nam hij zijne dochter als bijzit. Zij kreeg verlof het standbeeld haars
vaders in hare vertrekken te mogen plaatsen; zij en hare dienstmaagden
aanbaden dit en brachten zoodoende den afgodendienst onder het dak
van Salomo, waaraan deze, door het vernielen der beelden een einde
maakte. God wilde hem echter voor die zwakheid straffen. Salomo
had de gewoonte, telkens als hij naar het bad ging, zijn ring
het zinnebeeld der macht, en den talisman, door welken hij over de
geniussen heerschte, in handen van eene zijner vrouwen te laten. Een
demon gelukte het, zich, door het aannemen van Salomo's gedaante,
er meester van te maken en zich op den troon te plaatsen. Salomo
die, zoodoende, van zijnen rang was beroofd, verloor het koninkrijk
en was verplicht op aarde rond te dwalen, tot de ring, die door den
boozen geest in zee was geworpen, door een visscher opgehaald en aan
Salomo teruggegeven was, waardoor hij zijne macht herwon (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin, Abu'Lfeda.).
[1832] Sommigen veronderstellen, dat deze woorden betrekking hebben
op de geniussen, en dat Salomo daardoor wordt gemachtigd, naar zijn
welbehagen, sommige van hen in vrijheid te stellen of in ketens
te klinken.
[1833] Zie Hoofdstuk XXI, vers 83.
[1834] Het oorspronkelijke drukt niet uit, waaruit deze handvol
bestond. Een verklaarder veronderstelt, dat het slechts eene handvol
droog gras of biezen was; een ander, dat het de tak van een palmboom
zou zijn geweest.
Zie de noten van vers 83, Hoofdstuk XXI.
[1835] De uitleggers komen niet overeen, omtrent het misdrijf door de
vrouw van Job begaan, weshalve zij deze kastijding kon verdienen. Reeds
vroeger hebben wij daarover gesproken. (Zie Hoofdstuk XXI de noot
van vers 83.) Sommigen denken, dat het slechts was, omdat zij bij
eene boodschap te lang uitbleef.
[1836] Want hij had gezworen, haar na zijn herstel, honderd slagen
te zullen geven.
[1837] Zie Hoofdstuk VI, vers 86.
[1838] Zie Hoofdstuk XXI, vers 85. Al Beid‚wi spreekt hier van
eene andere overlevering nopens dezen profeet, zijnde, dat hij
een honderdtal IsraÎlieten onderhield en verzorgde, die tot hem
vluchtten, na aan eene zekere slachting te zijn ontkomen, voor
welke daad hem waarschijnlijk den naam van Dhoe'lkefl werd gegeven,
daar de oorspronkelijke beteekenis van werkwoord cafola beteekent:
iemand te onderhouden of zorg voor hem te dragen. Indien men op deze
overlevering eene veronderstelling zou mogen bouwen, zegt Sale, dan
zou ik mij verbeelden, dat de bedoelde persoon Obadiah de gouverneur
van Ashabs huis was (Zie I Koningen XVII : 4.)
[1839] Zijnde, omstreeks dertig of drieÎndertig.
[1840] Namelijk de engelen.
[1841] Zie Hoofdstuk II, vers 32.
[1842] Zie Hoofdstuk VII, vers 17 en Hoofdstuk XV, vers 43.
[1843] Deze titel is ontleend aan vers 71.
[1844] Behalve vers 54 (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1845] Zie Hoofdstuk VI, vers 145.
[1846] Zie Hoofdstuk XXII, vers 5.
[1847] Zijnde, de buik, de ingewanden en de vliezen, die de vrucht
omsluiten.
[1848] Of: zij die goed doen, zullen goed zelfs in deze wereld
ontvangen.
[1849] Laat dus hij, die zijnen godsdienst niet in zekerheid kan
uitoefenen op de plaats, waar hij verblijf houdt, of geboren is,
naar eene plaats van vrijheid en veiligheid ontvluchten (Al Beid‚wi)
[1850] Zijnde de eerste der KoreÔshieten, die den waren godsdienst
belijdt; ook de leider, of het hoofd der Moslems.
[1851] Want zijne handen zullen aan zijn nek vastgeketend wezen, en
hij zal niet in staat zijn iets anders te doen dan zijn aangezicht
aan het vuur bloot te stellen (Al Beid‚wi).
