blinkende weg scheen het water, een weg, die
rechtstreeks voerde naar den Hohorst, waar ook het licht heerschte, ’s
levens licht van liefde en medegevoel voor anderer leed. O, waarom kwam
bisschop Ansfried niet, zooals hij had beloofd; nog was Unruoch niet
vrij gelaten....
„Mijn bruid” -- een stem met een lichte trilling in haar toon bracht
haar terug tot de werkelijkheid. „Hoezeer hoop ik, dat gij nooit met
droefheid terug zult denken aan dezen dag. Rolfr Jarl had mij u
toegezegd, maar ik wist niet, hoeveel mij werd geschonken, eer ik u
zag. Het is mij als ken ik u sinds lang, heel lang. Ben ik u een
vreemde?”
Ernstig zag zij hem aan.
„Verspil geen onnoodige woorden. Het was noodzaak: mijn grootvader heeft
u noodig voor plannen die ik niet geheel begrijp, maar wel vrees. Ik
gehoorzaamde zijn wil om”....
Hij zag haar aan verwonderd en verschrikt, zacht hernam hij:
„Ik hoop, dat gij eenmaal anders zult denken over dezen dag, later,
weldra, als ’t kan. Gij hebt gelijk, ik eisch te veel, maar geduldig zal
ik wachten tot gij mij vrijwillig geeft, wat gij mij nu niet kunt
schenken.”
Zij kon niet antwoorden -- het gaf haar een gevoel van verlichting --
want scherts en lach verstomden eensklaps. Met den hoogen, zilveren
drinkhoorn in de vuist was de gastheer opgerezen van zijn zetel.
Dringend tot in de verste hoeken, door de wanden hol weerkaatst, klonk
zijn stem:
„Ik groet u, vrienden en schildgenooten, van ver en nabij! Welkom in
mijn hal! Dappere gezellen van den bruidegom mijner kleindochter, weest
heil! Dank, dat gij hem verzelt op zijn bruidsvaart, die moge worden
besloten door een zegetocht, Thor ter eere, Odin tot onvergankelijk
heil! Gij weet het allen: wij staan op een keerpunt. Laat alzoo niet
onze woorden groot zijn, doch onze daden. Vermolmd liggen de heilige
tempels, vergruisd zijn de beelden der goden, de gewijde bronnen
verdroogd. Laat het niet wezen voor immer. Wijdt den Alvader uw leven,
de macht van uw zwaard, sticht hem een nieuw rijk en heerlijk zal hij u
eenmaal uw daden van kracht en moed vergelden in de eeuwige woonplaats
van goden en helden. Hier pleng ik den hoogen hoorn; hoort mijn gelofte:
Strijd zal het zijn, strijd en zege, Odin ter eere, zijn volk tot heil!
Zege na strijd!”
Oorverdoovende jubel gaf hem het antwoord. Het gelaat van den Jarl
gloeide. Zou hij bereiken eer de avond van zijn leven daalde, waarvoor
hij had gewerkt en gestreefd gedurende heel den tijd zijner mannelijke
kracht?
„De hooge held,
Hij waagt en wint
Of strijdt en sterft.
Hoog in ’t harnas,
Heft hij den heirbijl.
De vijanden vlieden,
De zege ziet hij:
Hem wuiven Walküren
In ’t weeldrig Walhalla
Het welkom toe
Aan Alvaders maal”....
De grijze Skald was opgesprongen bij de woorden -- een oproep ten
strijde gelijk -- van zijn heer. Nu stond hij rechtop in ’t midden der
hal, zijn oogen gloeiden, zijn hand greep in de snaren. Vol en krachtig
hief zijn stem den ouden krijgszang aan van zijn woest, onverschrokken
volk. Sneller joegen de polsen, hooger kleurden zich de wangen,
kletterend werden de zwaarden getrokken, vonken schenen zij te
schieten, het was of kleine vlammen dreigend zweefden boven hun
spitsen.
„Juichend valt hij
Voor zijn volk.
De hooge held!....
’t Zij strijd of zege!”
Donderend dreunde de fiere strijdkreet van het volk, dat lafhartigheid
schuwde als de grootste schande, sneuvelen in den slag hield voor de
hoogste eer.
Bloed en rouw, verdeeldheid en jammer riep hij op, die wilde krijgszang.
Doch wie dacht aan de ellende van den krijg: zij zagen de zege!...
„Mijn bruid, ik sticht u een koninkrijk!” Bedwelmd door zijn hartstocht,
haar woorden vergetend, bracht Olaf Swanwitha’s hand aan zijn lippen,
zijn oogen zochten opnieuw de hare. Hij ontmoette een blik vol
smeekenden angst.
„Vergeet gij dan geheel, hoe de zegevierende schildmaagden waden door
het bloed hunner slachtoffers? Dit volk heeft reeds zooveel geleden door
het geweld van het uwe. Sinds meer dan anderhalve eeuw is dit land een
woestenij. Thans beginnen de bewoners een weinig tot rust te komen. Er
wordt weer geploegd en gezaaid, herstelde hoeven verrijzen naast de
puinhopen der verbrande woningen, waarom wilt gij nieuwe rampen voegen
bij de oude wonden, die nog bloeden en schrijnen?”
Verwonderd zag hij haar aan. Hij was zelfzuchtig noch ongevoelig, maar
hij was een zoon van zijn volk. Stoute, jonge aanvoerder, gold
zwaardgekletter hem het meest, was een gevecht op leven en dood hem een
opwekkend spel. Doch ditmaal mengde zich een hooger denkbeeld tusschen
zijn plannen voor den komenden strijd. Het zweefde boven de gestrekte
speren, boven de dreigend opgeheven strijdaxten; hij ging de zegepraal
bevechten van een ideaal -- van het zijne. Want hij had hem lief, den
godsdienst uit het Noorden; hij vereerde Odin in zijn diepe wijsheid,
Thor, in zijn ongebreidelde kracht, Balder in zijn liefelijke zangen,
zijn daden edel en goed.
