Een substantie gaat van nature vóór hare openbaringen.[A8]

_Bewijs._

Dit blijkt uit de Definities III en V.

_Stelling II._

Twee substanties, met verschillende attributen, hebben niets met

elkaar gemeen.

_Bewijs._

Dit blijkt eveneens uit Definitie III. Elk van beide immers moet

op-zichzelf bestaan en uit zichzelf worden begrepen, ofwel: het

begrip van de eene sluit het begrip van de andere niet in zich.

_Stelling III._

Van dingen die niets met elkaar gemeen hebben, kan het eene niet

de oorzaak zijn van het andere.

_Bewijs._

Wanneer zij niets met elkaar gemeen hebben, kunnen zij (_volgens

Ax. V._) evenmin uit elkaar verklaard worden en kan dus (_volgens

Ax. IV._) het eene niet de oorzaak zijn van het andere. Hetgeen

te bewijzen was.

_Stelling IV._

Twee of meer verschillende dingen zijn van elkaar onderscheiden

òf door een verschil in attributen van substanties òf door een

verschil in openbaringen dier substanties.

_Bewijs._

Al wat is, is in zichzelf of in iets anders (_Ax. I._); dat wil

zeggen (_vlg. Def. III en V._): buiten ons verstand is er niets

gegeven behalve substanties en hunne openbaringen. Derhalve is er

ook buiten het verstand niets gegeven waardoor verschillende

dingen onderling kunnen verschillen, behalve substanties, of, wat

hetzelfde is (_vlg. Def. IV_), behalve hunne attributen en hunne

bestaanswijzen. H.t.b.w.

_Stelling V._

In de wereld der dingen[A9] kunnen niet twee of meer substanties

van denzelfden aard of met eenzelfde attribuut bestaan.

_Bewijs._

Indien er meerdere, verschillende bestonden, zouden zij van

elkaar onderscheiden moeten zijn òf door een verschil in

attributen òf door een verschil van bestaanswijzen (_vlg. de

voorgaande Stelling_). Indien zij zich slechts onderscheidden

door een verschil in attributen, ware hiermede reeds toegegeven

dat er slechts één substantie met éénzelfde attribuut bestaan

kan. Maar indien zij zich onderscheidden door een verschil in

bestaanswijzen, zou géén substantie--aangezien toch (_vlg. St.

I_) een substantie van nature gaat vóór hare

bestaanswijzen,--afgezien van hare bestaanswijzen en op zich zelf

beschouwd, dat wil zeggen (_vlg. Def. III en Ax. VI_) naar

waarheid beschouwd, gedacht kunnen worden als onderscheiden van

een andere, d.w.z. (_vlg. de voorgaande St._): er zouden niet

meerdere kunnen bestaan doch slechts één enkele. H.t.b.w.

_Stelling VI._

Een substantie kan niet door een andere substantie worden

voortgebracht.

_Bewijs._

In de wereld der dingen kunnen (_vlg. de voorgaande St._) geen

twee substanties bestaan met eenzelfde attribuut, d.w.z. (_vlg.

St. II_) welke iets met elkaar gemeen hebben. En derhalve kan

(_vlg. St. III_) de eene niet de oorzaak zijn van de andere,

ofwel kan de eene niet door de andere worden voortgebracht.

H.t.b.w.

_Gevolg:_ Hieruit volgt dat een substantie niet door iets

anders kan worden voortgebracht. Want in de wereld der

dingen is niets gegeven als substanties en hunne

bestaanswijzen, gelijk blijkt uit Ax. I en Def. III en V.

Door een substantie echter kan zij (_vlg. de voorgaande

St._) ook niet worden voortgebracht. Derhalve kan een

substantie ook met geen mogelijkheid door iets anders

worden voortgebracht. H.t.b.w.

_Anders._

Gemakkelijker nog valt dit te bewijzen uit de ongerijmdheid van

het tegendeel. Want indien een substantie wèl door iets anders

kon worden voortgebracht, zou haar begrip (_vlg. Ax. IV_) van het

begrip harer oorzaak afhangen en zou zij derhalve (_vlg. Def.

III_) ook geen substantie zijn.

_Stelling VII._

Tot het wezen eener substantie behoort het bestaan.

_Bewijs._

Een substantie kan niet door iets anders worden voortgebracht

(_Gevolg van de voorgaande St._) zij moet dus haarszelfs-oorzaak

zijn, dat wil zeggen (_volgens Def. I_): haar wezen sluit met

noodwendigheid het bestaan in zich, ofwel het bestaan behoort tot

haar wezen. H.t.b.w.

_Stelling VIII._

Elke substantie is noodwendig oneindig.

_Bewijs._

Een substantie met een bepaald attribuut is éénig (_vlg. St. V_)

en het bestaan behoort tot haar wezen (_vlg. St. VII_). Het moet

dus tot haar wezen behooren òf eindig òf oneindig te bestaan.

Echter niet eindig. Want zij zou dan (_vlg. Def. II_) beperkt

worden door iets van denzelfden aard, dat eveneens (_vlg. St.

VII_) met noodwendigheid zou moeten bestaan en derhalve zouden er

twéé substanties met éénzelfde attribuut zijn, hetgeen ongerijmd

is (_vlg. St. V_). Zij bestaat dus oneindig. H.t.b.w.

_Opmerking I:_ Aangezien "eindig zijn" in zekeren zin

eigenlijk een ontkenning is en "oneindig zijn" een

volstrekte bevestiging van het bestaan van eenig wezen,

volgt ook alleen reeds uit Stelling VII dat elke

substantie oneindig moet zijn.

_Opmerking II:_ Ik twijfel er niet aan of allen die

verward, over de dingen oordeelen, noch gewend zijn tot

hunne eerste oorzaken door te dringen, zal het moeilijk

vallen het bewijs van Stelling VII te begrijpen; en wel

omdat zij niet onderscheiden tusschen de bestaanswijzen

van substanties en substanties zelf en al evenmin weten

hoe de dingen worden voortgebracht. Vandaar dat zij ook

aan substanties een begin toedichten, gelijk zij dit bij

de natuurlijke dingen zien. Immers wie de ware oorzaken

der dingen niet kennen, verwarren alles en stellen zich

zonder eenig verzet des verstands vóór, dat boomen

evenals menschen spreken of dat menschen evengoed uit

steenen als uit zaad ontspruiten en verbeelden zich dat

alle mogelijke vormen in alle mogelijke andere kunnen

veranderen. Evenzoo kennen diegenen, die de goddelijke

natuur met de menschelijke verwarren, lichtelijk aan God

menschelijke gemoedsaandoeningen toe, vooral zoolang zij

nog niet weten hoe de aandoeningen in het gemoed

ontstaan. Indien de menschen evenwel op het wezen der

substantie wilden letten, zouden zij allerminst aan de

waarheid der zevende Stelling twijfelen; integendeel,

deze stelling zou voor allen een grondwaarheid zijn en

tot de algemeen bekende zaken gerekend worden. Want onder

substantie zouden zij dan verstaan datgene wat op

zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen moet worden,

dat wil zeggen datgene, welks begrip de kennis van iets

anders niet van noode heeft. Onder wijzigingen evenwel

datgene, wat in iets anders is en welks begrip gevormd

wordt uit het begrip van datgene waarin het is: zoodat

wij ware voorstellingen kunnen hebben van niet-bestaande

wijzigingen, aangezien, ofschoon zij niet feitelijk

buiten het verstand bestaan, toch hun wezen aldus in iets

anders is vervat, dat zij daaruit begrepen kunnen worden.

De waarheid van substanties echter bestaat buiten het

verstand niet anders dan in henzelf, daar zij slechts uit

zichzelf begrepen worden. Indien derhalve iemand zeide

dat hij een heldere en duidelijke, dat wil zeggen ware

voorstelling eener substantie had, maar nochtans

twijfelde of een zoodanige substantie wel bestond, zou

dit voorzeker hetzelfde zijn alsof hij beweerde een ware

voorstelling te hebben, maar nochtans te twijfelen of zij

niet valsch zou zijn (hetgeen den genoegzaam oplettenden

lezer duidelijk zal zijn). Evenzoo zou iemand die

verkondigde dat een substantie geschapen was, daarmee

tevens beweren dat een valsche voorstelling waar geworden

was, dwazer dan hetwelk men zich niets kan denken; zoodat

men noodzakelijk moet erkennen dat het bestaan eener

substantie, evengoed als haar wezen, een eeuwige waarheid

is. En hieruit kunnen wij op nog een andere wijze de

gevolgtrekking maken dat er slechts ééne enkele

substantie van denzelfden aard bestaat, hetgeen ik der

moeite waard acht hier nader aan te toonen.

Opdat ik dit evenwel naar behooren zal kunnen doen, moet

ik ten eerste opmerken dat de juiste definitie van een of

andere zaak niets anders insluit of uitdrukt dan den aard

dier te bepalen zaak. Waaruit volgt dit tweede: te weten

dat geen enkele definitie een bepaald aantal enkeldingen

insluit of uitdrukt, aangezien zij niets anders uitdrukt

dan den áárd der bepaalde zaak. Zoo drukt bijvoorbeeld de

definitie van een driehoek niets anders uit dan eenvoudig

den aard van den driehoek, maar geenszins een zeker

aantal driehoeken. Ten derde moet worden opgemerkt dat er

noodzakelijk voor ieder bestaand ding een bepaalde

oorzaak moet zijn waardóór het bestaat. Eindelijk bedenke

men ten vierde dat deze oorzaak waardoor iets bestaat òf

gelegen moet zijn in den aard en de definitie zelf der

bestaande zaak (voorzoover althans het bestaan tot dien

aard behoort) òf buiten haar gegeven moet zijn. Dit

vastgesteld hebbende, maken wij de gevolgtrekking dat,

wanneer er in de natuur een bepaald aantal enkeldingen

bestaat, er ook noodwendig een oorzaak moet zijn waarom

juist dìe enkeldingen bestaan en waarom niet meer of

minder. Wanneer er bijvoorbeeld in de natuur twintig

menschen bestaan (waarbij ik duidelijkheidshalve aanneem

dat zij gelijktijdig bestaan en dat er vóór hen geen

andere in de natuur bestonden), zal het niet voldoende

zijn (als wij namelijk willen verklaren waarom er twintig

menschen bestaan) de oorzaak van de menschelijke natuur

in het algemeen aan te wijzen, maar zal het bovendien

noodzakelijk zijn een oorzaak aan te wijzen waarom er

niet meer, noch minder, dan twintig bestaan; aangezien er

(_vlg. de derde opmerking_) voor elk afzonderlijk

noodzakelijk een oorzaak moet zijn waardoor hij bestaat.

