gewelddadig door zijn volk was bejegend; want men verhaalt, dat een
hunner hem aanviel en bijna verworgde, waarna hij, tot zich zelven
gekomen, uitriep: O Heer! vergeef het hun want zij weten niet, wat
zij doen (Al Beid‚wi).
[2065] Zijnde: Op een Woensdag. Zie Hoofdstuk XLI, vers 15, in de noot.
[2066] Of een kouden wind.
[2067] Men verhaalt, dat zij eene toevlucht in de rotskloven en holen
zochten, terwijl zij elkander vasthielden, doch de wind blies hen
met hevigheid weg, en wierp hen als lijken neder (Al Beid‚wi).
[2068] Deze is, volgens den Koran, de naam van den profeet, die tot
de Thamoedieten werd gezonden.
[2069] Zie Hoofdstuk VII, vers 71, enz.
[2070] Dat is tusschen de Thamoedieten en de kameel. Zie Hoofdstuk
XXVI, vers 155.
[2071] Namelijk Kodar Ebn Salef, die geen Arabier was, maar een
vreemdeling, die onder de Thamoedieten woonde. Zie Hoofdstuk VII,
vers 71 noot.
[2072] Deze woorden beteekenen of de droge takken, waarmede men in
het Oosten kooien of schuilplaatsen bouwt, om het vee tegen wind en
koude te beveiligen, of de stoppels en de andere stoffen, waarmede men,
gedurende den winter, het vee in de kooien voedt.
[2073] Zoodat hun oogholten opzwollen, en met de overige deelen van het
aangezicht gelijk werden. Dit wordt gezegd door middel van eene streek
des vleugels van den engel GabriÎl geschied te zijn. Zie Hoofdstuk XI,
vers 79 en volg.
[2074] Waaronder zij gebukt zullen gaan, tot zij hunne volle straf
in de hel ontvangen.
[2075] Deze profetie werd vervuld door de overwinning te Bedr op de
KoreÔshieten behaald. Eene overlevering van Omar verhaalt, dat toen
deze plaats was geopenbaard, Mahomet zelf bekende, de ware meening
daarvan niet te begrijpen; maar op den dag van den slag te Bedr,
toen hij zijn maliÎnkolder aandeed, herhaalde hij deze woorden.
[2076] Zijnde: Kun, dat is: Wees. Deze plaats kan ook aldus
worden wedergegeven: De uitvoering van ons voornemen, is slechts
eene eenvoudige daad, die in een oogenblik wordt ten uitvoer
gebracht. Sommigen veronderstellen, dat dit op den dag des oordeels
betrekking heeft.
[2077] De meeste uitleggers twijfelen, of dit Hoofdstuk te Mekka of
te Medina werd geopenbaard, of gedeeltelijk op de eene en gedeeltelijk
op de andere plaats.
[2078] Deze woorden zijn gericht tot de twee soorten van redelijke
wezens, namelijk tot de menschen en tot de geniussen. Dit vers is door
het geheele Hoofdstuk niet minder dan een en dertig malen herhaald
of tusschengevoegd. Marracci gist, dat dit in navolging van David is
geschied. Zie Psalm CXXXVI.
[2079] De oorspronkelijke woorden beteekenen de verschillende punten
van den horizont of gezichteinder, waarop de zon in den zomer- en
winterstilstand op- en ondergaat. Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 5, noot.
[2080] Zie Hoofdstuk XXV, vers 55.
[2081] De laatste volzin van dit vers zou letterlijk moeten luiden:
Hij is iederen dag in een anderen toestand. Deze woorden beteekenen,
volgens de uitleggers, dat God zich beurtelings met de uitvoering
zijner besluiten, den dood en het leven der schepselen, de vernedering
van de eenen en de verheffing van de anderen bezig houdt. Bij de
Muzelmansche mystieken hebben zij eene andere beteekenis. Volgens dezen
is de bedoeling, dat de eenige en ondeelbare God, die onveranderlijk
in zijn wezen is, wat zijne hoedanigheden betreft, veelvoudig is,
en ieder oogenblik afwisselt, hetgeen hij tot in het oneindige
voortzet. Hij brengt de schepping voort, en doet die verdwijnen;
hij vertoont en verbergt zich.
