trotschheid en ondankbaarheid zag overhellen en hen hunne lusten zag
bevredigen, of wel de meening welke hij van alle menschen had bij
den val van Adam, of bij diens schepping, toen hij de engelen hoorde
zeggen: Wilt gij iemand op de aarde plaatsen die kwaad bedrijven en
bloed vergieten zal? (Zie Hoofdstuk II, vers 28 en volgende verzen,
Hoofdstuk VII, vers 10 en volgende en Hoofdstuk XV, vers 33 en
volgende).
[1735] Die van de algemeene vernietiging werden gered.
[1736] Zie Hoofdstuk XIX, vers 90.
[1737] Zijnde van de harten der tusschenpersonen en van hen, voor wie
God hun zal veroorloven tusschen beiden te treden, door het verlof
dat hij hun dan zal verleenen; want geen engel of profeet zal op den
jongsten dag zonder het goddelijk verlof mogen spreken.
[1738] Het woord hier in het oorspronkelijke gebruikt, is elfettah,
eigenlijk, die alles opent, alle moeielijkheden oplost en alle
verschillen vereffent.
[1739] Men zegt dat den ongeloovigen bewoners van Mekka, toen zij
de Joden en Christenen omtrent Mahomets zending ondervroegen, werd
verzekerd, dat deze Ën in het Oude Testament Ën in het Evangelie als
de profeet beschreven was, die komen moest; waarop zij angstig werden
en de hier vermelde woorden uitten (Al Beid‚wi).
[1740] Zie Hoofdstuk XIV, vers 24, noot.
[1741] Zie Hoofdstuk X, vers 55 noot.
[1742] Zijnde: dat gij bedaard en oprechtelijk u, in het aangezicht
van God, zonder hartstocht of vooroordeel, bezig houdt, over mij en
mijne eischen na te denken en te oordeelen. De reden waarom hun bevolen
wordt, hetzij alleen na te denken, of op zijn hoogst, twee aan twee is,
dat in het algemeen in grootere verzamelingen, geraas, hartstocht en
vooroordeel heerschen, waardoor de menschen niet die onbevangenheid
van oordeel hebben, welke zij in afzondering bezitten (Al Beid‚wi).
[1743] Nadat Mahomet in de voorafgaande woorden geantwoord heeft op
de beschuldiging van uitzinnigheid of ijdele geestdrijverij, tracht
hij door deze zich te zuiveren van de verdenking, eenig wereldlijk
uitzicht of belang te beoogen, verklarende, dat hij geene betaling of
ondersteuning van hen verlangt, voor de uitvoering van zijnen last,
maar dat hij zijne vergelding alleen van God verwacht.
[1744] Savary vertaalt dit: Behoudt uwe giften.
[1745] Zie Hoofdstuk XXV, vers 59.
[1746] Zijnde: Bij hunnen dood, op den dag des oordeels, of bij den
slag van Bedr (Al Beid‚wi).
[1747] Dat is: van de buitenzijde der aarde tot aan hare binnenzijde,
of van Gods rechtbank tot het hellevuur of van de vlakte van Bedr tot
den put, waarin de lijken der gedooden werden geworpen (Al Beid‚wi).
[1748] Dat is: als zij in de andere wereld zijn, terwijl het geloof
in deze wereld zal worden ontvangen.
[1749] Beide woorden komen in het eerste vers voor: Zamakhshari zegt:
dat hij die het hoofdstuk der engelen zal lezen, eens de acht poorten
van het paradijs voor zich zal zien openen en binnen zal gaan, door
diegene, welke hem zal behagen.
[1750] Dat is: Sommige engelen hebben een grooter en sommige een
kleiner aantal vleugels, overeenkomstig de verschillende bevelen welke
zij uitvoeren; daar de woorden niet zijn opgegeven om het bijzondere
getal uit te drukken. GabriÎl wordt gezegd aan Mahomet, in den nacht
dat deze zijne reis naar den hemel maakte, met niet minder dan zes
honderd vleugelen te zijn verschenen (Al Beid‚wi).
[1751] Zooals de KoreÔshieten nopens Mahomet deden.
[1752] Zie Hoofdstuk XXII, vers 5.