[1852] Zijnde geen tegenspraak, gebrek of twijfel.
[1853] Deze plaats stelt de onzekerheid van den afgodendienaar voor,
die door het dienen van verschillende meesters afgetrokken wordt,
en de voldoening des gemoeds, die den aanbidder van den eenigen waren
God wacht. (Al Beid‚wi).
[1854] Zijnde Mahomet en zijne volgelingen. Sommigen veronderstellen,
dat door de hierna volgende woorden, bijzonder Aboe Bekr wordt bedoeld,
dewijl hij de waarachtigheid van den profeet betuigde, wat zijne reis
naar den hemel betreft.
[1855] De KoreÔshieten waren gewoon aan Mahomet te zeggen, dat zij
vreesden, dat hunne goden hem eenig nadeel toebrengen, of hem van
het gebruik zijner ledematen, of van zijne rede berooven zouden,
omdat hij oneerbiedig van hen sprak.
[1856] Volgens deze plaats zijn de zielen van hen die slapen, bij God;
Hij ontvangt die, en zendt die dan eens terug en behoudt die dan weder,
naar gelang de bepaalde tijd al of niet is afgeloopen. Het gebruik
van het woord teveffa, in deze plaats, ondersteunt, wat wij in de
noot van Hoofdstuk III, vers 48 hebben gezegd. Wij doen bij deze
gelegenheid opmerken, dat het woord en fous (meervoudig van nafs,
ziel g.k.S.">rpS), persoon of individu beteekent en onderscheiden
moet worden van rouh, (rvH) ziel, geeft, hoewel de rouh (meervoudig
erwah) ook sterven beteekent, en dat de engelen mede moeten sterven,
om daarna te worden opgewekt.
[1857] Hun niet veroorlovende in hunne lichamen terug te keeren.
[1858] Zijnde: In hunne lichamen als zij ontwaken (Al Beid‚wi).
[1859] Want niemand kan of durft zich vermeten, tusschen beiden te
treden, tenzij met zijn verlof.
[1860] Of door mijne eigene wijsheid.
[1861] Zooals Karoen vooral deed (zie Hoofdstuk XXVIII, vers 76).
[1862] Zooals dienovereenkomstig geschiedde; want zij werden met een
hevigen hongersnood van zeven jaren gestraft, terwijl zij de dappersten
hunner krijgshelden in den slag van Bedr verloren (Al Beid‚wi).
[1863] Aan hen, die oprecht berouw beloven en zijne eenheid beleiden;
want de zonden der afgodendienaars zullen niet vergeven worden,
zie Hoofdstuk II vers 75 noot.
[1864] Al Beid‚wi zegt: De eerste maal. Hij veronderstelt dus, dat er
slechts twee malen zal worden geblazen (gelijk er ook slechts twee
keeren uitdrukkelijk in den Koran zijn vermeld), terwijl anderen
veronderstellen, dat het driemaal zal geschieden. Volgens Yahya en
anderen, zal de tijdruimte tusschen deze twee trompetgeschallen,
veertig dagen wezen, anderen gelooven echter, dat dit vele jaren
zal bedragen.
[1865] Sommigen zijn van meening, dat de engelen GabriÎl, MichaÎl,
Israfil en de engel des doods IsraÔl, niet in datzelfde oogenblik
maar later zullen sterven, opdat het woord van God, volgens hetwelk
alle wezens zullen moeten sterven, verwezenlijkt worde. Daarna zullen
allen herrijzen.
[1866] Zie Hoofdstuk VII, vers 23 en Hoofdstuk XI, vers 115. Het
schijnt, alsof, door deze woorden, de verdoemden hunne vernietiging
aan Gods besluit van voorbeschikking wijten.
[1867] Dit is eene metaphorische uitdrukking, die de volkomene
zekerheid en den overvloed voorstelt, welke door de gelukzaligen in
het paradijs zal worden genoten.
[1868] Deze titel is ontleend aan de vermelding in vers 29.
[1869] Door handel te drijven SyriÎ en Yemen. Zie Hoofdstuk III,
vers 196, noot.
