[2174] Deze letter wordt door sommigen tot titel van dit hoofdstuk

gekozen, maar de beteekenis is vrij onzeker. Zij die veronderstellen,

dat die letter het woord Noen beduidt, zijn het niet eens, omtrent

hare beteekenis op deze plaats, aangezien dit woord niet alleen de

naam is van de letter N in het Arabisch, maar ook van een inktkoker

en een visch, terwijl verder van schrijven, eene pen, en een visch

wordt gesproken. Anderen weder hebben er iets anders op gevonden en

zijn van meening, dat deze letter hier staat voor de tafel van Gods

besluiten of voor de rivieren in het paradijs, enz. (Al Zamakhshari,

Al Beid‚wi, Yahya).

[2175] Dit hebt gij getoond door het geduld en de onderwerping,

waarmede gij de slechtheden en beleedigingen van uw volk hebt

verdragen, welke grooter waren dan die, aan een der profeten vÛÛr u

aangedaan (Al Beid‚wi).

[2176] Zijnde: Indien gij hen ongehinderd wilt laten in hunne

afgodendienarij en andere zondige handelingen, zullen zij ophouden

met u te vernederen en te vervolgen.

[2177] Door hen met een vreeselijken hongersnood te teisteren, zie

Hoofdstuk XXIII, vers 79.

[2178] Een vroom man bezat een tuin met palmboomen beplant. Hij had

de gewoonte de armen van zijne plaats te onderrichten van den dag,

waarop hij de dadels zou afsnijden. Al de vruchten, die niet op het

kleed vielen, dat onder den boom was uitgespreid, en ook de dadels,

die door den wind werden afgeworpen, of door het mes werden verschoond,

waren voor de armen. Na zijn dood beslisten zijne zonen, die minder

weldadig dan hun vader waren, op zekeren dag, de armen niet meer van

den dadeloogst te onderrichten, en de vruchten vroeg in den ochtend

af te snijden. Maar des nachts verwoestte een onweder den tuin,

en er bleef geen spoor meer van over (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[2179] Dezelfde uitdrukking wordt in Hoofdstuk LVI, vers 66 gebruikt.

[2180] Deze uitdrukking wordt in het Arabisch gebruikt, om eene strenge

en vreeselijke ramp aan te duiden. Zoo zegt men: de oorlog heeft het

been ontbloot, als men de woede van den slag wil te kennen geven.

[2181] Daar de tijd der aanneming zal verstreken wezen.

[2182] Zie Hoofdstuk IV, vers 38.

[2183] Dat is: wees niet ongeduldig en eigenzinnig, zooals Jonas

was. Zie Hoofdstuk XXI, vers 87.

[2184] Het oorspronkelijke woord al Hakkat, is een der namen van den

dag des oordeels.

[2185] In het Arabisch al K‚rir‡t of de treffende, mede een der namen

van den jongsten dag.

[2186] Zie Hoofdstuk LIV, vers 20.

[2187] Zijnde Sodom en Gomorrah. Zie Hoofdstuk IX, vers 71 noot.

[2188] Deze woorden schijnen op den dood der engelen te doelen. Bij

de verwoesting van hunne woning, zullende zij dan als doode lichamen

naast de bouwvallen daarvan liggen.

[2189] Zijnde: Vervoer er hem mede, opdat hij niet in staat zij oproer

te verwekken.

[2190] Ik wil niet zweren. Zie Hoofdstuk LVI, vers 74.

[2191] Langs welke de gebeden en de rechtvaardige daden ten hemel

opstijgen; of waar langs de engelen opstijgen, om de goddelijke

bevelen te ontvangen, of langs welke de geloovigen tot het paradijs

opstijgen. Sommigen zien hierin de verschillende rangen van engelen,

of van de hemelen, die trapsgewijze boven elkander verrijzen.