[2082] Ten einde van Gods macht te vlieden, en zijn besluit te
ontvluchten.
[2083] Want hunne misdaden zullen te erkennen zijn, aan hunne
verschillende werken zooals verder in den tekst volgt.
[2084] Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 65.
[2085] Zijnde: een afgescheiden paradijs voor de menschen en een
ander voor de geniussen, of, zooals sommigen denken, twee tuinen
voor iederen persoon; de eene als eene belooning voor zijne werken,
en de andere als eene vrije en buitengewone gift, enz.
[2086] Van welke sommigen bekend zullen zijn, en gelijk de vruchten
der aarde, terwijl andere van nieuwe en onbekende soorten zullen wezen;
of vruchten, zoowel groen als rijp.
[2087] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk eene ramp, die
zekerlijk, en wel plotseling en met geweld zal plaats hebben. Hier
beteekent het daarom de dag des oordeels.
[2088] Dit zijn de zaligen en de verdoemden. Deze zijn hier aldus
onderscheiden, omdat boeken, waarin hunne daden zijn opgeschreven,
in de rechterhand der eersten, en in de linkerhand der laatsten zullen
worden gegeven (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Ook beteekenen de woorden,
hier met rechter- en linkerhand vertaald, mede geluk en ellende.
[2089] Zijnde: er zullen meer leiders zijn, die anderen in geloof en
goede werken zijn voorafgegaan, onder de volgelingen der onderscheiden
profeten van Adam tot Mahomet, dan onder de volgelingen van Mahomet
zelven (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[2090] Zie Hoofdstuk XV, vers 47, noot.
[2091] Het oorspronkelijke woord Talh is niet alleen de naam van
den banaan, maar ook van een zeer hoogen doornachtigen boom, die
een groot getal aangenaam riekende bloemen draagt (Zie J. Leon,
Descript. Africae lib. 9), en de Acacia schijnt te wezen.
[2092] Dat in kanalen geleid worden, en wel op die plaatsen en op
zulk eene wijze, als ieder dat zal verlangen.
[2093] Hebbende hij haar opzettelijk van fijnere stoffen geschapen,
dan de vrouwen van deze wereld, terwijl zij aan geen der ongemakken
zijn onderworpen, dier sekse eigen.
[2094] En hoe dikwijls ook de mannen tot haar ingaan, zullen zij
immer bevinden, dat zij maagden zijn.
[2095] Men heeft reeds hier boven (vers 13 en 14) gezien, dat de
uitverkorenen in grooter getal bij de ouderen, dan bij de nieuweren
zullen zijn. Deze verzen zijn in tegenspraak met vers 38 en 39. Al
Beid‚wi denkt echter, dat er hier geen tegenspraak is, aangezien het
groote getal, de meerderheid van eene der beide troepen volstrekt
niet uitsluit.
[2096] Zie Hoofdstuk XXXVI, vers 80, noot.
[2097] Om den menschen de opstanding te herinneren (Hoofdstuk XXXVI
vers 80), waarop de voortbrenging van vuur in sommige opzichten
gelijkt, of van het vuur der hel (Al Beid‚wi).
[2098] Of: Laat niemand die aanraken, enz. Niet alleen de zuiverheid
des lichaams wordt namelijk van hem vereischt, die met den verplichten
eerbied van dit boek wenscht gebruik te maken, en daardoor hoopt te
stichten, maar ook de zuiverheid der ziel. Daarom worden deze woorden
gewoonlijk op den omslag geschreven.
[2099] De meening dezer duistere plaats is als volgt: Indien gij niet
gedwongen zijt op den jongsten dag rekenschap van uwe daden te geven,
zooals gij door uwe loochening van de opstanding schijnt te gelooven,
doe dan de ziel van den stervenden persoon in zijn lichaam terugkeeren;
want gij kunt dit even gemakkelijk doen, als gij den dag des oordeels
kunt vermijden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[2100] Zijnde de leiders, of de eerste leermeesters van het geloof.