[1870] Dit zijn de Cherubijnen, de hoogste klasse van engelen, die
het dichtst in Gods tegenwoordigheid naderen (Al Beid‚wi).
[1871] Daar gij ons eerst in een toestand des doods, of ontdaan
van leven en gevoel hebt geschapen, daarna leven aan het onbezielde
lichaam hebt gegeven (Zie Hoofdstuk II, vers 26), ons vervolgens een
natuurlijken dood hebt doen sterven, en ons hierna bij de opstanding
hebt doen verrijzen. Sommigen zien in den eersten dood een natuurlijken
dood, en in den tweeden, dien in het graf, nadat het lichaam daar
tot het leven zal zijn opgewekt, ten einde ondervraagd te worden,
en veronderstellen, dientengevolge, dat de dubbele herleving, die
van het graf en die bij de opstanding is (Al Beid‚wi Jallalo'ddin).
[1872] Als de Schepper en zijne schepselen (Zie Hoofdstuk VI, vers 19)
de bewoners van hemel en aarde, de valsche godheden en hare aanbidders,
de verdrukker en de verdrukte, de arbeider en zijne werken elkander
zullen ontmoeten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1873] Zie nopens dezen persoon Hoofdstuk XXVIII, vers 76 noot.
[1874] Dat is: Houdt aan het vroeger genomen besluit vast, en voert
het in de toekomst stipter uit (Zie Hoofdstuk VII, vers 124).
[1875] Want zij rieden hem, Mozes niet te dooden, opdat men niet
zou denken dat hij niet in staat ware, hem door kracht van redenen
weerstand te bieden (Al Beid‚wi).
[1876] Door het veroorzaken van botsingen en het te werk stellen van
verleidingen, ten einde zijn nieuwen godsdienst in te voeren.
[1877] Dit schijnt dezelfde persoon te zijn, die in Hoofdstuk XXVIII
vers 19 wordt vermeld.
[1878] Zie de rede van GamaliÎl tot het Joodsche Sanhedrin, toen de
apostelen voor hen werden gebracht (Hand. V. vers 38, 39).
[1879] Zijnde de dag des oordeels, waarop de bewoners van het paradijs
en van de hel met elkander een gesprek zullen houden, als de laatsten
om hulp zullen roepen, en de verleiders en de verleiden elkander
wederkeerig de schuld zullen toeschrijven (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1880] Zie Hoofdstuk XXVIII, vers 38.
[1881] Sommigen zijn van meening, dat hier meer bijzonder worden
bedoeld, zij die door Pharao werden gezonden om den waren geloovige,
zijn bloedverwant, te vatten. Zij verhalen ons namelijk, dat de
genoemde geloovige naar een berg vluchtte, waar zij hem biddende
vonden, door wilde dieren bewaakt, die zich rondom hem in orde
schaarden, en dat zijne vervolgers daarop in grooten angst tot den
vorst terugkeerden, die hen ter dood bracht, omdat zij zijn bevel
niet hadden uitgevoerd (Al Beid‚wi).
[1882] Sommigen stellen deze woorden voor, als betrekking hebbende
op de voorafgaande straf, welke zij gedoemd zijn te ondergaan,
overeenkomstig eene overlevering van Ebn Masoed, die ons mede deelt,
dat hunne zielen zich in de kroppen van meerlen bevinden, die tot den
dag des oordeels iederen ochtend en avond aan het hellevuur worden
blootgesteld (Al Beid‚wi).
[1883] Zie Hoofdstuk LXXIV, vers 31.
[1884] Door te onachtzaam en te zorgeloos te zijn, in het voortplanten
van den waren godsdienst, uit vrees voor de ongeloovigen. (Al Beid‚wi).
[1885] Zie Hoofdstuk XVII, vers 15.
[1886] Ziende, dat een afgodsbeeld niets in de wereld is (Al Beid‚wi).
[1887] Zie Hoofdstuk XVI, vers 5.
[1888] Vooringenomen zijnde met hunne eigene dwaalbegrippen, en de
onderrichtingen van den profeet verwerpende.
