VEREISCHTEN (Postulaten)

I. Het menschelijk lichaam bestaat uit tal van enkeldingen (van

verschillenden aard), elk waarvan op zijn beurt uiterst

samengesteld is.

II. Van de enkeldingen, uit welke het menschelijk Lichaam is

samengesteld, zijn sommige vloeibaar, andere week en weer andere

tenslotte hard.

III. De enkeldingen die het menschelijk Lichaam samenstellen en

bijgevolg het menschelijk Lichaam zelf, ondervinden op tal van

wijzen inwerking van voorwerpen er buiten.

IV. Het menschelijk Lichaam heeft, om te blijven bestaan, tal van

andere voorwerpen noodig, waardoor het als het ware voortdurend

herboren wordt.

V. Wanneer een vloeibaar deel van het menschelijk Lichaam door

een uitwendig voorwerp genoodzaakt wordt, herhaaldelijk met een

ander, week gedeelte in aanraking te komen, wijzigt het het

oppervlak van dit laatste en drukt het er als het ware zekere

sporen van het uitwendige, er tegen aanbotsende voorwerp in af.

VI. Het menschelijk Lichaam kan uitwendige voorwerpen op tal van

wijzen in beweging brengen en op tal van wijzen op hen inwerken.

_Stelling XIV._

De menschelijke Geest is in staat om zeer veel in zich op te

nemen, en hij is daartoe des te geschikter, naarmate zijn Lichaam

op meer wijzen inwerkingen ondergaan kan.

_Bewijs._

Het menschelijk Lichaam toch ondergaat (_vlg. Postulaat III en

VI_) op tal van wijzen inwerkingen van uitwendige voorwerpen en

is zelf genoodzaakt op tal van wijzen op uitwendige voorwerpen in

te werken.

Maar de menschelijke Geest moet (_vlg. St. XII v.d. D._) al wat

in het menschelijk Lichaam plaats grijpt gewaarworden. Derhalve

is de menschelijke Geest in staat om zeer veel in zich op te

nemen en is hij daartoe des te geschikter enz. H.t.b.w.

_Stelling XV._

De voorstelling welke het werkelijke zijn van den menschelijken

Geest uitmaakt, is niet eenvoudig, maar uit tal van

voorstellingen samengesteld.

_Bewijs._

De voorstelling welke het werkelijke zijn van den menschelijken

Geest uitmaakt is (_vlg. St. XIII v.d. D._) de voorstelling van

het Lichaam, dat (_vlg. Postulaat I_) uit zeer vele uiterst

samengestelde individuen gevormd wordt. Van elk dier individuen

echter, welke het Lichaam samenstellen bestaat (_vlg. Gevolg St.

VIII v.d. D._) noodzakelijk een voorstelling in God. Derhalve is

(_vlg. St. VII v.d. D._) ook de voorstelling van het menschelijk

Lichaam uit deze zeer vele voorstellingen der samenstellende

deelen samengesteld. H.t.b.w.

_Stelling XVI._

De voorstelling van iedere wijze waarop het menschelijk Lichaam

inwerking van uitwendige voorwerpen ondergaat, moet den aard van

het menschelijk Lichaam zelf en tevens den aard van het

uitwendige voorwerp in zich sluiten.

_Bewijs._

Alle wijzen immers waarop een of ander lichaam inwerkingen kan

ondergaan, vloeien voort uit den aard van dit lichaam zelf en

tevens uit den aard van het inwerkende voorwerp (_vlg. Axioma I

na Hulpst. III_). Vandaar dat (_vlg. Axioma IV D. I_) hun

voorstelling ook noodzakelijk den aard van beide lichamen moet

insluiten. Derhalve moet de voorstelling van iedere wijze, waarop

het menschelijk Lichaam inwerking van uitwendige voorwerpen

ondergaat, zoowel den aard van het menschelijk Lichaam zelf als

dien van het er op inwerkende uitwendige voorwerp in zich

sluiten. H.t.b.w.

_Gevolg I:_ Hieruit volgt ten eerste dat de menschelijke

Geest tegelijk met den aard van zijn eigen Lichaam, ook

dien van zeer vele andere voorwerpen waarneemt.

_Gevolg II:_ Ten tweede volgt er uit dat de

voorstellingen welke wij van uitwendige voorwerpen

hebben, meer den toestand van ons eigen Lichaam dan den

aard dien uitwendige voorwerpen weergeven, hetgeen ik in

het Aanhangsel van Deel I reeds met vele voorbeelden heb

toegelicht.

_Stelling XVII._

Indien het menschelijk Lichaam inwerking ondervindt op een wijze

welke den aard van eenig uitwendig voorwerp in zich sluit,

beschouwt de menschelijke Geest dìtzelfde uitwendige voorwerp als

werkelijk bestaande, ofwel als aanwezig, totdat het Lichaam een

indruk ontvangt welke het bestaan of de aanwezigheid van het

bedoelde voorwerp uitsluit.

_Bewijs._

Dit spreekt vanzelf. Immers zoolang het menschelijk Lichaam een

dergelijke inwerking ondergaat, zal (_vlg. St. XII v.d. D._) de

menschelijke Geest dezen lichaamsindruk waarnemen, d.w.z. (_vlg.

de voorgaande St._): zoolang zal hij een voorstelling hebben van

een werkelijk bestaande inwerking welke den aard van het

uitwendige voorwerp in zich sluit, dat is dus een voorstelling,

welke het bestaan of de aanwezigheid van den aard van het

uitwendige voorwerp niet uitsluit maar juist onderstelt. Derhalve

zal de Geest (_vlg. Gevolg I der voorgaande St._) dit uitwendige

voorwerp als werkelijk bestaande of als aanwezig beschouwen,

totdat hij enz. H.t.b.w.

_Gevolg:_ De Geest kan uitwendige voorwerpen, waarvan het

menschelijk Lichaam eens de inwerking onderging, ofschoon

zij niet langer aanwezig zijn noch bestaan, toch als

aanwezig beschouwen.

_Bewijs._

Wanneer uitwendige voorwerpen de vloeibare deelen van het

menschelijk Lichaam noodzaken herhaaldelijk met andere,

weeke, in aanraking te komen, veranderen zij (_vlg.

Postulaat V_) het oppervlak daarvan. Het gevolg hiervan

is (_zie. Axioma II na Gevolg v. Hulpst. III_) dat zij

vandaar op een andere wijze worden teruggekaatst dan zij

vroeger plachten en dat zij ook later, wanneer zij uit

eigen beweging tegen die nieuwe oppervlakken stooten, op

dezelfde wijze worden teruggekaatst als toen zij door die

uitwendige voorwerpen tegen die oppervlakken werden

aangedreven, en dat zij bijgevolg op het menschelijk

Lichaam, doordat zij aldus teruggekaatst hun beweging

voortzetten, op dezelfde wijze inwerken. Hierover zal nu

de geest (_vlg. St. XII v.d. D._) wederom nadenken,

d.w.z. (_vlg. St. XVII v.d. D._): de Geest zal wederom

het uitwendige voorwerp als aanwezig beschouwen en dat

wel even dikwijls als de vloeibare deelen van het

menschelijk Lichaam uit eigen beweging tegen die

oppervlakken aandringen. Vandaar dat de Geest,

niettegenstaande de uitwendige voorwerpen, waarvan het

menschelijk Lichaam eens de inwerking onderging, niet

langer bestaan, ze toch even dikwijls als aanwezig

beschouwt als deze werking des Lichaams zich herhaalt.

H.t.b.w.

_Opmerking:_ Wij zien hieruit hoe het mogelijk is dat wij

dingen die niet bestaan toch als aanwezig kunnen

beschouwen, gelijk dikwijls geschiedt. Het kan nu wel

zijn dat dit ook nog andere oorzaken heeft, maar het is

mij genoeg er ééne te hebben aangetoond, waardoor ik deze

zaak even goed kon verklaren als wanneer ik haar

volledige[A39] oorzaak had blootgelegd.

Overigens geloof ik dat ik niet ver van de waarheid af

ben, aangezien alle postulaten die ik aannam haast niets

bevatten wat niet krachtens ervaring vaststaat, aan welke

ervaring wij niet meer kunnen twijfelen sinds wij bewezen

hebben dat het menschelijk Lichaam zóó als wij er ons van

bewust zijn, werkelijk bestaat (_zie Gevolg v. St. XIII

v.d. D._). Bovendien begrijpen wij thans duidelijk (_vlg.

Gevolg d. voorg. St. en Gevolg II v. St. XVI v.d. D._)

wat het verschil is tusschen de voorstelling van

bijvoorbeeld Petrus, welke het wezen van Petrus' eigen

geest uitmaakt en tusschen de voorstelling van

dienzelfden Petrus welke bij een ander mensch, zeg

Paulus, bestaat. De eerste toch openbaart onmiddellijk

het wezen van het lichaam van Petrus zelf en sluit

slechts zoolang als Petrus zelf bestaat, het bestaan in

zich; terwijl de laatste meer den toestand van Paulus'

lichaam danwel Petrus' aard doet kennen, zoodat dan ook

Paulus' geest, zoolang die toestand van zijn lichaam

voortduurt, Petrus als aanwezig kan beschouwen, ook al

bestaat deze niet meer.

Wij zullen voortaan, om ons aan het spraakgebruik te

houden, die indrukken van het menschelijk Lichaam, welker

voorstellingen ons uitwendige voorwerpen als aanwezig

doen zien, "_beelden_"[A16] der dingen noemen, hoewel zij

eigenlijk nìet de gedaante der dingen zelf weergeven. En

wanneer de Geest de voorwerpen op deze wijze beschouwt

zullen wij zeggen dat hij ze zich verbeeldt. Ik zou nu

hier, om alvast aan te duiden wat dwaling is, willen doen

opmerken dat de verbeeldingen van den Geest op zichzelf

beschouwd geenerlei dwaling bevatten, ofwel dat de Geest

nìet dwaalt omdat hij zich iets verbeeldt, doch alleen

voorzoover hem daarbij de voorstelling ontbreekt welke

het bestaan der dingen, welke hij zich als aanwezig

denkt, uitsluit. Immers indien de geest, terwijl hij zich

nietbestaande dingen als aanwezig verbeeldt,

tegelijkertijd wist dat deze dingen niet werkelijk

bestonden, zoo zou hij zulk een verbeeldingskracht

terecht als een deugd en niet als een gebrek beschouwen,

vooral indien deze verbeeldingskracht alleen van zijn

eigen aard afhing, d.w.z. (_vlg. Definitie VII D. I_)

indien deze verbeeldingskracht van den Geest een vrij

vermogen was.

_Stelling XVIII._

Indien het menschelijk Lichaam eenmaal van twee of meer

voorwerpen tegelijk inwerking onderging, zal de Geest, wanneer

hij zich later een dier voorwerpen verbeeldt, zich ook terstond

de andere herinneren.

