_Stelling I._
Het Denken is een attribuut Gods, ofwel God is iets denkends.
_Bewijs._
Bijzondere gedachten, dat wil zeggen deze of gene gedachte, zijn
bestaanswijzen, welke Gods wezen op zekere bepaalde wijze
uitdrukken (_vlg. Gevolg St. XXV Deel I_). God moet dus wel
(_vlg. Def. V. Deel I_) een attribuut bezitten, welks begrip in
alle afzonderlijke gedachten ligt opgesloten en door bemiddeling
waarvan zijzelf kunnen worden begrepen. Derhalve is het Denken
een van de oneindig vele attributen Gods en openbaart het Gods
eeuwige en oneindige wezen (_zie Def. VI Deel I_) ofwel God is
iets denkends. H.t.b.w.
_Opmerking:_ De waarheid dezer stelling blijkt ook
hieruit, dat wij ons inderdaad een denkend oneindig wezen
kunnen voorstellen. Want hoemeer een denkend iets denken
kan, hoe meer werkelijkheid of volmaaktheid het naar ons
begrip moet bezitten. Derhalve moet een wezen, dat
oneindig veel dingen op oneindig vele wijzen kan denken,
noodzakelijk ook in denkvermogen oneindig zijn. Waar wij
dus, ons uitsluitend bepalende tot het Denken, tot de
opvatting van een oneindig wezen komen, moet (_vlg. Def.
IV en VI Deel I_) het Denken een van de oneindig vele
attributen Gods zijn, hetgeen wij wilden bewijzen.
_Stelling II._
De Uitgebreidheid is een attribuut Gods, ofwel God is iets
uitgebreids.
_Bewijs._
Dit bewijs wordt op dezelfde wijze geleverd als het bewijs der
voorgaande Stelling.
_Stelling III._
Er bestaat in God noodzakelijk een voorstelling, zoowel van zijn
eigen wezen, als van alles wat met noodwendigheid uit dit wezen
voortvloeit.
_Bewijs._
God immers kan (_vlg. St. I van dit Deel_) oneindig vele dingen
op oneindig vele wijzen denken, ofwel (_wat vlg. St. XVI Deel I
hetzelfde is_) hij kan een voorstelling vormen van zijn eigen
wezen en van alles wat met noodwendigheid daaruit voortvloeit.
Maar al datgene, wat in Gods vermogen ligt, moet (_vlg. St. XXXV
Deel I_) ook noodwendig bestaan, en derhalve bestaat ook
noodzakelijk de bedoelde voorstelling en dat wel (_vlg. St. XV
Deel I_) uitsluitend in God. H.t.b.w.
_Opmerking:_ De groote massa verstaat onder Gods macht
Gods vrijen wil en beschikking ten opzichte van al wat
bestaat, zoodat daarom ook gemeenlijk alles als toevallig
beschouwd wordt. Immers God heeft, zoo meent men, de
macht om alles te verwoesten en tot niets te doen
verkeeren. Daarom ook wordt Gods macht maar al te
dikwijls bij de macht der koningen vergeleken. In Gevolg
I en II van Stelling XXXII Deel I evenwel, hebben wij
deze meening afgewezen en in Stelling XVI Deel I hebben
wij aangetoond dat God handelt met diezelfde
noodwendigheid, waarmede hij zichzelf begrijpt. Dat wil
zeggen: evenals uit de noodwendigheid van Gods wezen
volgt (gelijk allen volmondig erkennen) dat God zichzelf
begrijpt, volgt uit diezelfde noodwendigheid dat God
oneindig vele dingen op oneindig vele wijze doet. Voorts
hebben wij in Stelling XXXIV Deel I aangetoond, dat Gods
macht niets anders is dan Gods werkdadig wezen, en daarom
is het ons even onmogelijk te denken dat God niet zou
handelen als dat God niet zou bestaan. Indien ik hierop
dieper wilde ingaan, zou ik hier nader kunnen aantoonen
dat die macht, welke de groote massa aan God toedicht,
niet alleen een menschelijk karakter heeft (hetgeen doet
zien dat zij zich God voorstelt als een mensch of naar
gelijkenis van den mensch) maar zelfs onmacht medebrengt.
Doch ik wil niet zooveel woorden aan eenzelfde zaak
verliezen. Ik wil den lezer slechts nog eens bij
herhaling verzoeken om wat hierover in het Eerste Deel,
van Stelling XVI af tot aan het einde, gezegd is, nog
eens en nog eens te overwegen. Want niemand kan datgene,
wat ik zeggen wil, juist begrijpen indien hij zich niet
met de grootste zorg er voor hoedt Gods macht met
menschelijke macht of met het menschelijk gezag der
koningen te verwarren.
_Stelling IV._
Gods voorstelling, uit welke oneindig veel op oneindig vele
wijzen voortvloeit, kan slechts eenig zijn.
_Bewijs._
Het oneindig verstand omvat (_vlg. St. XXX Deel I_) niets anders
dan Gods attributen en bestaanswijzen. Maar God is (_vlg. Gevolg
I St. XIV Deel I_) eenig. Derhalve kan ook Gods voorstelling,
waaruit oneindig veel op oneindig vele wijzen voortvloeit, niet
anders dan eenig zijn. H.t.b.w.