[1889] Sommigen betitelen dit hoofdstuk "de vereering of aanbidding,"
aangezien daarin den ongeloovigen wordt bevolen, hunne vereering van
afgoden te laten varen en God te aanbidden. Daar echter Hoofdstuk XXXII
denzelfden titel draagt, wordt de naam, dien wij boven dit hoofdstuk
hebben geplaatst, algemeen gebruikt om het van de eerstvermelde Soera
te onderscheiden.
[1890] Zie Hoofdstuk XI, vers 1.
[1891] Zijnde de twee eerste dagen der week (Jallalo'ddin).
[1892] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15.
[1893] Dat is: de twee dagen, er onder begrepen, waarin de aarde
werd geschapen.
[1894] Voor allen in evenredigheid tot hunne behoeften, en naar dit
voor hun verbruik wordt vereischt.
[1895] Of duisternis. Al Zamakshari zegt, dat deze rook uit de
wateren, onder den troon van God kwam (welke troon een der dingen
was, die vÛÛr de hemelen en aarde werden geschapen), en boven het
water opsteeg. Hij voegt er bij, dat, toen het water opgedroogd was,
de aarde daaruit werd gevormd, en de hemelen uit den opgestegen rook.
[1896] Zie Hoofdstuk XV, vers 8.
[1897] Dat is: aan iedere zijde hen aanhoudend overredende en bij
hen aandringende, zoowel door vroegere voorbeelden aan te halen,
als door op toekomstige belooningen en straffen te wijzen.
[1898] Men zegt, dat deze wind van Woensdag tot en met Woensdag
aanhield, zijnde de laatste in het eind der maand Shawal; en dat dus
Woensdag de dag is, waarop God zijne vonnissen op een zondig volk
nederzendt (Al Beid‚wi).
[1899] Zie Hoofdst. VII, vers 83 enz.
[1900] Zijnde: Gij verbergt uwe misdaden voor de menschen, weinig
denkende, dat uwe eigen ledematen, waarvoor gij die niet kunt
verbergen, als getuigen tegen u zullen opstaan.
[1901] Zijnde diegenen van elke soort, welke ons in de armen der
zonde geworpen en te gronde gericht hebben. Sommige veronderstellen,
dat de twee hier meer bijzonder bedoelden, Eblis en CaÔn zijn; de
twee bedrijvers van ontrouw en moord (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1902] Hetzij terwijl zij nog op aarde leven, om hunne gemoederen tot
het goede te bewegen, ten einde hen voor verzoekingen te behoeden en
hen te troosten, of bij het vuur des doods, om hen in hunne laatste
oogenblikken te ondersteunen, of als bij de opstanding, uit graven
verrijzen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1903] Dat is: het zal op geenerlei wijze verijdeld, noch tegengegaan
kunnen worden, in welk opzicht het ook zij.
[1904] Zie Hoofdstuk XVI, vers 105.
[1905] Zijnde: zoover af, dat zij de stem van hem, die om hen roepen,
niet hooren of verstaan.
[1906] Want zij zullen, bij de opstanding, hunne afgoden, niet willen
erkennen.
[1907] Deze titel is ontleend aan vers 36, waarin den geloovigen,
onder andere dingen, wordt bevolen, hunne zaken te overwegen en
elkander te raadplegen, ten einde op de beste wijze te handelen. In
plaats van dit woord, worden echter, door sommigen, de vijf enkele
letters geplaatst, waarmede het hoofdstuk begint.
[1908] Jallalo'ddin zondert hiervan de verzen 22-24 uit.
[1909] Zijnde de nieuwere Joden en Christenen.
[1910] De ware beteekenis niet verstaande, of de eerste leerstellingen
daarvan niet geloovende.
[1911] Hier arbeidende, om hiernamaals eene belooning te verwerven
want hetgeen in deze wereld gezaaid wordt, zal in het volgende leven
gemaaid worden.
[1912] De bedoeling dezer woorden is eenigszins duister. Sommigen
zijn van oordeel, dat zij eene afkeuring uitdrukken van de leugens,
door de ongeloovigen aan den profeet toegeschreven, daar niemand aan
eene zoo snoode daad schuldig zou kunnen zijn, dan een, wiens hart
dichtgesloten was en die zijn Heer niet kende; alsof hij had gezegd:
God behoede dat gij zoo ledig van genade zijt, of zoo weinig begrip
van uwen plicht hebben zoudt! Anderen denken dat de beteekenis is,
dat God al de openbaringen, welke aan Mahomet genadiglijk werden
verleend, in eens uit zijn hart zou kunnen wisschen, en weder anderen,
dat God zijn hart met geduld zou versterken, tegen de beleedigingen
der ongeloovigen (Al Beid‚wi).