[2101] Dit woord komt in vers 25 van dit Hoofdstuk voor.
[2102] Het is namelijk, volgens eenigen, onzeker, op welk der beide
plaatsen dit Hoofdstuk werd geopenbaard.
[2103] Dit is: gij zijt door de sterkste bewijzen en beweegredenen
verplicht in hem te gelooven.
[2104] Aangezien later geene zoo groote behoefte meer aan beiden
bestond. De Mahomedaansche godsdienst was door die groote overwinning
hecht gevestigd.
[2105] Een licht zal hen namelijk op den rechten weg naar het paradijs
leiden, terwijl het andere uit het boek zal voortkomen, waarin hunne
daden zijn vermeld, en dat zij in hunne rechterhanden zullen houden.
[2106] Zijnde eene wet der gerechtigheid. Sommigen denken, dat de
engel GabriÎl werkelijk eene balans aan Noach uit den hemel bracht,
waarvan hem geboden was, het gebruik bij zijn volk in te voeren.
[2107] Dit is: Wij leerden hem, hoe het uit de mijnen moet worden
opgegraven. Al Zamakhshari voegt er bij, dat Adam gezegd wordt,
vijf ijzeren dingen uit het paradijs te hebben medegebracht, zijnde:
een aanbeeld, eene tang, twee hamers, (een grooten en een kleinen),
en eene naald.
[2108] Dat is oprecht en hartelijk.
[2109] De Muzelmannen zeggen dikwijls: La rahbaniÔeta fil-islami. Geen
kloosterleven in den Islam.
[2110] Deze woorden zijn hier tot de Joden en Christenen gericht;
zij gelden nochtans de laatsten alleen.
[2111] Of zij die een geschil of rechtsgeding begint.
[2112] Sommigen zijn van meening, dat de eerste tien verzen van
dit Hoofdstuk te Mekka en de overigen te Medina werden geopenbaard
(Al Beid‚wi).
[2113] Dit was Khal¸a, de dochter van Thalaba, de vrouw van A˘s
Ebn es-Samat, die door haren man met deze woorden werd verstooten:
"Dat uw rug voortaan voor mij zij, zoo als de rug mijner moeder,"
zijnde de formule, waaruit eene eeuwige scheiding voortvloeide
en na het uitspreken van welke men de verstooten vrouw niet meer
kon terugnemen. Zij kwam daarop tot Mahomet, en vroeg hem, of
het haar niet geoorloofd zou zijn, bij haren man te blijven, die,
niettegenstaande hij haar had verstooten, haar echter niet dwong het
huis te verlaten. Mahomet antwoordde, dat de bovenvermelde formule eene
volkomene scheiding moest ten gevolge hebben, waarop de wanhopige vrouw
(want zij bezat eenige jonge kinderen) zich verwijderde, en zich in
hare gebeden, bij God over haar lot beklaagde. Mahomet kwam op zijne
beslissing terug, en, steunende op de openbaring, in de verzen 1 en 2
vervat, veroorloofde hij de verstooten vrouwen terug te nemen, zelfs na
het uitspreken der meergemelde formule, mits een offer brengende of een
liefdewerk verrichtende, om voor de schending van den eed te boeten.
[2114] En daarom moet geene vrouw in denzelfden graad van verbod
worden geplaatst, behalve diegene, welke door God met hem vereenigd
zijn, zooals de zoogster, en de vrouwen van den profeet (Al Beid‚wi,
zie Hoofdstuk IV, vers 26 volgg. en Hoofdstuk XXXIII vers 53).
[2115] Welke slaaf, overeenkomstig het meest algemeene gevoelen,
een waar geloovige moet zijn, zooals voor de boete wegens manslag is
bepaald (zie Hoofdstuk VI, vers 94).
[2116] Het schijnt, dat zij gewoon waren in plaats van: Al sal‚m aleika
(vrede zij over u) te zeggen, Al s‚m aleika (ongeluk over u).
[2117] Op deze plaats wordt den Moslems bevolen, in de openbare
vergaderingen plaats te maken voor den profeet en de meer aanzienlijken
zijner makkers, en niet op hem toe te dringen, zooals zij gewoon waren
te doen, om dichter bij hem te zijn, en zijne woorden beter te hooren.