_Stelling V._
Het werkelijke zijn[A19] der voorstellingen heeft God tot oorzaak
alleen voorzoover hij als denkend iets beschouwd wordt, en niet
voorzoover hij zich in eenig ander attribuut openbaart. Dat wil
dus zeggen: de voorstellingen van Gods attributen, zoowel als die
van de bijzondere dingen, hebben niet het voorgestelde of de
waargenomen dingen tot werkende oorzaak, maar God zelf voorzoover
hij een denkend iets is.
_Bewijs._
Immers dit blijkt uit Stelling III van dit Deel. Daar toch kwamen
wij tot de slotsom dat God een voorstelling van zijn eigen wezen
en van alles wat daaruit met noodwendigheid voortvloeit kan
vormen, uitsluitend doordat hij een denkend iets is en niet omdat
hijzelf het voorwerp zijner voorstelling is. Zoodat het
werkelijke zijn der voorstellingen God tot oorzaak heeft
voorzoover hij een denkend iets is. Doch ook op andere wijze kan
dit worden aangetoond. Het werkelijke zijn der voorstellingen is
een bestaanswijze van het Denken (_gelijk vanzelf spreekt_)
d.w.z. (_vlg. Gevolg St. XXV Deel I_) een bestaanswijze, welke
Gods wezen, voor zoover hij een denkend iets is, openbaart.
Derhalve vooronderstelt het (_vlg. St. X Deel I_) ook niet het
begrip van eenig ander attribuut Gods en bijgevolg is het ook
(_vlg. Ax. IV Deel I_) geen uitvloeisel van eenig ander attribuut
dan uitsluitend van het Denken. Derhalve heeft het werkelijke
zijn der voorstellingen God tot oorzaak uitsluitend voor zoover
hij als denkend iets beschouwd wordt enz. H.t.b.w.
_Stelling VI._
De bestaanswijzen van elk attribuut hebben God tot oorzaak alleen
voorzoover hij beschouwd wordt als zich openbarende in dàt
attribuut welks bestaanswijzen zij zijn en niet voorzoover hij
als zich openbarende in eenig ander attribuut beschouwd kan
worden.
_Bewijs._
Immers elk attribuut wordt (_vlg. St. X Deel I_) op zichzelf en
zonder behulp van een ander begrepen. Zoodat de bestaanswijzen
van elk attribuut het begrip van hun eigen attribuut
vooronderstellen, niet echter dat van een ander. Derhalve hebben
zij (_vlg. Ax. 4 Deel I_) God tot oorzaak alleen voorzoover hij
beschouwd wordt onder dàt attribuut welks bestaanswijze zij zijn
en niet voorzoover hij onder eenig ander attribuut beschouwd kan
worden.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat het werkelijk bestaan van die
dingen welke géén bestaanswijzen van het Denken zijn,
niet voortvloeit uit den goddelijken aard omdat deze ze
zich eerst zou hebben voorgesteld, maar dat voorstelbare
dingen volgen en worden afgeleid uit hun eigen attribuut
op dezelfde wijze en met dezelfde noodwendigheid als naar
wij aantoonden de voorstellingen volgden uit het
attribuut van het Denken.
_Stelling VII._
De orde en het verband der voorstellingen zijn dezelfde als de
orde en het verband der dingen.
_Bewijs._
Dit blijkt uit _Ax. IV Deel I_. Want de voorstelling van elk
veroorzaakt ding hangt af van de kennis der oorzaak waarvan het
een uitvloeisel is.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat Gods vermogen tot Denken
gelijk is aan zijn vermogen om feitelijk te handelen. Dat
wil zeggen: al wat formeel [in werkelijkheid] uit den
oneindigen aard Gods voortvloeit, dit alles volgt in God
ook objectief[A20] uit Gods voorstelling in dezelfde orde
en in hetzelfde verband.
_Opmerking:_ Alvorens verder te gaan moeten wij ons hier
in herinnering roepen wat wij hierboven aantoonden, nl.