_Bewijs._

De Geest verbeeldt zich (_vlg. Gevolg d. voorg. St._) een of

ander voorwerp doordat het menschelijk Lichaam van de sporen van

een uitwendig voorwerp dezelfde inwerking ondervindt als toen

enkele zijner deelen met dit uitwendig voorwerp zelf in aanraking

kwamen. Maar de toestand van het Lichaam was toen (_vlg. het

onderstelde_) zoodanig dat de Geest zich toen twee voorwerpen

tegelijk verbeeldde [voorstelde][A16] en daarom zal hij zich ook

nu twee voorwerpen tegelijk verbeelden en zal de Geest zich, waar

hij zich één van beide verbeeldt, terstond ook het andere

herinneren. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Wij begrijpen nu duidelijk wat _Herinnering_

is. Zij is namelijk niets anders dan een zekere

aaneenschakeling van voorstellingen welke den aard van

dingen die buiten het menschelijk Lichaam bestaan in zich

sluiten, welke aaneenschakeling in den Geest beantwoordt

aan de orde en aaneenschakeling der inwerkingen op het

menschelijk Lichaam. Ik zeg _ten eerste_, dat zij slechts

een aaneenschakeling is van voorstellingen welke den aard

van dingen die buiten het menschelijk Lichaam bestaan in

zich sluiten; niet echter van voorstellingen welke den

aard dier dingen verklarend doen kennen. Immers zij zijn

in werkelijkheid (_vlg. St. XVI v.d. D._) slechts

voorstellingen van inwerkingen op het menschelijk

Lichaam, welke zoowel den aard van dit als dien der

uitwendige voorwerpen in zich sluiten. Ik zeg _ten

tweede_ dat deze aaneenschakeling beantwoordt aan de orde

en aaneenschakeling der inwerkingen op het menschelijk

Lichaam, om haar te onderscheiden van die

aaneenschakeling van voorstellingen welke beantwoordt aan

de orde des verstands [de regelen van het denken]

waardoor de Geest de dingen in hun eerste oorzaken

begrijpt en welke bij alle menschen dezelfde is. Voorts

kunnen wij nu duidelijk begrijpen waardoor de Geest van

de gedachte aan een of andere zaak onmiddellijk op die

eener andere zaak, welke geenerlei gelijkenis met de

eerste heeft, kan overgaan. Zoo komt bijvoorbeeld een

Romein door de gedachte aan den klank "pomus" [appel]

dadelijk op die van een vrucht, welke geenerlei

gelijkenis heeft met dien geartikuleerden klank en er

niets anders mede gemeen heeft dan dat het lichaam van

dien man herhaaldelijk van beide inwerking onderging.

D.w.z. dat die man dikwijls het woord appel hoorde

terwijl hij de vrucht zelf voor zich zag. En zoo komt elk

van de eene gedachte op de andere, al naar gelang eens

ieders gewoonte de beelden der dingen in zijn lichaam

heeft gerangschikt.

_Stelling XIX._

De menschelijke Geest kent het eigen menschelijk Lichaam niet en

weet niet anders van zijn bestaan, dan alleen door de

voorstellingen der inwerking welke het Lichaam ondergaat.

_Bewijs._

De menschelijke Geest immers is (_vlg. St. XIII v.d. D._) zelf

een voorstelling of kennis van het menschelijk Lichaam, welke

(_vlg. St. IX v.d. D._) in God bestaat, schoon alleen voorzoover

hij [God] beschouwd wordt als tevens vervuld van de voorstelling

van andere bijzondere dingen. Ofwel, aangezien (_vlg. Postulaat

IV_) het menschelijk Lichaam tal van andere voorwerpen behoeft

waaruit het voortdurend als het ware wordt herboren; en aangezien

de orde en aaneenschakeling der voorstellingen (_vlg. St. VII

v.d. D._) dezelfde is als de orde en aaneenschakeling der

oorzaken, zal deze voorstelling in God bestaan voorzoover hij

beschouwd wordt als vervuld van de voorstellingen van tal van

bijzondere dingen. God heeft dus een voorstelling van het

menschelijk Lichaam, voorzoover hij vervuld is van tal van andere

voorstellingen en niet voorzoover hij het wezen van den

menschelijken Geest uitmaakt. D.w.z. (_vlg. Gevolg v. St. XI v.d.

D._) de menschelijke Geest kent het eigen menschelijk Lichaam

niet. Maar de voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk

Lichaam bestaan wel in God voorzoover hij het wezen van den

menschelijken Geest uitmaakt, ofwel de Geest neemt deze

inwerkingen waar (_vlg. St. XII v.d. D._) en bijgevolg (_vlg. St.

XVI v.d. D._) neemt hij het menschelijk Lichaam waar, en dat wel

(_vlg. St. XVII v.d. D._) zóó als het werkelijk bestaat en

slechts in zoover dus neemt de menschelijke Geest het eigen

menschelijke Lichaam waar. H.t.b.w.

_Stelling XX._

Ook van den menschelijken Geest bestaat in God een voorstelling

of wel kennis, welke op dezelfde wijze uit God voortvloeit en met

hem in verband staat als de voorstelling of kennis van het

menschelijke Lichaam.

_Bewijs._

Het Denken is (_vlg. St. I v.d. D._) een attribuut Gods en

derhalve moet er (_vlg. St. III v.d. D._) zoowel van dit

attribuut als van al zijn openbaringen, en bijgevolg ook (_vlg.

St. XI v.d. D._) van den menschelijken Geest, noodzakelijk in God

een voorstelling bestaan. Voorts volgt hieruit nìet dat deze

voorstelling of kennis van den Geest in God bestaat voorzoover

hij oneindig is, maar slechts voorzoover hij vervuld is van

andere voorstellingen van bijzondere dingen (_vlg. St. IX v.d.

D._). Maar de orde en aaneenschakeling der voorstellingen zijn

(_vlg. St. VII v.d. D._) dezelfde als de orde en aaneenschakeling

der oorzaken. Derhalve vloeit deze voorstelling of kennis van den

menschelijken Geest in God op dezelfde wijze uit hem voort en

staat zij op dezelfde wijze met hem in verband als de

voorstelling of kennis van het menschelijk Lichaam. H.t.b.w.

_Stelling XXI._

Deze voorstelling omtrent den Geest [in God] is op dezelfde wijze

met den Geest vereenigd als de Geest zelf vereenigd is met het

Lichaam.

_Bewijs._

Dat de Geest met het Lichaam vereenigd is hebben wij bewezen uit

het feit dat het Lichaam het voorwerp is van den Geest (_zie St.

XII en XIII v.d. D._). Om dezelfde reden moet derhalve de

voorstelling omtrent den Geest [in God] met háár voorwerp, d.w.z.

met den Geest zelf, vereenigd zijn en wel op dezelfde wijze als

de Geest zelf vereenigd is met het Lichaam. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Deze stelling zal men nog veel duidelijker

begrijpen uit hetgeen in de Opmerking bij Stelling VII

van dit Deel gezegd werd. Daar immers hebben wij

aangetoond dat de voorstelling van het Lichaam en het

Lichaam zelf, d.w.z. (_vlg. St. XIII v.d. D._) de Geest

en het Lichaam, één en hetzelfde enkelding zijn, dat nu

eens wordt beschouwd als openbaring van het attribuut des

Denkens, dan weer als openbaring van dat der

Uitgebreidheid. Daarom is ook de voorstelling omtrent den

Geest [in God] en de Geest zelf één en dezelfde zaak, nu

beschouwd onder hetzelfde attribuut, namelijk het Denken.

De voorstelling omtrent den Geest en de Geest zelf,

moeten dus, beweer ik, beide met dezelfde noodwendigheid

en krachtens hetzelfde vermogen tot denken, in God

bestaan. Inderdaad toch is de voorstelling omtrent den

Geest, d.w.z. de voorstelling eener voorstelling, niets

anders dan een vorm van voorstelling, voorzoover zij als

openbaring van Denken zonder eenige betrekking tot een

voorwerp wordt opgevat. Zoodra iemand iets weet, weet hij

door dit feit zelf dàt hij het weet en weet hij tevens

dat hij weet dat hij het weet, en zoo tot in het

oneindige. Doch hierover later.

_Stelling XXII._

De menschelijke Geest neemt niet alleen de inwerkingen op het

Lichaam, maar ook de voorstellingen dier inwerkingen waar.

_Bewijs._

De voorstellingen omtrent de voorstellingen der inwerkingen [op

het Lichaam] volgen in God op dezelfde wijze en staan tot hem in

dezelfde betrekking als de voorstellingen zelf dier inwerkingen;

hetgeen op dezelfde wijze bewezen wordt als Stelling XX van dit

Deel. Maar de voorstellingen der inwerkingen op het Lichaam

bestaan in den menschelijken Geest (_vlg. St. XII v.d. D._)

d.w.z. (_vlg. Gevolg St. XI v.d. D._) zij bestaan in God

voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt.

Derhalve zullen de voorstellingen omtrent deze voorstelling in

God bestaan voorzoover hij een voorstelling of kennis van den

menschelijken Geest heeft, d.w.z. (_vlg. St. XXI v.d. D._) in den

menschelijken Geest zelf, welke dus niet alleen de inwerkingen op

het Lichaam, maar ook de voorstellingen daarvan waarneemt.

H.t.b.w.

_Stelling XXIII._

De Geest kent zichzelf niet dan voorzoover hij de voorstellingen

der inwerkingen op het Lichaam waarneemt.

_Bewijs._

De voorstelling of kennis omtrent den Geest volgt in God (_vlg.

St. XX v.d. D._) op dezelfde wijze en staat tot hem in dezelfde

betrekking als de voorstelling of kennis omtrent het Lichaam.

Maar aangezien (_vlg. St. XIX v.d. D._) de menschelijke Geest het

eigen menschelijk Lichaam niet kent; d.w.z. aangezien (_vlg. St.

XI v.d. D._) de kennis van het menschelijk Lichaam God niet eigen

is voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt,

is ook de kennis omtrent den Geest God niet eigen voorzoover hij

het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt en kent derhalve

(_vlg. hetzelfde Gevolg v. St. XI v.d. D._) de menschelijke Geest

ook in zoover zichzelf niet. Voorts sluiten (_vlg. St. XVI v.d.

D._) de voorstellingen der inwerkingen welke het menschelijk

Lichaam ondergaat den aard van dit menschelijk Lichaam zelf in

zich; d.w.z. (_vlg. St. XIII v.d. D._) zij komen overeen met den

aard van den Geest; weshalve de kennis dier voorstellingen

noodzakelijk de kennis omtrent den Geest in zich sluit. Doch

(_vlg. de voorg. St._) de kennis omtrent deze voorstellingen

bestaat in den Geest zelf; derhalve kent ook de menschelijke

Geest zichzelf slechts in zoover. H.t.b.w.

_Stelling XXIV._

De menschelijke Geest bezit geen adaequate kennis van de deelen

welke het menschelijk Lichaam samenstellen.

_Bewijs._

De deelen welke het menschelijk Lichaam samenstellen behooren

niet tot het wezen van het Lichaam zelf, dan alleen voorzoover

zij hun bewegingen op een of ander bepaalde wijze aan elkaar

meedeelen (_zie de Definitie na Gevolg v. Hulpst. III_) en niet

voorzoover zij beschouwd kunnen worden als enkeldingen zonder

verband met het menschelijk Lichaam. Immers de deelen van het

menschelijk Lichaam zijn (_vlg. Postulaat I_) zelf uiterst

samengestelde enkeldingen, wier eigen onderdeelen (_vlg. Hulpst.

IV_) van het menschelijk Lichaam kunnen worden afgescheiden, met

volkomen behoud van deszelfs aard en karakter[A38], en welke hun

bewegingen (_zie Axioma I na Hulpst. III_) aan andere voorwerpen

op weer andere wijze kunnen meedeelen. Derhalve zal er in God

(_vlg. St. III v.d. D._) van elk dier deelen een voorstelling of

kennis bestaan, en dat wel (_vlg. St. IX v.d. D._) voor zoover

hij beschouwd wordt als hebbende een voorstelling van weer een

ander bijzonder ding dat in de orde der Natuur aan dit deel zelf

voorafgaat (_vlg. St. VII v.d. D._). Hetzelfde kan bovendien

gezegd worden van elk onderdeel van dit enkelding dat deel

uitmaakt van het menschelijk Lichaam; zoodat er van elk deel van

het menschelijk Lichaam kennis in God bestaat voorzoover hij tal

van voorstellingen van dingen heeft en niet voorzoover hij

slechts de voorstelling van het menschelijk Lichaam [als

zoodanig] heeft, d.w.z. (_vlg. St. XIII v.d. D._) die

voorstelling, welke het wezen van den menschelijken Geest

uitmaakt. Derhalve bezit de menschelijke Geest geen adaequate

kennis van de deelen welke het menschelijk Lichaam samenstellen.