Maar deze oorzaak kan (_volgens de tweede en derde

opmerking_) niet gelegen zijn in den menschelijken aard

zelf, aangezien de juiste definitie van den mensch het

getal twintig niet insluit; en dus moet (_vlg. de vierde

opmerking_) de oorzaak waarom deze twintig menschen

bestaan en bijgevolg waarom elk van hen bestaat,

noodzakelijk buiten elk van hen gelegen zijn. Men moet

derhalve met volkomen zekerheid tot het besluit komen dat

datgene, van welks soort meerdere enkeldingen bestaan

kunnen, ook noodzakelijk een uitwendige oorzaak moet

hebben voor dit bestaan.

Waar nu reeds tot het wezen eener substantie (gelijk in

deze Opmerking werd aangetoond) het bestaan behoort, moet

ook hare definitie het noodwendig bestaan in zich sluiten

en moet men dus bijgevolg uit hare definitie alleen reeds

tot haar bestaan besluiten. Uit hare definitie kan

evenwel niet (gelijk wij in de tweede en derde opmerking

aantoonden) het bestaan van meerdere substanties volgen;

volgt derhalve noodzakelijk dat er slechts één substantie

van denzelfden aard bestaat, hetgeen wij ons voorstelden

te bewijzen.

_Stelling IX._

Hoe meer werkelijkheid of zijn een of ander ding heeft, des te

meer attributen komen er aan toe.

_Bewijs._

Dit blijkt uit Def. IV.

_Stelling X._

Elk attribuut eener zelfde substantie moet uit zichzelf begrepen

kunnen worden.

_Bewijs._

Een attribuut immers is datgene, wat het verstand beschouwt als

uitmakende het wezen eener substantie (_vlg. Def. IV_);

dientengevolge moet het (_vlg. Def. III_) uit zichzelf

begrijpbaar zijn. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Hieruit blijkt dat, ofschoon twee attributen

inderdaad als verschillend worden begrepen, dat wil

zeggen zonder elkaars hulp, wij toch niet de

gevolgtrekking mogen maken dat zijzelf twee Zijnden of

twee verschillende substanties zouden zijn; immers het

behoort tot den aard eener substantie dat elk harer

attributen uit zichzelf begrepen worde; aangezien alle

attributen welke zij bezit gelijktijdig en eeuwig in haar

aanwezig waren en niet door elkaar kunnen zijn

voortgebracht, maar elk van hen de werkelijkheid of het

zijn dier substantie uitdrukt. Het is er dus verre van

vandaan dat het ongerijmd ware aan ééne substantie

meerdere attributen toe te kennen; ja, niets ter wereld

is duidelijker dan dat elk Zijnde onder[A10] een of ander

attribuut moeten worden begrepen en dat, hoe meer

werkelijkheid of zijn het heeft, des te meer attributen,

welke zoowel noodwendigheid of eeuwigheid als

oneindigheid uitdrukken, het ook moet bezitten; en

bijgevolg is ook niets duidelijker, dan dat het volstrekt

oneindige Wezen noodzakelijk moet worden omschreven

(_gelijk wij reeds deden in Def. VI_) als een Zijnde dat

bestaat uit een oneindig aantal attributen, van welke

ieder een bepaald en oneindig wezen uitdrukt. Indien nu

echter iemand mocht vragen, aan welke kenteekenen wij dan

wel het verschil van substanties kunnen onderscheiden,

zoo leze hij de volgende stellingen, welke aantoonen dat

er in het Heelal slechts ééne enkele substantie bestaat,

welke substantie volstrekt oneindig is, zoodat men naar

zulk een kenteeken te vergeefs zou zoeken.

_Stelling XI._

God, of de substantie, bestaande uit een oneindig aantal

attributen, van welke elk een eeuwig en oneindig wezen uitdrukt,

bestaat noodwendig.

_Bewijs._

Wie dit ontkent, stelle zich voor, zoo hij kan, dat God niet

bestond. In dit geval zou (_vlg. Ax. VII_) zijn wezen het bestaan

niet in zich sluiten. Doch dit is (_vlg. St. VII_) ongerijmd.

Derhalve bestaat God noodwendig. H.t.b.w.

_Anders._

Van elk ding, wat ook, moet een oorzaak of reden kunnen worden

aangewezen zoowel waarom het bestaat als waarom het niet bestaat.

Bij voorbeeld, indien er een driehoek bestaat, moet er een reden

of oorzaak zijn, waarom hij bestaat; indien hij echter niet

bestaat, moet er eveneens een reden of oorzaak zijn, welke belet

dat hij bestaat ofwel welke zijn bestaan opheft. Deze reden of

oorzaak nu moet òf in den aard van het ding gelegen zijn, òf

daarbuiten. De reden bijvoorbeeld waarom er geen vierkante cirkel

bestaat, wordt door den aard zelf van den cirkel aangewezen: te

weten omdat dit een tegenstrijdigheid in zich sluit. Waarom

daarentegen de substantie wel bestaat, volgt eveneens uit haren

aard alleen reeds, welke namelijk het bestaan in zich sluit (_zie

St. VII_). Doch de reden waarom een cirkel of driehoek bestaat of

niet bestaat, volgt niet uit hunnen aard, maar uit de orde der

geheele lichamelijke Natuur; uit deze immers moet het

voortvloeien of een bepaalde driehoek noodwendig moet bestaan,

danwel of zijn bestaan op dit oogenblik onmogelijk is. Dit alles

is uit zichzelf duidelijk. Hieruit volgt dat datgene noodzakelijk

moet bestaan, waarvan geen reden of oorzaak gegeven is, welke dit

bestaan zou beletten. Indien er dus geen enkele reden of oorzaak

zijn kan welke belet dat God bestaat of welke zijn bestaan zou

opheffen, moet men onvermijdelijk tot het besluit komen dat hij

met noodwendigheid bestaat. Want indien er wel zulk een reden of

oorzaak was, moest deze òf in Gods aard zelf gelegen zijn òf

buiten dezen, dat wil zeggen in een andere substantie van anderen

aard. Want als zij van denzelfden aard was, ware hierdoor reeds

toegegeven dat God bestond. Maar een substantie die van anderen

aard ware, zou (_vlg. St. II_) niets met God gemeen kunnen hebben

en derhalve diens bestaan noch veroorzaken noch opheffen kunnen.

Daar dus een reden of oorzaak, welke het goddelijk bestaan kon

opheffen, niet bùiten den goddelijken aard gelegen kan zijn, zou

zij noodzakelijk (ook indien God niet bestond) in zijnen aard

gegeven moeten zijn, welke derhalve een tegenstrijdigheid in zich

zou sluiten. Maar dit te beweren van het volstrekt oneindige en

hoogst volmaakte wezen, is ongerijmd; derhalve is er noch ìn God

noch buiten God eenige oorzaak of reden, welke zijn bestaan zou

kunnen opheffen, zoodat God noodwendig bestaat. H.t.b.w.

_Anders._

Niet kunnen bestaan is een teeken van onmacht, wel kunnen bestaan

daarentegen is een teeken van macht (gelijk vanzelf spreekt).

Waar nu de dingen welke thans reeds met noodwendigheid bestaan,

niets anders dan eindige wezens zijn, zouden dus eindige wezens

machtiger zijn dan het volstrekt oneindige wezen: en dit is

(_gelijk vanzelf spreekt_) ongerijmd; derhalve: òf er bestaat

niets, òf er bestaat ook met noodwendigheid een volstrekt

oneindig wezen. Maar wijzelf althans bestaan, hetzij in onszelf,

hetzij in iets anders dat noodwendig bestaat (_zie Ax. I en St.

VII_). Derhalve bestaat het volstrekt oneindige wezen, d.w.z. God

(_vlg. Def. VI_) ook noodwendig. H.t.b.w.

_Opmerking:_ In deze laatste bewijsvoering heb ik Gods

bestaan a posteriori[A11] willen aantoonen, opdat het

bewijs gemakkelijker kon worden begrepen; niet echter

daarom wijl Gods bestaan niet ook a priori[A12] uit

hetzelfde beginsel ware af te leiden. Want, aangezien

bestaan kunnen een teeken van macht is, volgt hieruit dat

hoemeer werkelijkheid aan een of andere zaak toekomt, des

te meer vermogen zij in zichzelf heeft om te kunnen

bestaan. Derhalve moet ook het volstrekt oneindige wezen,

ofwel God, in zichzelf een volstrekt oneindig vermogen

hebben om te bestaan en moet hij dus ook onvermijdelijk

bestaan. Misschien echter zullen velen niet licht de

klaarblijkelijkheid van dit bewijs kunnen inzien, omdat

zij gewoon zijn slechts die dingen te beschouwen welke

uit uiterlijke oorzaken voortvloeien; van deze dingen nu

zien zij diegene welke snel gevormd worden, dat wil

zeggen welke gemakkelijk ontstaan, ook weer gemakkelijk

te niet gaan; terwijl zij daarentegen die dingen, van

welke zij zien dat er meer bij te pas komt, moeilijker te

maken oordeelen, dat wil zeggen niet zoo gemakkelijk tot

bestaan te brengen. Maar werkelijk, om hen van deze

vooroordeelen te bevrijden, behoef ik hier niet aan te

toonen in hoeverre het spreekwoord: "wat ras ontstaat,

ras vergaat" waar is en evenmin of niet soms, indien men

de geheele Natuur beschouwt, alles even gemakkelijk of

moeilijk ontstaat. Het is voldoende alleen dit op te

merken, dat ik hier niet spreek over dingen welke uit

uitwendige oorzaken voortvloeien, doch uitsluitend over

substanties, welke (_vlg. St. VI_) door geen enkele

uitwendige oorzaak kunnen worden voortgebracht. Dingen

immers, welke uit uitwendige oorzaken voortkomen, hebben,

onverschillig of zij uit vele, danwel uit weinige deelen

bestaan, al wat zij aan volmaaktheid of werkelijkheid

bezitten, te danken aan de werking dier uitwendige

oorzaak, zoodat hun bestaan alleen uit de volmaaktheid

dier uitwendige oorzaak, niet echter uit hunne eigene

ontspringt. Daarentegen is de substantie, wat zij van

volmaaktheid bezit, aan geen enkele uitwendige oorzaak

verschuldigd, zoodat ook haar bestaan uit eigen aard

alleen moet volgen en dus niets anders is als haar wezen

zelf. Volmaaktheid heft dus het bestaan van een ding niet

op, maar integendeel, zij vooronderstelt het;

onvolmaaktheid daarentegen kan het opheffen; en derhalve

kunnen wij van het bestaan van géén ding zekerder zijn

dan van het bestaan van het volstrekt oneindige of

volmaakte wezen, dat is God. Want aangezien diens wezen

alle onvolmaaktheid uitsluit, maar de volstrekte

volmaaktheid insluit, heft het daardoor alle aanleiding

tot twijfel omtrent zijn bestaan op en geeft het

hieromtrent de grootst mogelijke zekerheid; hetgeen naar

ik geloof, voor elk die maar even oplet, duidelijk zal

zijn.

