III. Vormen [wijzen, soorten] van denken, zooals liefde,
begeerte, of met welken anderen naam de zielsaandoeningen ook
worden aangeduid, kunnen niet bestaan tenzij in denzelfden
enkeling een voorstelling bestaat van de zaak welke wordt bemind,
begeerd enz. Een voorstelling evenwel kan bestaan zonder dat zulk
een andere vorm van denken gegeven is.
IV. Wij worden gewaar dat een voorwerp op velerlei wijzen
inwerking kan ondergaan[A33].
V. Wij kunnen geenerlei bijzondere dingen waarnemen noch
gewaarworden, dan lichamen [voorwerpen] en vormen van denken.
(_Zie de noodzakelijke vereischten [postulaten] waarvan hier
wordt uitgegaan, achter Stelling XIII_).