dat al wat door een oneindig verstand kan worden begrepen
als uitmakende het wezen eener substantie, slechts
behoort tot één enkele substantie en dat bijgevolg de
denkende substantie en de uitgebreide substantie één en
dezelfde substantie zijn, welke nu eens als zich
openbarende in dit, dan weder als zich openbarende in het
andere attribuut beschouwd wordt. Zoo zijn ook een
bestaanswijze der Uitgebreidheid en de voorstelling dier
bestaanswijze één en hetzelfde, slechts op twee manieren
uitgedrukt; hetgeen reeds sommigen Hebraeën als in een
nevel schijnt te hebben voorgezweefd, waar zij namelijk
beweren dat God, Gods verstand en de door hem begrepen
dingen één en hetzelfde zijn. Een in werkelijkheid
bestaande cirkel bijvoorbeeld en de voorstelling van dien
bestaanden cirkel, welke eveneens in God is, zijn één en
dezelfde zaak, welke zich in twee verschillende
attributen openbaart. Derhalve, of wij de Natuur onder
het attribuut der Uitgebreidheid, onder dat van het
Denken, dan wel onder eenig ander attribuut beschouwen,
steeds zullen wij één en dezelfde orde, één en hetzelfde
oorzakelijk verband vinden d.w.z. dezelfde zaken op
elkaar zien volgen. Om geen andere reden ook heb ik
gezegd dat God de oorzaak is der voorstelling van
bijvoorbeeld een cirkel, alleen voorzoover hij een
denkend iets is, van den cirkel zelf echter voorzoover
hij een uitgebreid iets is, dan wijl het werkelijke zijn
der voorstelling van den cirkel slechts met behulp van
een andere denkwijziging als naaste oorzaak, en deze
wederom door behulp van een andere en zoo tot in het
oneindige, kan worden begrepen. Zoodat, zoolang wij de
dingen als denkwijzigingen beschouwen, wij ook de orde
der geheele Natuur, ofwel de aaneenschakeling der
oorzaken, alleen door het attribuut van het Denken moeten
verklaren; terwijl voorzoover zij als bestaanswijzen der
Uitgebreidheid beschouwd worden, ook de orde der geheele
Natuur uitsluitend met behulp van het attribuut der
Uitgebreidheid verklaard moet worden. Hetzelfde geldt van
de overige attributen. Daarom is God van de dingen,
zooals zij op zichzelf zijn, eigenlijk alleen de oorzaak
voorzoover hij uit oneindig vele attributen bestaat. Voor
het oogenblik kan ik dit echter niet duidelijker uiteen
zetten.
_Stelling VIII._
De voorstellingen van afzonderlijke dingen of (anders gezegd)
bestaanswijzen, welke niet feitelijk bestaan, moeten in de
oneindige voorstelling Gods evenzoo begrepen zijn als het
werkelijke wezen dier afzonderlijke dingen of bestaanswijzen
besloten ligt in Gods attributen.
_Bewijs._
De waarheid dezer stelling blijkt uit de voorgaande, maar zal nog
beter begrepen kunnen worden uit de voorgaande Opmerking.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat zoolang de afzonderlijke
dingen niet bestaan dan voorzoover zij in Gods attributen
liggen besloten, ook hun "objectief" bestaan, of wel hun
voorstelling[A20], niet bestaat dan voorzoover de
oneindige voorstelling Gods bestaat; terwijl waar
afzonderlijke dingen bestaande genoemd worden niet alleen
voorzoover zij in Gods attributen liggen besloten, maar
ook voorzoover zij een duur hebben, tevens hunne
voorstellingen een bestaan, krachtens hetwelk zij een
duur hebben, insluiten.
_Opmerking:_ Indien men nu een voorbeeld verlangde ter
nadere verduidelijking hiervan, zou ik er helaas geen
weten te geven dat de kwestie waarover hier gesproken
wordt, en die geheel eenig in haar soort is, op volkomen
juiste wijze toelicht. Toch wil ik trachten haar, zoo
goed het gaat, te verduidelijken.
Het ligt in den aard van den cirkel dat de rechthoeken,
gevormd door de stukken van alle elkaar [in hetzelfde
punt] snijdende koorden aan elkaar gelijk zijn, zoodat
een cirkel een oneindig aantal onderling gelijke
rechthoeken bevat. Toch kan men van geen van hen zeggen
dat hij bestaat, tenzij alleen voorzoover die cirkel
bestaat. Evenmin kan men zeggen dat de voorstelling van
een dier rechthoeken bestaat, tenzij voorzoover zij in de
voorstelling van dien cirkel ligt opgesloten. Laten wij
nu eens aannemen dat van dit oneindig aantal rechthoeken
er twee, AB × BC en DB × BE werkelijk bestaan. Dan zouden
dus hun voorstellingen niet slechts bestaan voorzoover
zij in de voorstelling van den cirkel liggen besloten,
maar ook voorzoover zij het bestaan dier rechthoeken
insluiten: zoodat zij zich daardoor van de voorstellingen
der overige [niet feitelijk bestaande] rechthoeken
onderscheidden.
[Illustratie: Cirkel met twee koorden.]
_Stelling IX._
De voorstelling van een bijzonder, feitelijk bestaand ding, heeft
God tot oorzaak nìet voorzoover hij oneindig is, maar voorzoover
hij beschouwd wordt als hebbende een voorstelling van een ander
feitelijk bestaand ding, van hetwelk God eveneens oorzaak is
voorzoover hij een voorstelling heeft van een derde ding, en zoo
tot in het oneindige.
