AANHANGSEL

Hiermede heb ik Gods aard en eigenschappen ontvouwd, namelijk dat

hij noodwendig bestaat; dat hij eenig is; dat hij uitsluitend

krachtens de noodwendigheid van zijnen aard bestaat en handelt;

dat hij aller dingen vrije oorzaak is en op welke wijze; dat

alles in God is en zoodanig van hem afhangt, dat het zonder hem

noch bestaanbaar noch denkbaar is; en ten slotte dat alles door

God is voorbeschikt, weliswaar niet uit vrijen wil of onbeperkte

willekeur, maar krachtens zijn volstrekten aard ofwel zijn

oneindige macht. Wijders heb ik overal waar de gelegenheid zich

daartoe aanbood, mij beijverd alle vooroordeelen, welke het

juiste begrip mijner bewijsvoeringen zouden kunnen belemmeren,

uit den weg te ruimen; maar wijl er nochtans niet weinig

vooroordeelen overblijven, welke eveneens, en zelfs in de hoogste

mate, kon den en kunnen verhinderen dat men het verband der

dingen aanvaardt zóó als ik het heb uiteengezet, heb ik het der

moeite waard geacht ook deze vooroordeelen hier voor de rede ter

verantwoording te roepen.

En aangezien alle vooroordeelen, welke ik mij voorstel hier aan

te wijzen, afhangen van dit ééne: dat men namelijk gemeenlijk

onderstelt dat alle dingen in de Natuur, evenals de menschen

zelf, met een bedoeling handelen; jazelfs met beslistheid beweert

dat God zelf alles bestiert met het oog op één bepaald doel (men

zegt immers dat God alles terwille van den mensch geschapen

heeft, den mensch zelf echter opdat deze hem vereere), zal ik dìt

vooroordeel het eerst beschouwen en daartoe in de eerste plaats

naar de oorzaak zoeken waarom zoovelen er zich bij neerleggen en

allen van nature zoozeer geneigd zijn het te aanvaarden.

Vervolgens zal ik de onwaarheid ervan aantoonen en eindelijk op

welke wijze hieruit zijn ontsproten de vooroordeelen omtrent

_goed_ en _kwaad_, _verdienste_ en _zonde_, _lof_ en _blaam_,

_orde_ en _verwarring_, _schoonheid_ en _leelijkheid_

[wanstaltigheid] en andere soortgelijke zaken. Wel is het hier de

plaats niet dit alles af te leiden uit den aard van den

menschelijken geest. Het zal hier voldoende zijn wanneer ik tot

grondslag neem wat door iedereen erkend zal worden, namelijk dat

alle menschen onwetend omtrent de oorzaak der dingen worden

geboren en dat allen neiging hebben hun eigen voordeel te zoeken

en zich daarvan bewust zijn. Immers hieruit volgt ten eerste: dat

de menschen wanen vrij te zijn omdat zij zich wel bewust zijn van

hun willingen en begeerten, maar zelfs niet in den droom denken

aan de oorzaken, door welke zij tot begeeren en willen genoopt

worden, wijl zij deze oorzaken niet kennen. Ten tweede volgt er

uit: dat de menschen alles doen met een bedoeling, namelijk

terwille van het voordeel waarnaar zij streven; met dit gevolg

dat zij steeds slechts de _doel_-oorzaken der gebeurtenissen

wenschen te kennen en gerustgesteld zijn wanneer zij deze

vernomen hebben; en wel omdat zij alsdan geen reden meer hebben

om zich verder bezorgd te maken. Indien zij evenwel deze

doel-oorzaken niet van een ander kunnen vernemen, blijft hen niet

anders over dan tot zichzelf in te keeren en na te denken over de

doeleinden door welke zijzelf tot dergelijke dingen gedreven

worden, en zoodoende beoordeelen zij noodzakelijk eens anders

karakter naar hun eigen karakter. Daar zij voorts in en buiten

zichzelf tal van hulpmiddelen aantreffen welke niet weinig er toe

bijdragen dat zij datgene, wat nuttig voor hen is, ook

bereiken,--zooals bijvoorbeeld oogen om te zien, tanden om te

kauwen, planten en dieren om zich mede te voeden, een zon om

licht te geven, een zee om visschen voor hen te kweeken enz.--;