[2192] De plaats is hier woordelijk vertaald. Sale voegt er "ook de

geest van GabriÎl" tusschen, en meent tevens, ten einde deze plaats

met Hoofdstuk XXXII, vers 4 te verbinden, dat daar de opstijging van de

aarde bedoeld wordt, terwijl hier van eene opstijging van den laagsten

graad der schepping zou worden gesproken. Kasimirski bestrijdt deze

meening, welke hij geheel willekeurig noemt, en die slechts moet

strekken, om deze beide plaatsen, waarvan eene van vijftig duizend

jaren, en de andere van duizend jaren spreekt, niet met elkander in

tegenspraak te doen zijn. Overigens zijn de uitleggers het volstrekt

niet eens of hier door Mahomet op den dag des oordeels, wordt gedoeld,

of wel op de dagen gedurende welke de zielen zullen moeten wachten,

wat volgens eenigen niet meer dan een halve dag is.

[2193] Zie Hoofdstuk XVII, vers 12.

[2194] Zijnde van morsig zaad, dat in geene betrekking staat tot,

of geene gelijkenis met heilige wezens heeft; daarom is het noodig

voor hem, die hoopt een bewoner van het paradijs te worden, zich

zelven in het geloof en de geestelijke deugden te volmaken, om zich

voor die plaats geschikt te maken (Al Bed‚wi).

[2195] Of "Ik zweer niet." Savary geeft aan deze lezing de voorkeur en

ook Kasimirski (Zie Hoofdstuk LVI, vers 74). De oorspronkelijke woorden

staan in het meervoud, en beteekenen de verschillende punten van den

gezichteinder, waar de zon in den loop des jaars op- en ondergaat

(Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 5 noot).

[2196] Zijnde uwe zonden in het verledene, die uitgewischt zijn,

door de belijdenis van het ware geloof.

[2197] Er wordt gezegd, dat Noach, gedurende langen tijd, te vergeefs

voor hen had gepredikt, en dat God daarna den hemel gedurende veertig

jaren dichtsloot en hunne vrouwen onvruchtbaar maakte (Al Zamakshari).

[2198] Dat is volgens de meening der uitleggers: door verschillende

graden of veranderingen, van den oorspronkelijken vorm, tot gij

volmaakte menschen werdt (zie Hoofdstuk XXII, vers 5, en Hoofdstuk

XXIII, vers 12 en volg).

[2199] Dit waren vijf godvruchtige mannen, die vÛÛr Noach hadden

geleefd. De eerbied, welke men voor hunne nagedachtenis had, ontaardde

later bij de Ante-Diluvianen, en vervolgens bij de Arabieren in

afgoderij.

[2200] Sommige uitleggers zeggen, dat Noach dit gebed niet uitsprak,

dan nadat hij zijn volk gedurende 950 jaren beproefd, en toen bevonden

had, dat zij onverbeterlijk waren.

[2201] Zijn vader Lamech en zijne moeder Shemka, de dochter van Enoch,

die ware geloovigen waren.

[2202] De uitleggers komen niet overeen omtrent hetgeen deze plaats

betreft: sommigen zeggen dat hier het woonhuis van Noach bedoeld wordt,

anderen de tempel, dien hij voor de vereering van God gebouwd had,

of wel de ark.

[2203] Zie Hoofdstuk XLVI, vers 28 noot. Wij hebben reeds gezegd, dat,

volgens het geloof der Arabieren, de geniussen eene soort van middenras

vormden tusschen de menschen en de engelen. Op het gezag dezer plaats,

en steunende op de omstandigheid, dat Mahomet deze geniussen niet had

gezien, maar dat hunne aanwezigheid hem door God werd geopenbaard,

gelooven de uitleggers dat de geniussen de zielen der menschen zijn,

waardoor het woord geniussen synoniem met geesten zou zijn. Deze

uitlegging komt echter kwalijk overeen met de andere plaatsen van den

Koran, en met de meening, dat de geniussen op dezelfde wijze als de

andere schepselen worden voortgebracht.

[2204] Zijnde Eblis, of de weerspannige geniussen.

[2205] Zie Hoofdstuk XV, vers 16 en volg.

[2206] Zijnde: Wij zullen hun een overvloed van goede dingen schenken.

[2207] Zijnde: Mahomet.