H.t.b.w.

_Stelling XXV._

De voorstelling van welke inwerking op het menschelijk Lichaam

ook, sluit geen adaequate kennis van het inwerkende voorwerp in

zich.

_Bewijs._

Wij hebben aangetoond (_zie St. XVI v.d. D._) dat de voorstelling

eener inwerking op het menschelijk Lichaam in zoover het wezen

van het inwerkende voorwerp in zich sluit, als dit uitwendig

voorwerp op een bepaalde wijze op het menschelijk Lichaam zelf

inwerkt. Maar voorzoover dit uitwendig voorwerp een enkelding is

dat overigens met het menschelijk Lichaam in geenerlei verband

staat, bestaat de voorstelling of kennis daaromtrent in God

(_vlg. St. IX v.d. D._) voorzoover God beschouwd wordt als

hebbende een voorstelling van een ander ding, dat (_vlg. St. VII

v.d. D._) van nature aan dat uitwendige voorwerp voorafgaat.

Zoodat er in God geen adaequate kennis bestaat van een uitwendig

voorwerp voorzoover hij de voorstelling eener inwerking op het

menschelijk Lichaam heeft. Ofwel de voorstelling van een

inwerking op het menschelijk Lichaam sluit geen adaequate kennis

van het inwerkende voorwerp in zich. H.t.b.w.

_Stelling XXVI._

De menschelijke Geest neemt geen uitwendig voorwerp als werkelijk

bestaande waar, dan alleen door bemiddeling van de voorstellingen

der inwerkingen op het eigen Lichaam.

_Bewijs._

Wanneer het menschelijk Lichaam op geenerlei wijze inwerking van

eenig uitwendig voorwerp ondergaat, zal ook (_vlg. St. VII v.d.

D._) de voorstelling van het menschelijk Lichaam, d.w. dus z.

(_vlg. St. XIII v.d. D._) de menschelijke Geest, op geenerlei

wijze door de voorstelling van het bestaan van dit uitwendig

voorwerp worden aangedaan; ofwel de menschelijke Geest zal het

bestaan van dit uitwendige voorwerp op geenerlei wijze waarnemen.

Voor zoover echter het menschelijk Lichaam wèl op eenigerlei

wijze inwerking van een uitwendig voorwerp ondergaat, zal de

Geest (_vlg. St. XVI en Gevolg II v.d. D._) dit uitwendig

voorwerp waarnemen. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Voorzoover de menschelijke Geest zich een

uitwendig voorwerp verbeeldt [voorstelt] heeft hij

daarvan geen adaequate kennis.

_Bewijs._

Wanneer de menschelijke Geest uitwendige voorwerpen

beschouwt door bemiddeling van de voorstellingen der

inwerkingen op zijn Lichaam, zeggen wij dat hij zich die

voorwerpen verbeeldt [voorstelt] (_zie Opmerking bij St.

XVII v.d. D._). Maar de Geest kan zich (_vlg. de voorg.

St._) op geen andere wijze dingen als werkelijk bestaande

voorstellen. Derhalve heeft (_vlg. St. XXV v.d. D._) de

Geest, voorzoover hij zich uitwendige voorwerpen

voorstelt, daarvan geen adaequate kennis. H.t.b.w.

_Stelling XXVII._

De voorstelling van welke inwerking op het menschelijk Lichaam

ook, sluit geen adaequate kennis van het menschelijk Lichaam zelf

in zich.

_Bewijs._

Elke voorstelling van een of andere inwerking op het menschelijk

Lichaam sluit in zoover het wezen van het menschelijk Lichaam in

zich als dit menschelijk Lichaam zelf beschouwd wordt die

bepaalde inwerking te ondergaan (_zie St. XVI v.d. D._). Maar

voorzoover het menschelijk Lichaam een enkelding is dat op vele

andere wijzen inwerkingen ondergaan kan, bestaat zijn

voorstelling of kennis enz. (_zie Bewijs v. St. XXV v.d. D._).

_Stelling XXVIII._

De voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk Lichaam

zijn, voorzoover zij slechts bestaan in den menschelijken Geest,

niet helder en duidelijk, maar verward.

_Bewijs._

Immers de voorstellingen der inwerkingen op het menschelijk

Lichaam sluiten (_vlg. St. XVI v.d. D._) zoowel den aard der

uitwendige voorwerpen als dien van het menschelijk Lichaam zelf

in zich. Bovendien moeten zij niet alleen den aard van het

menschelijk Lichaam, maar ook dien van al zijn onderdeelen in

zich sluiten, want die inwerkingen zijn (_vlg. Postulaat III_)

wijzigingen, waarvan de deelen van het menschelijk Lichaam en

bijgevolg het geheele Lichaam, invloed ondervinden. Maar (_vlg.

XXIV en XXV v.d. D._) een adaequate kennis der uitwendige

voorwerpen, en evenmin der deelen welke het menschelijk Lichaam

samenstellen, bestaat in God niet, voorzoover hij beschouwd wordt

zich als menschelijke Geest, doch voorzoover hij beschouwd wordt

zich als die andere voorstellingen te openbaren. Derhalve zijn de

voorstellingen dezer inwerkingen, voorzoover zij slechts in den

menschelijken Geest bestaan, te vergelijken bij gevolgtrekkingen

zonder voorwaarden [praemissen], d.w.z. (_gelijk van zelf

spreekt_): zij zijn verward. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Op dezelfde wijze kan worden bewezen dat de

voorstelling welke het wezen van den menschelijken Geest

uitmaakt, op zichzelf beschouwd, evenmin helder en

duidelijk is, evenmin als de voorstelling omtrent den

menschelijken Geest en de voorstelling der voorstellingen

der inwerkingen op het menschelijk Lichaam, voorzoover

deze in den Geest alleen bestaan. Hetgeen een ieder

gemakkelijk zal inzien.

_Stelling XXIX._

De voorstelling eener voorstelling van welke inwerking op het

menschelijk Lichaam ook, sluit geen adaequate kennis van den

menschelijken Geest in zich.

_Bewijs._

Immers de voorstelling eener inwerking op het menschelijk Lichaam

sluit (_vlg. St. XXVII v.d. D._) geen adaequate kennis van dit

Lichaam zelf in zich, ofwel drukt zijn wezen niet op adaequate

wijze uit. D.w.z. (_vlg. St. XIII v.d. D._) zij stemt niet

adaequaat met den aard des Geestes overeen. Derhalve drukt ook

(_vlg. Axioma VI D. I_) de voorstelling dier voorstelling niet

het wezen van den menschelijken Geest uit, ofwel sluit zij diens

adaequate kennis niet in zich. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Hieruit volgt dat de menschelijke Geest, zoo

dikwijls hij de dingen waarneemt, gelijk zij zich in de

algemeene orde der Natuur voordoen, noch van zichzelf,

noch van zijn Lichaam, noch van de uitwendige voorwerpen,

een adaequate kennis bezit, doch slechts een verwarde en

gebrekkige. De Geest toch kent zichzelf niet dan

voorzoover hij voorstellingen omtrent de inwerkingen op

het menschelijk Lichaam waarneemt (_vlg. St. XXIII v.d.

D._). Zijn eigen Lichaam echter kan hij (_vlg. St. XIX

v.d. D._) niet anders waarnemen dan door middel van

diezelfde voorstellingen van inwerkingen, waardoor hij

ook (en uitsluitend) uitwendige voorwerpen waarneemt

(_vlg. St. XXVI v.d. D._). Derhalve bezit hij, voorzoover

hij deze voorstellingen heeft, noch van zichzelf (_vlg.

St. XXIX v.d. D._), noch van zijn Lichaam (_vlg. St.

XXVII v.d. D._), noch van de uitwendige voorwerpen (_vlg.

St. XXV v.d. D._) een adaequate kennis, doch slechts

(_vlg. St. XXVIII en Opmerking v.d. D._) een gebrekkige

en verwarde. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Ik zeg opzettelijk dat de Geest noch van

zichzelf, noch van zijn Lichaam, noch van de uitwendige

voorwerpen een adaequate voorstelling heeft, doch slechts

een verwarde, zoo dikwijls hij de dingen waarneemt gelijk

ze zich in de algemeene orde der Natuur voordoen, d.w.z.

zoo dikwijls hij van buiten af, krachtens den toevalligen

samenloop der omstandigheden genoodzaakt wordt het een of

ander waar te nemen; en niet zoo dikwijls hij van binnen

uit, d.w.z. door het feit dat hij meerdere dingen

tegelijk beschouwt, genoopt wordt hun overeenkomst,

verschillen en tegenstrijdigheden te begrijpen. Want zoo

dikwijls hij op deze of eenige andere wijze innerlijk

ertoe gedreven wordt, beschouwt hij de dingen helder en

duidelijk, gelijk ik hieronder zal aantoonen.

_Stelling XXX._

Wij kunnen omtrent den duur van ons Lichaam geen andere dan

slechts uiterst inadaequate kennis bezitten.

_Bewijs._

De duur van ons Lichaam hangt (_vlg. Axioma I v.d. D._) niet af

van zijn wezen en evenmin (_vlg. St. XXI v. D. I_) van den

absoluten aard Gods. Maar het wordt (_vlg. St. XXVIII D. I_) tot

bestaan en werken genoodzaakt door oorzaken welke zelf ook door

andere oorzaken tot een bepaalde wijze van bestaan en werken

genoodzaakt worden en deze wederom door andere en zoo tot in het

oneindige. De duur van ons Lichaam hangt dus af van de algemeene

orde der Natuur en den toestand der dingen. Omtrent dien toestand

der dingen evenwel bestaat (_vlg. Gevolg v. St. IX v.d. D._)

kennis in God voorzoover hij een voorstelling heeft van hen allen

en niet voorzoover hij slechts de voorstelling heeft van het

menschelijk Lichaam alleen. Derhalve is de kennis van den duur

van het menschelijk Lichaam in God uiterst inadaequaat,

voorzoover hij slechts beschouwd wordt als uitmakende het wezen

van den menschelijken Geest, d.w.z. (_vlg. Gevolg v. St. XI v.d.

D._): deze kennis is in onzen Geest uiterst inadaequaat. H.t.b.w.

_Stelling XXXI._

Wij kunnen omtrent den duur der bijzondere dingen welke buiten

ons bestaan, geen andere dan slechts uiterst inadaequate kennis

bezitten.

_Bewijs._

Immers elk bijzonder ding moet, evenals het menschelijk Lichaam

(_vlg. St. XXVIII D. I_) door een ander bijzonder ding

genoodzaakt worden tot een bepaalde wijze van bestaan en werken,

en dit wederom door een ander ding en zoo tot in het oneindige.

Aangezien wij echter uit deze algemeene eigenschap der bijzondere

dingen in de voorgaande stelling hebben bewezen, dat wij omtrent

den duur van ons eigen Lichaam slechts een zeer inadaequate

kennis bezitten, moeten wij dus wel tot dezelfde gevolgtrekking

komen wat den duur der bijzondere dingen betreft, nl. dat wij

hieromtrent geen andere dan slechts uiterst inadaequate kennis

bezitten kunnen. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Hieruit volgt, dat alle bijzondere zaken

toevallig [gebeurlijk] en vergankelijk zijn. Immers wij

kunnen (_vlg. de voorg. St._) geenerlei adaequate kennis

omtrent hun duur bezitten en dat juist is het wat wij

onder toevalligheid [gebeurlijkheid] en vergankelijkheid

[mogelijkheid van verval] der dingen hebben te verstaan

(_zie Opmerking I bij St. XXXIII D. I_). Want behalve in

dezen zin bestaat er nergens iets toevalligs.