_Bewijs._
De voorstelling van een bijzonder, feitelijk bestaand ding is
(_vlg. Gevolg en Opmerking St. VIII van dit Deel_) een
bijzondere, van de overige onderscheiden bestaanswijze van het
Denken en heeft derhalve (_vlg. St. VI v.d. Deel_) God tot
oorzaak alleen voorzoover hij een denkend iets is. Niet echter
(_vlg. St. XXVIII Deel I_) voorzoover hij het absolute Denken is,
maar voorzoover hij beschouwd wordt als zich openbarende in een
bepaalde denkwijziging; en van deze is God eveneens de oorzaak
voorzoover hij zich in wederom een andere denkwijziging openbaart
en zoo tot in het oneindige. Maar orde en verband der
voorstellingen zijn (_vlg. St. VII v.d. Deel_) dezelfde als de
orde en het verband der oorzaken; derhalve is de oorzaak van elke
bijzondere voorstelling een andere voorstelling, ofwel God
voorzoover hij zich in een andere voorstelling openbaart, en van
deze wederom voorzoover hij zich in weer een andere openbaart en
zoo tot in het oneindige. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Van al wat in het bijzondere voorwerp van een
of andere voorstelling geschiedt, draagt God kennis
alléén voorzoover hij de voorstelling van juist dit
voorwerp heeft.
_Bewijs._
Van al wat in het bijzondere voorwerp van een of andere
voorstelling geschiedt, bestaat (_vlg. St. III v.d.
Deel_) eene voorstelling in God, niet voorzoover hij
oneindig is, maar (_vlg. voorgaande St._) voorzoover hij
beschouwd wordt zich te openbaren in de voorstelling van
een ander bijzonder ding. Maar (_vlg. St. VII v.d.
Deel_): orde en verband der voorstellingen zijn dezelfde
als de orde en het verband der dingen; er moet dus in God
een kennis zijn van datgene wat in een of ander bijzonder
voorwerp geschiedt, alléén voorzoover hij de voorstelling
van juist dit voorwerp heeft. H.t.b.w.
_Stelling X._
Het zijn eener substantie behoort niet tot het wezen van den
Mensch, ofwel de substantie maakt niet den aard van den Mensch
uit.[A34]
_Bewijs._
Het zijn eener substantie immers sluit een noodwendig bestaan in
zich. (_Vlg. St. VII Deel I_). Indien dus het zijn eener
substantie tot het menschelijk wezen behoorde, zou, gegeven de
substantie, ook noodzakelijk de Mensch moeten bestaan (_vlg. Def.
II van dit Deel_) en zou derhalve de Mensch noodwendig bestaan,
hetgeen (_vlg. Ax. I van dit Deel_) ongerijmd is. Derhalve enz.
H.t.b.w.
_Opmerking:_ Deze stelling kan ook worden afgeleid uit
_Stelling V. Deel I_, waar bewezen wordt dat er geen
substanties van denzelfden aard kunnen bestaan. Immers
aangezien er vele menschen bestaan kunnen, kan datgene
wat het wezen van den mensch uitmaakt, ook niet het zijn
eener substantie zijn. De juistheid dezer stelling blijkt
bovendien nog uit de overige eigenschappen der
substantie, te weten dat zij van nature oneindig,
onveranderlijk ondeelbaar enz. is, gelijk een ieder
gemakkelijk zal inzien.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat het wezen van den Mensch
gevormd wordt door bepaalde wijzigingen van Gods
attributen. Want het zijn der substantie behoort nìet tot
het wezen van den Mensch (_vlg. voorgaande St._). Hij is
dus (_vlg. St. XV Deel I_) iets dat in God is en dat
zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar is, ofwel
(_vlg. Gevolg St. XXV Deel I_) een openbaring of
bestaanswijze welke den aard Gods op zekere bepaalde
wijze uitdrukt.
_Opmerking:_ Ieder zal toch zeker moeten toegeven dat
zonder God nìets bestaanbaar noch denkbaar is. Immers
ieder erkent dat God de eenige oorzaak aller dingen is,
zoowel wat hun wezen als wat hun bestaan betreft, d.w.z.
dat God niet alleen de oorzaak der dingen is voorzoover
hun "wording" (gelijk men zegt), maar ook voorzoover hun
werkelijk zijn[A35] aangaat. Nochtans beweren de meesten
dat tot het wezen van iets datgene behoort zonder hetwelk
het noch bestaanbaar noch denkbaar is: ofwel, wat
waarschijnlijk is: zij zijn het niet met zichzelf eens.
De reden hiervan is, naar ik geloof, dat zij zich bij het
filosofeeren niet houden aan de juiste volgorde. Immers
zij hebben gemeend dat de goddelijke aard, welken zij
vóór alles hadden moeten beschouwen, omdat hij zoowel
naar begrip als van nature vóórgaat, in de volgorde
hunner gedachten het laatst, de dingen daarentegen welke
men zintuigelijk waarneembaar noemt, het eerst van al
kwamen. Zoodat zij, wanneer zij de natuurverschijnselen
beschouwden, over niets minder dachten dan over den
goddelijken aard en, wanneer zij daarna hun geest er toe
gingen zetten om over den goddelijken aard te peinzen,
over niets minder konden denken dan over de eerste
onderstellingen waarop zij hun kennis der Natuur hadden
opgebouwd, aangezien deze hen van geen nut konden zijn
bij het begrijpen van den goddelijken aard. Het behoeft
dus niet te verwonderen wanneer zij zichzelf telkens
tegenspreken. Doch genoeg hierover. Het was hier toch
slechts mijn bedoeling de reden aan te duiden waarom ik
niet heb gezegd dat tot het wezen van iets datgene zou
behooren zonder hetwelk het noch bestaanbaar noch
denkbaar is, te weten: wijl de afzonderlijke dingen
zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn, terwijl
nochtans God niet tot hun wezen behoort. Wel echter heb
ik gezegd dat tot het wezen van een zaak noodzakelijk
datgene behoort, waarmede zij staat _of valt_, ofwel
datgene zonder hetwelk de zaak, en _omgekeerd, hetwelk
zonder die zaak noch bestaanbaar noch denkbaar is_.