[2208] Men wil met deze woorden Mahomet bedoeld hebben, hetgeen

in tegenspraak zou wezen met verschillende plaatsen van den Koran,

waar de Arabische profeet nederig erkent, dat hij onbekend is met

de verborgene dingen. De beste verklaring, welke men van de verzen

27 en 28 geeft, is, dat God zijne geheimen aan niemand mededeelt,

en als hij, dengene zijner gezanten (hetzij engel of profeet) welke

het hem heeft behaagd uit te kiezen, zijne bevelen geeft, hij dien

overal volgt, om te zien of hij zich daarvan kwijt.

[2209] Sommigen willen dat het laatste vers te Medina geopenbaard zij.

[2210] Toen deze openbaring aan Mahomet werd gebracht, was hij in zijne

kleederen gewikkeld, naardien hij verschrikt was door de verschijning

van GabriÎl, of zooals sommigen zeggen, lag hij gerust te slapen, of

volgens anderen, had hij zich in een gedeelte van een wijden mantel

gewikkeld, of een dekkleed, met welk ander deel AÔsha zich had bedekt

om te slapen (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi).

[2211] Want de nacht is het best geschikt voor overpeinzing en gebed,

alsmede om Gods woord duidelijk en met aandacht te lezen, door het

afwezig zijn van alle gedruisch en ieder voorwerp, dat de aandacht

zou kunnen afleiden.

[2212] Zooals: doornen en distels, de vrucht van den helschen boom,

al Zakkoem, en het bedorven vocht, dat uit de lichamen der verdoemden

vloeit.

[2213] Zijnde: Het goede, dat gij gedurende uwen leeftijd zult doen,

zal verdienstelijker wezen in de oogen van God, dan hetgeen gij tot

den dood uitstellen, en bij uitersten wil bevelen zult (Al Beid‚wi).

[2214] Het woord, dat als titel voor dit hoofdstuk dient, beteekent

bijna hetzelfde als datgene, wat voor den titel van het voorgaande is

gebruikt. Deze twee hoofdstukken worden als de eerste der openbaring

beschouwd. Volgens de overlevering zou Mahomet het volgende hebben

verhaald: "Eens op een dag bevond ik mij te Hera, waar ik een stem

hoorde, die mij riep. Ik keek rechts en links, maar ik zag niemand:

ik wendde mijne oogen omhoog en zag den engel GabriÎl, op den troon

tusschen hemel en aarde. Ik werd bang, trad bij Khadidja, mijne vrouw,

binnen, en zeide tot haar: Omhul mij met mijnen mantel. Daarop daalde

de engel op nieuw neder en riep mij toe: 'O gij, die met uwen mantel

zijt omwikkeld.'"

[2215] Men gelooft algemeen, dat de hier bedoelde persoon Al Walid

Ebn al Mogheira was (Al Zamakshshari, Al Beid‚wi, Jallalo'ddin),

een voornaam man onder de KoreÔshieten.

[2216] Door zijne komst tot macht en waardigheid te vergemakkelijken,

die zoo aanzienlijk waren, dat hij Rih‚na Konreisch werd bijgenaamd,

zijnde "de liefelijke geur der KoreÔshieten" en al Walid, zijnde

"de eenige of onvergelijkelijke" (Al Beid‚wi).

[2217] Dit is: Al zijne schepsels: en bijzonder het aantal en de

kracht der helwachters.

[2218] Zie Hoofdstuk LII, vers 21.

[2219] Woordelijk: Datgene wat zeker is.

[2220] Of: ik zal niet zweren (Zie Hoofdstuk LVI, vers 74).

[2221] Of het goede dat hij heeft verricht, en datgene wat hij

ongedaan, heeft gelaten, enz.

[2222] Zijnde: En als hij zijne beenen te zamen zal uitstrekken,

zooals bij lijden het geval is. De woorden kunnen ook worden vertaald:

En als eene bedroeving met eene andere bedroeving zal worden vereenigd.

[2223] Sommigen veronderstellen, dat hier bijzonder Aboe Jahl en

anderen zekere Adi Ebn Rabia wordt bedoeld.

[2224] Het is eenigszins twijfelachtig of dit Hoofdstuk te Mekka,

dan wel te Medina werd geopenbaard.

[2225] Opdat hij in staat zou wezen, de wetten en leidingen te

ontvangen, die hem door God tot gids zijn gegeven (Al Beid‚wi) en de

belooning of de straf te verdienen, door die wetten enz. na te komen

of te verwaarloozen.