_Stelling XXXII._

Alle voorstellingen zijn waar voorzoover zij tot God worden

teruggebracht.

_Bewijs._

Immers alle voorstellingen welke in God bestaan, komen (_vlg.

Gevolg v. St. VII v.d. D._) geheel en al overeen met het door hen

voorgestelde en derhalve zijn zij (_vlg. Axioma VI v. D. I_) ook

allen waar. H.t.b.w.

_Stelling XXXIII._

Er is in voorstellingen niets positiefs, waarom zij valsch

genoemd konden worden.

_Bewijs._

Wie dit ontkent, stelle zich eens, zoo dit mogelijk is, een

positieven denkvorm voor, welke het wezen van dwaling of

valschheid uitmaakt. Deze denkvorm kan (_vlg. de voorg. St._)

niet bestaan in God; buiten God evenwel is hij (_vlg. St. XV D.

I_) evenmin bestaanbaar noch denkbaar. Derhalve kan er in

voorstellingen niets positiefs voorkomen, waarom zij valsch

genoemd konden worden. H.t.b.w.

_Stelling XXXIV._

Elke voorstelling welke in ons absoluut[A22], ofwel adaequaat en

volmaakt is, is waar.

_Bewijs._

Wanneer wij zeggen dat er in ons een adaequate en volmaakte

voorstelling bestaat, zeggen wij (_vlg. Gevolg v. St. XI v.d.

D._) niets anders dan dat er in God, voorzoover hij het wezen van

onzen Geest uitmaakt, een adaequate en volmaakte voorstelling

bestaat. Bijgevolg zeggen wij dan (_vlg. St. XXXII v.d. D._)

niets anders dan dat zulk een voorstelling waar is. H.t.b.w.

_Stelling XXXV._

Valschheid bestaat in een gemis aan kennis dat inadaequate, ofwel

gebrekkige en verwarde voorstellingen kenmerkt.

_Bewijs._

Er is (_vlg. St. XXXIII v.d. D._) in voorstellingen niets

positiefs dat het wezen der valschheid in zich sluit. Maar toch

kan valschheid niet bestaan in een volstrekte ontstentenis.

(Immers, zooals men zegt: de Geest, niet het Lichaam dwaalt en

bedriegt zich). Evenmin in een volstrekte onwetendheid: immers

niet-weten en dwalen zijn verschillende zaken. Derhalve bestaat

zij in dit gemis aan kennis dat een inadaequate kennis der

dingen, ofwel inadaequate en verwarde voorstellingen kenmerkt.

H.t.b.w.

_Opmerking:_ In de Opmerking bij Stelling XVII van dit

Deel heb ik uiteengezet, hoe dwaling in gemis aan kennis

bestaat; tot meerdere verduidelijking hiervan zal ik

evenwel thans een voorbeeld geven. De menschen dan

bedriegen zich indien zij wanen vrij te zijn. Deze

meening berust alleen hierop dat zij zich wel bewust zijn

van hun handelingen, doch onwetend omtrent de oorzaken

door welke deze bepaald worden. Hun voorstelling van

vrijheid is dus deze: dat zij geen oorzaak voor hun

handelingen kennen. Immers wanneer zij zeggen dat de

menschelijke handelingen van den wil afhangen, spreken

zij woorden waarbij zij geenerlei voorstelling hebben.

Niemand toch weet wat die wil is en op welke wijze hij

het Lichaam in beweging zou brengen, terwijl wie anders

denken en zetels en woonplaatsen voor de ziel verzinnen,

slechts spot of afschuw plegen te verwekken. Zoo

verbeelden wij ons, wanneer wij naar de zon kijken, dat

zij omstreeks 200 voet van ons verwijderd is. Deze

dwaling nu bestaat niet uitsluitend in deze verbeelding,

maar in het feit dat, terwijl wij ons dit verbeelden,

haar ware afstand en de oorzaak dier verbeelding ons

onbekend zijn. Want al erkennen wij later dat zij meer

dan 600 aardmiddellijnen van ons verwijderd is, wij

blijven ons niettemin steeds verbeelden[A16] dat zij

dichtbij is. Immers wij stellen ons de zon niet zoo

dichtbij voor omdat wij haar waren afstand niet kennen,

maar omdat haar inwerking op ons Lichaam het wezen der

zon slechts in zich sluit voorzoover dit Lichaam zelf die

inwerking ondergaat.

_Stelling XXVI._

Inadaequate en verwarde voorstellingen volgen elkaar met dezelfde

noodzakelijkheid als adaequate, ofwel heldere en duidelijke

voorstellingen.

_Bewijs._

Alle voorstellingen zijn (_vlg. St. XV D. I_) in God, en

voorzoover zij als goddelijk worden beschouwd zijn zij ook (_vlg.

St. XXXII v.d. D._) waar en (_vlg. Gevolg v. St. VII v.d. D._)

adaequaat. Er bestaan daarom ook geen inadaequate of verwarde

voorstellingen dan alleen voorzoover zij op den bijzonderen geest

van dezen of genen betrekking hebben (_zie hierover St. XXIV en

XXVIII v.d. D._). Derhalve volgen ook alle, zoowel adaequate als

inadaequate voorstellingen (_vlg. Gevolg v. St. VI v.d. D._) op

elkaar met dezelfde noodzakelijkheid. H.t.b.w.

_Stelling XXXVII._

Datgene wat aan alles gemeen is (_zie hierover boven, Hulpst.

II_) en wat evenzeer in een deel als in het geheel voorkomt,

maakt van geen enkel bijzonder ding het wezen uit.

_Bewijs._

Wie dit ontkent stelle zich, zoo dit mogelijk is, voor, dat

zooiets wèl het wezen van eenig bijzonder ding kon uitmaken,

bijvoorbeeld het wezen van B. Dan zou het dus (_vlg. Definitie II

v.d. D._) zonder B noch bestaanbaar noch denkbaar zijn. Maar dit

is in strijd met het onderstelde. Derhalve kan het niet tot het

wezen van B behooren, noch tot het wezen van eenig ander

bijzonder ding. H.t.b.w.

_Stelling XXXVIII._

Datgene wat aan alles gemeen is en wat evenzeer in een deel als

in het geheel voorkomt, kan niet anders dan adaequaat worden

gekend.

_Bewijs._

Laat A iets zijn dat aan alle voorwerpen gemeen is en evenzeer in

een deel van een of ander voorwerp voorkomt als in het geheel. Ik

beweer dan dat A niet anders dan adaequaat kan worden gekend. De

voorstelling ervan toch zal (_vlg. Gevolg St. VII v.d. D._) in

God noodzakelijk adaequaat zijn, zoowel voorzoover hij een

voorstelling van het menschelijk Lichaam, alsook voorzoover hij

voorstellingen van de inwerkingen daarop heeft, welke inwerkingen

(_vlg. St. XVI, XXV en XXVII v.d. D._) gedeeltelijk zoowel van

den aard van het menschelijk Lichaam als van dien der uitwendige

voorwerpen afhangen. D.w.z. (_vlg. St. XII en XIII v.d. D._) deze

voorstelling zal in God noodzakelijk adaequaat zijn, voorzoover

hij den menschelijken Geest uitmaakt, ofwel voorzoover hij

voorstellingen heeft welke in den menschelijken Geest voorkomen.

De Geest neemt dus (_vlg. Gevolg St. XI v.d. D._) A noodzakelijk

adaequaat waar en datwel zoowel voorzoover hij zichzelf, als

voorzoover hij zijn eigen Lichaam, of welk ander uitwendig

voorwerp ook, waarneemt, en op geen andere wijze kan A gedacht

worden. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Hieruit volgt dat er enkele voorstellingen of

begrippen bestaan, welke aan alle menschen gemeen zijn.

Immers alle voorwerpen komen (_vlg. Hulpst. II_) in

sommige punten overeen, welke dan door iedereen

adaequaat, ofwel helder en duidelijk, kunnen worden

gekend.

_Stelling XXXIX._

Ook van datgene wat eigen en gemeen is aan het menschelijk

Lichaam en aan zekere uitwendige voorwerpen, die op het

menschelijk Lichaam plegen in te werken, en wat evenzeer in hun

deelen als in het geheel voorkomt, zal de voorstelling in den

Geest adaequaat zijn.

_Bewijs._

Laat A datgene zijn wat aan het menschelijk Lichaam en aan zekere

uitwendige voorwerpen eigen en gemeen is; wat evenzeer in het

menschelijk Lichaam als in die uitwendige voorwerpen en

vervolgens evenzeer in elk deel dier uitwendige voorwerpen als in

het geheel voorkomt. Er zal dan van A (_vlg. Gevolg v. St. VII

v.d. D._) in God een adaequate voorstelling bestaan, zoowel

voorzoover hij de voorstelling van het menschelijk Lichaam, als

voorzoover hij voorstellingen heeft van die onderstelde

uitwendige voorwerpen. Gesteld nu dat zulk een uitwendig voorwerp

op het menschelijk Lichaam inwerkt met datgene wat het er mede

gemeen heeft, dat is dus met A, dan zal de voorstelling dier

inwerking (_vlg. St. XVI v.d. D._) de eigenschap A in zich

sluiten. De voorstelling dier inwerking zal dus (_vlg. hetzelfde

Gevolg St. VII v.d. D._) voorzoover zij de eigenschap A in zich

sluit, in God adaequaat zijn, voorzoover God beschouwd wordt als

hebbende de voorstelling van het menschelijk Lichaam, d.w.z.

(_vlg. St. XIII v.d. D._) voorzoover hij het wezen van den

menschelijken Geest uitmaakt. Derhalve is (_vlg. Gevolg v. St. XI

v.d. D._) deze voorstelling in den menschelijken Geest ook

adaequaat. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Hieruit volgt dat de Geest des te beter in

staat is om vele dingen adaequaat waar te nemen, naarmate

zijn Lichaam meer met andere voorwerpen gemeen heeft.

_Stelling XL._

Alle voorstellingen welke in den Geest volgen uit voorstellingen

welke in dien Geest adaequaat zijn, zijn eveneens adaequaat.

_Bewijs._

Dit is duidelijk. Immers wanneer wij zeggen dat in den

menschelijken Geest een voorstelling volgt uit voorstellingen

welke in dien geest adaequaat zijn, zeggen wij (_vlg. Gevolg St.

XI v.d. D._) niets anders dan dat er in het goddelijk verstand

zelf een voorstelling bestaat van welke God oorzaak is, niet

voorzoover hij oneindig is, noch voorzoover hij voorstellingen

heeft van meerdere bijzondere dingen, maar uitsluitend voorzoover

hij het wezen van den menschelijken Geest uitmaakt.