[1913] De middelen gebruikende, welke God voor hunne eigene verdediging
in hunne handen heeft gelegd. Dit is er bijgevoegd, om de hier gegeven
beschrijving te volmaken. Dapperheid en onverschrokkenheid zijn toch
niet onbestaanbaar met goedertierenheid (Al Beid‚wi). De regel is:
Parcere subjectis et debellare superbos.
[1914] Zie Hoofdstuk V, vers 49 enz.
[1915] God heeft nimmer tot een mensch het woord gericht. Mahomet
zegt echter op verschillende plaatsen van den Koran, dat God werkelijk
het woord tot Mozes heeft gericht. Mozes heeft echter God niet kunnen
zien, en het was bij de Hebreeuwen een algemeen aangenomen geloof, en
waarschijnlijk bij al de Semitische volkeren, dat God zich nimmer aan
een mensch liet zien, zonder dat deze dadelijk stierf. De mystieken,
eene philosophische secte uit den schoot van den Islam ontsproten,
beweren dat de aanhoudende overdenkingen van het geestelijke leven,
den mensch tot zulk een staat van volmaaktheid zou kunnen verheffen,
dat hij in zijne verrukking God spreekt en ziet. Al hun streven
is dus daarheen gericht, om, door de kracht der goddelijke liefde
en het onderdrukken der individualiteit, den sluier op te heffen
die hen van Gods geest scheidt. Vandaar dat de woorden "den sluier
opheffen", in de taal der Oosterlingen de waarde verkregen heeft,
van den hoogsten graad van vertrouwelijkheid. Overigens zijn zij die
wel gelooven aan de nachtelijke reis van Mahomet, (Zie Hoofdstuk XVII,
vers 1 in de noot) verdeeld, nopens de wijze waarop Mahomet God heeft
aanschouwd. Sommigen zeggen, dat hij hem met de oogen van zijn hoofd,
d.i. stoffelijk heeft gezien, anderen dat het met de oogen van zijn
hart, d.i. door een innerlijk gezicht van den geest plaats had.
[1916] Of zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: zoo hebben
wij den geest GabriÎl, met eene openbaring, tot u gezonden.
[1917] Zie vers 34.
[1918] Sommigen zonderen hiervan vers 44 uit.
[1919] Zijnde, de bewaarde tafel, die het oorspronkelijke van al de
schriften in het algemeen bevat.
[1920] Zie Hoofdstuk XVI, vers 60.
[1921] Zijnde aan een der voornaamste bewoners van Mekka of van Tayef;
zooals Al Walid Ebn Al Mogheira, of Orwa Ebn Masoed den Thakefiet
(Al Beid‚wi.).
[1922] Door deze uitdrukking wordt vooral het ambt van profeet bedoeld.
[1923] Zie Hoofdstuk XIX, vers 74.
[1924] Dat is: vraag hun, die dezelfde godsdiensten belijden, welke
deze onderwezen en hunne geleerden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, enz.).
[1925] Zijnde de plagen, welke zij achtereenvolgens ondergingen,
en die hunne geheele vernietiging in de Roode Zee voorafgingen.
[1926] Te weten de Nijl en zijne vertakkingen.
[1927] Zie Hoofdstuk XX, vers 29 noot.
[1928] Zulke armbanden waren eenige van de insigniÎn der koninklijke
waardigheid; want als de Egyptenaren iemand tot de vorstelijke
waardigheid verhieven, omhingen zij hem met een gouden kraag of
keten (Gen. XLI : 42) en hechtten gouden armbanden om zijne polsen
(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.).