[2226] Dit is de naam van een fontein in het paradijs, aldus genaamd

door zijne overeenkomst in geur en witheid met kamfer (hetgeen

dat woord mede beteekent). Sommigen vatten het woord anders op, en

gelooven dat de wijn van het paradijs met kamfer zal vermengd worden,

wegens zijne aangename koelheid en geur (Al Beid‚wi).

[2227] Volgens de uitleggers hebben de verzen 7 en 8 betrekking

op Ali en zijne familie. Hassan en Hossein, zoons van Ali, waren

ziek geworden, waarop Ali en Fatima, zijne vrouw, de gelofte deden,

gedurende drie dagen te zullen vasten, indien de kinderen genazen. Maar

Ali had reeds sedert den eersten dag niets om er brood van te maken,

daar de Muzelmannen op een vastendag, evenals bij de IsraÎlieten,

eerst na zonsondergang voedsel genieten. Hij leende daarop meel bij

een Jood en Fatima bakte er vijf brooden van. Hierop komt een arme

die iets te eten vraagt: men geeft hem de vijf brooden, en het gezin

brengt den nacht door zonder iets te nuttigen. Den volgenden dag wordt

het op nieuw bereide brood aan een wees, en den derden dag aan een

balling gegeven. De engel GabriÎl komt nu aan Mahomet op deze plaats

geluk wenschen, met de goede daad door zijne familie verricht.

[2228] Daar zij beider licht niet noodig hebben (zie Openb. XXI,

23). Het woord Zamharir hier met "maan" vertaald, beteekent eigenlijk

eene groote koude. Sommigen meenen daardoor, dat de beteekenis

dezer plaats is, dat in het paradijs geene groote koude of hitte zal

worden gevoeld.

[2229] Het woord beteekent gember, hetwelk de Arabieren gaarne met

het water mengen dat zij drinken. Het water van deze fontein wordt

dientengevolge verondersteld, den smaak van die specerij te hebben

(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[2230] Zijnde de dag des oordeels.

[2231] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15, en XXXI, vers 9.

[2232] Dit is de engel des doods en zijne helpers, die de zielen der

zondaren op ruwe en vreeselijke wijze uit de binnenste deelen huns

lichaams zullen nemen, zooals een mensch een voorwerp van den bodem

der zee opvischt. De zielen der rechtvaardigen zullen zij echter op

voorzichtige en zachte wijze van hunne lippen afnemen, zooals een

mensch met ÈÈn haal een emmer water put (Al Beid‚wi).

[2233] Zie Hoofdstuk XX, vers 12.

[2234] Eens was Mahomet in gesprek met eenige voorname KoreÔshieten

welke hij wilde bekeeren, toen een blinde, Abdallah Ebn Omm Mactum

genaamd, tot hem kwam, en hem over een godsdienstig punt wilde

ondervragen. Mahomet, teleurgesteld door deze stoornis, fronste

de wenkbrauwen en wendde hem den rug toe. Hierover wordt hij in

dit Hoofdstuk gelaakt. Sedert dien tijd betoonde Mahomet altijd

veel eerbied voor Ebn Omm Mactum en zeide: de man is mij welkom,

om wien ik door mijn Heer gegispt werd. Twee malen benoemde hij hem

tot bestuurder van Medina (Zamakhshari).

[2235] Zijnde overgeschreven van de welbewaarde tafel, die alleen door

de engelen wordt aangeraakt. Sommigen verstaan daardoor de boeken

der profeten, waarmede de Koran in de hoofdzaak zou overeenkomen

(Zamakhsari).

[2236] Ditzelfde woord wordt in het Arabisch gebruikt als men van den

tulband spreekt. Men moet zich dus de zon als een kegel voorstellen,

van eene buigbare stof gemaakt. Hetzelfde woord beteekent ook het

loshaken en nederwerpen van een voorwerp; deze beteekenis zou misschien

natuurlijker wezen.

[2237] De afgodendienende Arabieren beschouwen namelijk de geboorte

der dochters als een ongeluk, en ontdeden zich dikwijls van deze,

door haar levend te verbranden. Zie Hoofdstuk XVI, vers 61.

