II. De mensch denkt.

III. Vormen [wijzen, soorten] van denken, zooals liefde,

begeerte, of met welken anderen naam de zielsaandoeningen ook

worden aangeduid, kunnen niet bestaan tenzij in denzelfden

enkeling een voorstelling bestaat van de zaak welke wordt bemind,

begeerd enz. Een voorstelling evenwel kan bestaan zonder dat zulk

een andere vorm van denken gegeven is.

IV. Wij worden gewaar dat een voorwerp op velerlei wijzen

inwerking kan ondergaan[A33].

V. Wij kunnen geenerlei bijzondere dingen waarnemen noch

gewaarworden, dan lichamen [voorwerpen] en vormen van denken.

(_Zie de noodzakelijke vereischten [postulaten] waarvan hier

wordt uitgegaan, achter Stelling XIII_).

Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen · 第 35 / 59 题