Voor hem waren de sagen en legenden, bijeenverzameld in de Edda,
voelbare, tastbare realiteit. Zij waren hem dierbaar de oude goden van
zijn volk, zijn ziel brandde in hem als hij hoorde en zag hoe ook de
zonen van ’t Noorden zich bogen voor de dienaren van het Evangelie, die
hun een nieuwen godsdienst predikten, het Christendom, dat eischte:
„Vergeeft uw broeder zeventigmaal zeven maal.... Wie het zwaard trekt
zal door het zwaard vergaan”....
Met een gevoel als hem overweldigt wiens ziel jarenlang werd verteerd in
vruchtelooze plannen en droomen, wanneer hij die vage wenschen
plotseling de vormen der werkelijkheid ziet aannemen, was hij deelgenoot
geworden der toekomstverwachtingen van Rolfr Jarl, hoewel soms de
gedachte hem huiveren deed, dat opnieuw bloed zou vloeien, veel bloed.
Een gedachte, die hij steeds even ras weer trachtte te verwerpen als
onwaardig en flauwhartig. En thans, nu de verwezenlijking dezer plannen
niet meer onmogelijk scheen, vroeg hem de eerste vrouw, die hij had
aangezien met de oogen van een man, vroeg hem zijn jonge bruid: „Hebt
gij ooit een stroom zien terugkeeren tot zijn oorsprong, ooit een
frisschen dronk geput uit een verdroogde wel? Wat verwacht gij dan?
Nooit werd op aarde wat is geweest. De harten zijn koud geworden voor
Odins leer, dien het volk in dit land vereerde onder den naam van Wodan.
Bijna allen zijn christenen. Zij hebben zoo zwaar geleden door de Denen,
die hem aanhangen. Eerst verfoeide het de Evangeliepredikers, later,
toen zij vrienden en verwanten zagen vallen door het zwaard van „Odins
zonen”, werd ook hier het martelaarsbloed de regen, die den akker van
het christendom vruchtbaar maakte.”
Het verbaasde Swanwitha zelf, dat zij zoo sprak. Het waren woorden, die
zij vroeger had gehoord, lang, lang geleden, vergeten sinds. Waarom
drongen de herinneringen aan haar kindsheid, met al de kleine voorvallen
uit dien tijd, zich in de laatste dagen opnieuw aan haar op, als met
verdubbelde kracht? Waarom? Zij had toch geknield voor Freya’s beeld,
naast haar grootmoeder, zoolang deze gezag over haar had. Waarom
dan?....
Doch zij voelde Olafs blik nog meer verschrikt dan verrast op haar
gelaat rusten. Zijn stem klonk: „Het doet mij zeer leed, dat gij zoo
denkt, onze wenschen en gevoelens komen weinig overeen. Ik hoop evenwel,
dat gij spoedig de mijne zult deelen. Als gij mijn vrouw zijt is dat uw
plicht, mijn recht het te verwachten. „De wil van den man is de wet der
vrouw,” zoo eischt het de Edda.”
Swanwitha huiverde, wanhoop sloop haar hart binnen. Haar blik rustte op
de breede, gouden armringen, die haar polsen omsloten. Het verbaasde
haar bijna, dat zij niet in boeien veranderden. Dwang naar lichaam en
naar ziel. Zij zweeg, zij moest: het gold Unruochs leven.
Een ruwe stem drong tot haar door, zij behoorde aan Sven Persen, een der
trouwste deelgenooten van Rolfr Jarls zwerftochten en een zijner
wreedste gezellen. Hij haatte iederen christen en had gehoord, wie in
vrijheid zou worden gesteld. Nu trad hij naar het bruidspaar.
„Reeds eer de oorlog ontvlamt is er kans, dat gij een anderen brand
ziet, edele Jarl! Wie beslist hoe spoedig het dak van den Ravenhorst zal
knappen en in vlammen opgaan boven uw hoofd? Men zegt, dat bisschop
Ansfried de opmerkzaamheid niet ongevallig was, die zijn pleegzoon der
edele Swanwitha schonk. En thans.... Wees heil, schoon bruidspaar!”
Hoffelijk hief hij den beker op en zijn oogen glinsterden als de dolk --
die het hart van een vijand zoekt. Hij kende den steeds gereeden argwaan
van Rolfr Jarl, wist hoe dien te wekken. Ook ditmaal bleek zijn
berekening juist.
„Wees gerust, Sven!” lachte hij honend. „Wij hebben hier een goeden
gijzelaar tegen die wraak. Als hij op den Ravenhorst een vuur ontsteekt,
zullen wij hem het gebraad leveren, door het lichaam van zijn geliefden
pleegzoon.”
„Heil onzen dapperen Jarl! Ik drink dezen hoorn op de vervulling van
zijn belofte!” barstte, onder schaterenden bijval Sven los.
Vrouw Sigrid wendde haast onmerkbaar het hoofd naar zijn zijde.
„Ga voort! Een enkel woord ter rechter tijd is meer waard dan een
redevoering.”
Hij bewoog veelbeteekenend de oogleden en weer klonk zijn harde lach:
„’t Is beter den eersten slag toe te brengen dan hem af te wachten, mijn
Jarl. Gij hebt Unruoch in uw macht, waarom stelt gij hem niet ten
voorbeeld aan uw tegenstanders? Dat brengt er den schrik in.”