[2238] Of afgestroopt van hunne plaats, zooals de huid van een

kameel. Mabracci is van meening, dat deze plaats betrekking heeft op

diegene der psalmen (Psalm CIV, 2), waar, overeenkomstig de lezingen

der Septuaginta en Vulgata, gezegd wordt, dat God den hemel als eene

huid heeft uitgestrekt.

[2239] Zie Hoofdstuk LVI, vers 74.

[2240] Zijnde GabriÎl.

[2241] Zie Hoofdstuk LIII, vers 7.

[2242] Die de gesprekken der engelen heeft afgeluisterd. Dit vers

is een antwoord op eene lastering der ongeloovigen, die zeiden, dat

de Koran slechts een tooverstuk was. De Arabieren veronderstellen

namelijk dat de waarzegger of toovenaar zijne denkbeelden ontvangt

van de booze geesten, die steeds zooveel mogelijk van de bewoners

des hemels trachten te vernemen.

[2243] Zie Hoofdstuk L, vers 16.

[2244] SidjÓn is een boek, waarin de daden der menschen zijn

opgeschreven. SidjÓn of Sedjin is ook een mesthoop onder de zevende

aarde het verblijf van Eblis, waar het boek bewaard wordt.

[2245] Dit is het meervoud van het voorgaande woord, dat behalve de

reeds gegevene beteekenis, volgens sommigen ook nog eene verheven

plaats nabij Gods troon zou beteekenen, voor het verblijf der

gelukzaligen bestemd.

[2246] Tasnim is de naam van eene fontein in het Paradijs, aldus

genaamd, als zijnde in de hoogste afdeelingen geplaatst.

[2247] Zijnde: Het is den geloovigen door God niet bevolen, den

ongeloovigen rekenschap te vragen, of hunne daden te beoordeelen.

[2248] Sommigen zijn van meening dat deze soera te Medina werd

geopenbaard.

[2249] Zooals de schatten, die in hare ingewanden zijn verborgen,

en de lijken, die in de graven liggen.

[2250] Dit is: in zijne linkerhand; want bij de zondaars zal die hand

achter op den rug gebonden zijn, en hunne rechterhand aan hunnen nek.

[2251] Zie Hoofdstuk LVI, vers 74.

[2252] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk torens, waardoor

sommigen veronderstellen, dat het werkelijk torens zijn (Yahya),

waarin de engelen verondersteld worden wacht te houden (zie Hoofdstuk

XV, vers 16 en Hoofdstuk LXXII, vers 8), terwijl anderen het voor de

sterren der eerste grootte houden. Het meerendeel der uitleggers ziet

echter in deze uitdrukkingen de twaalf teekens van den dierenriem,

(Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Yahya).

[2253] Men verschilt omtrent de beteekenis dezer woorden: sommigen

meenen, dat met den getuige Mahomet, en met de getuigenis of veeleer,

volgens de taalkundige beteekenis van het woord, de zaak waaromtrent

men getuigenis aflegt, het geloof wordt bedoeld. Anderen passen

deze woorden op zekere wachten toe, die getuigen zijn van de daden

der menschen.

[2254] Dit waren de uitvoerders van de vervolging der inwoners van

Najr‚n door Dhoe Norvas, koning van Yemen, die den Joodschen godsdienst

beleed. Deze hadden namelijk het Christendom omhelsd, waarop de

tyran bevel gaf, dat allen die geen afstand van hun geloof wilden

doen, in een put zouden geworpen worden, die met vuur gevuld was,

en waardoor zij tot asch werden verteerd (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi,

Yahya. Zie Poc. Spec. p. 62. Ecchellens, Hist. Arab. part. I c. 10;

en Prid. Life of Mohammed p. 61). Anderen verhalen het echter op

andere wijze. (Zie d'Herbelot, Bibl. Orient. Art. Abou Navas).

[2255] Zie Hoofdstuk VII, vers 101 en volg.

[2256] Zie Hoofdstuk VII, vers 71 en volg.

[2257] Zijnde uit de lendenen van den man en de borstbeenderen der

vrouw (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[2258] Door hunne verschillende soorten, eigenschappen, levensloop,

enz. te bepalen (Al Beid‚wi).

