* * * * *
De meesten die over de aandoeningen en de levenswijze der
menschen geschreven hebben, schijnen niet over natuurlijke
dingen, welke de gewone wetten der Natuur volgen, doch over
dingen, welke buiten de Natuur staan te handelen. Ja, zij
schijnen den mensch in de Natuur te beschouwen als een
zelfstandigen staat binnen een anderen staat. Immers zij nemen
aan dat de mensch de orde der Natuur eer verstoort dan volgt, dat
hij volstrekte macht heeft over zijn handelingen en dat hij door
niets anders dan door zichzelf wordt bepaald. Voorts schrijven
zij de oorzaak der menschelijke moedeloosheid en
onstandvastigheid niet toe aan de gewone macht der Natuur, maar
aan ik weet niet welk gebrek in den menschelijken aard, dat zij
daarom bejammeren, bespotten, minachten, of, wat het meest
voorkomt, verdoemen. Wie het welsprekendst en het scherpst de
machteloosheid van den menschelijken Geest weet te hekelen, wordt
voor een soort van godheid gehouden. Nu heeft het wel niet
ontbroken aan zeer voortreffelijke mannen (aan wier arbeid en
ijver wij erkennen veel verschuldigd te zijn), die vele
uitmuntende dingen geschreven hebben over de juiste manier van
leven en die den stervelingen vele wijze raadgevingen hebben
voorgehouden, maar niemand heeft nog, voorzoover ik weet, den
aard en de macht der aandoeningen en wat de Geest vermag tot hun
tempering, onderzocht en vastgesteld. Ik weet wel dat de zoo
beroemde Cartesius [Descartes], al meende hij dan ook dat de
Geest een volstrekte macht over zijn handelingen bezit, toch
getracht heeft de menschelijke aandoeningen uit hun eerste
oorzaken te verklaren en tevens den weg aan te wijzen waarop de
Geest een volstrekte heerschappij over die aandoeningen zou
kunnen verkrijgen; maar volgens mìjn gevoelen althans, heeft hij
hiermede niets anders bewezen dan de scherpte van zijn eigen
groot vernuft, gelijk ik te zijner plaatse zal aantoonen. Voor
het oogenblik toch wil ik terugkeeren tot hen die de aandoeningen
en handelingen der menschen liever verfoeien en bespotten dan
begrijpen. Het zal dezen lieden zonder twijfel verwonderlijk
toeschijnen dat ik het onderneem de gebreken en dwaasheden der
menschen volgens meetkundige methode te behandelen en dat ik in
strenge redeneering dingen wil bewijzen, welke, naar zij luide
beweren, met de Rede in strijd, ongerijmd en afschuwelijk zijn.
Doch de reden, welke ik hiervoor heb is deze: Niets geschiedt er
in de Natuur dat aan een gebrek van haarzelf zou kunnen worden
toegeschreven. De Natuur toch is steeds dezelfde en overal ook
zijn haar kracht en macht dezelfde, d.w.z. de wetten en regelen
der Natuur, volgens welke alles geschiedt en van den eenen vorm
in den andere overgaat, zijn altijd en overal dezelfde. Derhalve
moet ook de aard van alle dingen, welke ook, uit éénzelfde
beginsel worden verklaard, namelijk uit de algemeen geldige
wetten en regelen der Natuur. Aandoeningen als haat, toorn, nijd
enz. moeten dus, op zichzelf beschouwd, uit dezelfde
noodwendigheid en dezelfde macht der Natuur voortvloeien, als de
overige bijzondere dingen; zij moeten dus bepaalde oorzaken
hebben waaruit zij verklaard kunnen worden en bepaalde
eigenschappen, welke evenzeer onze kennisneming waard zijn als de
eigenschappen van welk ander ding ook, welks beschouwing ons op
zichzelf reeds genot schenkt. Ik zal dus over den aard en de
werking der aandoeningen en de heerschappij van den Geest over
hen volgens dezelfde methode spreken als ik dit in de
voorafgaande Deelen deed over God en den Geest, en de
menschelijke handelingen en begeerten op dezelfde wijze
beschouwen alsof er sprake was van lijnen, vlakken of lichamen.