_Stelling XI._
De eerste openbaring van het werkelijk bestaan van den
menschelijken Geest is niets anders dan de voorstelling van een
werkelijk bestaand bijzonder iets.
_Bewijs._
Het wezen van den mensch bestaat (_vlg. Gevolg der voorg. St._)
uit bepaalde openbaringen van Gods attributen, nl. (_vlg. Ax. II
van dit Deel_) uit bestaanswijzen van het Denken[A36], van welke
(_vlg. Ax. III v.d. D._) de voorstelling van nature de eerste is;
terwijl, wanneer de voorstelling eenmaal gegeven is, ook de
overige denkvormen (die namelijk waaraan de voorstelling van
nature voorafgaat) in hetzelfde individu aanwezig moeten zijn
(_vlg. hetzelfde Ax._) Vandaar dat de voorstelling de eerste
openbaring is van den menschelijken Geest. Niet echter de
voorstelling van iets dat nìet bestaat. Immers dan zou (_vlg.
Gevolg St. VIII v.d. D._) die voorstelling zelf niet een
"bestaande" genoemd kunnen worden. Zij zal derhalve de
voorstelling moeten zijn van een werkelijk bestaand iets. Doch
alweer niet van iets oneindigs. Immers iets oneindigs moet (_vlg.
St. XXI en XXII v. D. I_) steeds met noodwendigheid bestaan. Dit
echter is [bij den menschelijken geest] (_vlg. Ax. I v.d. D._)
ongerijmd. Derhalve is de eerste openbaring van het werkelijk
bestaan van den menschelijken Geest de voorstelling van een
werkelijk bestaand, bijzonder iets. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat de menschelijke Geest een
deel is van het oneindige Verstand Gods, en daarom zeggen
wij, wanneer wij beweren dat de menschelijke Geest dit of
dat begrijpt, eigenlijk niets anders dan dat God, niet
voorzoover hij oneindig is, maar voor zoover hij zich in
den aard van den menschelijken Geest openbaart, ofwel
voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest
uitmaakt, deze of gene voorstelling heeft. Wanneer wij
echter zeggen dat God deze of gene voorstelling heeft,
niet alleen voorzoover hij den aard van den menschelijken
Geest uitmaakt, maar ook voorzoover hij tegelijk met den
menschelijken Geest de voorstelling van iets anders
heeft, dan zeggen wij dat de menschelijke Geest die zaak
tendeele of inadaequaat begrijpt.
_Opmerking:_ Hier zal de lezer zonder twijfel ophouden en
zich velerlei te binnen brengen wat hem bedenkelijk
voorkomt. Ik verzoek hem daarom om langzaam aan met mij
voort te schrijden en geen oordeel hieromtrent uit te
spreken alvorens hij alles ten einde toe gelezen heeft.
_Stelling XII._
Al wat in het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken
Geest uitmaakt geschiedt, moet door den menschelijken Geest
worden waargenomen, ofwel van dit alles bestaat in den Geest
noodzakelijk een voorstelling. Met andere woorden: wanneer het
voorwerp der voorstelling welke den menschelijken Geest uitmaakt,
het Lichaam is, zal er niets in dit Lichaam kunnen gebeuren, wat
niet door den Geest wordt waargenomen.
_Bewijs._
Immers van al wat er in het voorwerp van een of andere
voorstelling geschiedt, bestaat (_vlg. Gevolg v. St. IX v.d. D._)
kennis in God, voorzoover hij beschouwd wordt zich te openbaren
als voorstelling van juist dit voorwerp, d.w.z. (_vlg. St. XI
v.d. D._) voorzoover hij den Geest van dit voorwerp uitmaakt. Van
al wat in het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken
Geest uitmaakt geschiedt, bestaat dus ook kennis in God,
voorzoover hij het wezen van den menschelijken Geest vormt;
m.a.w. (_vlg. Gevolg v. St. XI v.d. D._) deze kennis zal
noodzakelijk in den Geest aanwezig zijn, ofwel de Geest zal dit
alles waarnemen. H.t.b.w.
_Opmerking:_ De waarheid dezer Stelling blijkt ook en
wordt nog duidelijker begrepen uit de Opmerking bij _St.
VII v.d. D._, waarheen ik verwijs.
_Stelling XIII._
Het voorwerp der voorstelling welke den menschelijken Geest
uitmaakt is het Lichaam, ofwel een zekere werkelijk bestaande
vorm der Uitgebreidheid, en niets anders.