[1753] Het woord bahr, zee, wordt bij de Arabieren niet alleen op de
zoute wateren toegepast, maar ook op groote stroomen, zooals de Nijl,
de Tiger enz.
[1754] Zijnde de twee collectieve lichamen van zout en versch
water. Zie Hoofdstuk XXV, vers 55.
[1755] Zie Hoofdstuk XVI, vers 14.
[1756] Zooals paarlen en koraal.
[1757] Deze plaats drukt het groote onderscheid uit, tusschen een waar
geloovige en een ongeloovige, tusschen waarheid en waan en tusschen
toekomstige belooning en straf.
[1758] Zijnde: zij die hardnekkig in hun ongeloof volharden, en bij
de dooden worden vergeleken.
[1759] Zooals de boeken aan Abraham en aan de andere profeten voor
Mozes gegeven.
[1760] Zijnde het Oude Testament, of het Evangelie.
[1761] Dat is: van verschillende soorten. Zie Hoofdstuk XVI, vers 13.
[1762] Zijnde: meer of minder krachtig van toon (Al Beid‚wi). Bij
Savary volgt: de raaf is zwart.
[1763] Door niet in praktijk te brengen, wat hem in den Koran is
geleerd en bevolen.
[1764] Dit is: die het wel meent en zijn plicht voor het grootste
gedeelte, maar niet volkomen vervult.
[1765] Mahomet.
[1766] De beteekenis dezer letters Ya. Sin, is onbekend. Sommigen
beweren echter, op grond eener overlevering van Ebn Abbas, dat zij
hier staan, in plaats van Ya isan, zijnde: O mensch! Dit hoofdstuk,
wordt gezegd, verscheidene andere titels te hebben, welke het van
Mahomet zelven zou hebben ontvangen, en vooral dien van het hart van
den Koran. De Mahomedanen lezen dit bij stervende personen, en wel
in hunne laatste oogenblikken (Zie Bobov. De visit. aegrot. p. 17).
[1767] Zijnde het vonnis der verdoemenis, dat door God, bij den val van
Adam, tegen het meerendeel der geniussen en menschen, werd uitgesproken
(Zie Hoofdstuk VII, vers 12: hoofdstuk XI, vers 120 enz.)
[1768] Of halsbanden, zooals die beschreven zijn in Hoofdstuk XIII
vers 6.
[1769] Men zegt dat toen de KoreÔshieten, tengevolge van een besluit
dat zij hadden genomen, een uitgezocht aantal mannen zonden, om
Mahomets huis te bezetten en hem te dooden, de profeet, Ali op zijn
bed deed liggen om de moordenaars te misleiden, naar buiten ging en
eene handvol stof op hen wierp, onder het herhalen der negen eerste
verzen van dit Hoofdstuk die hier eindigen. Zij werden daarop met
blindheid geslagen, zoodat zij hem niet konden zien.
[1770] Zooals hun goed of slecht voorbeeld, leer, enz.
[1771] Om deze plaats te verklaren, geven de uitleggers het
volgende verhaal: Het volk van AntiochiÎ was uit afgodendienaars
samengesteld, weshalve Jezus twee zijner leerlingen daarheen zond
om er te prediken. Toen zij de stad naderden, vonden zij Habib,
bijgenaamd al Najjar, of de timmerman, die schapen weidde en dien
zij met hunne boodschap bekend maakten. Hij vroeg hun daarop, welk
bewijs zij voor hunne waarachtigheid hadden, tengevolge waarvan zij
verhaalden, dat zij de zieken, de blinden en de melaatschen konden
genezen; en om de waarheid te bewijzen van hetgeen zij zeiden,
legden zij hunne handen op een hem toebehoorend kind, dat ziek was,
en gaven het onmiddellijk de gezondheid terug. Habib was door dit
wonder overtuigd en geloofde, waarna zij de stad binnentrokken en de
vereering van den waren God predikten, terwijl zij een groot aantal
menschen van verschillende gebreken genazen. Eindelijk kwam de zaak
echter ter oore van den vorst, die bevel gaf hen gevangen te nemen,
daar zij getracht hadden het volk te misleiden. Toen Jezus dit hoorde,
zond hij een ander zijner leerlingen, die algemeen verondersteld wordt