„En de speerknechten en boogschutters van bisschop Ansfried voor den
Ravenhorst. Hij houdt ze in goede tucht en de sterkten, die hij bouwt om
het Sticht te beveiligen tegen de invallen der Denen, -- ha, ha! --
vermeerderen met ieder jaar.”
„Men beweert zelfs, dat ook op den Hohorst een wachttoren zal worden
opgericht, stellig om den Ravenhorst te beheerschen. De Hohorst ligt
hooger en is onbereikbaar door de drabbige Eem en het moeras aan den
anderen kant.”
Rolfr Jarl stiet een verwensching uit. Zijn oogen flikkerden dreigend.
Angstig kwam Swanwitha naderbij.
„Zeggen is gemakkelijker dan doen,” hitste hem nu de stem op van vrouw
Sigrid.
„Een lafaard brengt het soms verder dan een held. Terg daarom den
bisschop niet. Hij is de heer van den ganschen omtrek hier. Gij niet.
Bloedig zou hij zich wreken, vooral nu keizer Otto hem heeft beleend
met de bezittingen van graaf Walger.”
„Ik zal er hem gelegenheid voor geven!” schreeuwde de Jarl, rood van
drift. Zijn vuist beukte de tafel, kannen en bekers vielen om.
„Ik zal toonen, dat ik evenmin een lafaard ben, als vergelding vrees.
Peer en Lars” -- tot twee speerknechten; zij hielden de wacht bij de
deur -- „brengt den gevangene hier en zorgt, dat er op het lage hof een
vuur wordt aangelegd.”
„Grootvader, heer grootvader! Heb mededoogen, denk aan uw belofte! Wees
rechtvaardig, als gij zelf rechtvaardigheid van Odin verwacht!”
Met saamgeklemde handen en van angst vertrokken mond stond Swanwitha
voor hem, ook Olaf zag hem aan verbaasd, niet begrijpend.
„Ja, hem zal ik laten boeten voor de kuiperijen van dien graaf van
Teisterbant!” Dreigend klonk opnieuw de stem van Rolfr Jarl, toen hij
zich tot Olaf wendde.
„De Hohorst was met de omliggende heide, moeras en het eiland, dat wordt
gevormd door de Eem, opnieuw vervallen aan het rijk, door den dood van
zijn bezitter, die zonder erfgenamen stierf.
Beiden -- Ansfried de christen en ik, de Noorman, verzochten het land in
leen van den keizer en heer Otto schonk het den bisschop. Thans sticht
die er een kerk met een klooster, waaruit hij zijn leer wil laten
verspreiden door zijn zendelingen, hier, in dezen verwilderden uithoek,
gelijk hij mijn bezittingen durft noemen.
Voorwaar hij heeft den eersten slag toegebracht, niet ik. Ik oefen
slechts vergelding als ik mij wreek!”
Een ijskoude glimlach speelde om zijn lippen. „Ik begin een grooten
strijd, maar ik zal zegevieren,” spraken zij overmoedig.
Zou hij dat waarlijk? Hij streed in eigen kracht, voor eigen,
zelfzuchtige plannen.
Maar nu werd een jonge man binnengevoerd, wien boeien de polsen
omsloten, doch die het hoofd hield opgeheven. Kleurloos echter werd zijn
gelaat toen hij Swanwitha zag, getooid met den krans van maagdenpalm,
aan de zijde van een vreemde.
Vrouw Sigrid bemerkte het, zij wenkte haar kleindochter.
„Volg mij naar het vrouwenvertrek. Als de mannen recht spreken behooren
de vrouwen zich te verwijderen.”
„Recht?” Vol afschuw werd dit woord herhaald. Toen klonk het vast:
„Ik blijf.” En met een zonderlingen nadruk: „Het is heden mijn
verlovingsfeest.”
Vrouw Sigrid kende dien toon, zij had hem nog eens gehoord, lang te
voren. Zij drong niet verder aan. Met saamgeperste lippen in het strak
gelaat liet zij haar oogen door de hal glijden. Rolfr Jarl wendde zich
tot den gevangene, op wien hij neerzag onvermurwbaar, hard. Recht noch
plicht zouden invloed op hem bezitten, om het vonnis, dat hij ging
uitspreken, te verzachten.
„Gij zult alles ontkennen waarvan gij wordt beschuldigd, dat verwacht
ik niet anders,” ving hij aan.
Unruoch had zich hersteld. Onverschrokken, zich zijn goed recht bewust,
stond hij voor den geduchten Jarl.
„Wie zonder oorzaak gevangen werd gehouden, kan ook zonder reden worden
veroordeeld.”
Bedaard klonk zijn antwoord, met over de borst gekruiste armen richtte
hij den blik vast op zijn aanklager.
„Gij hebt mij eerst naar ’t leven gestaan en toen gij dit moest boeten
in den kerker, beproefd mijn kleindochter te onttrekken aan mijn gezag.
Ontken, dat gij haar hebt willen overhalen met u te vluchten. Gij zijt
gevonden in het vrouwenvertrek.”
De leugen was hier zoo behendig gekleed in ’t gewaad der waarheid, dat
Unruoch verward een oogenblik zweeg. Een rilling, die niets gemeen had
met de siddering der vrees, ging door zijn gansche gestalte.
„Ik heb gehandeld uit zelfverdediging, toen ik met u streed,” ving hij
aan. „Aanvaller was ik niet.” Toen zweeg hij.
Rolfr Jarl lachtte spottend. „Rein als versch gevallen sneeuw, ik heb
het reeds voorspeld. Blank en argeloos, in ieder opzicht. Welnu, ik
verheug mij met u, dat gij onschuldig wordt beticht. Onschuld is immers
een harnas waarop alle pijlen afstuiten.”