_Bewijs._
Immers indien het Lichaam niet het voorwerp van den menschelijken
Geest was, zouden de voorstellingen der inwerkingen op het
Lichaam (_vlg. Gevolg St. IX v.d. D._) niet in God bestaan
voorzoover hij ònzen Geest, maar voorzoover hij den geest van
iets anders uitmaakte, hetgeen (_vlg. Gevolg St. XI v.d. D._) wil
zeggen dat de voorstellingen der inwerkingen op het lichaam nìet
in onzen Geest zouden voorkomen. Wij hebben echter (_vlg. Axioma
IV v.d. D._) wel degelijk voorstellingen van de inwerkingen op
ons Lichaam. Derhalve is ook het voorwerp der voorstelling welke
den menschelijken Geest uitmaakt het Lichaam, en dat wel (_vlg.
St. XI v.d. D._) het werkelijk bestaande. Voorts zou er, indien
er behalve het Lichaam nog een ander voorwerp van den Geest
bestond--aangezien er (_vlg. St. XXXVI D. I_) niets bestaat dat
niet de een of andere uitwerking heeft--(_vlg. St. XI v.d. D._)
noodzakelijk een voorstelling van zulk een uitwerking in onzen
Geest aanwezig moeten zijn. Maar (_vlg. Ax. V v.d. D._) zulk een
voorstelling bestaat er nìet. Derhalve is ook het voorwerp van
onzen Geest het bestaande Lichaam en niets anders. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat de mensch uit Geest en
Lichaam bestaat en dat het menschelijk Lichaam bestaat
zóó als wij het waarnemen.
_Opmerking:_ Het is ons hierdoor niet alleen duidelijk
geworden dat de menschelijke Geest verbonden is met het
Lichaam, maar ook wat wij onder dit verband van Geest en
Lichaam hebben te verstaan. Geheel adaequaat ofwel
duidelijk echter zal niemand dit kunnen begrijpen wanneer
hij niet eerst den aard van ons Lichaam adaequaat heeft
leeren kennen. Want wat wij tot dusver hebben uiteengezet
was van zeer algemeenen aard en betrof den mensch niet
méér dan de overige enkeldingen, die immers allen, hoewel
in verschillenden graad, bezield zijn. Van ieder ding
toch bestaat noodzakelijk bij God een voorstelling, van
welke God de oorzaak is op dezelfde wijze als hij oorzaak
is van de voorstelling des menschelijken Lichaams, zoodat
al wat wij gezegd hebben over de voorstelling van het
menschelijk Lichaam, noodzakelijk eveneens moet gelden
voor de voorstelling van elk ander ding. Wij kunnen
echter geenszins ontkennen dat de voorstellingen, evenals
de voorwerpen zelf, van elkaar verschillen en dat de eene
voortreffelijker is en meer werkelijkheid heeft dan de
andere, naar gelang het voorwerp van de eene
voortreffelijker is en meer werkelijkheid heeft dan het
voorwerp der andere. Daarom is het, ten einde vast te
stellen in welk opzicht de menschelijke Geest van andere
voorstellingen verschilt en in welk opzicht hij ze
overtreft, noodig om, zooals wij zeiden, den aard van
zijn voorwerp, d.w.z. van het menschelijk Lichaam, te
leeren kennen. Dezen aard kan ik hier evenwel niet
beschrijven en dit is ook niet noodig voor hetgeen ik
wensch te bewijzen. Wel merk ik in het algemeen nog op
dat, naarmate eenig Lichaam geschikter dan andere is om
velerlei tegelijk te doen of te ondergaan, ook zijn Geest
geschikter dan andere zijn zal om velerlei tegelijk in
zich op te nemen; en dat hoemeer de verrichtingen van
eenig lichaam van dit lichaam alleen afhangen en hoe
minder andere lichamen tot zijn verrichtingen medewerken,
hoe beter ook zijn geest in staat zal zijn helder te
begrijpen. Hieraan kunnen wij de voortreffelijkheid van
den eenen geest boven den andere onderkennen, terwijl wij
hierin tevens de reden mogen zien waarom wij van ons
eigen Lichaam slechts een uiterst verwarde kennis
bezitten. En nog meer dingen zal ik in de volgende
stellingen hieruit afleiden. Ik heb het daarom der moeite
waard geacht een en ander nog ietwat nauwkeuriger na te
gaan en te bewijzen; waartoe het noodig is enkele
beschouwingen over den aard der lichamen[A29] te laten
voorafgaan.
_Grondwaarheid (Axioma) I._
Alle lichamen bewegen zich of zijn in rust.
_Grondwaarheid (Axioma) II._
Een lichaam beweegt zich nu eens langzamer dan weer sneller.
_Hulpstelling (Lemma) I._
De lichamen verschillen van elkaar ten opzichte van rust en
beweging, snelheid en traagheid; niet echter in substantie.
_Bewijs._
Het eerste deel dezer stelling acht ik vanzelf duidelijk. En dat
lichamen niet in substantie van elkaar verschillen, blijkt zoowel
uit _St. V_ als uit _St. VIII v. D. I_. Nog duidelijker evenwel
uit hetgeen in de Opmerking bij _St. XV. D. I_ betoogd werd.