[2259] Niet alleen het redelijk schepsel, door de rede en door de

openbaring te leiden, maar ook de redelooze wezens door instinct,

enz. (Al Beid‚wi).

[2260] Zie Hoofdstuk LXXV, vers 16.

[2261] Zijnde: behalve de openbaringen, waarvan God de afschaffing

en het uitwisschen uit het geheugen noodig acht. Zie Hoofdstuk II,

vers 100 en Hoofdstuk LXXV, vers 17.

[2262] Om de openbaring te onthouden, u door GabriÎl medegedeeld.

[2263] Dit is een der namen van den jongsten dag.

[2264] Sommigen zijn van meening, dat dit hoofdstuk te Medina werd

geopenbaard.

[2265] Zijnde: de tien heilige nachten der maand Dhoelhajja.

[2266] Deze woorden worden op verschillende wijzen uitgelegd. Sommigen

verstaan daardoor alle dingen, anderen alle wezens (die gezegd worden

bij paren geschapen te zijn. Zie Hoofdstuk LI, vers 49) en den schepper

die eenig is, enz. (Al Zamakhshari).

[2267] Een der koningen van dit volk, Sheddad, een der zonen van Ad,

had van het paradijs en zijne genietingen gehoord. Hij kwam daardoor

op het denkbeeld, paleizen in zijn land te bouwen, en tuinen aan

te leggen, die door hunne pracht en hunne schoonheid een denkbeeld

van het paradijs zouden geven. De Oostersche schrijvers en dichters

vergelijken schoone plaatsen en fraaie paleizen, dikwijls met de tuinen

van Irem. Men zegt dat deze tuinen en gebouwen verwoest werden door een

kreet uit den hemel, wegens de misdaden van de volkeren van dat land.

[2268] Zie Hoofdstuk XXXVIII, vers 11.

[2269] Want wereldsche voor- of tegenspoed is geen zeker kenteeken

van de gunst of ontevredenheid van God.

[2270] Door niet toe te staan, dat vrouwen of jonge kinderen eenig

deel hebben aan de erfenis van hunne echtgenooten of hunne ouders. (Zie

Hoofdstuk IV, vers 12 en volg.).

[2271] Niemand zal in staat zijn zoo te straffen en te binden, gelijk

als God de zondaren zal straffen en binden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[2272] Het heilige grondgebied.

[2273] Sommigen vatten deze woorden in den algemeenen zin op, anderen

van Adam, Abraham of hunne nakomelingschap, en van Mahomet in het

bijzonder (Al Beid‚wi).

[2274] Sommigen meenen, dat hier op Walid Ebn El Mogheira gezinspeeld

wordt, die een der grootste tegenstanders van Mahomet was: anderen

gelooven, dat hier sprake is van zekeren Aboel Ashadd Ebn El Calda,

die eene herculische kracht bezat.

[2275] Zie Hoofdstuk LVI, vers 8.

[2276] Kedar Ebn Salef. (Zie Hoofdstuk VII, vers 75 en Hoofdstuk IV,

vers 27).

[2277] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk het meest

verlichte deel van den dag, als de zon het sterkste schijnt; drie of

vier uren nadat zij is opgegaan, en ook den dag in het algemeen.

[2278] Men zegt, dat dit vers aan Mahomet werd geopenbaard, toen hij

zich bij God beklaagde, wegens het lange uitblijven der hemelsche

openbaring, terwijl de afgodendienaars hem met vragen overstelpten,

en zijn stilzwijgen te zijnen nadeele uitlegden.

[2279] Door die geschikt en wijder te maken om de waarheid, wijsheid

en profetie te ontvangen, of, door u voor onheil en onwetendheid

te bewaren? Deze plaats wordt geacht, betrekking te hebben op het

openen van Mahomets hart in zijne kindsheid, of toen hij naar den

hemel reisde. Bij eene dier beide gelegenheden zou namelijk de engel

GabriÎl, den zwarten droppel of het zaad der erfzonde er uitgenomen,

en het gewasschen en gezuiverd hebben, waarna hij het met wijsheid

en geloof vulde (Al Beid‚wi, Yahya. Zie Abulf, vit. Moh. p. 9. en 33;

Prid. Life of Moh. p. 105, enz.).