Met geweld bedwong Unruoch zich. Meedeelen wie hem zijn vlucht mogelijk
had gemaakt, zou Swanwitha bloot stellen aan iedere verdenking. Hij
zweeg. Uit de aanklacht van den Jarl begreep hij, dat deze hem wilde
veroordeelen.
„Waarom zal ik mij verzetten tegen een vonnis, dat reeds is geveld? Doe
wat u goeddunkt,” sprak hij kalm. Hij zou haar, die hem haar trouw
beloofde, om die te schenken aan een ander, geen wond toebrengen, dieper
dan het vlijmendste zwaard kon slaan.
Opmerkzaam had Olaf ieder zijner bewegingen gevolgd. Nu trad hij toe op
den Jarl.
„Ik houd hem niet zoo schuldig als hij schijnt. Zou het niet beter zijn
deze ondervraging op te schorten? ’t Is heden feest.”
Geërgerd zag Rolfr hem aan:
„Gij hebt gelijk. Ik zal een betere ondervraging aanwenden.”
Hij wendde zich tot de beide speerknechten, Unruochs wachters.
„Brengt hem naar den beul, laat hem folteren.”
Een driedubbele uitroep weerklonk.
Met een blik, gloeiend van verontwaardiging strekte Unruoch de hand uit:
„Meent gij mij tot een misdadiger te kunnen maken door mij als een
misdadiger te behandelen? Wees voorzichtig: uw vonnis zal op u zelven
terugvallen. Gij kunt mij martelen, dooden zelfs, maar een vonnis door
haat geveld, onteert niet.”
Bevend van toorn en verachting rustte zijn blik op Rolfr Jarl, iedere
ader op zijn voorhoofd was gezwollen, vlammend rood en doodelijk bleek
wisselden af op zijn trekken. Rolfr balde de vuist in stilte.
„De foltering zal uw tong minder los maken,” beet hij hem toe.
„Maar ik zal haar eerder afbijten dan een schuld bekennen, die ik niet
beging. Gij hebt mij naar ’t leven gestaan, mij zonder een schijn van
recht geworpen in uw kerker, gij moest hier staan op mijn plaats als
beschuldigde en indien er dan een veroordeeling werd uitgesproken, zou
het een rechtvaardig vonnis zijn.”
Slechts een enkele kreet van woede uitte Rolfr, een kreet snijdend als
een mes. Toen hief hij de hand op:
„Naar de pijnbank met hem.”
Maar Swanwitha’s gloeiende vingers omklemden zijn bevelend uitgestrekte
hand.
„Heb medelijden, wees rechtvaardig, laat hem vrij of ik beken zelf een
schuld, die ik nooit beging.”
Hij stiet haar van zich, hij schopte haar met den voet.
„Uit mijn oogen of ’k laat u van den omloop van den toren werpen.”
Overredend, ernstig klonk de stem van Olaf aan zijn andere zijde:
„Gij kunt hem breken, buigen niet: hij bezit de kracht van het recht.
Laat hem vrij.”
Rolfr Jarl werd wit van drift.
„In uw eigen belang geef ik u thans den raad: matig u! Nog zijt gij hier
geen heer en meester. Als gij u tegen mijn wil verzet, wordt gij dit
nooit.”
Olaf haalde de schouders op met een gebaar van minachting, dat Rolfr
bijna razend maakte.
„Ik zal nooit op bevel goedkeuren wat slecht is en laag.”
Vrouw Sigrid trad naar voren.
„Wat beduidt al dat geredetwist? Alleen het feit, dat die knaap onze
goden vervolgt, maakt hem reeds des doods schuldig. Behoort hij niet tot
de ridders van den bisschop, was hij niet meer dan eens -- dat weet gij
allen -- de aanvoerder der soudenieren, die werden uitgezonden om „de
overblijfselen van het heidendom uit te roeien”, naar het woord luidt
der christenpredikers, als zij soms, in een verborgen schuilhoek van het
woud, nog enkele landbewoners, die den goden getrouw bleven, geknield
vinden bij een gewijde, in de schaduw van den heiligen esch murmelende
bron?”
Het opzweepend woord viel in goeden grond:
„Hij moge het eerste voorbeeld zijn, voor al de christenen, die hem
zullen volgen in den dood! Weg met de aanbidders van den bleeken
Gekruiste! Zij varen naar Hel!”
In wilden roes herhaalde Olafs gevolg, met de Denen, die in dienst
stonden van Rolfr Jarl, deze wilde wraakgelofte. Sterk gevoelden zij
zich door hun aantal en de Vikingervloot naderde de kust.
„Ter dood met de christenen! Weg met bisschop Ansfried!”
Het wreede woord vond een holle echo in de muren der hal, de zwaarden
kletterden tegen de schilden, de speren werden geschud. Plotseling
verstomde het oorverdoovend geraas, dat Swanwitha ijskoud worden, vrouw
Sigrid welgevallig glimlachen deed. De deur was niet achter Unruoch
gesloten, thans ging zij geheel open, niemand der aanwezigen sloeg er
te midden der wilde opwinding acht op, eer zij den man zagen, die zijn
naam hoorde uitstooten in doodelijken haat, die in den kring trad zijner
vijanden, kalm als de rots te midden der schuimende zee.
Was het geen waan, geen zinsbegoocheling; stond hij daar inderdaad, van
wiens wijsheid en macht over de harten wonderdadige verhalen de rondte
deden, dien enkele tientallen vreesden maar honderden vereerden en
liefhadden? Zilveren lokken golfden hem over de schouders in weligen
overvloed, zijn oogen gleden door de hal en bleven toen rusten op den
heer van den Ravenhorst, die de zijne afwendde bij dien ernstig
waarschuwenden blik.