Simon of Petrus te zijn geweest, en die, naar AntiochiÎ komende en
een ijverig afgodendienaar schijnende te zijn, spoedig in de gunst
der bewoners en van hunnen vorst wist te dringen, en eindelijk de
gelegenheid te baat nam, zijn verlangen te kennen te geven, dat de
vorst bevel zou geven, de beide personen, die, naar hij vernomen
had, wegens het verspreiden van nieuwe meeningen in de gevangenis
waren geworpen, voor hem te brengen om ondervraagd te worden, welk
verzoek werd toegestaan. Nadat Petrus hen vooraf in het geheim had
gewaarschuwd, niet te doen blijken dat zij hem kenden, vroeg hij hun,
wie hen had gezonden, waarop zij antwoordden: God, die alle dingen
heeft geschapen, en geen metgezel heeft. Hij vroeg hun daarop om een
overtuigend bewijs voor hunne zending, waarop zij een blinden man het
gezicht teruggaven, en eenige andere wonderen verrichtten. Petrus
scheen daarmede niet tevreden, omdat volgens sommigen, ook hij
diezelfde wonderen kon verrichten, maar hij verklaarde, dat, indien
hun God hen in staat kon stellen de dooden op te wekken, hij hen zou
gelooven. De apostelen namen deze voorwaarde aan, waarop een jongeling
werd gebracht, die reeds sedert zeven dagen dood was en op hunne
gebeden weder levend werd. Daarop verklaarde Petrus zich overtuigd:
hij liep weg, vernietigde de afgodsbeelden; een groot aantal des volks
volgde hem, en omhelsde het ware geloof, maar zij die niet geloofden,
werden verdelgd door den kreet van den engel GabriÎl (Al Zamakshari,
Al Beid‚wi, enz.). Zie Maracc. in Alc. p. 580.
[1772] Zijnde: Indien u eenig overkomt, zal dit het gevolg zijn van
uw eigen weerspannigheid en ongeloof.
[1773] Dit was Habbib Al Najjar, wiens martelaarschap hier wordt
beschreven. Zijn graf is nog te zien nabij AntiochiÎ, en wordt
veel door de Mahomedanen bezocht (Zie Schultens, Indic. Geogr. ad
calcem. Vitae Saladini, voce Antiochia).
[1774] Zie Hoofdstuk XXIX, vers 18, noot.
[1775] Dat is: zij haast zich haren dagelijkschen loop af te leggen,
terwijl het ondergaan der zon op het ter ruste gaan van een reiziger
gelijkt.
[1776] Dit zijn achtentwintig constellatiÎn, door eene van welke de
maan iederen nacht heengaat, en welke van daar woningen of huizen
van de maan genoemd worden.
[1777] Savary vertaalt dit aldus: "Wij hebben de phasen der maan
aangewezen en het oogenblik waarop zij opgehangen schijnt als de
trossen van den dadelboom". Hij voegt er tevens bij, dat de dadelboom
twee of drie groote trossen voortbrengt, die van zijn top uitwassen en
nederhangen. Sale zegt bij deze plaats: Want als een palmtak oud wordt,
krimpt hij, en wordt gekronkeld en geel, waardoor de verschijning
van de nieuwe maan niet onaardig wordt voorgesteld.
[1778] Sommigen veronderstellen, dat hier de redding van Noach en
zijne makkers in de ark wordt bedoeld.
[1779] Zooals kameelen, die de landschepen zijn; ook de lichtere
schepen en booten.
[1780] De straf van deze wereld en van de volgende.
[1781] Toen de arme Moslems aan de rijkere KoreÔshieten aalmoezen
vroegen, zeiden zij, dat, indien God voor hen kon zorgen en het niet
deed, dit een bewijs was, dat zij zijne gunst niet zoozeer verdienden
als zij zelven; terwijl nochtans God sommigen behoeftig doet zijn,
om de rijken te beproeven en hun gelegenheid te geven, weldadigheid
uit te oefenen.
[1782] Zie de noten van Hoofdstuk XXXIX.
[1783] Want zij zullen gedurende de tijdruimte tusschen dit herhaalde
trompetgeschal slapen en geene pijn gevoelen (Jallalo'ddin).