[2118] Volgens sommigen de Joden (zie Hoofdstuk I, vers 6).
[2119] Daar zij huichelaars zijn, en tusschen de twee partijen
wankelen.
[2120] Zijnde: Zij hebben den Islam plechtig beleden, dien zij in
hunne harten niet geloofden.
[2121] Het oorspronkelijke woord beteekent het verlaten of verhuizen
van de geboorteplaats of woning, om elders te gaan wonen, hetzij uit
vrijen wil, hetzij door verdrijving.
[2122] Het hier bedoelde volk waren de Joden van den stam van Al
Nadir, die te Medina woonden, en die, toen Mahomet van Mekka daarheen
vluchtte, hem beloofden onzijdig te blijven, tusschen hem en zijne
tegenpartij, waartoe zij een verdrag met hem sloten. Toen hij den
slag van Bedr had gewonnen, beleden zij, dat hij de profeet was,
in de wet beschreven; maar na zijne nederlaag te Ohod veranderden
zij van gevoelen. Caab Ebn al Ashraf vormde een verbond met Aboe
Sofian, dat zij beiden bezwoeren. Mahomet rukte daarop in het
vierde jaar der hedjira tegen al Nadir op, en belegerde hunne
vesting. Na zes dagen capituleerden zij, en werd het hun vergund
te vertrekken, op voorwaarde, dat zij de plaats geheel zouden
ontruimen. Volgens sommigen, begaven zij zich daarop naar SyriÎ,
volgens anderen naar Khaibar en Hira (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin. Zie
Abulf. vit. Moh. cap. 35). Dit was de eerste landverhuizing. De
tweede viel eenige jaren later voor, gedurende de regeering van Omar,
toen deze khalif degenen verbande, die te Khairbar hadden gewoond,
en hen dwong ArabiÎ te verlaten (Idem Interpp.).
[2123] Daar zij zooveel verwoestten als zij konden, om het voordeel
der Moslems zooveel mogelijk te verminderen, aan datgene wat zij
verplicht waren achter te laten.
[2124] Het is opmerkelijk, dat in deze expeditie de buit niet
werd verdeeld, overeenkomstig de daartoe in den Koran gegeven wet,
(Hoofdstuk VIII, vers 42) maar aan den profeet werd gegeven, terwijl
er bij verklaard werd, dat die geheel te zijner beschikking was. De
reden hiervan was, omdat de plaats zonder behulp van paarden
werd genomen, hetgeen, van toen af, eene vaste wet bleef (Zie
Abulf. vit. Moh. p. 91).
[2125] De woonplaats van al Nadir was namelijk zoo dicht nabij
Medina dat de Moslems allen te voet daarheen gingen, de profeet zelf
uitgezonderd (Al Beid‚wi).
[2126] Daarom verdeelde Mahomet dezen buit alleen onder de Mohajerin,
of zij die van Mekka waren gevlucht. Hij gaf daarvan niets aan
de Ansars, of die van Medina, behalve aan drie van hen, welke in
behoeftige omstandigheden verkeerden (Al Beid‚wi).
[2127] De bedoelde personen schijnen zij te wezen, die Mekka
ontvluchtten, nadat Mahomet in sterkte toegenomen, en zijn godsdienst
aanzienlijke vorderingen gemaakt had.
[2128] En het geschiedde dienovereenkomstig: Ebn Obba en zijne
bondgenooten schreven namelijk met dat doel aan de Nadirieten; maar
zij vervulden nimmer hunne belofte (Al Beid‚wi).
[2129] Dit is: voor het volgende leven, hetgeen morgen kan worden
genoemd, zooals het tegenwoordige leven heden.
[2130] Zie Hoofdstuk VII, vers 179 noot.
[2131] Dit Hoofdstuk draagt dezen titel, omdat het bepaalt, dat de
vrouwen die wegloopen en van de ongeloovigen tot de Moslems overgaan,
onderzocht moeten worden ten aanzien van hare oprechtheid in de
belijdenis van haar geloof.