_Opmerking I:_ Hiermede heb ik den oorsprong dier

begrippen welke men algemeen erkende begrippen noemt en

welke de grondslagen vormen van ons redeneeren,

verklaard. Nochtans zijn er voor sommigen dier

grondwaarheden of begrippen nog wel andere oorzaken en

misschien ware het van pas deze hier volgens onze methode

uiteen te zetten. Daarbij toch zou het blijken welke

begrippen nuttiger zijn dan andere en welke daarentegen

nauwelijks eenige waarde hebben; vervolgens welke

begrippen algemeen erkend worden, welke helder en

duidelijk zijn slechts voor hen die niet aan

vooroordeelen lijden, en tenslotte welke op verkeerden

grondslag berusten. Bovendien zou het blijken hoe die

begrippen, welke men begrippen van den tweeden rang

noemt, en bijgevolg ook de grondwaarheden welke op hen

berusten, ontstaan zijn, en nog meer wat ik hieromtrent

wel eens heb overwogen. Maar aangezien ik deze zaken voor

een andere verhandeling bestemd heb en ik ook vrees door

al te groote uitvoerigheid vervelend te zullen worden,

wil ik ze thans liever overslaan. Om echter niets ervan

weg te laten wat men noodzakelijk moet weten, zal ik nog

in het kort de oorzaken er aan toevoegen waaruit de

zoogenaamde _transcendentale_[A40] begrippen, zooals

_Zijn, Ding, Iets_, ontstaan zijn. Deze uitdrukkingen

zijn namelijk het gevolg daarvan dat het menschelijk

Lichaam, omdat het begrensd is, slechts in staat is om

een bepaald aantal denkbeelden (wat een denkbeeld is heb

ik uiteen gezet in de _Opmerking bij St. XVII v.d. D._)

gelijktijdig in zich te vormen; wordt dit aantal

overschreden dan beginnen de denkbeelden verward te

worden. En wordt het aantal denkbeelden dat het Lichaam

in staat is gelijktijdig te vormen, en zóó dat het ze

duidelijk onderscheidt, verre overschreden, dan verwarren

zij zich onderling geheel en al. Waar dit zoo is, blijkt

uit het Gevolg van St. XVII en uit St. XVIII van dit

Deel, dat de menschelijke Geest zich zooveel voorwerpen

gelijktijdig duidelijk kan voorstellen als er in zijn

Lichaam gelijktijdig beelden kunnen worden gevormd.

Wanneer echter de beelden in het menschelijk Lichaam

geheel en al verward raken, zal ook de Geest zich die

voorwerpen verward en zonder duidelijk onderscheid

voorstellen en ze als het ware onder één kenmerk [begrip]

samenvatten, zooals bijv. onder het "Zijn", "Ding" enz.

Men kan dit ook afleiden uit het feit dat beelden

[voorstellingen] niet steeds even krachtig zijn en uit

meer soortgelijke oorzaken, welke ik hier echter niet

behoef uiteen te zetten omdat wij voor het doel dat wij

beoogen er slechts ééne behoeven te overwegen. Alle toch

komen hierop neer dat deze uitdrukkingen voorstellingen

aanduiden welke in de hoogste mate verward zijn.

Een dergelijken oorsprong hebben die begrippen, welke men

_algemeene_ [universeele] begrippen noemt, zooals Mensch,

Paard, Hond enz. In het menschelijk Lichaam worden

namelijk zooveel beelden van bijvoorbeeld menschen

gelijktijdig gevormd, dat zij het voorstellingsvermogen

wel niet geheel en al, maar toch in zooverre te boven

gaan, dat de Geest zich hun kleine verschillen (zooals

bijvoorbeeld elks kleur, grootte enz.) en hun bepaald

aantal niet kan verbeelden, maar zich slechts datgene

duidelijk voorstelt, waarin allen, voorzoover zij op het

Lichaam inwerken, overeenkomen. Want van dit

overeenkomende [gemeenschappelijke] kreeg de Geest door

elk beeld afzonderlijk reeds den sterksten indruk. Dit

gemeenschappelijke nu drukt men uit door het begrip

"Mensch", en deze benaming geeft men aan het oneindig

aantal individuen, omdat men zich, zooals wij reeds

zeiden, hun bepaald aantal niet kan voorstellen. Hierbij

moet evenwel worden opgemerkt dat deze begrippen niet

door allen op dezelfde wijze worden gevormd, maar dat zij

voor elk verschillen naar gelang van datgene wat het

meest op zijn Lichaam heeft ingewerkt en wat de Geest

zich daarom het gemakkelijkst voorstelt of herinnert. Zoo

zullen bijvoorbeeld lieden, die herhaaldelijk met

bewondering de menschelijke gestalte hebben gade

geslagen, onder het begrip "mensch" verstaan: een dier

van opgerichte houding. Zij daarentegen, die gewoon waren

op iets anders te letten, zullen weer een ander algemeen

beeld van den mensch vormen en bijvoorbeeld zeggen: de

mensch is een dier dat kan lachen, of een tweevoetig dier

zonder veeren, of een redelijk dier. En zoo zal elkeen

zich omtrent alle overige dingen algemeene beelden vormen

naar gelang van den toestand van zijn eigen Lichaam. Het

is daarom ook niet te verwonderen dat er onder de

wijsgeeren die de natuurlijke dingen uitsluitend door hun

beelden [hun zintuigelijke voorstellingen] wilden

verklaren, zooveel verschillen van meening gerezen zijn.

_Opmerking II:_ Uit al het hierboven gezegde blijkt

duidelijk, dat wij velerlei waarnemen en dat wij algemeen

begrippen vormen:

1°. uit bijzondere dingen welke door de zintuigen

gebrekkig, verward en ongeordend aan het verstand worden

voorgesteld. (_Zie Gevolg v. St. XXIX v.d. D._). Ik ben

daarom gewoon dergelijke waarnemingen te noemen: kennis,

berustend op vage ervaring.

2°. uit teekens; bijvoorbeeld doordat wij ons bij het

hooren of lezen van sommige woorden de dingen herinneren

en ons voorstellingen van hen vormen, gelijkende op die

waarin de dingen zelf verbeeld werden, (_zie de Opmerking

bij St. XVIII v.d. D._). In het vervolg zal ik deze beide

wijzen om de dingen te beschouwen noemen: _kennis van de

eerste soort_, meening ofwel verbeelding.

3°. ten slotte uit het feit dat wij algemeen erkende

begrippen en juiste voorstellingen van de eigenschappen

der dingen bezitten (_zie Gevolg St. XXXVIII, Gevolg St.

XXXIX en St. XL v.d. D._). Hier zal ik spreken van _Rede_

en _Kennis van de tweede soort_.

Behalve deze twee soorten van kennis bestaat er, gelijk

ik in het volgende zal aantoonen, nog een derde, welke ik

het "_intuïtieve weten_"[A41] zal noemen. Deze soort van

kennis leidt uit de adaequate voorstelling van het

werkelijk wezen van een of ander attribuut Gods de

adaequate kennis van het wezen der dingen af.

Ik zal dit alles door een voorbeeld verduidelijken.

Laten er bijvoorbeeld drie getallen gegeven zijn, waarbij

een vierde gezocht moet worden, dat zich verhoudt tot het

derde als het tweede tot het eerste. Kooplieden zullen

niet aarzelen het tweede met het derde te

vermenigvuldigen en het product door het eerste te

deelen, hetzij omdat zij datgene wat zij van hun meester

zonder eenig bewijs geleerd hebben nog niet vergaten,

hetzij omdat zij het zelf bij de eenvoudigste getallen

hebben ondervonden, hetzij op grond van het bewijs aan

Stelling XIX Boek VII van Euclides, d.w.z. op grond van

de algemeene eigenschap der evenredigen. Bij de meest

eenvoudige getallen evenwel is niets van dit alles

noodig. Wanneer bijvoorbeeld de getallen 1, 2 en 3

gegeven zijn, is er niemand die niet ziet dat de vierde

evenredige het getal 6 is. En dat wel veel helderder,

aangezien wij uit de verhouding zelf waarin, naar wij op

den eersten blik zien--het eerste tot het tweede staat,

onmiddellijk het vierde afleiden.

_Stelling XLI._

De kennis van de eerste soort is de eenige oorzaak van

valschheid, die van de tweede en derde soort is echter

noodzakelijk waar.

_Bewijs._

In de voorgaande Opmerking zeiden wij dat al die voorstellingen

welke inadaequaat en verward zijn, tot de kennis van de eerste

soort behooren. Derhalve is (_vlg. St. XXXV v.d. D._) deze kennis

de eenige oorzaak van valschheid. Voorts zeiden wij dat adaequate

voorstellingen tot de kennis van de tweede en derde soort

behooren, en derhalve is deze (_vlg. St. XXXIV v.d. D._) ook

noodzakelijk waar. H.t.b.w.

_Stelling XLII._

Niet de kennis van de eerste, maar die van de tweede en derde

soort leeren ons waarheid van valschheid onderscheiden.

_Bewijs._

Deze Stelling is vanzelf duidelijk. Immers wie tusschen waarheid

en valschheid weet te onderscheiden, moet een adaequate

voorstelling hebben omtrent wat waar of valsch is, d.w.z. (_vlg.

Opmerking II St. XL v.d. D._) hij moet waarheid en valschheid

kennen met de kennis van de tweede of derde soort.

_Stelling XLIII._

Wie een ware voorstelling heeft, wéét tevens dat hij een ware

voorstelling heeft en kan aan de waarheid ervan niet meer

twijfelen.

_Bewijs._

Een ware voorstelling in ons is (_vlg. Gevolg St. XI v.d. D._)

een zoodanige, welke in God adaequaat is voorzoover hij zich

openbaart in den aard van den menschelijken Geest. Nemen wij nu

eens aan dat er in God, voorzoover hij zich openbaart in den

menschelijken Geest, een adaequate voorstelling A bestaat. Van

deze voorstelling moet er in God noodzakelijk weer een

voorstelling bestaan welke tot God in dezelfde betrekking staat

als voorstelling A (_vlg. St. XX v.d. D. welker bewijs algemeen

is_). Maar voorstelling A heeft, volgens het onderstelde,

betrekking op God voorzoover hij zich openbaart in den

menschelijken Geest; derhalve moet ook de voorstelling van

voorstelling A tot God in dezelfde betrekking staan; d.w.z.

(_vlg. hetzelfde Gevolg St. XI v.d. D._): deze adaequate

voorstelling van voorstelling A zal aanwezig zijn in dienzelfden

Geest die de adaequate voorstelling A heeft. Derhalve zal degeen

die een adaequate voorstelling heeft, of die (_vlg. St. XXXIV

v.d. D._) een zaak naar waarheid erkent, tevens een adaequate

voorstelling hebben zijner kennis, ofwel een ware kennis; d.w.z.

(_gelijk vanzelf spreekt_): hij moet tevens zeker ervan zijn.

H.t.b.w.

_Opmerking:_ In de Opmerking bij Stelling XXI van dit

Deel heb ik uiteen gezet wat onder de voorstelling eener

voorstelling moet worden verstaan. Ik merk echter op dat

de voorgaande Stelling ook uit zichzelf duidelijk is.

Immers iedereen die een ware voorstelling heeft, weet dat

een ware voorstelling de grootst mogelijke zekerheid in

zich sluit, aangezien een ware voorstelling hebben niets

anders beteekent dan een zaak volmaakt of zoo goed

mogelijk kennen. Hieraan zal toch zeker niemand kunnen

twijfelen, tenzij hij meent dat een voorstelling een stom

ding is[A16], zooals bijvoorbeeld een schilderij op een

paneel en niet een vorm van denken, namelijk het

begrijpen zelf. Ik vraag u: wie kan weten dat hij een of

andere zaak begrijpt, als hij niet eerst die zaak

begrepen heeft? D.w.z.: wie kan wéten dat hij zeker is

omtrent een of andere zaak als hij niet eerst omtrent die

zaak zeker is? En dan: welk helderder en zekerder

kenteeken der waarheid zou er kunnen zijn dan een ware

voorstelling? Voorwaar, evenals het licht zichzelf en de

duisternis openbaart, zoo ook is de waarheid de toets van

zichzelf en van het valsche.

En hiermede meen ik tevens de volgende vragen te hebben

beantwoord. In de eerste plaats deze: Als een ware

voorstelling van een valsche wordt onderscheiden

uitsluitend voorzoover de ware in overeenstemming met het

door haar voorgestelde genoemd mag worden, zou dus de

ware voorstelling geenerlei werkelijkheid of volmaaktheid

op de valsche vóór hebben (aangezien zij alleen in naam

van elkaar verschillen) en bijgevolg zou een mensch die

ware voorstellingen heeft ook niets vóór hebben bij hem

die slechts valsche heeft. Voorts: hoe komt het dat

menschen valsche voorstellingen hebben? En ten slotte:

hoe kan iemand met zekerheid weten dat hij voorstellingen

heeft welke met het door hen voorgestelde overeenkomen?