„Het is goed, dat ik thans hier ben gekomen, niet later. Ik dank mijn
God, die het juiste oogenblik voor mij koos.”
Rustig en waardig klonk de stem van den kerkvorst der christenen, als
een koraal, dat het bruisen overstemt der kokende branding. En ook hier
verstomde het oorverdoovend rumoer, onwillekeurig luisterden allen
zwijgend, toen hij voortging:
„Heden morgen klopte ik aan de poort van uw kasteel, Rolfr Jarl, ik
vroeg u te spreken.
„De Jarl heeft thans geen tijd. Hij jaagt met zijn gasten,” werd mij
geantwoord.
Ik keerde terug toen de middaggloed den zilveren ochtendnevel had
weggevaagd en verzocht om een onderhoud.
„De Jarl heeft heden geen tijd, hij viert het verlovingsfeest zijner
kleindochter,” luidde het wederwoord van den schildwacht. Ik wachtte
tot de avondschaduw zweefde boven de toppen der dennen, toen drong
opnieuw door het poortwinket mijn vraag:
„Leid mij tot uw heer.”
En als een donderslag klonk mij in de ooren:
„Wacht tot morgen, dan ziet gij hem bengelen aan den Noorderboom, over
wien de Jarl thans recht spreekt.”
Toen dacht ik aan Simson en hoe op zijn gebed voormalige reuzenkracht
hem werd hergeven. Ik bad als hij en het was of ook mij werd ingestort
duizendvoudige kracht. Mijn hand greep het winket der kleine zijpoort,
het slot week terug en toen het knarsend opensprong wist ik ook mijn
gebed verhoord.
Thans vraag ik echter u, Rolfr van den Ravenhorst, komt het u toe, een
onschuldige te vonnissen op deze wijze?”
„Redder uw eigen zaken, bisschop van Utrecht, en gun mij dezelfde
vrijheid.”
Schamper klonk het honend woord, waardig de weervraag:
„Wien dacht gij ’t meest te treffen, Unruoch of mij? Ik weet, dat gij
treffen kùnt.”
„Ondervind dat opnieuw.”
Rolfr hief zijn zwaard op tot een slag. Een blik vol verachting, afkeer
en ontsteltenis deed zijn arm weer zinken. Bisschop Ansfried had hem
niet met woorden gewaarschuwd, alleen met een blik, waarin
verontwaardiging beelden en schimmen opriep, ontzettende gebeurtenissen
hem terugvoerend naar het ver weleer.
Naar den tijd toen zij beiden jong waren en bloedsbroederschap dronken
aan het schitterend hof van keizer Otto den Groote....
Het was een dure, onverbrekelijke eed, dien zij aflegden en Rolfr schond
haar.
Dreef die wetenschap hem het bloed naar de slapen of bestond daar nog
een andere oorzaak?
Herinnerde hij zich een donkeren, stormachtigen nacht en las hij in den
blik van den grijzen kerkvoogd, dat hun gedachten elkaar ontmoetten, de
eene vol zieleleed, de andere vervuld van ’s levens grootste misdrijf:
de schuld?
„Mené, Mené Tekel Ufarsin!” De stem van den bisschop ging door merg en
been bij deze woorden en het was Rolfr of alle aanwezigen begrepen,
allen, allen.... Of begrepen zij alleen het zwijgend gebaar, waarmee de
spreker omhoog wees, omhóog en voelden zij de tegenstelling met het
tooneel, dat hen omgaf. Rolfr Jarl, die zijn kleindochter huwde door
dwang aan een onbekende, ter bereiking van eigen plannen, die haar,
getooid met de bruidskroon, dwong tegenwoordig te zijn bij het
doodvonnis, dat hij uitsprak over hem, dien zij lief had....
Neen, nog een ander gevoel sprak uit de bleeke, ernstige trekken van den
man, die voor hen stond, niet in het statig gewaad, dat het hoofd der
christenkerk voegde in zijn land, maar in het eenvoudige, zwarte
ordekleed, dat hem niet onderscheidde van den minste der broeders, die
als hij, in dienende liefde hun liefde wilden toonen voor den Heer.
Niet den kromstaf hield hij opgeheven als wilde hij hen, die iederen
hoogeren band verachtten, dwingen onder zijn gezag, maar zijn hand wees
omhoog, en zijn mond sprak de woorden, die zij eenmaal zouden hooren van
hun Eeuwigen rechter, indien zij niet de boeien braken, die hen
kluisterden aan wat vergankelijk was als hun vluchtig aardsch bestaan.
Zoo machtig was de uitdrukking van bisschop Ansfrieds door veel leed,
door veel gebed gewijde trekken, dat zelfs het minste gerucht zweeg.
Doodelijke stilte bleef heerschen in de hal, waar slechts enkele
oogenblikken vroeger de wanden dreunden van de instemming waarmee het
vonnis, over Unruoch uitgesproken, was herhaald.
Ook Rolfr Jarl stond met starende oogen, die in het verleden zagen,
wanneer zij rustten op den grijzen kerkvoogd, wiens tegenwoordigheid het
vernietigend oordeel was over zijn daden. Hij beproefde te spreken, hij
wilde zijn trots hernemen, en zijn bevelende houding; geen geluid drong
over zijn droge lippen: Want hij hoorde het loeien van den storm in den
donkeren nacht, lang, heel lang geleden. Hij hoorde het knetteren der
vlammen, die lekten naar de krakende balken van een hechten burcht, hij
vernam den gil vol doodsangst eener vrouw....
En te midden der stemmen uit het weleer, hoorde hij die van den bisschop
kalm doch beslist:
„Unruoch, volg mij. Niemand hier heeft het recht u te kerkeren of te
vonnissen.”