[2280] Zijnde: van uwe zonden vÛÛr uwe zending bedreven, of van uwe

onwetendheid en de ongerustheid van uw gemoed.

[2281] De uitleggers zeggen, dat God bij deze twee vruchten zweert,

om haar uitgebreid gebruik en uitnemende hoedanigheden. Sommigen

veronderstelden echter, dat hier niet deze vruchten worden bedoeld,

maar twee bergen in het Heilige Land, waarop zij in overvloed groeien,

of wel de tempels van Damascus en Jeruzalem (Al Zamakhshari, Yahya,

Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[2282] Het grondgebied van Mekka.

[2283] Zijnde: Wij schiepen den mensch naar eene volmaakte

evenredigheid van lichaam, en groote volmaaktheid des geestes;

nochtans hebben wij hem gedoemd, om, in geval van ongehoorzaamheid,

een bewoner der hel te zijn.

[2284] Deze eerste vijf verzen van dit hoofdstuk worden algemeen voor

de eerste plaats gehouden, welke van den Koran werd geopenbaard,

terwijl Mahomet eenzaam en in gepeins verzonken op den berg Harra

was. Sommigen echter zeggen dit van Soera LXXIV.

[2285] Zie Hoofdstuk XXII, vers 5.

[2286] De uitleggers komen daarin overeen, dat het overige gedeelte

van dit hoofdstuk tegen Aboe Jahl, Mahomets grootsten tegenstander,

werd geopenbaard.

[2287] Aboe Jahl dreigde namelijk, dat indien hij Mahomet

gedurende het gebed mocht betrappen, hij zijn voet op diens nek zou

plaatsen. Toen hij echter kwam en hem in die houding zag, wendde hij

zich plotseling verschrikt af. Men vroeg hem wat daarvan de reden

was, en hij antwoordde, dat er een kuil met vuur tusschen en Mahomet

geplaatst was, en eene vreeselijke verzameling van manschappen,

om dezen te verdedigen (Al Beid‚wi.)

[2288] Zie Hoofdstuk XI, vers 59 noot.

[2289] Zijnde de raad of vergadering der voornaamste bewoners van

Mekka, waarvan verreweg het grootste gedeelte partijgangers van Aboe

Jahl waren.

[2290] Kadr beteekent macht en eer of waardigheid, en ook de goddelijke

of onverwrikbare besluiten. Men zou deze plaats met Hoofdstuk XLIV vers

2 en 3 kunnen vergelijken. Het is in den nacht van al Kadr, welken men

gelooft, die van den 23sten of 24sten van de maand Ramadhan te zijn,

dat de Koran in zijn geheel aan Mahomet werd geopenbaard. In dien

nacht worden de aangelegenheden des heelals vastgesteld, en voor het

geheele jaar besloten.

[2291] Zie Hoofdstuk XLIV vers 3.

[2292] Zie hoofdstuk IX, vers 73, noot.

[2293] Deze aardbeving zal bij den eersten of, zooals anderen zeggen,

bij den tweeden klank der trompet plaats hebben (Al Zamakhshari,

Al Beid‚wi).

[2294] Zijnde: zij zal alle schepselen omtrent de oorzaak harer

schudding onderrichten, en hare schatten en hare dooden uitwerpen.

[2295] Zie hoofdstuk IV, vers 44, noot.

[2296] Sommigen willen, dat dit geen paarden zijn, maar de kameelen,

die in den slag van Bedr werden gebruikt (Yahya, ex trad. Ali Ebn

Abi Taleb).

[2297] Dit is een der namen van den jongsten dag.

[2298] Het oorspronkelijke woord el‚wiyet, is de naam van de onderste

afdeeling der hel, en beteekent waarschijnlijk een diepe put of wel

een afgrond.

[2299] Of den tijd waarop de zon zijn ondergang nadert, zijnde een

der vijf voor het gebed bepaalde tijdstippen. Het oorspronkelijke

woord beteekent ook de eeuw of den tijd in het algemeen.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 88 / 89 段