Ik herhaal dat ik meen reeds het antwoord op deze vragen

gegeven te hebben. Wat toch het onderscheid tusschen een

ware en een valsche voorstelling betreft: uit Stelling

XXXV van dit Deel blijkt dat de eerste zich verhoudt tot

de tweede als iets bestaands tot iets niet-bestaands. De

oorzaken der valschheid echter heb ik van Stelling XIX af

tot Stelling XXXV met de Opmerking daarbij ten

duidelijkste blootgelegd. Waaruit tevens blijkt welk

onderscheid er is tusschen een mensch die ware en een die

uitsluitend valsche voorstellingen heeft. Wat eindelijk

het laatste punt betreft: namelijk hoe iemand kan weten

dat hij een voorstelling heeft welke aan het door haar

voorgestelde beantwoordt: ik heb zooeven meer dan

voldoende aangetoond dat dit alleen een gevolg hiervan is

dàt hij een voorstelling heeft welke met het door haar

voorgestelde overeenkomt, ofwel doordat de waarheid toets

is van zichzelf. Voeg hierbij nog dat onze Geest,

voorzoover hij de dingen naar waarheid waarneemt een deel

is van het oneindige verstand Gods (_vlg. Gevolg St. XI

v.d. D._) dan zal men moeten inzien dat de heldere en

duidelijke voorstellingen van den Geest noodzakelijk even

waar zijn als de voorstellingen Gods.

_Stelling XLIV._

Het ligt niet in den aard der Rede de dingen als toevallig, wel

echter ze als noodzakelijk te beschouwen.

_Bewijs._

Het behoort tot den aard der Rede de dingen naar waarheid waar te

nemen (_vlg. St. XLI v.d. D._), namelijk (_vlg. Axioma VI D. I_)

zooals zij op zichzelf zijn, d.w.z. (_vlg. St. XXIX D. I_) niet

als toevallig, maar als noodwendig. H.t.b.w.

_Gevolg I:_ Hieruit volgt dat het uitsluitend van de

verbeelding [voorstelling] afhangt dat wij dingen, zoowel

ten opzichte van het verleden als van de toekomst, als

toevallig beschouwen.

_Opmerking:_ Op welke wijze nu dit geschiedt, zal ik met

enkele woorden verklaren. Wij hebben hierboven (_St. XVII

met Gevolg v.d. D._) aangetoond dat de Geest zich de

dingen, ook al bestaan zij niet, toch steeds als aanwezig

voorstelt, zoolang er zich geen oorzaken voordoen welke

hunne aanwezigheid buiten sluiten. Voorts hebben wij

(_St. XVIII v.d. D._) aangetoond, dat indien het

menschelijk Lichaam ééns gelijktijdig van twee uitwendige

voorwerpen inwerking onderging, de Geest, wanneer hij

zich later één dier voorwerpen voorstelt, zich terzelfder

tijd ook het andere herinnert, d.w.z. dat hij beide

voorwerpen als aanwezig beschouwt, tenzij er zich

oorzaken voordoen welke hunne aanwezigheid buiten

sluiten. Bovendien twijfelt niemand er aan dat wij ons

ook den tijd voorstellen kunnen, en wel doordat wij ons

voorstellen dat sommige voorwerpen langzamer of sneller

of even snel bewegen als andere. Onderstellen wij nu eens

een knaap, die gisteren des morgens Petrus, des middags

Paulus en des avonds Simeon, ieder voor het eerst, gezien

heeft en die nu hedenmorgen wederom Petrus zag. Uit

Stelling XVIII van dit Deel is het duidelijk dat hij,

zoodra hij het morgenlicht waarneemt, zich zal

voorstellen dat de zon hetzelfde gedeelte van den hemel

zal doorloopen als den vorigen dag, m.a.w. dat hij zich

den geheelen dag zal voorstellen en tevens met den morgen

Petrus, met den middag Paulus en met den avond Simeon.

D.w.z. dat hij zich het bestaan van Paulus en Simeon zal

verbeelden in betrekking tot den toekomstigen tijd.

Omgekeerd zal hij, wanneer hij des avonds Simeon ziet,

zich Paulus en Petrus voorstellen in het verleden,

doordat hij zich hen voorstelt gelijktijdig met een reeds

vervlogen tijd. En dit des te regelmatiger naarmate hij

hen vaker in deze zelfde volgorde heeft gezien. Gebeurt

het nu echter eens dat hij op een avond Jacobus ziet

inplaats van Simeon, dan zal hij zich den volgenden

morgen, bij het denken aan den avond, nu eens Simeon, dan

weer Jacobus voorstellen, niet echter beiden tegelijk.

Immers er werd ondersteld dat hij des avonds slechts een

van beiden, niet echter beiden tegelijk gezien had. Zijn

verbeelding zal dus weifelen en zich met den komenden

avond nu dezen dan weer genen voorstellen; d.w.z. hij zal

de komst van geen van beiden als zéker, doch van elk van

hen als "toevallig" [mogelijk] beschouwen. En deze

onzekerheid der verbeelding zal dezelfde zijn als het de

voorstelling van dingen betreft welke wij op dezelfde

wijze in betrekking tot het verleden of het heden

beschouwen. Bijgevolg zullen wij ons de dingen, zoowel

tenopzichte van het heden, als tenopzichte van het

verleden of van de toekomst, als toevallig kunnen

voorstellen.

_Gevolg II:_ Het ligt in den aard der Rede, de dingen in

een of ander opzicht te beschouwen uit het gezichtspunt

der eeuwigheid.

_Bewijs._

Immers het ligt (_vlg. voorgaande St._) in den aard der

Rede, de dingen als noodwendig en niet als toevallig te

beschouwen. Deze noodwendigheid der dingen echter vat zij

(_vlg. St. XLI v.d. D._) naar waarheid op, d.w.z. (_vlg.

Axioma VI v. D. I_) zooals zij werkelijk is. Maar deze

noodwendigheid der dingen is (_vlg. St. XVI D. I._) de

noodwendigheid zelve van Gods eeuwigen aard. Derhalve

ligt het in den aard der Rede de dingen in dit opzicht te

beschouwen uit het gezichtspunt der eeuwigheid. Daarbij

komt dat de grondslagen der Rede (_vlg. St. XXXVIII v.d.

D._) begrippen zijn, welke uitdrukken wat aan alle dingen

gemeen is, en welke (_vlg. St. XXXVII v.d. D._) niet het

wezen van eenig bijzonder ding verklaren; zoodat ook deze

begrippen zonder eenig verband met den tijd, dus uit het

gezichtspunt der eeuwigheid moeten worden opgevat.

H.t.b.w.

_Stelling XLV._

Elke voorstelling van elk voorwerp of bijzonder, werkelijk

bestaand ding, sluit Gods eeuwige en oneindige wezen noodzakelijk

in zich.

_Bewijs._

De voorstelling van een bijzonder, werkelijk bestaand ding, sluit

(_vlg. Gevolg St. VIII v.d. D._) zoowel het wezen als het bestaan

van dit ding noodzakelijk in zich. Maar de bijzondere dingen zijn

(_vlg. St. XV D. I_) zonder God niet denkbaar; en aangezien zij

(_vlg. St. VI v.d. D._) God tot oorzaak hebben voorzoover hij

gedacht wordt zich te openbaren in dàt attribuut waarvan die

dingen zelf bestaanswijzen zijn, moeten (_vlg. Axioma IV D. I_)

hun voorstellingen ook noodzakelijk het begrip van hun attribuut,

d.w.z. (_vlg. Definitie VI D. I_) Gods eeuwige en oneindige wezen

in zich sluiten. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Ik versta hier onder "bestaan" niet den

"duur", d.w.z. niet het bestaan in afgetrokken zin, als

een soort van hoegrootheid opgevat. Maar ik spreek van

den eigenlijken aard des bestaans, welke aan de

bijzondere dingen dáárom wordt toegekend wijl uit de

eeuwige noodwendigheid van Gods aard oneindig veel dingen

op oneindig veel wijzen voortvloeien (_zie St. XVI D.

I_). Ik spreek, zeg ik, van het bestaan der bijzondere

dingen voorzoover zij in God zijn. Want ofschoon elk van

hen door een ander bijzonder ding tot een bepaalde wijze

van bestaan genoodzaakt wordt, vloeit toch de kracht

waardoor elk in zijn bestaan volhardt, uit de eeuwige

noodwendigheid van Gods aard voort. Men zie hierover het

_Gevolg van Stelling XXIV Deel I_.

_Stelling XLVI._

De kennis van het eeuwige en oneindige wezen Gods, welke in

iedere voorstelling ligt opgesloten, is adaequaat en volmaakt.

_Bewijs._

Het bewijs der voorgaande stelling is algemeen. Of een ding als

deel dan wel als geheel beschouwd wordt, zijn voorstelling,

hetzij van dit deel of van dit geheel, sluit (_vlg. voorgaande

St._) Gods eeuwige en oneindige wezen in zich. Vandaar dat al wat

ons kennis van het eeuwige en oneindige wezen Gods verschaft, aan

alle dingen gemeen en gelijkelijk in een deel als in het geheel

aanwezig is. Derhalve moet (_vlg. St. XXXVIII v.d. D._) deze

kennis adaequaat zijn. H.t.b.w.

_Stelling XLVII._

De menschelijke Geest bezit adaequate kennis omtrent het eeuwige

en oneindige wezen Gods.

_Bewijs._

De menschelijke Geest heeft (_vlg. St. XXII v.d. D._)

voorstellingen, waardoor hij (_vlg. St. XXIII v.d. D._) zoowel

zichzelf, als (_vlg. St. XIX v.d. D._) zijn eigen Lichaam, en

(_vlg. Gevolg I St. XVI en St. XVII v.d. D._) de uitwendige

voorwerpen als werkelijk bestaande waarneemt. Derhalve heeft hij

(_vlg. St. XLV en XLVI v.d. D._) adaequate kennis van het eeuwige

en oneindige wezen Gods. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Wij zien hieruit dat Gods oneindige wezen en

zijn eeuwigheid aan ieder bekend zijn. Daar nu alles in

God is en uit God moet worden begrepen, volgt daaruit dat

wij uit deze kennis velerlei kunnen afleiden dat wij

adaequaat kennen, en dat wij zoodoende die derde soort

van kennis kunnen vormen waarover ik in _Opmerking II_

van _Stelling XL van dit Deel_ heb gesproken, en over

welker voortreffelijkheid en nut ik in het Vijfde Deel

gelegenheid zal vinden te handelen. Dat de menschen

evenwel niet een even heldere kennis hebben van God als

van algemeen erkende begrippen, is een gevolg daarvan dat

men zich God niet als beeld kan voorstellen gelijk

voorwerpen, maar dat men toch het woord "God" verbindt

aan verbeeldingen omtrent dingen welke men gewoon is te

zien; hetgeen voor menschen, wijl zij voortdurend

inwerkingen van uitwendige voorwerpen ondergaan, wel

nauwelijks te vermijden is.

Inderdaad, de meeste dwalingen komen slechts daarop neer

dat wij de dingen niet bij den juisten naam noemen.