[1784] Dit is: Zij verdienen aldus te worden behandeld om hun ongeloof
en hunne ongehoorzaamheid; maar wij verdragen hen uit genade en
verleenen hun uitstel.
[1785] Dit strekt tot antwoord aan de ongeloovigen, die beweerden,
dat de Koran slechts een dichterlijk samenstelsel was.
[1786] Zijnde: Zij die met verstand zijn begaafd; daar de dommen en
zorgeloozen met dooden gelijk staan.
[1787] Zie Hoofdstuk XVI, vers 4, noot.
[1788] De gewone wijze in het oosten om vuur te verkrijgen, bestaat
daarin, dat men twee stukken hout tegen elkander strijkt, waarvan
een gewoonlijk is van den boom Markh, en het andere van dien, Affar
genaamd. Daaruit komt het vuur voort, hoewel het hout groen en vochtig
is. (Zie Hyde de Reb vet. Pers. c. 25 p. 333 etc).
[1789] Sommigen verstaan door deze woorden, de zielen der menschen
die zich in gehoorzaamheid aan Gods wetten onderwerpen, en zich
wegspoeden van alle ongeloof en zonden, of de zielen van hen, die
zich in slagorde stellen, ten einde voor den waren godsdienst te
strijden, en hunne paarden aanzetten om op de ongeloovigen aan te
vallen enz. (Al Beid‚wi).
[1790] Daar het oorspronkelijke woord in het meervoud staat, wordt
het verondersteld de verschillende punten van den gezichtseinder te
teekenen, van waar de zon in den loop van het jaar opstijgt, en die
driehonderd zestig in getal zijn (gelijk aan het getal dagen van het
oude, burgerlijke jaar) en hebbende evenveel overeenkomende punten,
waar zij gedurende die tijdruimte achtervolgens ondergaat (Al Beid‚wi,
Yahya). Maracci veronderstelt, zonder daarvoor eenigen grond aan te
voeren, dat deze uitlegging is gebouwd op de dwaling van onderscheiden
werelden (Marracc. in Alc. p. 589).
[1791] Zie Hoofdstuk XV, vers 18.
[1792] Zie Hoofdstuk XV, vers 47, noot.
[1793] Dit moge den Europeanen een zonderlinge vergelijking schijnen;
maar de oosterlingen denken, dat niets zoozeer der kleur van eene
fijne vrouwenhuid nabijkomt, als die van een struisei, als het geheel
zuiver is gebleven.
[1794] Er is een doornachtige boom die zoo genaamd wordt en in Tehama
bloeit. Deze draagt vruchten op den amandel gelijkende, maar zeer
bitter. Daarom heeft men dezen naam aan den helschen boom gegeven.
[1795] De ongeloovigen begrijpen namelijk niet, hoe er een boom in
de hel zou kunnen groeien, waar zelfs de steenen als brandstof dienen.
[1796] Of van slangen, afzichtelijk voor het oog. Het oorspronkelijke
woord heeft beide beteekenissen.
[1797] Sommigen veronderstellen, dat het bovenvermelde onthaal
de verwelkoming der verdoemden zal wezen, alvorens zij die plaats
binnengaan; en anderen, dat hun van tijd tot tijd zal worden toegestaan
uit de hel te komen, om hunne brandende vloeistof te drinken.
[1798] Want Noach en hij kwamen in de hoofdpunten overeen zoowel wat
geloof, als wat handelen betreft: doch de tijdruimte tusschen hen
beiden bedroeg niet minder dan 2640 jaren (Al Beid‚wi).
[1799] Hij deed alsof hij dit uit den aanblik der hemelen kon opmaken;
daar het volk zeer tot het bijgeloof der sterrenwichelarij overhelde,
en gebruikte het tot zijne verontschuldiging, dat hij afwezig zou
zijn bij hun feest, waartoe zij hem hadden uitgenoodigd.
[1800] Vreezende, dat hij eene aanstekende ongesteldheid had (Al
Beid‚wi).
[1801] Zie Hoofdstuk XXI, vers 70 enz.
[1802] Zijnde: werwaarts bij mij heeft bevolen.
[1803] Hij was toen dertien jaar oud (Al Beid‚wi).