Een gebiedende wenk beval den speerknechten hem vrij te laten en zij
gehoorzaamden, bedwongen door zijn zedelijk overwicht. Een rauwe kreet
sneed door de ruimte als een mes.
„Vrij? Ik gelast u: grijpt beiden! Werpt ze in het verlies onder den
toren, den graaf van Teisterbant en zijn gunsteling!”
Wel dwaalde nog Rolfr’s geest in het verleden, terwijl hij voor het
heden zijn bevelen gaf. Een slag van zijn zwaard, dat hij nooit
ontgespte dreef de speerknechten voort.
„Grijpt ze!”
Een flauwe gil ontsnapte Swanwitha’s lippen, met oogen donker van angst
zag zij hoe het bevel werd gehoorzaamd.
„Doode honden bijten niet,” mompelde vrouw Sigrid. Zij wist hoe
verstikkend de lucht was in het onder de waterlijn gegraven verlies. Een
nieuwe opschudding ontstond, een kloeke gestalte wierp zich voor de
beide gevangenen, als wilde hij ze beschermen met eigen lijf. Met
bronzen klank dreunde de stem van Olaf:
„Ik eisch de vrijheid dezer beide mannen. Gebiedt niet Odin zelf:
„Eerbiedig den vreemdeling, die uw hal betreedt”? Is wat gij thans
oefent Noormannenrecht?”
„Olaf Erikson, gij oordeelt, waar gij niet begrijpt.”
„Ik begrijp, dat Odin zich zal wreken op u, die de wetten der vaderen,
het recht van den vreemdeling met dat der gastvrijheid schendt.”
Rolfr wilde een heftig antwoord geven, hij bedacht zich in tijds. Hij
kòn zich niet verzetten tegen Olaf, want zonder zijn bijstand vermocht
hij niets. Indien de vloot den steven wendde, waren al de kuiperijen van
zijn leven te niet gedaan. Het antwoord werd hem echter bespaard.
Plotseling verscheen opnieuw een onbekende in de hal. Wijd stiet hij de
breede deur open, zijn hand wees naar den donkeren hemel, waaraan alleen
de sterren een weinig licht gaven. „Wat spreekt gij van Odin, dat
wangedrocht uwer krankzinnige verbeelding? De overste der duivelen is
hij! Ziet hoe de Eeuwige u zal tuchtigen over uw verhardheid en
wangeloof! Aanschouwt Zijn vurige roede, hoog boven wolken en wind!
Knielt, buigt u voor Hem in het stof eer de ure der genade voorbij is!”
Allen herkenden broeder Johannes, een der jongste geestelijken van den
Hohorst. Zijn bleek, vermagerd gelaat gloeide van vervoering, zijn
ingezonken oogen staarden dwepend omhoog. Onwillekeurig volgde ieder
dien blik en de doodsverf der ontzetting gleed over het brons van menig
ruw gelaat, en veler hart hield bijna op te kloppen. In de looden
stilte, die thans rondsloop door de hal, ging de ademhaling zwaar der
feestgenooten, streed spanning met ontroering om den voorrang in hun
borst. Nameloos beangst voelden zich die licht ontvlambare, voor alles
wat onbegrijpelijk was ontvankelijke gemoederen.
„Heer, erbarm u onzer!” Broeder Johannes hief de armen op, als pleitend
om genade, en doffe, sidderende stemmen herhaalden zijn woorden met
radeloos, hijgend fluisteren. Het hoofd van menigen verharden krijger
boog zich in ootmoedig gebed; eer zij het zelf wisten knielden
boogschutter en speerknecht neer op de biezen, gestrooid tot afwering
der booze geesten. En zij herinnerden zich den tijd -- hoe ver af scheen
hij nu -- toen zij christenen waren, eer zij zich opnieuw wendden tot de
oude goden, op bevel van hun heer. Zou thans het oordeel over hen komen
van den God, Dien zij hadden verloochend en veracht? Strak werd hun blik
in het staren omhoog -- omhóog -- waar boven de donkere wolken fonkelde
het ontzettend teeken van den toorn der godheid, dat christen noch
heiden ooit aanschouwde zonder beklemmende vrees, zonder een angst, die
bij velen schier steeg tot waanzin. Zij zagen de dreigende ster met de
roede van vlammend licht, brandend, gloeiend als Gods heilige toorn. Het
was of allen zich de keel voelden toenijpen. Vage geruchten hadden reeds
lang de rondte gedaan, waren gegaan van mond tot mond, hier sidderend
aangehoord, dáar begroet met een ongeloovig schouderophalen. Geruchten
van verdelging en dood, van den ondergang der wereld, van het oordeel,
dat zou komen over het wilde, ruwe, elkander hatende, in elkanders bloed
plassende menschengeslacht.
Welk oordeel mocht dit met recht verwachten? Ging macht niet bijna bij
ieder boven recht? De aarde had éen groot slagveld geleken, zoover het
geheugen der levenden, de overleveringen uit vroegere eeuwen reikten,
zoover de schaarsche perkamentrollen of nog zeldzamer kronieken meldden,
geschreven door enkele stille denkers, die het tumult waren ontvlucht
der geweldige kampplaats, waarin de wereld scheen herschapen, voor de
stilte hunner eenzame denkerscel. Vorsten uit hetzelfde huis, zonen van
éen vader betwistten elkander de heerschappij; gedwongen of vrijwillig
streden de volken voor hun ware of vermeende rechten, geheele
landstreken vervullend met strijdgerucht en wapengekletter. Schonk een
weinig duurzame vrede verademing voor een korten tijd, dan traden
onderlinge veeten en geschillen in de plaats der groote veldslagen, dan
kwamen de Noormannen. Hun handen, hun stoutmoedige, dappere handen
dropen van het vergoten bloed, „goud en buit”, luidde hun eisch, waaraan
klem gaven de dreigend opgeheven zwaarden, de heirbijlen roodgekleurd --
door roestvlekken nooit.