[2132] Dit vers is vooral gericht tegen den Muzelman Hateb Ebn Abi
Baltaa, die, wetende, dat er een expeditie tegen Mekka werd gereed
gemaakt, de KoreÔshieten daarvan onderrichtte. Mahomet onderschepte
zijn brief, en deed hem bittere verwijtingen, waarop Hateb antwoordde
dat zijn doel geenszins was, de onderneming te doen mislukken, die
overigens, als door God besloten, onfeilbaar moest wezen, maar dat hij
van de afgodendienaren eenige verschooning had wenschen te verkrijgen
voor zijn gezin, hetwelk hij te Mekka had achtergelaten. Mahomet nam
de verontschuldiging van Hateb aan, maar haastte zich de bovenvermelde
openbaring mede te deelen.
[2133] Het hier gebruikte werkwoord beteekent ook het
tegenovergestelde, en zou dus ook kunnen vertaald worden: en hun in
het openbaar vriendschap betoont, enz.
[2134] Omdat zijn vader afgodendienaar was. Zie Hoofdstuk IX, vers 115.
[2135] En dienovereenkomstig geschiedde het bij de inneming van Mekka,
toen Aboe Sofian en anderen der KoreÔshieten, die op dat tijdstip
hevige vijanden der Moslems waren, hetzelfde geloof omhelsden en
hunne vrienden en broeders werden. Sommigen veronderstellen, dat hier
het huwelijk van Mahomet met Omm Habiba, de dochter van Aboe Sofian
wordt bedoeld, hetwelk een jaar te voren werd voltrokken (Zie Gagnier,
not. in Abulf Vit. Moham. p. 91).
[2136] Want overeenkomstig de bepaling van het vredesverdrag van al
Hodeibiya, moest elke der partijen teruggeven, wat in hare handen
viel, en aan de tegenpartij toebehoorde. Dientengevolge werd op deze
plaats, te gelijker tijd, dat den Moslems verboden werd, de gehuwde
vrouwen terug te geven, die van de ongeloovigen zouden overloopen,
hun ook bevolen, haren bruidschat, bij wijze van schadeloosstelling
uit te keeren.
[2137] Want hetgeen aan hare vroegere echtgenooten wordt teruggeven,
moet niet als weduwgift beschouwd worden.
[2138] Zie Hoofdstuk LXXXI, vers 8.
[2139] Dit vers bevat datgene, wat de Mahomedanen "den eed der
vrouwen" noemen. De mannen zwoeren vÛÛr de Hedjira (vlucht van Mekka)
denzelfden eed, vÛÛr dat Mahomet er de verplichting had bijgevoegd,
hem in den oorlog tegen de afgodendienaren bij te staan. Deze eed had,
evenals het aangaan van iedere verbintenis, bij de Arabieren plaats,
door het geven der hand aan hem, omtrent wien men zich verbond. Na
Mahomet werd de khalif op dezelfde wijze door een handslag gehuldigd.
[2140] Of, zooals sommigen eerder denken, te Medina. De uitlegging
in de volgende noot bevestigt deze meening.
[2141] De uitleggers veronderstellen algemeen, dat deze woorden tot
de Moslems zijn gericht, die, niettegenstaande zij zich plechtig
hadden verbonden, hunne bezittingen en hun leven ter verdediging van
hun geloof op te offeren, zich bij den slag van Ohod omkeerden (zie
Hoofdstuk III, vers 11 en volg). Misschien ook moeten deze woorden
op alle huichelaars worden toegepast, wier daden in tegenspraak met
hunne woorden zijn.
[2142] Mahomet draagt bij de Muzelmannen verschillende namen, en wel
ongeveer honderd, waartoe ook Ahmed behoort, afgeleid van het Grieksche
Periclytos, de glorierijke, evenals Mahomet. De Mahomedanen beweren,
dat Jezus de komst van Mahomet (Ahmed, Periclytos) heeft voorzegd (zie
Johannes XVI : 7), en dat Peracletos, hetgeen op de nederdaling van
den Heiligen Geest wordt toegepast, slechts een verbastering is van
Periclytos, hetgeen door de Christenen, ter kwader trouw is uitgedacht.