_Stelling XII._

Geen attribuut eener substantie kan naar waarheid zoodanig worden

beschouwd, dat de deelbaarheid dier substantie hieruit zou kunnen

worden afgeleid.

_Bewijs._

Immers de deelen in welke een aldus gedachte substantie verdeeld

zou kunnen worden, zullen òf den aard dier substantie behouden òf

niet. In het eerste geval zou (_vlg. St. VIII_) elk dier deelen

oneindig moeten zijn en (_vlg. St. VI_) zijns zelfs oorzaak,

terwijl zij (_vlg. St. V_) elk uit een ander attribuut zouden

moeten bestaan; derhalve zouden er uit één substantie meerdere

gevormd kunnen worden, hetgeen (_vlg. St. VI_) ongerijmd is. Voeg

hierbij dat deze deelen (_vlg. St. II_) niets gemeen zouden

hebben met hun geheel en het geheel (_vlg. Def. IV en St. X_)

zonder zijn deelen zoowel zou kunnen bestaan als begrepen worden,

dan zal niemand kunnen twijfelen aan de ongerijmdheid hiervan.

Stellen wij echter het tweede geval, namelijk dat de deelen den

aard dier substantie nìet behielden, zoo zou de substantie,

wanneer zij in gelijke deelen verdeeld werd, haren aard verliezen

en ophouden te bestaan, hetgeen (_vlg. St. VII_) ongerijmd is.

_Stelling XIII._

De volstrekt oneindige substantie is ondeelbaar.

_Bewijs._

Immers indien zij deelbaar ware, zouden de deelen waarin zij

verdeeld kon worden òf den aard der volstrekt oneindige

substantie behouden òf niet. In het eerste geval zouden er dus

meerdere substanties van denzelfden aard bestaan, hetgeen (_vlg.

St. V_) ongerijmd is. Indien het tweede ondersteld werd, zou het

mogelijk worden (_zie hierboven_) dat de volstrekt oneindige

substantie ophield te bestaan, hetgeen (_vlg. St. XI_) eveneens

ongerijmd is.

_Gevolg:_ Hieruit volgt dat geen enkele substantie en

bijgevolg geen enkele lichamelijke substantie, deelbaar

is voorzoover zij een substantie is.

_Opmerking:_ Dat een substantie ondeelbaar is, kan op nog

eenvoudiger wijze worden ingezien alleen reeds hieruit,

dat de aard eener substantie niet anders dan als oneindig

gedacht kan worden en dat men zich een deel eener

substantie niet anders kan denken dan als een eindige

substantie, hetgeen (_vlg. St. VIII_) een

klaarblijkelijke tegenstrijdigheid in zich sluit.

_Stelling XIV._

Buiten God kan geen andere substantie bestaan noch gedacht

worden.

_Bewijs._

Daar God (_vlg. Def. VI_) het volstrekt oneindige wezen is, aan

wien geen enkel attribuut dat het wezen eener substantie uitdrukt

kan worden ontzegd, en daar hij (_vlg. St. XI_) noodwendig

bestaat, zou, indien er eenige andere substantie buiten God

bestond, deze uit een of ander attribuut Gods verklaard moeten

worden, zoodat er twee substanties met hetzelfde attribuut zouden

bestaan, hetgeen (_vlg. St. V_) ongerijmd is; derhalve kan er

geen enkele substantie buiten God bestaan, bijgevolg evenmin

gedacht worden. Want als zij denkbaar was, moest zij noodzakelijk

gedacht worden als bestaande en dit is (_volgens het eerste

gedeelte van dit bewijs_) ongerijmd. Dus kan er buiten God geen

andere substantie bestaan noch gedacht worden. H.t.b.w.

_Gevolg I:_ Hieruit volgt eerstens ten duidelijkste dat

God eenig is, dat wil zeggen (_vlg. Def. VI_) dat er in

de wereld der dingen niet anders dan één substantie

bestaan kan en dat deze volstrekt oneindig is, gelijk wij

in de Opmerking bij Stelling X reeds aanduidden.

_Gevolg II:_ Ten tweede volgt er uit dat het Uitgebreide

en het Denkende òf attributen van God zijn, òf (_vlg. Ax.

I_) openbaringen van Gods attributen.

_Stelling XV._

Al wat is, is in God en niets is zonder God bestaanbaar noch

denkbaar.

_Bewijs._

Buiten God kan (_vlg. St. XIV_) geen substantie bestaan noch

gedacht worden; d.w.z. (_vlg. Def. III_) geen ding dat op

zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen kan worden.

Bestaanswijzen evenwel kunnen (_vlg. Def. V_) zonder een

substantie noch bestaan noch gedacht worden, zoodat deze

uitsluitend hieruit begrepen kunnen worden. Maar buiten

substantie en bestaanswijzen is er niets (_vlg. Ax. I_). Derhalve

is niets zonder God bestaanbaar noch denkbaar. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Er zijn lieden, die zich verbeelden dat God,

evenals een mensch, uit een lichaam en een ziel bestaat

en onderhevig is aan hartstochten[A13]; hoeverre deze

evenwel van de ware kennisse Gods afdwalen blijkt

voldoende uit het reeds betoogde. Doch hen ga ik voorbij:

immers allen die op eenigerlei wijze over het wezen der

godheid hebben nagedacht, ontkennen dat God lichamelijk

is. Hetwelk zij zelfs zeer goed bewijzen hieruit, dat wij

onder een lichaam verstaan een of andere grootheid, met

lengte, breedte en diepte en door een bepaalden vorm

begrensd; ongerijmder dan hetwelk niets van God, te weten

het volstrekt oneindige wezen, gezegd zou kunnen worden.

Maar niettemin laten zij anderzijds uit andere gronden,

waarop zij hetzelfde trachten te bewijzen, ten

duidelijkste blijken dat zij een lichamelijke of

uitgebreide substantie geheel vreemd aan Gods wezen

achten, maar deze als door hem geschapen beschouwen.

Waarùit evenwel het goddelijk vermogen haar zou hebben

kunnen scheppen, weten zij wederom niet te zeggen;

waaruit duidelijk blijkt dat zij datgene, wat zijzelf

beweren niet begrijpen. Ik heb tenminste, naar mij dunkt,

duidelijk genoeg bewezen (_zie Gevolg St. VI en Opmerking

II bij St. VIII_) dat géén substantie door iets anders

kan worden voortgebracht of geschapen. Wijders hebben wij

in Stelling XIV aangetoond dat er buiten God geen

substantie bestaanbaar noch denkbaar is en daaruit

maakten wij de gevolgtrekking dat de Uitgebreidheid één

der oneindig vele attributen Gods is. Nochtans zal ik,

tot vollediger verduidelijking, de gronden mijner

tegenstanders weerleggen. Zij komen alle hierop neer:

_Ten eerste:_ dat de lichamelijke substantie, voor zoover

zij substantie is, naar hunne meening uit deelen bestaat,

en daarom ontkennen zij dat deze oneindig zijn en

dientengevolge tot Gods wezen behooren kan. En dit

lichten zij toe met vele voorbeelden, van welke ik er

enkele zal aanhalen. Indien de lichamelijke substantie,

zoo zeggen zij, oneindig is, stelle men zich haar eens

voor verdeeld in twee deelen; elk dier deelen zal dan òf

eindig òf oneindig zijn. In het eene geval zou dus het

oneindige uit twee deelen bestaan, hetgeen ongerijmd is.

In het andere zou er iets oneindigs bestaan, twee maal

zoo groot als iets anders dat óók oneindig was; hetgeen

eveneens ongerijmd is.

_Vervolgens:_ indien men een oneindige grootheid[A14]

uitmeet in deelen van een voet, zal zij uit een oneindig

aantal van dergelijke deelen moeten bestaan; hetzelfde

zal echter ook het geval zijn indien men haar verdeelt in

stukken van een duim; derhalve zou het eene oneindige

aantal twaalf maal zoo groot zijn als het andere

oneindige aantal.

_Tenslotte:_ Indien men zich voorstelt dat uit een punt A

van een of andere oneindige grootheid twee lijnen, AB en

AC, waarbij B en C aanvankelijk op meetbaren afstand van

elkaar liggen, tot in het oneindige verlengd worden, zoo

is het zeker dat de afstand tusschen B en C steeds zal

toenemen en eindelijk van bepaald onmeetbaar zal worden.

Daar nu, naar zij meenen, deze ongerijmdheden het gevolg

zijn van de onderstelling eener oneindige grootheid,

maken zij hieruit de gevolgtrekking dat de lichamelijke

substantie eindig moet zijn en dientengevolge niet tot

Gods wezen kan behooren.

Een tweede bewijsvoering gaat eveneens uit van Gods

opperste volmaaktheid. Immers God, zoo zeggen zij, het

meest volmaakte wezen, kan niet lijden: evenwel kan de

lichamelijke substantie, daar zij deelbaar is, wèl

lijden; waaruit dus volgt dat zij niet tot Gods wezen

behoort.