[1804] De uitleggers zeggen, dat Abraham het bevel, om zijn zoon
te offeren, in een visioen ontving, dat hij, in den achtsten nacht
van de maand Dhoe'lhaja zag. Ten einde hem echter te verzekeren,
dat die niet van den duivel afkomstig was, hetgeen hij geneigd was
te gelooven, werd hetzelfde visioen, den volgenden nacht herhaald,
waardoor hij wist dat het van God kwam. Den volgenden nacht zag hij
het ten derdenmale; alsnu besloot hij er aan te gehoorzamen en zijn
zoon te offeren. Vanhier denken sommigen dat de 8e, 9e en 10e dagen
van Dhoelhaja, Yawin atterwiija, yawm arafat, yawm alnehr genoemd
worden, zijnde de dag van het visioen, de dag der kennis, en de dag
der offerande. Het meest algemeene denkbeeld onder de Mahomedanen
is echter, dat de zoon, die Abraham werd geofferd, niet Iza‰k, maar
IsmaÎl was, daar IsmaÎl op dat tijdstip zijn eenige zoon was; want de
belofte van Iza‰ks geboorte wordt lager vermeld, als, in tijd, op deze
gebeurtenis volgende. Zij voeren ook de verklaring van hunnen profeet
aan, die volgens het verhaal gezegd zou hebben: Ik ben de zoon der
beiden, die als offerande werden aangeboden; daarmede zijn grooten
voorvader en zijn eigen vader Abd'allah bedoelende, Abdelmottalib
had namelijk beloofd, dat, indien God hem zou veroorloven de bron
Zemzem op te sporen en te openen, en hem tien zonen zou geven, hij
een daarvan zou willen offeren. Toen dus in beide opzichten aan zijn
verlangen was voldaan, lootte hij tusschen zijne zonen, en daar het lot
op Abd'allah viel, kocht hij hem los door honderd kameelen te offeren,
hetgeen volgens de Sonna, de prijs was voor het bloed van een mensch
(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin. Al Zamakshari). Zie bl. 7.
[1805] De uitleggers voegen er bij, dat Abraham reeds zoo ver gekomen
was, dat hij op het punt stond, het mes met al zijne kracht door
den strot van den jongeling te stooten, maar dat hij op wonderdadige
wijze werd verhinderd hem te deren (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1806] De Mahomedanen veronderstellen algemeen, dat deze profeet
dezelfde was, als Al Khedr en verwarren hen met Phineas (Zie Hoofdstuk
XVIII, vers 64, noot) en somtijds met Edris of Enoch. Sommigen zeggen,
dat hij de zoon was van Yasin en nauw verwant met A‰ron, terwijl
anderen veronderstellen, dat hij een geheel verschillend persoon
was. Hij werd tot de bewoners van Baalbec in SyriÎ, het Heliopolis
der Grieken gezonden, ten einde hen af te brengen van hunne vereering
van hunnen afgod Baal of de zon, wiens naam een deel van dien der stad
uitmaakt, die oulings Becc werd genoemd (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1807] De uitleggers weten niet recht wat zij van dit woord zullen
maken. Sommigen meenen, dat dit het meervoud van Elias is, of,
zooals de Arabieren het schrijven, Ilyas, en dat daarmede zoowel
de profeet of zijne volgelingen worden bedoeld, als zij die hem
gelijken. Anderen scheiden het woord, en lezen El Yasin, zijnde:
Het gezin van Yasin, de vader van Elias, overeenkomstig hetgeen in
de vorige noot wordt vermeld; anderen weder zijn van oordeel, dat er
Mahomet of de Koran, of eenig ander boek der schriften mede bedoeld
wordt. De meest waarschijnlijke veronderstelling is echter, dat Ilyas
en Ilyasin dezelfde namen zijn, of denzelfden persoon beteekenen,
zooals SinaÔ en Sinin denzelfden berg aanduiden; aangezien hier de
laatste lettergreep slechts aan het woord is toegevoegd, om de cadans
bij het slot van het vers te behouden.
[1808] Zie Hoofdstuk VII, vers 82 en Hoofdstuk XI, vers 83.
[1809] Zie Hoofdstuk X, vers 98.
[1810] Zie Hoofdstuk XXI, vers 87.
[1811] Zijnde: Hij werd door het lot aangewezen.