[1929] Deze plaats wordt algemeen verondersteld, geopenbaard te zijn
bij gelegenheid van eene tegenwerping, door zekeren Ebn al Zabari
gemaakt, tegen de woorden in Hoofdstuk XXII, vers 98, waarbij allen
in het algemeen, die naast God als godheden werden aangebeden, ter
helle gedoemd zijn, en waarop de ongeloovigen uitriepen: Wij zijn
verheugd, dat onze goden met Jezus zullen wezen; want ook hij is als
God aangebeden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi.). Sommigen zijn echter van
meening, dat het zou kunnen geopenbaard zijn, in antwoord aan sommige
afgodendienaars, die zeiden, dat de Christenen, welke de schriften
ontvingen Jezus aanbaden, geloovende, dat hij de zoon van God was,
terwijl de engelen die eer meer waardig zijn dan hij.
[1930] Want eenigen tijd voor de opstanding, zal Jezus, volgens de
Mahomedanen, nabij Damascus op aarde afdalen, of, zooals sommigen
zeggen, nabij eene rots in het heilige land, Afik genaamd, met
eene lans in de hand, waarmede hij den anti-Christ zal dooden,
dien hij te Ludd of Lydda, eene kleine plaats, niet ver van Joppa,
zal ontmoeten. Zij voegen er bij, dat hij te Jeruzalem zal aankomen,
tegen den tijd van het ochtendgebed, en dat hij zich op de wijze der
Mahomedanen tot God zal richten. Hij zal het kruis afbreken en de
kerken der Christenen vernietingen, onder welke hij eene algemeene
slachting zal aanrichten, diegenen echter daarvan uitzonderend,
die den Islam belijden.
[1931] Dit kan toegepast worden Ûf op de Joden ten tijde van Jezus,
die zijne leer niet wilden omhelzen, Ûf op de Christenen van dien tijd,
die in verschillende meeningen nopens hem vervielen; daar sommigen hem
als God verheffen, anderen tot Gods zoon, en weder anderen tot een der
personen van de drieÎenheid, enz. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Savary
past het op de Christenen toe.
[1932] Dit wordt door de Mahomedanen verondersteld, de naam te zijn
van den voornaamsten engel, die met het opzicht der hel is belast.
[1933] Sommigen veronderstellen, dat het antwoord eerst duizend jaren
daarna zal worden gegeven.
[1934] Zijnde de bewakende engelen.
[1935] Dat is de leer van Gods eenheid. De uitzondering omvat Jezus,
Esra en de engelen, die als tusschenpersonen beschouwd zullen worden
hoewel zij als goden werden aangebeden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1936] Zie Hoofdstuk XXV, vers 64.
[1937] Dit woord is ontleend aan vers 9.
[1938] Sommigen zonderen hiervan vers 14 uit.
[1939] Deze nacht wordt algemeen verondersteld, tusschen den 23sten
en 24sten van Ramadan te zijn. Zie Hoofdstuk 97 en de noten aldaar.
[1940] Want de Mahomedanen denken dat jaarlijks in dien nacht, al
de gebeurtenissen voor het daarop volgende jaar worden geschikt en
vastgesteld, wat leven, dood en andere zaken dezer wereld betreft
(Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Sommigen veronderstellen echter, dat deze
woorden alleen betrekking hebben op den bijzonderen nacht, waarin
de Koran, bevattende al de goddelijke besluiten, met betrekking tot
godsdienst en zedekunde, werd nedergezonden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1941] De uitleggers verschillen in hunne verklaring van deze
plaats. Sommigen denken, dat hier sprake is van een rook, die de
lucht scheen te vervullen, gedurende den hongersnood, waarmede de
bewoners van Mekka in den tijd van Mahomet werden geteisterd (Zie
Hoofdstuk XXIII, vers 66 noot), en waardoor de lucht zoo dik was,
dat zij elkander wel konden hooren maar niet zien (Al Zamakshari, Al
Beid‚wi, Yahya, Jallalo'ddin). Overeenkomstig eene overlevering van
Abi, is de hier bedoelde rook echter diegene, welke een voorteeken
van den dag des oordeels is, en de geheele ruimte van het Oosten,
gedurende veertig dagen, zal vullen. Zij zeggen, dat deze rook de
ongeloovigen zal bedwelmen, en door hunne natuurlijke openingen zal
binnen dringen, terwijl de ware geloovigen slechts weinig last er
van zullen hebben (Al Zamakshari, Al Beid‚wi).
[1942] Zie Hoofdstuk XVI, vers 105.
[1943] Sommigen passen dit op de slachting te Bedr, en anderen op
den dag des oordeels toe.
