III. OVER OORSPRONG EN AARD DER AANDOENINGEN

* * * * *

De meesten die over de aandoeningen en de levenswijze der

menschen geschreven hebben, schijnen niet over natuurlijke

dingen, welke de gewone wetten der Natuur volgen, doch over

dingen, welke buiten de Natuur staan te handelen. Ja, zij

schijnen den mensch in de Natuur te beschouwen als een

zelfstandigen staat binnen een anderen staat. Immers zij nemen

aan dat de mensch de orde der Natuur eer verstoort dan volgt, dat

hij volstrekte macht heeft over zijn handelingen en dat hij door

niets anders dan door zichzelf wordt bepaald. Voorts schrijven

zij de oorzaak der menschelijke moedeloosheid en

onstandvastigheid niet toe aan de gewone macht der Natuur, maar

aan ik weet niet welk gebrek in den menschelijken aard, dat zij

daarom bejammeren, bespotten, minachten, of, wat het meest

voorkomt, verdoemen. Wie het welsprekendst en het scherpst de

machteloosheid van den menschelijken Geest weet te hekelen, wordt

voor een soort van godheid gehouden. Nu heeft het wel niet

ontbroken aan zeer voortreffelijke mannen (aan wier arbeid en

ijver wij erkennen veel verschuldigd te zijn), die vele

uitmuntende dingen geschreven hebben over de juiste manier van

leven en die den stervelingen vele wijze raadgevingen hebben

voorgehouden, maar niemand heeft nog, voorzoover ik weet, den

aard en de macht der aandoeningen en wat de Geest vermag tot hun

tempering, onderzocht en vastgesteld. Ik weet wel dat de zoo

beroemde Cartesius [Descartes], al meende hij dan ook dat de

Geest een volstrekte macht over zijn handelingen bezit, toch

getracht heeft de menschelijke aandoeningen uit hun eerste

oorzaken te verklaren en tevens den weg aan te wijzen waarop de

Geest een volstrekte heerschappij over die aandoeningen zou

kunnen verkrijgen; maar volgens mìjn gevoelen althans, heeft hij

hiermede niets anders bewezen dan de scherpte van zijn eigen

groot vernuft, gelijk ik te zijner plaatse zal aantoonen. Voor

het oogenblik toch wil ik terugkeeren tot hen die de aandoeningen

en handelingen der menschen liever verfoeien en bespotten dan

begrijpen. Het zal dezen lieden zonder twijfel verwonderlijk

toeschijnen dat ik het onderneem de gebreken en dwaasheden der

menschen volgens meetkundige methode te behandelen en dat ik in

strenge redeneering dingen wil bewijzen, welke, naar zij luide

beweren, met de Rede in strijd, ongerijmd en afschuwelijk zijn.

Doch de reden, welke ik hiervoor heb is deze: Niets geschiedt er

in de Natuur dat aan een gebrek van haarzelf zou kunnen worden

toegeschreven. De Natuur toch is steeds dezelfde en overal ook

zijn haar kracht en macht dezelfde, d.w.z. de wetten en regelen

der Natuur, volgens welke alles geschiedt en van den eenen vorm

in den andere overgaat, zijn altijd en overal dezelfde. Derhalve

moet ook de aard van alle dingen, welke ook, uit éénzelfde

beginsel worden verklaard, namelijk uit de algemeen geldige

wetten en regelen der Natuur. Aandoeningen als haat, toorn, nijd

enz. moeten dus, op zichzelf beschouwd, uit dezelfde

noodwendigheid en dezelfde macht der Natuur voortvloeien, als de

overige bijzondere dingen; zij moeten dus bepaalde oorzaken

hebben waaruit zij verklaard kunnen worden en bepaalde

eigenschappen, welke evenzeer onze kennisneming waard zijn als de

eigenschappen van welk ander ding ook, welks beschouwing ons op

zichzelf reeds genot schenkt. Ik zal dus over den aard en de

werking der aandoeningen en de heerschappij van den Geest over

hen volgens dezelfde methode spreken als ik dit in de

voorafgaande Deelen deed over God en den Geest, en de

menschelijke handelingen en begeerten op dezelfde wijze

beschouwen alsof er sprake was van lijnen, vlakken of lichamen.

Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen · 第 38 / 59 题