Jammer en ellende, geweld en haat vervulden de wereld, zoolang reeds,
zoolang.... En thans zou zij worden verdelgd, zou de aarde weerkeeren
tot het niet, waaruit zij eenmaal werd geschapen. En de menschen -- hun
wachtte het oordeel over hun daden. Het oordeel!....
De nacht was donker, alleen de dreigende komeet fonkelde als het
vlammend lemmet des Heeren aan het hooge koepelgewelf der lucht, en
iedere andere ster verbleekte voor haar gloed.
Hol stak de nachtwind op, schril floot hij om den toren -- het klonk als
een noodkreet. Bij elke huilende vlaag ging een nieuwe schok door de
leden der aanwezigen; een vreemde ontroering overmeesterde zelfs Rolfr
Jarl.
Hij had nooit gehecht aan de bange toekomstvoorspellingen:
Het waren immers slechts christenpriesters uit verre, zuidelijke landen,
die boete en berouw predikten in de open lucht, die de straten vulden
met weegeroep en klaagzangen. Verachtelijk had hij meer dan eens
uitgeroepen: „Laat de christenen mijnentwege vergaan! Als Midzomer daar
is, zullen mijn dienstmannen, hun ros bij den teugel, den drinkhoorn
zwaaiend, springen over vuur en vlam. En de Skalden zullen in gloeienden
wedstrijd zangen aanheffen en liederen dichten ter eere van het
zonnevuurfeest van goden en helden”....
En thans vreesde hij, niet voor den dood, maar voor een plotseling
einde.
„Ik wil vallen als een held in het heetst van den slag, mijn goed zwaard
in de vuist. Dan voeren Walküren mij in Alvaders zaal; doch sterf ik den
stroodood zoo zink ik in Hel!”
Hij schudde zijn zwaard.
„Olaf, ga zelf, als snelle bode, de vloot tegemoet. Wijs haar den weg!
Het is tijd! Als wij moeten omkomen, laat het dan zijn naar heldenaard
en -wijs.”
Vergetend wie hem hooren kon had hij gesproken. Plotseling verstomde
hij.
Door het huilen van den wind drong een plechtige treurzang. Ontstoken
kaarsen wierpen een flauw schemerlicht. Op vertrokken aangezichten en
krampachtig gevouwen handen viel die ongewisse schijn. Hij gleed over
een lange rij van doodsbleeke menschen, mannen en vrouwen. Hun naakte
voeten sleepten zich met moeite voort; vele vrouwen hadden asch
gestrooid op haar ontwonden haren. Wankelend trok de stoet verder, de
sombere boetpsalm stierf weg in de donkere verte, maar door merg en been
drong nog eenmaal, door alle boetelingen eenstemmig aangeheven, de
sidderende klacht:
„Heer, erbarm u onzer! Neem weg uw gloeiend lemmet, getrokken tot
kastijding der wereld! Doe weg het teeken van Uw naderend oordeel: het
vurige zwaard. Heer, ontferm u! Zie onzen zielsangst en onzen nood!”
De stormwind joeg het grauwe wolkendak uiteen en door de ontstane
scheuren fonkelde opnieuw met onheilspellenden gloed het sterrenbeeld
buitengewoon stralend en helder als nooit te voren -- de vlammende
roede....
De menschen, die het zagen met oogen glasachtig in hun staren, klemden
zich met zenuwen gespannen tot het uiterste, versuft, rillend vast aan
elkaar. Waarde reeds de dood om hen heen? Vreesden zij reeds nu het
einde en -- het oordeel?
Het was bijna de geheele bevolking uit den omtrek, vrijen en hoorigen,
dooreengemengd zonder onderscheid, zich éen voelend in stijgenden angst
voor de vreeselijke ontknooping, die naderde, onverbiddelijk en snel.
Sommigen van hen waren christenen, Wodan vereerden anderen, de meesten
waren volkomen verwilderd door de ellende van den tijd. Zij hadden
alleen gedacht aan het heden, doch nu dit heden dreigde onder te gaan,
met de aarde waarvoor zij hadden geleefd, zochten zij naar een staf, die
hen ten steun was, waar alles om hen wankelde en zij klemden zich vast
aan het geloof, dat zij hadden veracht of vergeten.
Gevoerd door de evangeliepredikers uit het nederige kloostergebouw op
den Hohorst, trokken zij thans naar de kleine kerk, gesticht op de
plaats waar Rolfr Jarl nog slechts weinige maanden vroeger had geofferd
aan de voorvaderlijke goden. Nu was die plek het eigendom van den
bisschop der christenen -- tot zijn bedehuis vluchtten zij, met
wankelenden tred, met knieën knikkend van angst.
Het heftige bloed schoot Rolfr in het verweerde gelaat. Zou hij naast
zijn andere groote zwarigheden nog moeten kampen met een vijandige,
afvallige bevolking, waar hij had gerekend op haar hulp en steun? Ba!
het waren meest zijn hoorigen en de vrijen -- ook hen zou hij weten te
dwingen tot zijn wil.
Hij had nooit gehecht -- zonderling voor zijn tijd -- aan de
toevalligheden van het leven, thans echter begon hij die te duchten. Hij
zelf vreesde niet, maar het volk knielde en zong boetpsalmen....
De wind steeg tot een razenden storm. Wat klonk in zijn huilen? Wat?