is het gevolg hiervan dat zij alle dingen in de Natuur beschouwen

als middel om te bereiken wat nuttig voor hen is. En omdat zij

wel weten dat deze hulpmiddelen door hen slechts gevonden, niet

echter gemaakt zijn, hebben zij hierin reden gezien om te

gelooven dat er iemand anders is die ze voor hun gebruik heeft

ingericht. Want daar zij de dingen eenmaal als hulpmiddelen

hadden opgevat, konden zij niet gelooven dat deze zichzelf

geschapen hadden, maar moesten zij wel uit het feit dat ook

zijzelf gewoon zijn sommige hulpmiddelen te bereiden, de

gevolgtrekking maken dat er een of meerdere bestierders der

Natuur zijn, die, begiftigd met menschelijke [wils] vrijheid in

alles voor hen zorgen en alles te hunnen bate hebben ingericht.

Aangezien zij echter nooit iets van het karakter dier wezens

hoorden, moesten zij dit wel naar het hunne beoordeelen en kwamen

zij er zoodoende toe te beweren dat goden alles ten bate van den

mensch hadden ingericht om de menschen aan zich te verbinden en

zoo hoog mogelijk door hen te worden vereerd; met het gevolg dat

elk, naar zijn eigen karakter, een verschillende wijze heeft

verzonnen om God te dienen, opdat God hèm boven de anderen zou

beminnen en de geheele Natuur moge inrichten ten gerieve van zijn

begeerten en onverzadelijke hebzucht. En aldus is dit vooroordeel

tot bijgeloof geworden en heeft het diep wortel geschoten in de

geesten; zoodat het oorzaak ervan werd dat een ieder zich ten

zeerste beijvert om de doeloorzaken van alle dingen te weten te

komen en te verklaren. Maar terwijl zij trachten aan te toonen

dat de Natuur niets te vergeefs doet (d.w.z. niets dat den mensch

niet van nut is) hebben zij, naar het mij wil toeschijnen, niets

anders aangetoond dan dat de Natuur, de goden en de menschen

gelijkelijk van zinnen zijn. Gaat eens na, zoo vraag ik u, waarop

dit ten laatste is uitgeloopen! Naast vele gemakken die de Natuur

aanbiedt, moesten zij ook niet weinige ongemakken ontdekken, te

weten stormen, aardbevingen, ziekten enz. en zij beweerden nu dat

deze zaken plaats grepen omdat de goden vertoornd waren wegens

beleedigingen, hen door de menschen aangedaan, of wegens

verzuimen bij hunnen eeredienst begaan; en ofschoon de ervaring

dit dagelijks logenstrafte en hen in ontelbare voorbeelden voor

oogen hield, dat zoowel gemakken als ongemakken den goeden en den

slechten zonder onderscheid gelijkelijk ten deel vallen, hebben

zij toch hun ingeroest vooroordeel geenszins laten varen; immers

het viel hun veel gemakkelijker deze ervaring te plaatsen bij de

andere onbekende zaken, waarvan zij het nut niet begrepen en

zoodoende in hun bestaanden en ingeboren staat van onwetendheid

te volharden, dan heel hun geknutsel omver te werpen en iets

nieuws te bedenken. Daarom stelden zij voor vast en zeker dat de

beschikkingen der goden het menschelijk begrip verre te boven

gaan; hetgeen inderdaad een voldoende reden ervoor geweest zou

zijn dat de waarheid het menschelijk geslacht voor eeuwig

verborgen moest blijven, indien niet de wiskunde, welke niet over

doeleinden, maar slechts over wezen en eigenschappen van figuren

handelt, den menschen een anderen richtsnoer van waarheid had

getoond. En behalve de wiskunde zijn er ook nog andere oorzaken

aan te wijzen (welke het overbodig is hier op te sommen), welke

aanleiding gegeven hebben dat men deze zeer verbreide

vooroordeelen eens terdege overwoog en tot het ware inzicht in de

dingen kwam.