Immers wanneer iemand zegt dat de lijnen, uit het

middelpunt van een cirkel naar den omtrek getrokken,

ongelijk van lengte zijn, dan verstaat hij, althans op

dit oogenblik, stellig iets anders onder een cirkel dan

de wiskundigen. Zoo hebben zij, die zich bij het rekenen

vergissen, andere getallen in den geest dan op het

papier. Voor zoover men dus hun geest beschouwt, dwalen

zij inderdaad niet; nochtans schijnen zij te dwalen,

omdat wij meenen dat zij in hun geest dezelfde getallen

hebben als op het papier. Ware dit niet zoo dan zouden

wij ook volstrekt niet meenen dat zij zich vergissen;

evenmin als ik meende dat de man dwaalde, dien ik onlangs

hoorde uitroepen dat zijn erf op zijns buurmans kip

gevlogen was, aangezien ik duidelijk genoeg begreep wat

hij bedoelde. Hieruit ontspringen ook de meeste

meeningsverschillen, namelijk doordat de menschen òf hun

eigen gedachten niet juist uitdrukken òf de bedoelingen

van anderen verkeerd uitleggen. Want terwijl zij elkaar

grootelijks tegenspreken, denken zij in werkelijkheid òf

beiden hetzelfde òf elk over iets anders, zoodat de

dwalingen en ongerijmdheden welke zij bij elkaar

veronderstellen, in het geheel niet bestaan.

_Stelling XLVIII._

Er bestaat in den Geest geen onvoorwaardelijke[A22] of vrije wil;

doch de Geest wordt genoopt dit of dat te willen door een oorzaak

welke eveneens door een andere oorzaak bepaald is, en deze

wederom door een andere, en zoo tot in het oneindige.

_Bewijs._

De Geest is (_vlg. St. XI v.d. D._) een zekere bepaalde

bestaanswijze van het Denken en kan dus (_vlg. Gevolg II St. XVII

D. I_) niet de vrije oorzaak zijner handelingen zijn ofwel een

absoluut vermogen tot willen of niet-willen bezitten. Om dit of

dat te willen moet hij dus (_vlg. XXVIII D. I_) genoopt worden

door een oorzaak, welke zelf eveneens door een andere oorzaak

bepaald wordt, deze wederom door een andere en zoo tot in het

oneindige. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Op dezelfde wijze wordt bewezen dat er in

den Geest geen absoluut vermogen bestaat om te begrijpen,

te begeeren, lief te hebben enz. waaruit volgt dat deze

en soortgelijke vermogens òf geheel en al inbeeldingen

zijn òf wel metaphysische of algemeene wezens [begrippen]

welke wij uit bijzondere verschijnselen plegen te vormen.

Verstand en wil verhouden zich dus tot deze of gene

willing[A42] op dezelfde wijze als de "steenheid" tot

dezen of genen steen, of als "de mensch" tot Petrus en

Paulus. De reden overigens, waarom de menschen wanen dat

zij vrij zijn, hebben wij reeds in het Aanhangsel van

Deel I uiteen gezet.

Voor ik evenwel verder ga is het hier de plaats op te

merken, dat ik onder "Wil" versta het vermogen om te

bevestigen of te ontkennen, niet echter de begeerte. Het

vermogen, zeg ik, waardoor de Geest bevestigt of ontkent

wat waar of valsch is, doch niet de begeerte, waardoor de

Geest naar de dingen streeft of zich ervan afwendt. Maar

nu wij hebben aangetoond dat deze vermogens algemeene

begrippen zijn, welke zich niet onderscheiden van de

bijzondere [voorstellingen] waaruit wij ze vormen, hebben

wij thans te onderzoeken of die willingen zelf wel iets

anders zijn dan voorstellingen der dingen zelf. Er zal

dus, zeg ik, moeten worden onderzocht of er in den Geest

nog een andere bevestiging of ontkenning bestaat dan die

welke een voorstelling, voorzoover zij alleen

voorstelling is, reeds in zich sluit. Men zie hierover de

volgende Stelling, evenals Definitie III van dit Deel,

opdat men hier niet denke aan afbeeldingen. Immers onder

voorstellingen versta ik niet beelden zooals zij op den

achtergrond van het oog, of zoo men wil, midden in de

hersenen gevormd worden, maar begrippen van het Denken.

_Stelling XLIX._

Er bestaat in den Geest geenerlei willing, of bevestiging en

ontkenning, buiten die welke in de voorstelling, voorzoover zij

voorstelling is, ligt opgesloten.

_Bewijs._

Er bestaat (_vlg. voorgaande St._) in den Geest geen op zichzelf

staand vermogen tot willen of niet-willen, maar slechts

bijzondere willingen, namelijk deze of gene bevestiging of deze

of gene ontkenning. Nemen wij nu eens een bijzondere willing,

bijvoorbeeld die wijze van Denken waarbij de Geest bevestigt dat

de drie hoeken van een driehoek gelijk zijn aan twee rechten.

Deze bevestiging sluit het begrip of de voorstelling van den

driehoek in zich, d.w.z. zonder de voorstelling van den driehoek

is zij niet denkbaar. Bovendien is deze bevestiging (_vlg. Axioma

III v.d. D._) zonder de voorstelling van den driehoek ook niet

bestaanbaar. Genoemde bevestiging is dus zonder de voorstelling

van den driehoek noch bestaanbaar noch denkbaar. Voorts moet de

voorstelling van den driehoek deze zelfde bevestiging in zich

sluiten, namelijk dat zijn drie hoeken gelijk zijn aan twee

rechten. Zoodat ook omgekeerd de voorstelling van den driehoek

zonder deze bevestiging noch bestaanbaar noch denkbaar is.

Derhalve behoort deze bevestiging (_vlg. Definitie II v.d. D._)

tot het wezen der voorstelling van den driehoek, ja, is zij niets

anders dan deze voorstelling zelf. En wat wij van déze willing

gezegd hebben geldt (_aangezien wij haar willekeurig kozen_) ook

voor iedere andere willing, namelijk dat zij niets anders is dan

de voorstelling zelf. H.t.b.w.

_Gevolg:_ Wil en Verstand zijn één en hetzelfde.

_Bewijs._

Wil en Verstand zijn (_vlg. St. XLVIII en Opmerking v.d.

D._) niets anders dan bijzondere willingen en

voorstellingen. Maar bijzondere willingen en

voorstellingen zijn (_vlg. de voorgaande St._) één en

hetzelfde. Derhalve zijn ook Wil en Verstand één en

hetzelfde. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Hiermede hebben wij opgeheven wat gemeenlijk

voor oorzaak der dwaling wordt gehouden. Vroeger toch

hebben wij aangetoond dat valschheid uitsluitend bestaat

in een gemis dat gebrekkige en verwarde voorstellingen

kenmerkt. Waarom dan ook een valsche voorstelling,

voorzoover zij valsch is, geen zekerheid in zich sluit.

Wanneer wij daarom zeggen dat iemand zich bij een

onwaarheid neerlegt en niet aan de waarheid ervan

twijfelt, zoo zeggen wij daarmede niet dat hij zéker is,

maar alleen dat hij niet twijfelt of dat hij zich bij

onwaarheid neerlegt, omdat er geen oorzaken gegeven zijn

welke zijn voorstellingsvermogen aan het wankelen konden

brengen. (_Zie hierover de Opmerking bij St. XLIV v.d.

D._). Hoezeer wij dan ook aan valsche voorstellingen

mogen vasthouden, toch zullen wij nooit kunnen zeggen dat

wij er zeker van zijn, want onder zekerheid verstaan wij

iets positiefs (_zie St. XLIII en Opmerking v.d. D._),

niet echter afwezigheid van twijfel. Onder gemis van

zekerheid echter verstaan wij valschheid.

Tot nadere verklaring der voorgaande stelling evenwel

rest ons nog een en ander in herinnering te brengen.

Voorts zal ik moeten antwoorden op de tegenwerpingen

welke men tegen deze onze leer zou kunnen inbrengen en

tenslotte acht ik het, om alle bezwaren uit den weg te

ruimen, der moeite waard sommige voordeelen dezer leer in

het licht te stellen. Sommige, zeg ik, want de

belangrijkste zullen beter worden begrepen uit hetgeen

wij in het Vijfde Deel zullen behandelen.

Ik begin dus met het eerste en verzoek den lezer

nauwlettend te onderscheiden tusschen "voorstelling" of

begrip van den Geest en "beelden" der dingen welke wij

ons verbeelden[A16]. Voorts is het noodig dat men

onderscheide tusschen voorstellingen en de woorden,

waardoor wij de dingen aanduiden. Want aangezien deze

drie, namelijk verbeeldingen, woorden en voorstellingen

door velen òf geheel en al met elkaar verward òf niet

nauwlettend genoeg, òf eindelijk niet voorzichtig genoeg

worden onderscheiden, zijn zij volkomen onkundig omtrent

deze leer van den Wil, welke nochtans zoo hoog noodig is,

zoowel voor bespiegeling als voor een wijze inrichting

des levens. Immers diegenen die meenen dat de

voorstellingen "beelden" zijn, welke door de aanraking

met voorwerpen in ons gevormd worden, maken zich wijs dat

zoodanige voorstellingen van dingen, waarvan zij zich

geen gelijkend beeld kunnen vormen, geen werkelijke

voorstellingen zijn, maar slechts verzinsels, welke wij

krachtens het vrije oordeel van den wil verzinnen. Zij

beschouwen dus de voorstellingen als stomme schilderijen

op een paneel en, geheel vervuld met dit vooroordeel,

zien zij niet in dat een voorstelling, voorzoover zij

voorstelling is, een bevestiging of ontkenning in zich

sluit. Diegenen verder, die woorden met een voorstelling

verwarren of met de bevestiging zelf welke in die

voorstelling besloten ligt, meenen dat zij iets kunnen

willen tegen wat zij gevoelen [waarnemen] in; wanneer zij

namelijk iets met woorden bevestigen of ontkennen tegen

hun gevoelen [waarneming] in. Wie echter op den aard van

het denken let, welke het begrip der Uitgebreidheid in

het minst niet in zich sluit, zal deze vooroordeelen

gemakkelijk kunnen uitroeien en duidelijk inzien dat een

voorstelling (welke immers een openbaring van het Denken

is) noch in een beeld van een of ander ding, noch in een

woord kan bestaan. Het wezen toch van beelden of woorden

bestaat alleen uit lichamelijke bewegingen, welke het

begrip van het Denken in het geheel niet in zich sluiten.

Deze enkele opmerkingen mogen hieromtrent volstaan,

zoodat ik tot de bovenbedoelde tegenwerpingen overga. De

eerste hiervan is dat men als vaststaand aanneemt dat de

Wil zich verder uitstrekt dan het Verstand en dus daarvan

onderscheiden is. De reden echter waarom men meent dat de

Wil zich verder uitstrekt dan het Verstand is deze dat de

ervaring den menschen, naar zij zeggen, heeft geleerd dat

zij niet een grooter vermogen tot bevestigen of ontkennen

dan zij reeds bezitten noodig hebben, om te kunnen

oordeelen over het oneindig aantal dingen welke wij niet

waarnemen, maar wèl een grooter vermogen tot begrijpen.

De Wil onderscheidt zich dus van het Verstand daarin dat

het laatste eindig, de eerste oneindig is.

Ten tweede kan ons worden tegengeworpen dat de ervaring

niets duidelijker schijnt te leeren dan dat wij ons

oordeel kunnen opschorten, d.w.z. dat wij de dingen welke

wij waarnemen niet _behoeven_ te beamen. Hetgeen

bevestigd wordt door het feit dat men van niemand zegt

dat hij dwaalt voorzoover hij iets waarneemt, doch alleen

voorzoover hij bevestigt of ontkent. Zoo beweert iemand,

die zich een gevleugeld paard verbeeldt, daardoor nog

niet dat er een gevleugeld paard bestaat; d.w.z. hij

dwaalt niet, tenzij hij tevens aanneemt dat er

gevleugelde paarden zijn. Niets schijnt dus de ervaring

duidelijker te leeren, dan dat de Wil, of het vermogen om

te beamen, vrij is en verschilt van het vermogen om te

begrijpen.