[2143] Zie Hoofdstuk III, vers 45.
[2144] Hetzij door hem te verwerpen, hetzij door hem voor God of voor
den zoon van God te houden (Jallalo'ddin).
[2145] Omdat zij de profetiÎn, in de wet bevat en die voor Mahomet
getuigen, evenmin begrijpen, als de ezel de boeken, welke hij draagt.
[2146] Zijnde: Smeekt God, dat hij u van deze verdorvene wereld in
een staat van ongestoorde zegening overbrenge.
[2147] Zie Hoofdstuk II, vers 89.
[2148] Dat is des vrijdags, die door Mahomet meer bijzonder werd
bestemd voor de openbare vereering van God, en daarom Yaum al joma,
d.i. de dag der vergadering of bijeenkomst werd genoemd.
[2149] Men verhaalt, dat eens des vrijdags, toen Mahomet predikte, eene
karavaan, overeenkomstig de gewoonte, met slaande trom aankwam. Toen
de verzamelde menigte dit hoorde, verlieten allen de moskee, om de
karavaan op te zoeken, terwijl slechts twaalf hunner achterbleven
(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2150] Lang en dik, maar zonder kennis of verstand.
[2151] Deze en de voorgaande woorden, werden door Ebn Obba tot een
bewoner van Medina gezegd, die, bij zekeren krijgstocht, met een
Arabier, in de woestijn, om water twistte, daarbij eene wonde met
een stok aan het hoofd ontving en zich daarover bij Mahomet beklaagde
(Al Beid‚wi).
[2152] De uitleggers zijn het met elkander niet eens, of dit hoofdstuk
te Mekka, dan wel te Medina werd geopenbaard, of gedeeltelijk op de
eene plaats en gedeeltelijk op de andere.
[2153] Naardien de zaligen de verdoemden te leur zullen stellen door
de plaatsen in te nemen, welke deze in het paradijs zouden gehad
hebben, indien zij ware geloovigen zouden zijn geweest, en omgekeerd
(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya).
[2154] Want deze zijn in staat den man van zijnen plicht af te leiden
vooral in tijden van tegenspoed (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya),
terwijl een gehuwd man voor de dingen dezer wereld zorgt, doet de
ongehuwde dit voor de dingen, die den Heer toebehooren (zie Cor. VII :
25, enz.).
[2155] Overwegende, dat de hinderpalen, die zij u in den weg leggen
uit hare liefde tot u voortvloeien, enz.
[2156] Dat is: als zij, na den tijd harer echtscheiding hare regels
driemaal gehad zullen hebben, indien zij niet bewijzen, zwanger te
zijn, of, indien zij dit laatste bewijzen, als zij verlost zullen
zijn (zie Hoofdstuk II, vers 228). Al Beid‚wi veronderstelt, dat
den echtgenooten hier wordt bevolen, van hunne vrouwen te scheiden,
terwijl zij rein zijn, en zegt, dat deze plaats werd geopenbaard
tegen Ebn Omar, die zich van zijne vrouw liet scheiden, toen zij
hare regels had, waardoor hij verplicht werd, haar weder terug te
nemen. Volgens Savary heeft een Muzelman, zoodra hij den eed heeft
gedaan dat hij van zijne vrouw wil scheiden, geene gemeenschap meer
met haar. Bij het hooren van dien eed, omsluiert zij zich het hoofd,
zondert zich in haar vertrek af en laat haren man niet meer toe. Zijn
de vier maanden, als verzoeningstermijn gesteld, verloopen, dan zijn de
huwelijksbanden verbroken, en de vrouw herkrijgt hare vrijheid. Bij
haar vertrek ontvangt zij dan den bruidschat of de weduwgift in
het huwelijkscontract bepaald. De dochters blijven bij de moeder,
de zonen bij den vader.
[2157] Zie Hoofdstuk II, vers 232.
[2158] Dat minstens toereikend moet zijn, om haar gedurende den
zoogtijd te kleeden en te onderhouden (zie Hoofdstuk II, vers 233).