Deze zijn de bewijsvoeringen welke ik bij verschillende

schrijvers vind en door welke zij trachten aan te toonen

dat de lichamelijke substantie het goddelijk wezen

onwaardig is en daartoe niet kan behooren. Maar

inderdaad, wie goed heeft opgelet, zal inzien dat ik

hierop eigenlijk reeds heb geantwoord; aangezien deze

bewijzen slechts hierop berusten dàt zij vooronderstellen

dat de lichamelijke substantie uit deelen bestaat,

waarvan ik de ongerijmdheid reeds heb aangetoond. (_Zie

St. XII en Gevolg St. XIII_). Wie vervolgens de zaak

behoorlijk overweegt, zal bevinden dat al die

ongerijmdheden (indien zij overigens alle ongerijmd zijn,

waarover ik hier niet wil twisten), waaruit zij bewijzen

willen dat de uitgebreide substantie eindig is,

allerminst dááruit volgen dat men een oneindige grootheid

onderstelt: maar dat zij een _meetbare_ en uit eindige

deelen bestaande oneindige grootheid onderstellen. Daarom

ook mogen zij uit de ongerijmdheden die hieruit volgen,

niets anders besluiten dan dat een oneindige grootheid

_niet_ meetbaar is en dat zij niet uit eindige deelen kan

bestaan. Maar dit is hetzelfde als wat wij hierboven

reeds hebben uiteen gezet (_zie St. XIII enz._). Zoodat

zij met het wapen dat zij op ons richten, zichzelf

treffen. Indien zij dus uit deze hunne ongerijmdheid

nochtans willen afleiden dat de uitgebreide substantie

eindig moet zijn, gedragen zij zich waarlijk niet anders

dan iemand die, omdat hij zich verbeeldt dat een cirkel

de eigenschappen van een vierkant heeft, de

gevolgtrekking maakt dat een cirkel geen middelpunt

bezit, vanwaar uit alle lijnen naar den omtrek getrokken

even lang zijn. Want de lichamelijke substantie, welke

niet dan oneindig, niet dan eenig en niet dan ondeelbaar

gedacht kan worden (_Zie St. VIII, V en XII_), stellen

zij zich, terwille van hun gevolgtrekkingen, voor als

eindig, uit eindige deelen bestaande, veelvoudig en

deelbaar. Zoo zijn er anderen die, nadat zij zich eenmaal

hebben verbeeld dat een lijn is samengesteld uit punten,

tal van bewijzen weten aan te voeren om aan te toonen dat

een lijn niet tot in het oneindige kan worden verdeeld.

Maar inderdaad is het niet ongerijmder te

vooronderstellen dat de lichamelijke substantie uit

lichamen of deelen is samengesteld, dan dat een lichaam

uit vlakken, een vlak uit lijnen en tenslotte een lijn

uit punten is opgebouwd. Dit zullen allen die weten dat

een heldere redeneering onbedriegelijk is, moeten

toegeven en allereerst zij die erkennen dat er geen ledig

bestaat. Want indien de lichamelijke substantie aldus

verdeeld kon worden en hare deelen in werkelijkheid van

elkaar gescheiden waren, waarom zou dan niet één deel

vernietigd kunnen worden en de overige toch, evenals

daarvoor, met elkaar verbonden blijven? En waarom zouden

zij zich alle zoodanig aan elkaar voegen dat er geen

ledig ontstond? Het is duidelijk dat van dingen, die

werkelijk van elkaar afgescheiden zijn, het eene zonder

het andere kan bestaan en in zijn bestaan volharden. Waar

nu evenwel in de Natuur geen ledig bestaan kan (waarover

elders), waar alle deelen zoodanig moeten samenwerken dat

er geen ledig gevormd worde, volgt hieruit ook dat deze

deelen niet werkelijk kunnen worden gescheiden, dat wil

zeggen dat de lichamelijke substantie, voorzoover zij

substantie is, niet verdeeld kan worden. Indien nu toch

iemand vroeg, waarom wij dan van nature zoo geneigd zijn

een grootheid te verdeelen, zoo zou ik hem antwoorden dat

een grootheid door ons op twee wijzen wordt opgevat, te

weten abstract[A15] en oppervlakkig, zooals wij ons haar

nl. voorstellen[A16], òf als een substantie, hetgeen

uitsluitend door de Rede geschiedt. Indien wij dus letten

op een grootheid zooals zij zich voordoet in onze

voorstelling, hetgeen dikwijls en het gemakkelijkst door

ons gedaan wordt, zal zij eindig, deelbaar en uit deelen

samengesteld bevonden worden; indien wij haar echter

beschouwen zooals zij in ons verstand is en haar opvatten

als een substantie, wat zeer moeilijk is, dan zal

zij--gelijk wij reeds voldoende aantoonden--oneindig,

eenig en ondeelbaar bevonden worden. Hetgeen allen die

weten te onderscheiden tusschen voorstelling en verstand,

duidelijk genoeg zal zijn, vooral indien men er ook op

let dat de stof overal dezelfde is en dat er geen deelen

in haar te onderscheiden vallen, tenzij voorzoover wij

ons de stof op verschillende wijzen gewijzigd denken, en

welk geval wij die deelen slechts als bestaansvormen

onderscheiden maar niet wezenlijk. Zoo beschouwen wij

bijvoorbeeld water, voor zoover het water is, als

deelbaar en zijn deelen als van elkaar afzonderbaar; niet

echter voorzoover het lichamelijke substantie is, als

zoodanig immers kan het noch gescheiden, noch verdeeld

worden. Voorts kan water, voorzoover het water is

ontstaan en vergaan, terwijl het als substantie noch

ontstaat noch vergaat. En hiermede geloof ik ook op het

tweede bewijs geantwoord te hebben; aangezien ook dit

gegrond was op de onderstelling dat de stof, als

substantie, deelbaar en uit deelen samengesteld zou zijn.

Doch al ware dit alles ook niet zooals ik zeg, dan

begrijp ik nog niet waarom de lichamelijke substantie het

goddelijk wezen onwaardig zou zijn: aangezien er toch

(_vlg. St. XIV_) buiten God geen substantie bestaan kan

aan welke hij onderworpen zou kunnen zijn. Alles, zeg ik,

is in God en al wat geschiedt, geschiedt uitsluitend

krachtens de wetten van Gods oneindige wezen en vloeit

uit de noodwendigheid daarvan voort (hetgeen ik straks

zal aantoonen); zoodat er geen enkele reden bestaat om te

zeggen dat God aan iets anders onderworpen zou zijn of

dat de uitgebreide substantie den goddelijken aard

onwaardig ware, zelfs al werd zij verondersteld deelbaar

te zijn, zoolang men haar slechts als eeuwig en oneindig

beschouwt. Doch hierover voor het oogenblik genoeg.

_Stelling XVI._

Uit de noodwendigheid van den goddelijken aard moeten oneindig

veel dingen op oneindig vele wijzen voortvloeien, dat is al wat

een oneindig verstand kan omvatten.

_Bewijs._

Deze stelling moet een ieder duidelijk zijn zoo hij er slechts op

let dat het verstand uit de gegeven definitie van eene of andere

zaak verschillende eigenschappen afleidt welke ook in

werkelijkheid uit haar (dat wil zeggen uit het wezen zelf dier

zaak) met noodwendigheid voortvloeien en wel des te meer naarmate

de definitie dier zaak meer werkelijkheid uitdrukt, dat wil

zeggen hoemeer werkelijkheid het wezen der omschreven zaak

insluit. Daar nu de goddelijke aard een volstrekt oneindig aantal

attributen heeft (_vlg. Def. VI_), van welke elk een in zijn

soort oneindig wezen uitdrukt, moeten ook uit Gods noodwendigheid

oneindig veel dingen op oneindig vele wijzen (dat is al wat een

oneindig verstand kan omvatten) noodzakelijk voortvloeien.

H.t.b.w.

_Gevolg I:_ Hieruit volgt dat God van alle dingen welke

een oneindig verstand kan omvatten, de bewerkende

oorzaak[A17] is.

_Gevolg II:_ Er volgt ten tweede uit dat God oorzaak is

uit-zich-zelf en niet slechts toevallig[A18].

_Gevolg III:_ Er volgt ten derde uit dat God de volstrekt

eerste oorzaak is.

_Stelling XVII._

God handelt uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen aard

en door niets genoodzaakt.

_Bewijs._

Dat uit de noodwendigheid van den goddelijken aard alleen, of

(wat hetzelfde is) uitsluitend uit de wetten van dien aard,

onvermijdelijk een oneindig aantal dingen volgt, hebben wij

zooeven in Stelling XVI aangetoond, terwijl wij in Stelling XV

bewezen dat niets zonder God bestaan noch gedacht worden kan,

maar dat alles in God is; zoodat er niets buiten hem zijn kan

waardoor hij tot handelen genoopt of gedwongen kon worden; en zoo

handelt dus God uitsluitend krachtens de wetten van zijn eigen

aard en door niets genoodzaakt. H.t.b.w.

_Gevolg I:_ Hieruit volgt ten eerste dat er geen enkele

oorzaak, behalve de volmaaktheid van zijn eigen aard,

zijn kan, welke God van buiten af of van binnen uit tot

handelen zou aandrijven.

_Gevolg II:_ Er volgt ten tweede uit dat alleen God een

vrije oorzaak is. God immers is het eenige dat krachtens

de noodwendigheid van zijn eigen aard bestaat (_vlg. St.

XI en Gevolg I van St. XIV_) en dat uitsluitend krachtens

de noodwendigheid van zijnen aard handelt (_vlg.

voorgaande St._) en derhalve (_vlg. Def. VII_) is alleen

hij een vrije oorzaak. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Sommigen meenen dat God een vrije oorzaak

is, omdat hij, naar zij gelooven, zou kunnen bewerken dat

datgene, hetwelk naar wij zeiden uit zijn aard volgt,

d.w.z. datgene wat in zijn vermogen ligt, _niet_

geschiedde, ofwel _niet_ door hem werd voortgebracht.