_Hulpstelling (Lemma) II._
Alle lichamen komen in sommige opzichten overeen.
_Bewijs._
Immers hierin komen alle lichamen overeen, dat zij het begrip van
één en hetzelfde attribuut in zich sluiten (_vlg. Definitie I
v.d. D._). Vervolgens daarin dat zij nu eens langzamer, dan weer
sneller bewegen en in het algemeen dat zij in beweging of rust
kunnen zijn.
_Hulpstelling (Lemma) III._
Een lichaam dat in beweging of rust is, moet in beweging of tot
rust gebracht zijn door een ander lichaam, dat eveneens tot
beweging of rust genoodzaakt werd door een ander, en dit wederom
door een ander, en zoo tot in het oneindige.
_Bewijs._
De lichamen zijn (_vlg. Definitie I v.d. D._) bijzondere dingen,
welke (_vlg. Hulpstelling I_) zich ten opzichte van hun beweging
of rust van elkaar onderscheiden. Derhalve moet (_vlg. St. XXVIII
D. I_) elk van hen noodzakelijk in beweging of tot rust gebracht
worden door een ander bijzonder ding, en wel (_vlg. St. VI v.d.
D._) door een ander lichaam, dat (_vlg. Axioma I_) eveneens
hetzij beweegt hetzij in rust is. Maar dit lichaam kan (_om
dezelfde reden_) niet bewegen of in rust zijn, wanneer het niet
door een ander tot bewegen of rusten werd genoodzaakt, en dit
wederom (_om dezelfde reden_) door een ander, en zoo tot in het
oneindige. H.t.b.w.
_Gevolg:_ Hieruit volgt dat een in beweging verkeerend
lichaam zoolang bewegen blijft, tot het door een ander
lichaam tot rust wordt gebracht en dat een zich in rust
bevindend lichaam zoolang in rust blijft tot het door een
ander in beweging wordt gebracht. Hetgeen ook vanzelf
spreekt. Immers indien ik onderstel dat bijvoorbeeld een
lichaam A in rust is en ik houd daarbij geen rekening met
andere, in beweging verkeerende lichamen[A37], dan zal ik
van dit lichaam A niets anders kunnen zeggen dan dat het
rust. Wanneer ik nu daarna zie dat dit lichaam A beweegt,
kan dit toch zeker niet het gevolg dáárvan zijn dat het
in rust was; daaruit toch zou nooit iets anders kunnen
volgen dan dat A in rust bleef. Wordt daarentegen
ondersteld dat A in beweging is, dan zullen wij, indien
wij alleen het oog houden op A, niets anders kunnen
beweren dan dat A in beweging is. En wanneer dan later
het geval zich voordoet dat A in rust is, dan zal dit
alweer evenmin het gevolg kunnen zijn van de beweging die
het eerst had; uit die beweging toch zou niets anders
kunnen volgen dan dat A in beweging bleef. Het moet dus
bewerkt zijn door iets dat niet in A was, door een
uitwendige oorzaak dus, waardoor A gedwongen werd tot
rust te komen.
_Grondwaarheid (Axioma) I._
Alle bestaanswijzen [toestanden], waarin eenig lichaam door een
ander lichaam wordt gebracht, zijn het gevolg zoowel van den aard
van het gewijzigde als van het wijzigende lichaam, zoodat één en
hetzelfde lichaam op verschillende wijze kan worden bewogen al
naar gelang van den verschillenden aard der er op in werkende
lichamen, en omgekeerd verschillende lichamen door één en
hetzelfde lichaam op verschillende wijze in beweging worden
gebracht.
_Grondwaarheid (Axioma) II._
Wanneer een bewegend lichaam botst tegen een ander, hetwelk in
rust is en hetwelk het niet kan verplaatsen, wordt het
teruggekaatst en zet het zijn beweging voort, waarbij de hoek,
welke de richting der teruggekaatste beweging maakt met het
oppervlak van het rustend lichaam waartegen het stuit, gelijk is
aan den hoek welke de richting der invallende beweging maakt met
ditzelfde vlak.
Zooveel over de meest eenvoudige lichamen, nl. die, welke zich
uitsluitend ten opzichte van beweging en rust, snelheid en
traagheid van elkaar onderscheiden. Wij willen thans tot de
samengestelde overgaan.
_Definitie._
Wanneer een aantal lichamen van dezelfde of van verschillende
grootte, door andere zoodanig worden tezamen gehouden dat zij
dicht aaneensluiten, of wanneer zij met dezelfde of met
verschillende snelheden zoodanig bewegen, dat zij hunne
bewegingen volgens een of andere bepaalde wijze aan elkaar
meedeelen, dan zullen wij deze lichamen onderling "vereenigd"
noemen en zeggen dat zij allen tezamen één lichaam ofwel
enkelding [individu] vormen, dat door dit verband van andere
lichamen onderscheiden is.