„Laat de gevangenen vrij! Den bisschop en den jongen ridder voor wien
hij zijn leven waagde.... Om hem kwam hij hier. Hij vertrouwde het
heilige gastrecht!”....
Van verschillende zijden drong die bede, een eisch schier, tot hem
door. Klonk het in de dreigende stem van den loeienden storm? De
toortsen flikkerden, bijna uitgedoofd door den wind; zwiepend sloegen en
rammelden de luiken; het was of onzichtbare handen er aan rukten;
gordijnen waaiden fladderend breed uit; met angstigen schreeuw krasten
katuilen en uit de verte klonk flauw, nauw hoorbaar nog het klagend
„Miserere, Domine!”....
„Geef de gevangenen vrij! Laat hen gaan!”....
Nogmaals werd het gefluisterd, dringend, smeekend, doch nu wist hij, dat
het menschenstemmen waren, geen bevel werd hem gegeven op den adem van
den storm. Hij barstte uit in een snijdenden lach, alle beklemming van
zich schuddend.
„Lafaards zijt gij allen. Bang als kinderen voor een rukwind en een
staartster. Ik zal toonen, dat ik niet vrees. Sven en Jorgen, brengt de
gevangenen naar de folterkamer.”
„Geboren beul! Als gij niemand anders hadt, zoudt gij u zelven
folteren.”
Wie durfde dat mompelen? Wit van drift keerde hij zich om.
Maar, eer hij een bevel kon geven, dat een bevestiging zou zijn van het
verwijt, hem vol haat tegengeslingerd, hief Olaf de hand op,
waarschuwend.
„Rolfr Jarl! Thans geen geeseling met taaie roeden of een gloeiend
brandmerk op beide kaken! Het vonnis zou op u zelven terugvallen met het
brandmerk der schande, Rolfr Jarl! Ik vraag u nog eenmaal die mannen
vrij te laten heengaan uit uw hal. Is het Odin, die tot ons spreekt,
waarschuwend tot ons spreekt, door de vlammende roede hoog boven wolken
en wind; is het, als de christenen beweren, een teeken van hun God --
wie zal het beslissen? Wij dwalen in nevelen, donkerder dan die welke
bij nacht de aarde bedekken, zoekend, vragend weten wij, dat wij niets
weten. Wat is zien wij; maar wij weten niet wat geweest is, noch wat
komen zal”....
„Het geloof is een vaste grond der dingen, die men hoopt en een bewijs
der zaken, die men niet ziet.”
Wat bracht Swanwitha die woorden terug in het hart, in dit oogenblik?
Had zij die eens gehoord met de zachte stem harer moeder? Wat bezaten de
christenen veel, dat haar ontbrak!
Olaf streek zich met de hand over de oogen. Het was of ook hij helder
wilde zien. Op zijn eigenaardige, bedaarde wijze vervolgde hij:
„Voor mij is die vurige ster een teeken van Alvaders macht en
heerlijkheid, niet van zijn toorn. Ik hoor zijn stem in het razen van
den storm, zie zijn kracht in den wil, die den eik ontworteld neerwerpt.
Indien hij daarom deze menschen” -- hij wees met een handbeweging de
gevangenen aan -- „wil tuchtigen voor hun afval, bezit hij daartoe niet
de macht? Zie het teeken van die macht, in gloeiend schrift boven de
wolken. Laat daarom de gevangenen vrij. Meng u niet in zijn raad: Odin
wreekt zich zelven!”
„Odin wreekt zich zelven!” Schuwe stemmen herhaalden het, dringend,
smeekend, vol nameloozen angst. Rolfr Jarl begreep, dat hij tot toegeven
zou worden gedwongen, indien hij dit niet vrijwillig deed -- in schijn.
Wrevelig haalde hij de schouders op.
„Laat ze dan gaan! Làat ze dan gaan! Lafaards, zotten! Het zal je allen
te laat berouwen, warhoofden, gekken!”....
De sierlijke redevoering was nog niet ten einde, toen Olaf zich reeds
tot de gevangenen wendde.
„Men zal u paarden geven, ik zal er zorg voor dragen. Volgt mij naar
buiten!”
Maar hoog richtte bisschop Ansfried zich op, een bevel in zijn
doordringende oogen.
„Gij zijt niet de eigenaar van dit huis. Deze zelf behoort en zal mij
uitgeleide doen uit zijn hal. Zoo eischt het de zede der vaderen.”
Rolfr opende den mond, een heftig woord op de lippen. Zijn blik boorde
in dien van den bisschop en hij zweeg en ging hem voor. Want hij dacht
opnieuw aan het uur, waarin hij óók dien blik had gezien en weer legde
het verleden de hand op hem. Een huivering ging door zijn leden. Het was
een ongewone gewaarwording, die hij echter kon bedwingen, noch meester
worden. De wind bedaarde een weinig, grijze wolken bedekten den
sterrenschijn, ook de vurige schittering der vlammende roede. De laatste
tonen van den klaagzang waren langzaam weggestorven in het donkere
verschiet.
Onstuimig wendde de Jarl zich eensklaps tot den bisschop:
„Gij verdiendet te worden gegeeseld, wie schuld heeft, boet. Waarom
hebt gij het leen geëischt voor het bisdom?”
Weer bracht een blik hem tot zwijgen:
„Afweren van onrecht is een aan ieder door God verleend recht. Het is de
eenige wijze om zich en anderen te beschermen tegen daden, ingegeven
door zelfzucht en heerschzucht. Ik heb van dit recht gebruik gemaakt,
naar ik hoop tot zegen van velen.”
Rolfr sprak niet meer, het was hem of de duisternis en de wind den klank
der woorden voor hem herhaalden....