[2159] En doordringt en bezielt hen allen met onbeperkte kracht.
[2160] Het eerste vers van dit Hoofdstuk werd bij de volgende
gelegenheid geopenbaard. Gelijk men weet, had Mahomet onderscheidene
vrouwen te gelijk, bij welke hij beurtelings den nacht doorbracht. Eens
bracht hij een nacht, die aan Hafsa toekwam, met Maria de Copte door,
die hem door Mokawkas, gouverneur van Egypte, was gezonden. Dit gedrag
belgde Hafsa zeer, die hem daarover zulke scherpe verwijtingen deed,
dat de profeet, om haar tot bedaren te brengen, beloofde, geheel
en al met Maria te breken. De openbaring in dit vers bevat, heeft
ten doel, Mahomet van zijnen eed te ontheffen, dien hij onbedacht
had gedaan; vooral nadat God door de voorafgaande openbaringen, den
mannen eene groote speelruimte in hunne betrekkingen met hunne vrouwen
had gelaten. Sale waarschuwt vooral tegen de verkeerde vertaling van
deze plaats door Dr. Prideaux.
[2161] Hafsa verhaalde de gebeurtenis aan AÔsha, eene andere vrouw
van Mahomet, met welke zij in eene zeer vriendschappelijke betrekking
stond. Mahomet verweet Hafsa, het geheim niet bewaard te hebben, nopens
hetgeen er gebeurd was, en het aan AÔsha verhaald te hebben. Hafsa
was verwonderd te hooren, dat zij verraden was, en vroeg den profeet,
wie hem daarvan had onderricht, waarop Mahomet antwoordde, dat dit God
zelf was. Hij had het door het gedrag van AÔsha omtrent hem gemerkt.
[2162] Deze plaats is tegen Hafsa en AÔsha gericht.
[2163] Zie Hoofdstuk LXXIV, vers 30.
[2164] Deze woorden zullen op den jongsten dag tot de ongeloovigen
worden gesproken.
[2165] Zie Hoofdstuk XXIV, vers 35, en LVII, vers 5, 7, 12 en 18.
[2166] Deze waren namelijk beide ongeloovige vrouwen, hare mannen
door hare huichelarij bedrogen. De vrouw van Noach trachtte het
volk te overtuigen, dat haar man bezeten was, en de vrouw van Lot
spande samen met de mannen van Sodom, en had de gewoonte hun er
bericht van te geven, als er vreemdelingen bij Lot den nacht kwamen
doorbrengen. Daartoe gaf zij een teeken: des daags door rook, en des
nachts door vuur (Jallalo'ddin, al Zamakhshari).
[2167] Want zij vonden beide een ongelukkig einde in deze wereld
en zullen in de toekomende tot eeuwige ellende gedoemd zijn. Op
dezelfde wijze zouden de ongeloovigen uit den tijd van Mahomet, geene
verzachting van straf kunnen verwachten, op grond van de verwantschap,
waarin zij tot hem, en tot de overige ware geloovigen stonden.
[2168] Zie Hoofdstuk XIX, vers 17, enz.
[2169] Bij gelegenheid der eervolle melding, die hier van deze twee
vrouwen wordt gemaakt, verhalen de uitleggers een gezegde van hunnen
profeet: dat onder de mannen velen zijn geweest, die volmaakt waren,
maar dat niet meer dan vier van de andere sekse, de volmaaktheid hadden
bereikt, te weten: Asia, de vrouw van Pharao, Maria, de dochter van
Imram, Khaddah, de dochter van Khowaileid (de eerste vrouw van den
profeet) en Fatima, de dochter van Mahomet.
[2170] Dit Hoofdstuk wordt door sommigen ook de Redding of de
Bevrijding genoemd, aangezien het, volgens hun zeggen, hem die het
leest, van de marteling des grafs redt.
[2171] Zie Hoofdstuk XV, vers 17.
[2172] Zie Hoofdstuk LVI, (vers 140 en de volg.).
[2173] De uitleggers passen deze vergelijking op den ongeloovige en
den waren geloovige toe.