Doch dit is hetzelfde alsof zij zeiden dat God kan

bewerken dat uit den aard eens driehoeks niet zou volgen

dat de som zijner driehoeken gelijk is aan twee rechten

of dat uit een gegeven oorzaak geen uitwerking zou

voortvloeien; hetgeen ongerijmd is. Verderop zal ik

zonder behulp van deze stelling aanloonen, dat noch

verstand, noch wil tot Gods aard behooren. Ik weet wel

dat er velen zijn die gelooven te kunnen bewijzen, dat

tot Gods aard het hoogste verstand en een vrije wil

behooren: immers zij kennen niets volmaakters, zoo zeggen

zij bij zichzelf, dat zij aan God zouden kunnen

toeschrijven, dan datgene wat in onszelf het meest

volmaakte is. Maar niettegenstaande zij God opvatten als

werkelijk het hoogste verstand, gelooven zij toch niet

dat hij al wat hij denkt, inderdaad tot bestaan kan

brengen, want zij meenen op deze wijze Gods macht te

verkleinen. Indien hij alles, zoo zeggen zij, wat zijn

verstand bevat, ook werkelijk had geschapen, zou er niets

meer te scheppen zijn, hetgeen zij in strijd achten met

Gods almacht; en daarom nemen zij liever aan dat God ten

opzichte van alle dingen onverschillig is en niets anders

schept dan datgene wat hij in beperkte wil[lekeur]

besluit te scheppen. Ik meen evenwel duidelijk genoeg te

hebben aangetoond (_Zie St. XVI_) dat uit Gods alvermogen

of uit zijn oneindigen aard, oneindig veel dingen op

oneindig veel wijzen, dat wil zeggen alles, met

noodwendigheid voortvloeien of steeds met dezelfde

noodwendigheid volgen; op dezelfde wijze als uit den aard

van den driehoek van eeuwigheid tot eeuwigheid volgt dat

de som zijner drie hoeken gelijk is aan twee rechten.

Daarom is Gods almacht ook werkzaam geweest van alle

eeuwigheid af en zal zij tot in eeuwigheid even werkzaam

blijven. En op deze wijze wordt, ten minste mijns

inziens, Gods almacht veel volmaakter voorgesteld.

Jazelfs schijnen mijn tegenstanders Gods almacht (om het

maar eerlijk te zeggen) te loochenen. Immers zij zijn

gedwongen te erkennen dat God een oneindig aantal

mogelijke schepselen denkt, welke hij nochtans nooit zal

kunnen scheppen. Want anders, namelijk wanneer hij al wat

hij dacht ook schiep, zou hij, volgens henzelf, zijn

eigen macht uitputten en zichzelf onvolmaakt maken. Om

dus te bewijzen dat God volmaakt is, komen zij er toe

tegelijkertijd te betoogen dat hij niet alles kan

uitvoeren waarover zijn vermogen zich uitstrekt;

ongerijmder, of meer in strijd met Gods almacht, dan

hetwelk mij niets te verzinnen lijkt.

Om hier voorts nog iets te zeggen over het verstand en

den wil, welke wij gewoonlijk aan God toekennen: indien

verstand en wil tot Gods eeuwige wezen behooren, moet

onder beide eigenschappen zeker heel iets anders worden

verstaan dan de menschen gewoonlijk doen. Want een

verstand en een wil welke Gods wezen uitmaakten zouden

hemelsbreed van òns verstand en ònzen wil moeten

verschillen; ja, zij zouden in geen enkel opzicht,

behalve in den naam, er mede kunnen overeenkomen, niet

anders bijvoorbeeld dan het sterrebeeld de Hond

overeenkomt met het blaffende dier van dien naam. Wat ik

aldus zal bewijzen: Indien het verstand tot den

goddelijken aard behoort, zal het niet van nature, zooals

òns verstand, later dan (gelijk de meesten meenen) of

gelijktijdig met de erdoor voorgestelde zaken bestaan,

aangezien God krachtens zijne oorzakelijkheid aan alle

dingen voorafgaat (_vlg. Gevolg I van St. XVI_). Maar

integendeel zijn de waarheid en het werkelijke wezen[A19]

der dingen zoo als zij zijn, omdat zij zóó in Gods

verstand objectief[A20] bestonden. Daarom is ook

integendeel Gods verstand, voorzoover het wordt opgevat

als behoorende tot Gods wezen, de oorzaak der dingen,

zoowel van hun wezen als van hun bestaan; hetgeen ook

schijnt te zijn opgemerkt door hen die verzekerden dat

Gods verstand, wil en macht één en hetzelfde zijn.

Indien nu Gods verstand de eenige oorzaak der dingen is

en wel (gelijk wij aantoonden) zoowel van hun wezen als

van hun bestaan, moet het zelf noodzakelijk van deze

dingen verschillen, zoowel ten opzichte van zijn wezen

als ten opzichte van zijn bestaan. Want het veroorzaakte

verschilt van zijn oorzaak juist in datgene wat het van

zijn oorzaak ontvangen heeft. Zoo is bijvoorbeeld een

mensch de oorzaak van het bestaan, niet echter van het

wezen van een anderen mensch; dit immers is een eeuwige

waarheid: en derhalve kunnen zij in hun wezen geheel

overeenkomen, terwijl zij in hun bestaan moeten

verschillen; vandaar dat wanneer het bestaan van den een

te niet gaat, niet tevens dat van den ander te niet zal

gaan; terwijl wanneer het wezen van den een vernietigd

kon worden en valsch kon blijken, ook tevens het wezen

van den ander vernietigd zou zijn. Daarom moet een ding

dat oorzaak is zoowel van het wezen als van het bestaan

van een of andere uitwerking, van een zoodanige

uitwerking verschillen zoowel ten opzichte van zijn wezen

als ten opzichte van zijn bestaan. Maar Gods verstand is

de oorzaak zoowel van het wezen als van het bestaan van

òns verstand: en dus verschilt Gods verstand, voor zoover

het wordt opgevat als behoorende tot het goddelijk wezen,

van òns verstand zoowel ten opzichte van zijn wezen als

ten opzichte van zijn bestaan en kan het in geen enkel

opzicht, behalve in naam er mede overeenkomen; gelijk wij

wilden aantoonen. Wat den wil aangaat kan men denzelfden

bewijstrant volgen, zooals een ieder gemakkelijk zal

inzien.

_Stelling XVIII._

God is de inwonende, niet echter een buitenstaande oorzaak aller

dingen.

_Bewijs._

Al wat is, is in God en moet uit God begrepen worden (_vlg. St.

XV_). Derhalve is God (_vlg. Gevolg I St. XVI_) de oorzaak van de

dingen die in hem zijn. Dit wat het eerste aangaat. Verder kan er

buiten God geen enkele substantie bestaan (_vlg. St. XIV_),

d.w.z. (_vlg. Def. III_) iets dat buiten God op zichzelf zou

bestaan. Dit wat het tweede betreft. God is dus de inwonende,

niet echter een buitenstaande oorzaak aller dingen. H.t.b.w.

_Stelling XIX._

God, of al Gods attributen, zijn eeuwig.

_Bewijs._

God immers is (_vlg. Def. VI_) een substantie, welke (_vlg. St.

XI_) noodwendig bestaat, d.w.z. (_vlg. St. VII_) tot wier aard

het behoort te bestaan, of (wat hetzelfde is) uit wier definitie

haar bestaan zelf volgt, en derhalve is God (_vlg. Def. VIII_)

eeuwig. Vervolgens moet onder Gods attributen verstaan worden

datgene wat (_vlg. Def. IV_) het wezen der goddelijke substantie

uitdrukt, d.w.z. datgene wat tot de substantie behoort; dit

alles, zeg ik, behooren deze attributen in te sluiten. Maar tot

den aard der substantie behoort (_gelijk ik reeds in St. VII heb

aangetoond_) de eeuwigheid; derhalve moet elk dier attributen

eeuwigheid insluiten en dus zijn zij allen eeuwig. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Deze stelling is ook zeer duidelijk af te

leiden volgens de wijze waarop ik (_St. XI_) Gods bestaan

bewezen heb; uit dit bewijs, zeg ik, is gebleken dat Gods

bestaan, evenals zijn wezen een eeuwige waarheid is.

Voorts heb ik (_St. XIX Deel I der Beginselen van

Cartesius_)[A21] nog op andere wijze Gods eeuwigheid

bewezen, welk bewijs ik hier niet behoef te herhalen.

_Stelling XX._

Gods bestaan en Gods wezen zijn één en hetzelfde.

_Bewijs._

God en al zijn attributen zijn eeuwig (_vlg. de voorgaande St._)

d.w.z. (_vlg. Def. VIII_) elk zijner attributen drukt bestaan

uit. Dezelfde attributen Gods dus, welke (_vlg. Def. IV_) Gods

eeuwig wezen openbaren, ontvouwen tevens zijn eeuwig bestaan,

d.w.z.: datgene zelf dat het wezen Gods uitmaakt, maakt tevens

zijn bestaan uit, zoodat dus dit en zijn wezen één en hetzelfde

zijn. H.t.b.w.

_Gevolg I:_ Hieruit volgt ten eerste dat Gods bestaan,

evenals zijn wezen, een eeuwige waarheid is.

_Gevolg II:_ Ten tweede volgt er uit dat God of al Gods

attributen onveranderlijk zijn. Want als zij wat betreft

hun bestaan verandering konden ondergaan, zouden zij

tevens (_vlg. de voorgaande St._) ten opzichte van hun

wezen veranderd worden, d.w.z. (_gelijk vanzelf spreekt_)

van waar valsch worden, hetgeen ongerijmd is.

_Stelling XXI._

Al wat uit den aard op zichzelf[A22] van een of ander attribuut

Gods voortvloeit, moet altijd en oneindig hebben bestaan, met

andere woorden: krachtens dit attribuut zelf is het eeuwig en

oneindig.

_Bewijs._

Neem eens aan, indien ge dit kunt (als ge dit namelijk ontkent)

dat er iets in een of ander attribuut Gods uit den aard

opzichzelf van ditzelfde attribuut kon voortvloeien dat eindig

ware en een beperkt bestaan of duur had, bijvoorbeeld de

voorstelling van God in het Denken[A23]. Het Denken nu bestaat,

aangezien het voorondersteld wordt een attribuut Gods te zijn,

noodwendig (_vlg. St. XI_) krachtens zijn oneindigen aard.

Evenwel wordt het hier, voor zoover het de voorstelling Gods

omvat, als eindig gesteld. Maar als eindig kan het (_vlg. Def.