Ten derde kan men tegen ons inbrengen dat de eene

bevestiging niet méér werkelijkheid schijnt te bevatten

dan de andere, d.w.z. dat wij geen grooter vermogen

[oordeelskracht] schijnen noodig te hebben om te beamen

dat waar is wat waar is, dan om te beamen dat waar is wat

valsch is. Maar wij nemen waar dat de eene voorstelling

meer werkelijkheid of volmaaktheid heeft dan de andere;

immers zooveel voortreffelijker een voorwerp is boven

andere, zooveel volmaakter zal ook zìjn voorstelling zijn

dan die van die andere en ook daardoor schijnt het dat er

werkelijk verschil tusschen Wil en Verstand bestaat.

Ten vierde kan men tegenwerpen: indien de mensch niet

krachtens zijn wilsvrijheid handelt, wat zal er dan

gebeuren wanneer iemand in evenwicht verkeerd, gelijk de

ezel van Buridan?[A43] Zal hij van honger en dorst

omkomen? Als ik dit beaam, zal het schijnen of ik eer een

ezel of een standbeeld, dan een mensch op het oog heb.

Ontken ik het echter, dan geef ik tevens toe dat hij dus

zichzelf bepaalt en bijgevolg het vermogen bezit om te

gaan waarheen en te doen wat hij maar wil.

Wellicht kan behalve dit alles nog meer worden

aangevoerd, maar aangezien ik niet gehouden ben dingen op

te nemen die ieder wel kan droomen[A44], zal ik mij

alleen de moeite geven op de bovenstaande bezwaren te

antwoorden, en dat wel zoo kort mogelijk.

Wat nu het eerste betreft; zoo moet ik toegeven dat de

Wil zich inderdaad verder uitstrekt dan het Verstand,

indien men onder Verstand niets anders verstaat dan

heldere en duidelijke voorstellingen; maar ik ontken dat

de Wil zich verder zou uitstrekken dan de waarneming

[perceptie][A24], of het vermogen om de dingen op te

vatten [concipeeren] en evenmin zie ik in waarom het

vermogen om te willen eerder onbegrensd zou zijn dan het

vermogen om waar te nemen. Immers evenals wij met

hetzelfde wilsvermogen oneindig veel dingen kunnen beamen

(hoewel slechts na elkaar, want oneindig veel dingen

tegelijk beamen kunnen wij niet), evenzoo kunnen wij

oneindig vele voorwerpen (mits na elkaar) met hetzelfde

waarnemingsvermogen waarnemen of in ons opnemen. Zegt men

nu dat er oneindig veel dingen zijn welke wij niet kunnen

waarnemen, dan antwoord ik dat men die dingen dan ook

door geen enkele soort van Denken en bijgevolg ook niet

met het wilsvermogen kan benaderen. Nu zegt men wel dat

God, indien hij wilde bewerken dat wij ook dìe dingen

waarnamen, ons slechts een grooter waarnemingsvermogen

zou behoeven te schenken, doch niet een grooter

wilsvermogen dan hij ons reeds gaf. Maar dit is hetzelfde

alsof men zeide dat God, indien hij wilde bewerken dat

wij oneindig vele andere wezens begrepen, ons, om die

oneindig vele wezens te kunnen omvatten, slechts een

grooter Verstand behoefde te geven, doch niet een wijder

voorstelling van het Zijnde dan hij reeds gaf. Wij hebben

immers aangetoond dat de Wil een algemeen begrip is,

ofwel een voorstelling welke alle afzonderlijke

willingen, d.w.z. datgene wat aan hen allen gemeen is,

omvat. En aangezien men nu meent dat dit aan alle

willingen gemeenschappelijke, of wel deze algemeene

voorstelling, een "vermogen" is, valt het allerminst te

verwonderen wanneer men beweert dat dit vermogen zich tot

in het oneindige buiten de grenzen van het Verstand

uitstrekt. Het algemeene toch is zoowel op één ding, als

op meerdere en zelfs oneindig veel enkeldingen

toepasselijk.

Op de tweede tegenwerping antwoord ik door te ontkennen

dat wij het vrije vermogen hebben om ons oordeel op te

schorten. Immers wanneer wij beweren dat iemand zijn

oordeel opschort, zeggen wij niets anders dan dat hij

inziet dat hij de zaak nog niet adaequaat heeft

waargenomen [begrepen]. De opschorting van zijn oordeel

was dus in werkelijkheid een waarneming en geen vrij

wilsbesluit. Laten wij ons, om dit duidelijk te doen

begrijpen, eens een knaap voorstellen, die zich een paard

verbeeldt en daarbij niets anders waarneemt. Aangezien

deze verbeelding van een paard (_vlg. Gevolg St. XVII

v.d. D._) het bestaan in zich sluit en die knaap niets

waarneemt dat het bestaan van dit paard opheft, zal hij

noodzakelijk dit paard als aanwezig beschouwen en aan het

bestaan ervan niet kunnen twijfelen, ofschoon hij er ook

niet zeker van is. Wij ervaren dit dagelijks in den

droom; ik geloof niet dat er één mensch is die meent dat

hij, terwijl hij droomt, het willekeurig in zijn macht

heeft om zijn oordeel omtrent de dingen welke hij droomt,

op te schorten en te bewerken dat hij datgene wat hij

droomt te zien nìet droomt. Nochtans komt het voor dat

wij ook in den droom ons oordeel opschorten, wanneer wij

namelijk droomen dàt wij droomen[A45]. Voorts geef ik toe

dat niemand zich vergist voorzoover hij [iets] waarneemt,

d.w.z. ik geef toe dat de verbeeldingen van den Geest op

zichzelf beschouwd geenerlei dwaling in zich sluiten

(_zie de Opmerking bij St. XVII v.d. D._); maar ik ontken

dat de mensch, voorzoover hij waarneemt, niets zou

beamen. Wat toch is het waarnemen van een gevleugeld

paard anders dan beamen dat dit paard vleugels heeft?

Immers indien de Geest behalve het gevleugelde paard

niets anders waarnam, zou hij het als aanwezig beschouwen

en geen enkele reden hebben om aan zijn bestaan te

twijfelen, nog zelfs in staat zijn om iets anders te

denken, voordat die verbeelding van het gevleugelde paard

verbonden werd aan een voorstelling welke het bestaan van

dit paard ophief, of voordat hij waarnam dat de

voorstelling welke hij van het gevleugelde paard had,

inadaequaat was. Eerst dan zal hij òf het bestaan van dit

paard noodzakelijk ontkennen, òf er noodzakelijk aan

twijfelen.

Ik meen hiermede tevens op de derde tegenwerping te

hebben geantwoord: door nl. te erkennen dat de Wil iets

algemeens is, dat aan alle voorstellingen toekomt, dat

slechts aanduidt wat aan alle voorstellingen gemeen is,

nl. de bevestiging; welker adaequate wezen derhalve,

aldus afgetrokken beschouwd, in elke voorstelling

aanwezig moet zijn en alleen in dit opzicht in allen

hetzelfde is; niet echter voorzoover zij wordt opgevat

als uitmakende het wezen van de voorstelling zelf, want

in dit opzicht verschillen de afzonderlijke bevestigingen

evenveel van elkaar als de voorstellingen. Zoo verschilt

bijv. de bevestiging welke in de voorstelling van een

cirkel ligt besloten evenzeer van die welke in de

voorstelling van een driehoek besloten ligt als de

voorstelling des cirkels van de voorstelling des

driehoeks. Voorts ontken ik ten eenenmale dat wij

eenzelfde denkkracht zouden behoeven om te beamen dat wat

waar is waar is, als om te beamen dat waar is wat valsch

is. Want deze twee bevestigingen staan, voorzoover den

Geest betreft, tot elkaar als een bestaand iets tot een

niet-bestaand. Immers in de voorstellingen is niets

positiefs dat het wezen der valschheid uitmaakt (_zie St.

XXXV en Opmerking v.d. D. en Opmerking v. St. XLVII v.d.

D._). Waarom hier dan ook in de eerste plaats valt op te

merken hoe licht wij bedrogen uitkomen wanneer wij

algemeene begrippen met bijzondere, of abstracte, slechts

gedachte dingen met werkelijke verwarren.

Wat eindelijk de vierde tegenwerping aangaat: ik geef

volkomen toe dat een mensch die in een dergelijk

evenwicht geplaatst is (die namelijk niets anders gevoelt

dan dorst en honger en niets anders waarneemt dan een

bepaalde spijs en drank welke evenver van hem verwijderd

zijn), van honger en dorst moet omkomen. En vraagt men

mij of zulk een mensch niet veeleer voor een ezel dan

voor een mensch gehouden moet worden, dan antwoord ik dat

ik dit niet weet, zooals ik óók niet weet hoe hoog ik

iemand moet stellen die zich ophangt of hoe hoog ik

kinderen, idioten, krankzinnigen enz. moet aanslaan.

Er rest thans nog aan te duiden, hoezeer de kennis van

deze leer van nut is voor het [praktisch] leven, hetgeen

gemakkelijk uit het volgende blijkt:

Ten eerste leert zij ons namelijk dat wij alleen

krachtens Gods besluit handelen en deel hebben aan den

goddelijken aard en dat wel des te meer, hoe volmaakter

daden wij verrichten en hoe meer en meer wij God

begrijpen. Deze leer heeft dus, behalve dat zij onze ziel

volkomen rustig maakt, nog dit voordeel dat zij ons leert

waarin ons hoogste geluk of onze zaligheid bestaat,

namelijk uitsluitend in de kennis van God, welke ons

alleen tot die handelingen drijft welke liefde en

vroomheid[A46] van ons verlangen. Hieruit zien wij

duidelijk hoezeer diegenen van de waarachtige waardeering

der deugd afdwalen, die verwachten voor hun deugdzaamheid

en goede daden, als voor de diepste onderdanigheid, door

God met de hoogste belooningen te zullen worden

onderscheiden, alsof de deugdzaamheid en het dienen van

God niet reeds zelf het geluk en de hoogste vrijheid

waren.

Ten tweede leert zij ons op welke wijze wij ons hebben te

gedragen ten opzichte van de dingen der fortuin, ofwel

van de dingen welke niet in onze macht staan, d.w.z.

welke niet uit onzen eigen aard voortvloeien. Te weten,

dat wij in gelijkmoedigheid beide kansen van het lot

moeten afwachten en dragen, en wel omdat alles uit Gods

eeuwig raadsbesluit voortvloeit met dezelfde

noodwendigheid als uit het wezen van den driehoek volgt

dat zijn drie hoeken gelijk zijn aan twee rechten.

Ten derde is deze leer van belang voor het

maatschappelijk leven, voorzoover zij leert niemand te

haten, te verachten, te bespotten, te toornen of te

benijden. Voorts voorzoover zij leert dat elk met het

zijne tevreden zij en zijnen naaste tot steun; niet uit

vrouwelijke weekhartigheid, partijdigheid of bijgeloof,

maar uitsluitend op gezag der Rede, naar gelang namelijk

tijd en omstandigheden eischen, gelijk ik in het

Vierde[A47] Deel zal aantoonen.

Ten vierde eindelijk is deze leer van niet geringe

beteekenis voor de gemeenschap, voorzoover zij namelijk

leert op welke wijze de burgers geleid en geregeerd

moeten worden, te weten niet als slaven, maar zóó dat zij

vrijwillig doen wat het beste voor hen is.

En hiermede heb ik dan afgedaan wat ik mij voorstelde in

deze Opmerking te behandelen en maak ik tevens een einde

aan dit Tweede Deel, waarin ik vermeen den aard en de

eigenschappen van den menschelijken Geest breedvoerig

genoeg, en voorzoover de moeilijkheid van het onderwerp

gedoogde, ook duidelijk genoeg te hebben uiteengezet en

dingen te hebben gezegd waaruit vele treffelijke, hoogst

nuttige en voor onze kennis noodzakelijke

gevolgtrekkingen zijn af te leiden, gelijk voor een deel

uit het volgende nog zal blijken.

_Einde van het Tweede Deel._

* * * * *

Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen · 第 37 / 59 题