Hiermede heb ik voldoende toegelicht wat ik in de eerste plaats

beloofde. Het zal mij nu niet moeilijk vallen verder nog aan te

toonen dat de Natuur geen enkel vooropgezet doel heeft en dat

alle doel-oorzaken niets anders zijn dan menschelijke

verzinselen. Ik geloof toch dat het reeds voldoende gebleken is,

zoowel uit de gronden en oorzaken uit welke, naar ik heb

aangetoond, dit vooroordeel ontsproten is, als uit Stelling XVI

en de Gevolgen van Stelling XXXII, en bovendien uit al die

stellingen, waarin ik heb bewezen dat alles in de Natuur

voortkomt uit een eeuwige noodwendigheid en in de hoogste

volmaaktheid. Dit echter wil ik hieraan nog toevoegen: namelijk

dat deze leer der doeloorzaken de Natuur geheel en al

onderstboven keert. Want datgene wat inderdaad oorzaak is,

beschouwt men als uitwerking en omgekeerd. Wat voorts van nature

voorafgaat, plaatst zij achteraan. En tenslotte maakt zij

datgene, wat het allerhoogste en allervolmaaktste is, tot het

meest onvolmaakte. Want (de beide eerste beweringen laat ik

terzijde, omdat zij uit zichzelf duidelijk zijn), zooals uit de

stellingen XXI, XXII en XXIII bleek, is die uitwerking het

volmaaktst welke onmiddellijk door God wordt teweeggebracht, en

hoe meer bemiddelende oorzaken iets behoeft om te worden

voortgebracht, des te onvolmaakter is het. Maar indien de dingen,

welke onmiddellijk door God zijn geschapen, gemaakt waren opdat

God daardoor zijn doel zou kunnen bereiken, dan zouden

noodzakelijk de laatste, terwille waarvan de eerste geschapen

werden, van allen de voortreffelijkste zijn.

Maar bovendien heft deze leer Gods volmaaktheid op. Want indien

God terwille van een doel handelt, moet hij noodzakelijk iets

begeeren dat hem ontbreekt. En hoewel godgeleerden en wijsgeeren

onderscheiden tusschen doelstelling uit behoefte en de bedoeling

zich met iets te vereenigen, erkennen zij toch dat God alles

terwille van zichzelf en niet terwille van de dingen welke hij

scheppen wilde gedaan heeft; aangezien zij vóór de schepping

niets buiten God weten aan te geven, terwille waarvan God

gehandeld zou kunnen hebben. Derhalve zijn zij noodzakelijk

gedwongen te erkennen dat God al datgene, terwille waarvan hij

hulpmiddelen schiep, ontbeerde en verlangde, gelijk vanzelf

spreekt.

Er mag hier ook niet onopgemerkt blijven dat de aanhangers dezer

leer, die hun vernuft willen ten toon spreiden in het aanwijzen

van de doeleinden der dingen, een nieuwen vorm van bewijsvoering

hebben toegepast om hun leer te bevestigen, namelijk door een

beroep te doen, niet op het onmogelijke, maar op de onwetendheid;

waaruit wel blijkt dat er voor deze leer geen enkel ander

bewijsmiddel te vinden was. Indien bijvoorbeeld van een of andere

hoogte een steen op iemands hoofd gevallen is en hem gedood

heeft, zullen zij op de volgende manier bewijzen dat die steen

gevallen is om dien man te dooden. Ware hij niet gevallen (zoo

zeggen zij) volgens Gods wil en met die bedoeling, hoe zouden dan

wel zoovele omstandigheden (dikwijls toch komen er vele tegelijk

samen) toevallig kunnen samenwerken? Ge zult misschien

antwoorden, dat dit ongeluk geschied is doordat het sterk woei en

de weg van dien man langs die bepaalde plaats leidde. Zij zullen

evenwel blijven aandringen wáárom de wind juist op dat oogenblik

woei en waarom de weg van dien man juist op dat oogenblik

daarlangs leidde? En wanneer ge dan wederom antwoordt, dat de

wind opstak omdat de zee den vorigen dag, toen het weder nog kalm

was, begon te woelen; en dat die man door een vriend was

uitgenoodigd; zoo zullen zij opnieuw aandringen,--aangezien er

aan vragen geen eind komt--waarom dan de zee zoo woelig werd en

waarom die man op dien tijd werd uitgenoodigd? En zoo zullen zij

niet ophouden steeds maar naar de oorzaken dier oorzaken te

vragen, totdat ge eindelijk maar hulp zoekt bij den wil Gods, dat

wil zeggen de toevlucht der onwetendheid.