II_) niet worden begrepen tenzij het door het Denken zelf beperkt

worde. Niet echter door het Denken zelf voorzoover dit de

voorstelling Gods vormt, als zoodanig immers wordt het juist

voorondersteld eindig te zijn; derhalve door het Denken

voorzoover het _niet_ de voorstelling Gods vormt, welk Denken

evenwel toch (_vlg. St. XI_) met noodwendigheid moet bestaan; er

zou dus een Denken bestaan dat de voorstelling Gods niet insloot

en derhalve zou uit zijnen aard, voor zoover dit niets dan Denken

is, niet noodzakelijk de voorstelling Gods voortvloeien. (Immers

er werd één Denken aangenomen dat de voorstelling Gods wèl en een

ander dat haar nìet omvatte). Dit strijdt tegen het onderstelde.

Zoodat, wanneer de voorstelling Gods in het Denken, of (want

tenslotte is het hetzelfde wat men neemt, aangezien de

bewijsvoering algemeen geldig is) iets anders in eenig ander

attribuut Gods, uit de noodwendigheid van den aard op-zich-zelf

van dit attribuut voortvloeit, dit [gevolg] ook noodzakelijk

oneindig moet zijn. Dit wat het eerste punt betreft.

Voorts kan datgene wat uit de noodwendigheid van den aard eens

attribuuts aldus voortvloeit, geen beperkten duur hebben. Indien

ge dit ontkent, stel dan een ding dat uit de noodwendigheid van

eenig attribuut voortvloeit en bestaat in een of ander attribuut

Gods, bijvoorbeeld de voorstelling Gods in het Denken en

onderstel dat het ééns nìet heeft bestaan of niet bestaan zal.

Daar nu ondersteld wordt dat het Denken een attribuut Gods is,

moet het zoowel noodwendig als onveranderlijk bestaan (_vlg. St.

XI en Gevolg II St. XX_). Dus zal er buiten de grenzen van den

duur der voorstelling Gods (immers er werd aangenomen dat deze

eens niet bestond of niet zal bestaan) een Denken zonder

voorstelling Gods moeten bestaan. Dit echter is tegen het

onderstelde; immers er werd ondersteld dat uit het gegeven Denken

noodwendig de voorstelling Gods voortvloeide. Derhalve kan de

voorstelling Gods in het Denken, of iets anders dat met

noodwendigheid uit den aard op-zichzelf van een of ander

attribuut Gods voortvloeit, geen beperkten duur hebben, maar moet

het, krachtens dit attribuut zelf, eeuwig zijn. Dit wat het

tweede punt betreft.

Men merke op dat ditzelfde geldt voor elk ander ding dat in een

of ander attribuut Gods uit den aard Gods op-zichzelf met

noodwendigheid voortvloeit.

_Stelling XXII._

Al wat voortvloeit uit eenig attribuut Gods, voorzoover het zich

openbaart in een zoodanige bestaanswijze [wijziging], welke

krachtens dit attribuut noodwendig en oneindig bestaat, moet zelf

eveneens noodwendig en oneindig bestaan.

_Bewijs._

Het bewijs dezer stelling wordt op dezelfde wijze geleverd als

dat der voorgaande.

_Stelling XXIII._

Elke bestaanswijze, welke noodwendig en oneindig bestaat, moet

noodzakelijk voortvloeien òf uit den aard op zichzelf van eenig

attribuut Gods òf uit eenig attribuut, zich openbarend in een

vorm welke noodwendig en oneindig bestaat[A24].

_Bewijs._

Een bestaanswijze immers bestaat in iets anders, waaruit het

begrepen kan worden (_vlg. Def. V_), d.w.z. (_vlg. St. XV_) zij

bestaat uitsluitend in God en kan uit God alleen begrepen worden.

Indien men dus een bestaanswijze aanneemt welke noodwendig

bestaat en oneindig is, moet elk van deze beide eigenschappen

noodzakelijk worden opgemaakt of begrepen[A25] uit een of ander

attribuut Gods voor zoover dit wordt opgevat als uitdrukkende de

oneindigheid en noodwendigheid van zijn bestaan, of wel (_wat

vlg. Def. VIII hetzelfde is_) de eeuwigheid; d.w.z. (_vlg. Def.

VI en St. XIX_) voor zoover het als uitsluitend op zichzelf

beschouwd wordt. Een bestaanswijze dus welke noodwendig en

oneindig bestaat, moet uit den aard op-zichzelf van eenig

attribuut Gods voortvloeien; en dat wel òf onmiddellijk

(_waarover in St. XXI_) òf door bemiddeling van een of anderen

verschijningsvorm [wijziging] welke uit deszelfs aard op-zichzelf

voortvloeit, d.w.z. (_vlg. de voorgaande St._) welke eveneens

noodwendig en oneindig bestaat. H.t.b.w.

_Stelling XXIV._

Het wezen van de door God voortgebrachte dingen, sluit geen

bestaan in zich.

_Bewijs._

Dit blijkt uit _Def. I._ Datgene immers, welks aard (namelijk op

zichzelf beschouwd) het bestaan in zich sluit, is zijns zelfs

oorzaak en bestaat alleen krachtens de noodwendigheid van zijnen

aard zelf.

_Gevolg:_ Hieruit volgt dat God niet slechts de oorzaak

ervan is, dat de dingen beginnen te bestaan; maar ook dat

zij in hun bestaan volharden, ofwel (om een scholastieke

uitdrukking te gebruiken) dat God de oorzaak is van het

"Zijn" [Aanzijn] der dingen. Want, of de dingen bestaan

danwel niet bestaan: zoo dikwijls wij op hun wezen

letten, zien wij dat dit noch bestaan noch duur in zich

sluit; derhalve kan hun wezen ook noch van hun bestaan,

noch van hun duur de oorzaak zijn; doch uitsluitend God,

daar slechts tot dìens aard het bestaan behoort. (_Vlg.

Gevolg I St. XIV_).

_Stelling XXV._

God is niet alleen de bewerkende oorzaak van het bestaan der

dingen, maar ook van hun wezen.

_Bewijs._

Indien ge dit ontkent zou God dus niet de oorzaak zijn van het

wezen der dingen; derhalve zou (_vlg. Ax. IV_) het wezen der

dingen zonder God begrepen kunnen worden; hetgeen evenwel (_vlg.

St. XV_) ongerijmd is. Dus is God óók de oorzaak van het wezen

der dingen. H.t.b.w.

_Opmerking:_ De waarheid dezer stelling volgt nog

duidelijker uit Stelling XVI. Uit deze immers volgt dat

uit den gegeven goddelijken aard zoowel het wezen als het

bestaan der dingen noodzakelijk moet worden afgeleid; en,

om het in één woord te zeggen: in dienzelfden zin waarin

men zegt dat God zijns zelfs oorzaak is, moet hij ook de

oorzaak van alle dingen genoemd worden, hetgeen nog

duidelijker zal blijken uit het onderstaande gevolg.

_Gevolg:_ De bijzondere dingen zijn niets anders dan

openbaringen van Gods attributen, of wel bestaanswijzen

in welke Gods attributen op een vaste en bepaalde wijze

worden uitgedrukt. Het bewijs blijkt uit _Stelling XV_ en

_Definitie V_.

_Stelling XXVI._

Een ding dat tot een of andere werking genoopt is, wordt hiertoe

noodzakelijk door God gedreven; evenzoo: wat niet door God

genoodzaakt wordt, kan uit zichzelf niet werken.

_Bewijs._

Datgene, waarvan men kan zeggen dat het de dingen tot werken

noopt, moet noodzakelijk iets positiefs zijn (gelijk vanzelf

spreekt); derhalve moet God zoowel van het wezen als van het

bestaan hiervan de bewerkende oorzaak zijn (_vlg. St. XXV en St.

XVI_). Dit wat het eerste betreft. Waaruit eveneens ten

duidelijkste volgt, wat in de tweede plaats gesteld werd. Want

indien een ding, dat niet door God gedreven werd, zichzelf kon

richten, zou het eerste deel dezer stelling valsch zijn, hetgeen,

gelijk wij aantoonden ongerijmd is.

_Stelling XXVII._

Een ding dat door God tot eenigerlei werking genoodzaakt is, kan

zichzelf niet aan die noodzaak onttrekken.

_Bewijs._

De waarheid dezer stelling blijkt uit het derde Axioma.

_Stelling XXVIII._

Elk bijzonder ding, of elk ding dat eindig is en een beperkt

[afhankelijk] bestaan heeft, kan niet bestaan, noch tot werking

genoodzaakt worden, tenzij het tot bestaan en werking genoodzaakt

worde door een ander ding, hetwelk eveneens eindig is en een

afhankelijk bestaan heeft: en deze oorzaak op haar beurt kan niet

bestaan, noch tot werking genoodzaakt worden tenzij zij wederom

door een ander ding, hetwelk eveneens eindig is en een

afhankelijk bestaan heeft, tot bestaan en werking worde

genoodzaakt, en zoo tot in het oneindige.

_Bewijs._

Al wat tot bestaan en werking genoodzaakt is, werd daartoe

genoodzaakt door God (_vlg. St. XXVI en Gevolg St. XXIV_). Maar

datgene wat eindig is en een afhankelijk bestaan heeft, kon niet

uit den aard op-zichzelf van eenig attribuut Gods voortvloeien;

immers al wat uit den absoluten aard van eenig attribuut Gods

voortvloeit, is oneindig en eeuwig (_vlg. St. XXI_). Dus zal het

moeten voortvloeien uit God, of wel uit een zijner attributen,

voorzoover dit beschouwd wordt als zich openbarende in een of

andere bestaanswijze; immers buiten de substantie en hare

bestaanswijzen is er niets (_vlg. Ax. I en Def. III en V_); en de

bestaanswijzen zijn (_vlg. Gevolg St. XXV_) niets anders dan

openbaringen van Gods attributen. Maar uit God, of uit een of

ander zijner attributen, voorzoover het zich openbaart in een

vorm welke eeuwig en oneindig is, kan het ook niet voortvloeien

(_vlg. St. XXII_). Het zal dus moeten voortvloeien, of tot

bestaan en werking genoodzaakt worden, door God of een zijner

attributen, voorzoover dit zich openbaart in een vorm welke

eindig is en een afhankelijk bestaan heeft. Dit wat eerste

betreft.