[1944] Zijnde: Laat de kinderen IsraÎls met ons gaan, om God te
vereeren.
[1945] Of dat gij mij noch door woord, noch door daad beleedigt
(Al Beid‚wi).
[1946] Zonder mij weerstand te bieden, of mij eenige beleediging aan
te doen, welke ik niet aan u heb verdiend.
[1947] Zie Hoofdstuk XXVI, vers 57.
[1948] Dat is: niemand beklaagde hunne vernietiging.
[1949] Zijnde de Hamyarieten, wier koningen den titel van Tobba
hadden. De uitleggers verhalen, dat de hier bedoelde Tobba zeer
machtig was en Samorcande bouwde, of, zooals anderen zeggen, die stad
vernietigde, en dat hij een waar geloovige was; doch zijne onderdanen
waren ongeloovigen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Deze vorst schijnt
Aboe Carb Asaad te zijn geweest, die omstreeks zevenhonderd jaar vÛÛr
Mahomet leefde, en den Joodschen godsdienst omhelsde, welken hij het
eerste in Yemen invoerde. Hij werd daarom waarschijnlijk door zijn
eigen volk gedood (Al Jannabi. Zie poc. Spec. p. 60).
[1950] Zie Hoofdstuk XXI, vers 61, en Hoofdstuk XXXVIII, vers 26.
[1951] Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 60 en de noot. Jallalo'ddin
veronderstelt, dat deze plaats in het bijzonder tegen Aboe J‚hl
werd geopenbaard.
[1952] Deze naam is ontleend aan vers 27.
[1953] Door de dagen van God, worden, op deze plaats, de gelukkige
uitkomsten bedoeld van zijn volk, in de veldslagen met de ongeloovigen
(zie Hoofdstuk XIV, vers 5 noot). Men zegt, dat deze plaats werd
geopenbaard met het oog op Omar, die, gesmaad door iemand van den stam
van Ghifar, het voornemen opvatte, zich met geweld te wreken. Sommigen
zijn van oordeel, dat dit vers, door dat van den oorlog afgeschaft is
(Al Beid‚wi).
[1954] Dat is, van de voornaamste KoreÔshieten, die er bij Mahomet op
aandrongen, tot den godsdienst van zijne voorvaderen terug te keeren.
[1955] Het oorspronkelijke woord ommat, beteekent eigenlijk een volk,
dat denzelfden godsdienst belijdt.
[1956] Alahkaf of al Ahkaf is het meervoudig van Hekf, en beteekent
zand, dat verstrooid en verwaaid ligt. Vandaar heeft men dien naam
gegeven aan een stuk gronds in de provincie Hadramaut, waar de Adieten
woonden. Behalve op verscheiden andere plaatsen in den Koran, wordt
daarvan melding gemaakt in dit Hoofdstuk (vers 20).
[1957] Zie Hoofdstuk XXI, vers 16; Hoofdstuk XXXVIII, vers 26 enz.
[1958] En die slechts eene zekere tijdruimte, maar niet eeuwig
zullen bestaan.
[1959] Zijnde eenig deel van de openbaringen in den Koran.
[1960] Dat is: Ik leer geene grondstellingen, die verschillen van
hetgeen de vroegere gezanten of profeten hebben gepredikt, en ik
ben niet in staat te doen, wat zij niet konden; vooral wat betreft
het toonen der teekenen, welke iedereen gepast zal achten te vragen
(Al Beid‚wi).
[1961] Deze getuige wordt algemeen verondersteld, de Jood Abd'allah
Ebn Salem te zijn geweest, die verklaarde, dat Mahomet de profeet was
wiens komst door Mozes was voorspeld. Sommigen veronderstellen echter,
dat de hier bedoelde getuige Mozes zelf was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1962] Sommigen meenen, dat deze woorden door de Joden werden
gesproken, toen Abd'allah den Islam beleed, of, overeenkomstig anderen,
door de KoreÔshieten, daar de eerste volgelingen van Mahomet voor
het meerendeel arme en laaggeplaatste lieden waren, of wel, door
de stammen van Amer, Ghatfan en Asad, bij de bekeering van die van
Joheinah Mozeinah, Aslam en Ghifar (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).