Zoo verbazen zij zich ook geweldig bij de beschouwing van het

kunstig samenstel des menschelijken lichaams en uit het feit dat

zij de oorzaken van zoodanig een kunstwerk niet kennen, maken zij

de gevolgtrekking dat het niet volgens de wetten der

werktuigkunde, maar door een goddelijke of bovennatuurlijke

kunstvaardigheid gemaakt is en zoodanig ingericht dat het eene

deel het andere niet hindert. En hierdoor komt het dat degene,

die de ware oorzaken der wonderen naspeurt en de

natuurverschijnselen als een denkend wezen wil begrijpen inplaats

van ze als een dwaas aan te gapen, overal voor een ketter en een

goddelooze wordt gehouden en uitgemaakt door hen die het grauw

vereert als de tolken der Natuur en der goden. Want zij weten wel

dat, wanneer de onwetendheid eenmaal is opgeheven, ook de

verbazing, hun eenig middel om te overtuigen en hun eigen gezag

te handhaven, ophoudt. Doch ik stap hiervan af en ga over tot wat

ik mij voorstelde in de derde plaats hier te behandelen.

Nadat de menschen zich eenmaal hadden wijs gemaakt, dat al wat

geschiedt om hunnentwil geschiedt, moesten zij wel in alle dingen

datgene het belangrijkst vinden wat voor hen het nuttigst was en

al datgene voor het voortreffelijkste houden, waardoor zij het

aangenaamst werden aangedaan. Vandaar dat zij ter verklaring van

den aard der dingen al die begrippen moesten vormen, als daar

zijn het _goede_, het _kwade_, _orde_, _verwarring_, _warmte_,

_koude_, _schoonheid_, _wanstaltigheid_. En wijl zij zichzelf

voor vrij hielden, ontsprongen hieruit wederom de begrippen

_lof_, _blaam_, _zonde_ en _verdienste_. Deze laatste evenwel zal

ik later, wanneer ik over den menschelijken aard spreek,

behandelen, terwijl ik gene reeds hier kortelijks wil toelichten.

Al datgene dan, wat tot welzijn en godsdienst leidt, hebben zij

_goed_ genoemd, wat evenwel daaraan tegengesteld is _slecht_. En

aangezien zij, die den aard der dingen niet begrijpen, niets

omtrent die dingen zelf zeggen, doch zich ze slechts inbeelden en

die inbeelding voor begrip houden, gelooven zij, onwetend omtrent

de dingen en hun eigen aard, vast en zeker dat er _orde_ heerscht

in de Natuur. Want wanneer de dingen zoo zijn ingericht dat wij

ze ons, zoodra de zintuigen ze aan ons voorstellen, gemakkelijk

kunnen verbeelden[A16] en dat wij ze ons bijgevolg gemakkelijk

kunnen herinneren, dan noemen wij ze goed geordend; in het

tegenovergestelde geval echter slecht geordend of verward. En

aangezien datgene wat wij ons gemakkelijk voorstellen kunnen ons

aangenamer is dan iets anders, verkiezen de menschen orde boven

verwarring (alsof er eenige orde in de Natuur bestond behalve dan

met betrekking tot onze voorstelling) en zeggen zij dat God alles

in een bepaalde orde geschapen heeft, waarmede zij, zonder het

zelf te weten, aan God verbeelding toeschrijven; tenware zij

wellicht liever willen dat God, uit voorzorg voor de menschelijke

verbeelding, alles zoodanig heeft ingericht dat zij het zich het

gemakkelijkst zouden kunnen voorstellen; want het zal voor hen

wel geen bezwaar zijn dat er tallooze zaken zijn, welke onze

verbeelding verre te boven gaan, en zeer vele welke haar wegens

hare gebrekkigheid, verbijsteren. Doch hierover genoeg.