Voorts moet deze oorzaak of deze bestaanswijze op haar beurt (_om

dezelfde reden als ik in het eerste gedeelte dezer stelling reeds

uiteen zette_) eveneens bepaald worden door een andere, welke

eveneens eindig is en een afhankelijk bestaan heeft, en deze

laatste wederom (_om dezelfde reden_) door een andere en zoo (_om

dezelfde reden_) voort tot in het oneindige. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Daar sommige dingen door God onmiddellijk

moeten zijn voortgebracht, en wel die dingen welke

noodwendig uit zijn absoluten aard voortvloeien; en door

tusschenkomst van deze eerste dingen de andere, welke

nochtans zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn;

volgt hieruit ten eerste: dat God de absoluut naaste

oorzaak is der dingen welke onmiddellijk door hem zijn

voortgebracht, hoewel niet, zooals men zegt, der dingen

in hun soort. Want de werkingen Gods kunnen niet zonder

hun oorzaak bestaan noch gedacht worden. (_Vlg. St. XV en

Gevolg St. XXIV_).

Er volgt ten tweede uit dat God niet in eigenlijken zin

de verwijderde oorzaak der bijzondere dingen genoemd kan

worden, tenzij wellicht om deze te onderscheiden van

diegene welke hij onmiddellijk voortbracht, of liever

welke uit zijn absoluten aard voortvloeien. Want onder

een verwijderde oorzaak verstaan wij een zoodanige, welke

met hare uitwerking op geenerlei wijze verbonden is. Maar

al wat is, is in God en hangt op zoodanige wijze van hem

af dat het zonder hem noch bestaanbaar noch denkbaar is.

_Stelling XXIX._

In de wereld der dingen bestaat niets toevalligs, maar alles

wordt krachtens de noodwendigheid van den goddelijken aard

genoodzaakt op bepaalde wijze te bestaan en te werken.

_Bewijs._

Al wat is, is in God (_vlg. St. XV_): God echter kan niet iets

toevalligs genoemd worden. Want hij bestaat (_vlg. St. XI_)

noodwendig, niet echter toevallig. De bestaanswijzen van den

goddelijken aard zijn dus uit dezen eveneens noodwendig en niet

slechts toevallig voortgekomen (_vlg. St. XVI_) en dat wel

voorzoover de goddelijke aard òf op-zichzelf (_vlg. St. XXI_) òf

als op een bepaalde wijze tot werken genoopt beschouwd wordt

(_vlg. St. XXVII_). Voorts is God niet slechts de oorzaak dezer

bestaanswijzen voorzoover zij gewoon maar bestaan (_vlg. Gevolg

St. XXIV_), maar ook (_vlg. St. XXVI_) voorzoover zij beschouwd

worden als genoodzaakt iets te doen. Want indien zij (_vlg.

dezelfde St._) niet door God daartoe genoodzaakt werden, is het

onmogelijk, en geenszins gebeurlijk, dat zij zichzelf daartoe

noodzaakten; en omgekeerd (_vlg. St. XXVII_): indien zij wèl door

God daartoe genoodzaakt werden, is het onmogelijk, en geenszins

gebeurlijk, dat zij zich aan die noodzaak onttrokken. Zoodat

alles krachtens de noodwendigheid van den goddelijken aard

genoodzaakt is niet slechts om te bestaan, maar ook om op

bepaalde wijze te bestaan en te werken en er dus niets toevalligs

bestaat. H.t.b.w.

_Opmerking:_ Alvorens ik verder ga, wil ik hier uiteen

zetten of liever in herinnering brengen wat wij moeten

verstaan onder de "Naturende Natuur" en de "Genatuurde

Natuur"[A26]. Want uit het voorgaande is het dunkt mij

toch zeker wel duidelijk geworden dat wij onder

"Naturende Natuur" moeten verstaan datgene wat op

zichzelf bestaat en uit zichzelf begrepen kan worden,

ofwel zoodanige attributen der substantie, welke een

eeuwig en oneindig wezen uitdrukken, dat wil zeggen

(_vlg. Gevolg I St. XIV en Gevolg II v. St. XVII_) God,

voorzoover hij als vrije oorzaak beschouwd wordt. Onder

"Genatuurde Natuur" daarentegen versta ik al datgene wat

uit de noodwendigheid van Gods aard of van eenig

attribuut Gods voortvloeit, dat wil zeggen alle

bestaanswijzen der attributen Gods voorzoover zij

beschouwd worden als dingen die in God bestaan en zonder

God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn.

_Stelling XXX._

Het verstand, hetzij eindig of oneindig in zijn werking, kan

slechts de attributen Gods en de bestaanswijzen Gods bevatten en

niets anders.

_Bewijs._

Een ware voorstelling moet overeenkomen met het door haar

voorgestelde (_vlg. Ax. VI_) d.w.z. (_gelijk vanzelf spreekt_)

datgene wat objectief[A20] in het verstand aanwezig is moet ook

noodzakelijk in de natuur bestaan. In de natuur evenwel bestaat

(_vlg. Gevolg I St. XIV_) niets dan één enkele substantie,

namelijk God, noch (_vlg. St. XV_) eenigerlei andere

bestaanswijzen dan die welke in God zijn en welke (_vlg. dezelfde

St._) zonder God noch bestaanbaar noch denkbaar zijn; derhalve

kan het verstand, hetzij eindig of oneindig in zijn werking,

slechts de attributen Gods en de bestaanswijzen Gods bevatten en

niets anders. H.t.b.w.

_Stelling XXXI._

Een werkend verstand, hetzij eindig of oneindig, moet evenals

wil, begeerte, liefde enz. behooren tot de genatuurde natuur en

niet tot de naturende.

_Bewijs._

Onder verstand immers verstaan wij (_gelijk vanzelf spreekt_)

niet het absolute Denken, maar slechts een bepaalden vorm van

denken, welke vorm verschilt van andere denkvormen als begeerte,

liefde enz. en dus (_vlg. Def. V_) uit het absolute Denken

begrepen moet worden; immers het moet (_vlg. St. XV en Def. VI_)

uit een attribuut Gods dat het eeuwige en oneindige wezen des

Denkens uitdrukt, aldus worden begrepen dat het zonder dit noch

bestaanbaar noch denkbaar is; en derhalve moet het (_vlg.

Opmerking St. XXIX_) behooren tot de genatuurde natuur, niet

echter tot de naturende, en evenzoo de overige vormen van denken.

H.t.b.w.

_Opmerking:_ De reden waarom ik hier sprak van een

_werkend_ verstand, is niet dat ik toegeef dat er eenig

verstand-als-vermogen[A27] zou bestaan; maar, wijl ik

alle verwarring wensch te vermijden, heb ik slechts

willen spreken over een zaak welke ons zoo duidelijk

mogelijk is, nl. over het begrijpen zelf, klaarder dan

hetwelk wij niets kennen. Immers al wat wij leeren kennen

leidt wederom tot nog volmaakter kennis van het

begrijpen.

_Stelling XXXII._

Men kan den wil geen vrije oorzaak heeten, doch alleen een

noodzakelijke.

_Bewijs._

De wil is een bepaalde vorm van denken, evenals het verstand; en

derhalve (_vlg. St. XXVIII_) kan een of andere willing[A42] niet

bestaan, noch tot werking genoodzaakt worden, tenzij door een

andere oorzaak, en deze op haar beurt weer door een andere, en

zoo voort tot in het oneindige. Want al werd ondersteld dat de

wil oneindig was, dan moest hij toch ook door God tot bestaan en

werken genoodzaakt worden, niet voorzoover God de absoluut

oneindige substantie is, maar voorzoover hij een attribuut heeft

dat het oneindige en eeuwige wezen des Denkens uitdrukt (_vlg.

St. XXIII_). Op welke wijze hij dus ook wordt opgevat, hetzij

eindig of oneindig, steeds eischt hij eene oorzaak waardoor hij

tot bestaan en werken genoodzaakt wordt en derhalve kan hij

(_vlg. Def. VII_) geen vrije oorzaak genoemd worden, maar alleen

een noodzakelijke of afhankelijke.

_Gevolg I:_ Hieruit volgt ten eerste, dat God niet werkt

krachtens vrijheid van wil.

_Gevolg II:_ Er volgt ten tweede uit, dat wil en verstand

in dezelfde verhouding staan tot Gods aard als beweging

en rust en volkomen als alle andere natuurlijke dingen,

welke (_vlg. St. XXIX_) door God op bepaalde wijze tot

bestaan en werken genoodzaakt moeten worden. Want de wil

heeft, evengoed als alle andere dingen, een oorzaak

noodig door welke hij op bepaalde wijze tot bestaan en

werken wordt genoodzaakt. En ofschoon uit wil en

verstand, eenmaal gegeven, oneindig veel voortvloeit, kan

men daarom toch evenmin zeggen dat God handelt uit

vrijheid van wil, als dat men wegens al wat uit beweging

en rust voortkomt (en dat is immers eveneens oneindig

veel) zou kunnen zeggen dat hij handelt uit vrijheid van

beweging of rust. Derhalve behoort de wil niet éér tot

den aard Gods dan de overige natuurlijke dingen, maar

staat hij tot dezen in dezelfde verhouding als beweging

en rust en al het overige waarvan wij aantoonden dat het

uit de noodwendigheid van den goddelijken aard

voortvloeit en door dezen op bepaalde wijze tot bestaan

en werken wordt genoodzaakt.

_Stelling XXXIII._

De dingen hadden door God op geen andere wijze, noch in andere

orde, voortgebracht kunnen worden, dan zij inderdaad

voortgebracht zijn.

_Bewijs._

Alle dingen immers zijn (_vlg. St. XVI_) met noodwendigheid uit

den gegeven aard Gods voortgevloeid en worden door de

noodwendigheid van Gods aard tot een bepaalde wijze van bestaan

en werken genoodzaakt (_vlg. St. XXIX_). Indien dus de dingen van

anderen aard konden zijn, of op andere wijze tot werking

genoodzaakt konden worden, zoodat de orde der natuur een andere

ware, dan zou ook Gods aard een andere kunnen zijn dan hij is;

maar deze andere aard zou dan (_vlg. St. XI_) eveneens moeten

bestaan en bijgevolg zouden er twee of meer godheden kunnen

bestaan, hetgeen (_vlg. Gevolg I St. XIV_) ongerijmd is.

Derhalve hadden de dingen door God op geen andere wijze, noch in

andere orde, enz. H.t.b.w.