_Grondwaarheid (Axioma) III._
Hoe grooter of hoe kleiner de oppervlakten zijn, waarmede de
deelen van een individu of samengesteld lichaam elkaar raken, hoe
moeilijker of hoe gemakkelijker kunnen zij er toe gedwongen
worden van plaats te veranderen en hoe moeilijker of hoe
gemakkelijker zal het bijgevolg vallen dit individu een andere
gedaante te doen aannemen. Vandaar dat ik lichamen, wier deelen
elkaar over groote oppervlakten raken "hard", zulke, wier deelen
elkaar over kleine oppervlakten raken, "week" en zulke tenslotte,
wier deelen onderling bewegelijk zijn, "vloeibaar" noem.
_Hulpstelling (Lemma) IV._
Indien van een individu of lichaam dat uit meerdere lichamen is
samengesteld, zich sommige dier samenstellende lichamen
afscheiden en tegelijkertijd even zooveel andere van denzelfden
aard hun plaats innemen, zal dit individu zijn aard als te voren
behouden en geenerlei verandering van karakter[A38] ondergaan.
_Bewijs._
De lichamen toch verschillen (_vlg. Hulpst. I_) niet in
substantie. Datgene echter wat het eigenaardige van een individu
uitmaakt, wordt (_vlg. de voorgaande Definitie_) bepaald door het
_verband_ der samenstellende lichamen. Dit verband echter blijft
(_vlg. het onderstelde_) behouden en derhalve behoudt ook het
individu, zoowel in substantie als in zijn wijze van bestaan,
zijn aard als tevoren. H.t.b.w.
_Hulpstelling (Lemma) V._
Indien de deelen welke een individu samenstellen, grooter of
kleiner worden, op zulk een wijze evenwel dat allen ten opzichte
van elkaar in dezelfde verhouding van rust en beweging blijven
als te voren, zal dit individu ook zijnen aard als tevoren
behouden en geenerlei verandering van karakter ondergaan.
_Bewijs._
Het bewijs hiervan wordt op dezelfde wijze geleverd als dat der
voorgaande Hulpstelling.
_Hulpstelling (Lemma) VI._
Indien zekere lichamen, welke een individu vormen gedwongen
worden om de bepaalde richting hunner beweging te veranderen,
evenwel zoodanig dat zij hun bewegingen kunnen voortzetten en
onderling op dezelfde wijze als te voren aan elkaar kunnen
meedeelen, zal dit individu zijn aard behouden en geenerlei
verandering van karakter ondergaan.
_Bewijs._
Dit blijkt vanzelf. Immers er wordt ondersteld dat het alles
behoudt waardoor volgens de Definitie zijn karakter bepaald
wordt.
_Hulpstelling (Lemma) VII._
Een aldus samengesteld individu behoudt bovendien zijn aard
hetzij het in zijn geheel beweegt of in rust is, hetzij het zich
in deze of gene richting beweegt, zoolang slechts ieder deel zijn
beweging behoudt en haar, zooals tevoren, aan de andere deelen
mededeelt.
_Bewijs._
Dit blijkt uit de definitie van "Individu", welke men vinden kan
vóór Hulpstelling IV.
_Opmerking:_ Hieruit zien wij dus hoe een samengesteld
enkelding op velerlei wijzen inwerkingen kan ondergaan
terwijl niettemin zijn aard behouden blijft. Tot dusver
nu hebben wij ons slechts een enkelding voorgesteld uit
niets anders bestaande dan uit lichamen welke uitsluitend
ten opzichte van beweging of rust, snelheid of traagheid
verschillen, dat wil dus zeggen uit de meest eenvoudige
lichamen. Stellen wij ons nu echter een lichaam voor,
samengesteld uit meerdere individuen van verschillenden
aard, dan zullen wij bevinden dat dit op nog veel meer
wijzen inwerkingen ondergaan kan, terwijl niettemin zijn
aard behouden blijft. Aangezien toch elk zijner deelen
uit verscheidene lichamen is samengesteld, zal (_vlg. de
voorgaande Hulpst._) elk der deelen, zonder eenige
wijziging van zijn aard, nu eens trager, dan weer sneller
bewegen en bijgevolg zijn bewegingen trager of sneller
aan de andere meedeelen. Stellen wij ons bovendien nog
een derde soort van enkeldingen voor, uit enkeldingen van
deze tweede soort samengesteld, dan zullen wij bevinden
dat deze op nog meer andere wijzen inwerkingen ondergaan
kunnen, zonder dat daarbij hun karakter verandert. En
wanneer wij aldus voortgaan tot in het oneindige, zullen
wij gemakkelijk inzien dat de geheele Natuur één enkel
individu is, welks deelen, d.w.z. alle lichamen, op
oneindig vele wijzen wisselen, zonder dat evenwel dit
individu in zijn geheel ook maar in het minst verandert.
Ik zou dit, indien het mijn bedoeling was de lichamen
grondig te behandelen, uitvoeriger behooren uiteen te
zetten en te bewijzen. Doch ik heb reeds gezegd dat ik
iets anders beoog en dat ik dit slechts daarom te berde
breng, wijl ik datgene, wat ik mij voornam te bewijzen,
er gemakkelijk uit kan afleiden.