De overige begrippen eindelijk zijn eveneens niet anders dan een

soort van voorstelling waardoor de verbeelding op verschillende

wijze wordt aangedaan, en toch worden zij door de onwetenden als

de voornaamste eigenschappen der dingen beschouwd, omdat zij

zooals wij reeds zeiden, gelooven dat alle dingen om hunnentwil

gemaakt zijn, en zoo noemen zij den aard van een of ander ding

goed of slecht, gezond of rot en bedorven, al naarmate zij er

door worden aangedaan. Wanneer bijvoorbeeld de beweging, welke de

zenuwen ontvangen van de voorwerpen, door onze oogen afgebeeld,

hun aangenaam aandoet, noemen zij de voorwerpen door welke dit

wordt teweeggebracht _schoon_, diegene echter welke de

tegenovergestelde beweging opwekken _leelijk_ [wanstaltig]. Wat

door middel van de neus het gevoel aandoet noemen zij welriekend

of stinkend, wat door middel van de tong, zoet of bitter,

smakelijk of onsmakelijk enz. Wat wederom door den tastzin op hen

inwerkt, noemen zij hard of zacht, ruw of glad enz. Van wat

tenslotte de ooren aandoet zeggen zij dat het gedruisch, klank of

een welluidenden toon geeft, welke laatste meening de menschen

zoo zinneloos gemaakt heeft te gelooven dat ook God zelf zich

over welluidendheid verheugt. Zelfs ontbreekt het niet aan

wijsgeeren die zich in het hoofd gezet hebben dat de beweging der

hemelen een harmonisch geluid voortbrengt. Hetgeen alles

voldoende aantoont dat ieder naar gelang van de gesteldheid

zijner hersenen over de dingen oordeelt of liever de aandoeningen

zijner verbeelding voor de dingen zelf aanziet. Zoodat het niet

te verwonderen valt (om ook dit nog in het voorbijgaan op te

merken) dat er onder de menschen zooveel verschil van meening

ontstaan is als wij waarnemen en hieruit tenslotte het

scepticisme. Want ofschoon de menschelijke lichamen in vele

opzichten overeenkomen, verschillen zij toch ook in zeer vele

andere en zoo schijnt den een goed wat den ander slecht lijkt; is

wat den een geordend voorkomt, voor den ander verward; is den een

aangenaam wat den ander onaangenaam is; en zoo in alle overige

dingen, welke ik hier voorbij ga, zoowel omdat het hier de plaats

niet is om daarover meer uitvoerig te spreken, alswel omdat een

ieder op dit punt voldoende ervaring heeft. Immers allen liggen

de spreekwoorden in den mond: "Zooveel hoofden zooveel zinnen",

"Elk heeft genoeg aan zijn eigen meening", "Er is niet minder

verschil van meening dan van smaak"; al welke spreekwoorden

genoegzaam aantoonen dat de menschen naar gelang van de

gesteldheid hunner hersenen over de dingen oordeelen en zich de

dingen liever verbeelden dan ze te begrijpen. Want indien zij de

dingen begrepen, zouden zij allen hen, getuige de wiskunde, zooal

niet aanlokken, dan toch tenminste overtuigen[A28].

Wij zien dus dat alle voorstellingen waarmede de ongeleerde massa

de Natuur pleegt te verklaren, slechts vormen van verbeelding

zijn, welke niet den aard van eenig ding, doch slechts den

toestand der verbeelding doen kennen; en aangezien deze vormen

namen hebben als waren zij buiten de verbeelding bestaande

wezens, noem ik ze schepselen der verbeelding en niet der rede,

zoodat alle bewijzen, welke op grond van dergelijke begrippen

tegen ons worden aangevoerd, gemakkelijk te ontwapenen zijn.

Velen toch plegen te redeneeren als volgt: Indien alles uit de

noodwendigheid van den allerhoogsten aard Gods is voortgevloeid,

vanwaar dan zoovele onvolmaaktheden in de Natuur? Vanwaar dit

bederf, tot rotting toe, die wanstaltigheid welke afkeer wekt;

vanwaar verwarring, kwaad, zonde enz.? Maar zooals ik zooeven

reeds gezegd heb is dit gemakkelijk te weerleggen. Want de

volmaaktheid der dingen moet uitsluitend naar hun eigen aard en

vermogen beoordeeld worden en dus zijn de dingen niet meer of

minder volmaakt omdat zij 's menschen zinnen streelen of

beleedigen, omdat zij bij den menschelijken aard passen of er

mede in strijd zijn. Hun echter, die vragen waarom God alle

menschen niet zoo geschapen heeft dat zij uitsluitend beheerscht

worden door het beleid der Rede, antwoord ik niets anders dan:

wijl het hem niet aan stof ontbrak om alles van den hoogsten tot

den laagsten graad van volmaaktheid te scheppen; of, om nog

duidelijker te spreken: wijl de wetten van zijn eigen aard zoo

ruim zijn, dat zij bij machte zijn om alles wat door een oneindig

verstand omvat kan worden, voort te brengen, gelijk ik in

Stelling XVI heb bewezen.

Dit zijn de vooroordeelen welke ik hier wilde behandelen. Indien

er nog meer van dit slag mochten overschieten, zullen deze

gemakkelijk door een ieder bij eenig nadenken kunnen worden

rechtgezet.

_Einde van het eerste deel._

* * * * *

Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen · 第 30 / 59 题