_Opmerking I:_ Ofschoon ik hiermede meer dan zonneklaar

heb aangetoond dat er volstrekt niets in de dingen is,

weswegen zij toevallig genoemd konden worden, wil ik toch

nog met enkele woorden verklaren wat wij onder het

_Toeval_ hebben te verstaan; eerst echter wat onder het

_Noodwendige_ en _Onmogelijke_. Een ding wordt noodwendig

genoemd òf ten opzichte van zijn wezen, òf ten opzichte

van zijn oorzaak. Immers het bestaan van een of ander

ding vloeit noodzakelijk voort òf uit zijn wezen en

definitie, òf uit een gegeven bewerkende oorzaak. Voorts

kan een ding om deze zelfde redenen ook onmogelijk

genoemd worden, te weten òf omdat zijn wezen of definitie

een tegenstrijdigheid insluit, òf omdat er geen enkele

uitwendige oorzaak bestaat welke genoodzaakt is zulk een

ding voort te brengen. Een of ander ding nu wordt op geen

anderen grond toevallig genoemd, dan met het oog op de

gebrekkigheid onzer kennis. Een ding immers waarvan wij

niet weten of zijn wezen een tegenstrijdigheid insluit,

of waarvan wij zeker weten dat het géén tegenstrijdigheid

insluit, maar omtrent welks bestaan wij niettemin niets

stelligs kunnen zeggen, omdat de reeks zijner oorzaken

ons verborgen is; zulk een ding kan door ons nooit als

noodwendig, noch als onmogelijk worden beschouwd, zoodat

wij het òf toevallig, [gebeurlijk] òf mogelijk noemen.

_Opmerking II:_ Uit het voorgaande volgt duidelijk dat de

dingen door God in hoogste volmaaktheid zijn

voortgebracht, aangezien zij met noodwendigheid uit een

gegeven allervolmaaktsten aard zijn voortgevloeid, en

hierdoor wordt God allerminst van eenigerlei

onvolmaaktheid beticht; immers zijn volmaaktheid zelf

dwingt ons juist dit te erkennen. Ja, uit het tegendeel

hiervan zou juist volgen (_gelijk ik zooeven heb

aangetoond_) dat God nìet allervolmaaktst was, daar

immers, indien de dingen op andere wijze waren

voortgebracht, aan God een andere aard moest worden

toegekend, verschillend van dien, welken wij op grond der

beschouwing van het allervolmaaktste wezen gedwongen zijn

hem toe te schrijven. Ik twijfel er wel niet aan of velen

zullen deze uitspraak als ongerijmd verwerpen en haar

niet in overweging willen nemen, en dat om geen andere

reden dan wijl zij gewoon zijn aan God een andere soort

van vrijheid toe te kennen, grootelijks verschillend van

die welke door ons (_in Def. VII_) werd omschreven,

namelijk een volslagen willekeur. Maar ik twijfel er

evenmin aan of zij zullen, indien zij de zaak slechts

willen overdenken en de reeks van onze bewijsvoeringen

behoorlijk overwegen, nochtans deze vrijheid welke zij

God toedichten, niet slechts als kinderachtig, maar zelfs

als een groote belemmering voor de wetenschap gansch en

al verwerpen. Het is niet noodig dat ik datgene, wat ik

in de Opmerking bij Stelling XVII gezegd heb, hier

herhaal. Maar ik wil niettemin ten hunnen gevalle nog

bewijzen dat, al werd toegegeven dat "wil" tot Gods wezen

behoorde, uit zijn volmaaktheid nochtans zou voortvloeien

dat de dingen op geen enkele andere wijze, noch in andere

orde, door God geschapen hadden kunnen worden, hetgeen

gemakkelijk zal zijn aan te toonen indien wij in de

eerste plaats overwegen wat deze lieden zelf toegeven,

namelijk dat het alleen van Gods besluit en wil afhangt

dat eenig ding is wat het is. Immers anders zou God nìet

de oorzaak van alle dingen zijn. Voorts dat al Gods

besluiten van eeuwigheid af door God zelf zijn

bekrachtigd. Immers anders kon hij van onvolmaaktheid en

onstandvastigheid beticht worden. Maar aangezien er in de

eeuwigheid geen wanneer, geen vroeger of later bestaat,

volgt hieruit, d.w.z. uit Gods volmaaktheid zelf, dat God

nooit iets anders kan besluiten, noch zulks ooit gekund

heeft, ofwel dat God niet bestond vóór zijn besluiten,

noch zonder hen kan bestaan.

Maar, zoo zeggen zij, al werd ondersteld dat God de

wereld der dingen anders gemaakt had of dat hij van

eeuwigheid af anders omtrent de Natuur en hare orde

besloten had, dan nog zoude hieruit geenerlei

onvolmaaktheid van God volgen. Indien zij dit evenwel

zeggen, geven zij tevens toe dat God zijn besluiten kan

veranderen. Want indien God omtrent de Natuur en hare

orde anders besloten had dan hij besloot; dat wil zeggen,

indien hij omtrent de Natuur iets anders gewild en

gedacht had, zou hij noodzakelijk een ander verstand en

een anderen wil gehad hebben dan hij heeft. En indien men

aan God een ander verstand en een anderen wil mag

toeschrijven zonder eenige wijziging van zijn wezen en

volmaaktheid, wat reden zou er dan zijn, waarom hij niet

zijn besluiten omtrent de geschapen dingen zou kunnen

wijzigen en nochtans even volmaakt blijven? Immers ten

opzichte van Gods wezen en volmaaktheid is het hetzelfde

op welke wijze ook men zijn verstand en wil in hun

verband met de geschapen dingen en hunne orde opvat.

Wijders geven alle wijsgeeren die ik ken toe, dat er in

God geen verstand-als-vermogen bestaat, doch alleen een

werkend; daar evenwel zijn verstand en wil niet van zijn

wezen te onderscheiden zijn, gelijk zij allen eveneens

toegeven, volgt hieruit ook dat, indien God een ander

werkend verstand en een anderen wil hadde gehad, ook zijn

wezen noodzakelijk een ander had moeten zijn; en derhalve

zou (_gelijk mijn gevolgtrekking van aanvang af luidde_)

indien de dingen anders dan zij zijn door God waren

voortgebracht, Gods verstand en wil, d.w.z. (_gelijk

wordt toegegeven_) zijn wezen, een ander geweest moeten

zijn, hetgeen ongerijmd is.

Waar nu de dingen op geen andere wijze, noch in andere

orde door God konden worden voortgebracht--en dat zulks

waar is volgt uit Gods hoogste volmaaktheid--is er

waarlijk geene enkele reden welke ons kan doen gelooven

dat God niet ook al wat in zijn verstand is met diezelfde

volmaaktheid, waarmede hij het denkt, heeft willen

scheppen.

Nu kan men zeggen dat er in de dingen noch volmaaktheid

noch onvolmaaktheid te vinden is, doch dat datgene, wat

in hen is en waardoor zij volmaakt of onvolmaakt zijn en

goed of slecht genoemd worden, slechts van Gods wil

afhangt; en dat dus God, indien hij gewild had, had

kunnen bewerken dat datgene wat nu volmaaktheid heet, in

de hoogste mate onvolmaakt werd en omgekeerd. Maar wat

anders zou dit zijn dan openlijk te beweren dat God, die

datgene wat hij wil, noodzakelijk begrijpt, door zijnen

wil kon bewerken dat hij de dingen op andere wijze

begreep dan hij ze begrijpt; hetgeen, (_gelijk ik zooeven

aangetoond heb_) hoogst ongerijmd is. Daarom kan ik hunne

bewijsvoering tegen henzelve keeren en wel aldus: Alles

hangt van Gods macht af. Opdat dus de dingen anders

zullen zijn, moet noodzakelijk ook Gods wil anders zijn.

Gods wil evenwel kan niet anders zijn (_gelijk wij zoo

even ten duidelijkste op grond van Gods volmaaktheid

hebben aangetoond_). Derhalve kunnen de dingen evenmin

anders zijn. Ik erken dat deze meening, welke alles

onderwerpt aan een onverschilligen wil Gods en beweert

dat alles van zijn welbehagen afhangt, minder van de

waarheid afwijkt dan de meening diergenen, die beweren

dat God alles doet uit het gezichtspunt van het Goede.

Want deze laatsten schijnen iets buiten God te

onderstellen, wat niet afhankelijk van God is, waarop God

bij zijn werken, als op een voorbeeld, acht geeft of

waarnaar hij, als naar een bepaald doel, streeft. Hetgeen

voorwaar niets anders is dan God aan het noodlot

onderwerpen, ongerijmder dan hetwelk wel niets van God

beweerd kan worden, van wien wij toch aantoonden dat hij

zoowel van het wezen aller dingen als van hun bestaan de

eerste en eenige vrije oorzaak is. Daarom is het ook niet

noodig dat ik nog meer tijd verspil met het weerleggen

van deze ongerijmdheid.

_Stelling XXXIV._

Gods macht is zijn wezen zelf.

_Bewijs._

Uit de noodwendigheid van Gods wezen alleen reeds volgt dat God

zijns zelfs-oorzaak is (_vlg. St. XI_) en tevens (_vlg. St. XVI

en Gevolg_) de oorzaak van alle dingen. Derhalve is Gods macht,

krachtens welke hij in alles bestaat en werkt, zijn wezen zelf.

H.t.b.w.

_Stelling XXXV._

Al wat wij als in Gods macht liggend beschouwen, moet

noodzakelijk bestaan.

Immers al wat in Gods macht ligt, moet zoodanig in zijn wezen

vervat zijn (_vlg. voorgaande St._) dat het er met noodwendigheid

uit voortvloeit en derhalve moet het noodzakelijk bestaan.

H.t.b.w.

_Stelling XXXVI._

Er bestaat niets uit welks aard niet een of andere werking

voortvloeit.

_Bewijs._

Al wat bestaat drukt Gods aard of wezen op een vaste en bepaalde

wijze uit (_vlg. Gevolg St. XXV_); d.w.z. (_vlg. St. XXXIV_): al

wat bestaat openbaart Gods macht, welke de oorzaak is van alle

dingen, op vaste en bepaalde wijze, en derhalve (_vlg. St. XVI_)

moet er ook een of andere werking uit voortvloeien. H.t.b.w.

Ethica In meetkundigen trant uiteengezet, vertaald, ingeleid en toegelicht door Jhr. Dr. Nico van Suchtelen · 第 29 / 59 题