[1812] Deze woorden schijnen vooral betrekking te hebben op de gebeden
van Jonas, terwijl hij zich in den buik van den walvisch bevond
(Zie Hoofdstuk XXI, vers 87).
[1813] Door hetgeen hij had doorstaan, werd zijn lichaam gelijk aan
dat van een pasgeboren kind (Al Beid‚wi). Men zegt dat de visch, na
Jonas verzwolgen te hebben, met den kop boven water, achter het schip
zwom, opdat de profeet zou kunnen ademhalen. Deze ging voort God te
loven, tot de visch aan land kwam en hem uitbraakte. De meeningen der
Mahomedaansche schrijvers, nopens den tijd dien Jonas in den buik van
den visch doorbracht, verschillen zeer veel. Sommige veronderstellen
dat het een deel van een dag was, andere drie, zeven, twintig, en
sommige zelfs veertig dagen (Al Beid‚wi).
[1814] Het oorspronkelijke woord (Jaktin) beteekent eene plant,
die zich over den grond uitspreidt, die geen opstaanden stengel
heeft om haar te ondersteunen, en bijzonder eene pompoen. Sommigen
veronderstellen echter dat de plant van Jonas een vijgenboom was,
of anderen de kleine boom of struik Mauz (Al Beid‚wi) genaamd,
die zeer groote bladeren en uitmuntende vruchten voortbrengt
(Zie J. Leon. Descr. Afric. lib. 9 Gab. Sionit de Urb. OriÎnt, ad
calcem. Geogr. Nub. p. 32 en Hottinger. Hist. OriÎnt. p. 78 etc.)
[1815] Zie Hoofdstuk XVI, vers 59.
[1816] Dat is: de engelen, die mede onder den naam van geniussen
zijn begrepen, zijnde eene soort van hen. Sommigen zeggen, dat de
ongeloovigen zoo ver gingen, te verklaren dat God en de duivels
broeders waren (Al Beid‚wi).
[1817] Deze woorden worden verondersteld door de engelen te worden
gesproken, waarbij zij de vereering, hun door de afgodendienaars
toegebracht, afwijzen en verklaren, dat zij ieder hunne taak en
standplaats hebben, hun door God aangewezen, wiens bevelen zij ten alle
tijde bereid zijn uit te voeren, en wiens lof zij aanhoudend zingen. Er
zijn echter sommige uitleggers, die denken, dat dit de woorden van
Mahomet en diens volgelingen zijn, daar de bedoeling zou wezen, dat
ieder van hen eene voor hen bestemde plaats in het paradijs heeft,
en dat zij de engelen zijn, die zich voor God in orde scharen, ten
einde hem te vereeren en te aanbidden, en die zijn lof verkondigen,
door ieder valsch denkbeeld te verwerpen, dat de waardigheid der
goddelijke wijsheid en kracht zou kunnen verminderen.
[1818] De beteekenis van deze letter (Sad) is onbekend. Sommigen gissen
dat die voor Sidk, zijnde waarheid, staat, of voor Sadaka (xdyq,
xdqt) zijnde: hij (namelijk Mahomet) spreekt de waarheid. Anderen
geven verschillende veronderstellingen op, die daarin overeenkomen,
dat zij alle even onzeker zijn.
[1819] De KoreÔshieten waren namelijk zeer verstoord door de bekeering
van Omar. De voornaamste hunner begaven zich daarop gezamenlijk
naar Aboe Taleb, ten einde zich bij hem over de handelingen van zijn
neef Mahomet te beklagen. Daar zij echter door de argumenten van den
profeet in verwarring en tot stilzwijgen gebracht werden, verlieten
zij de vergadering en moedigden elkander in hunne weerspannigheid aan
(Al Beid‚wi).
[1820] Namelijk ons van hunne vereering af te trekken.
[1821] Zijnde in den godsdienst, welken wij van onze vaderen ontvingen,
of in den godsdienst van Jezus, den laatsten voor de zending van
Mahomet, en waarin de drieÎenheid voorkomt (Al Beid‚wi).
[1822] Savary vertaalt dit: Pharao door zijne lievelingen
omringd. Overigens zegt Jallalo'ddin, tot opheldering van deze plaats,
waarbij wij de vertaling van Sale hebben gevolgd, dat Pharao de
gewoonte had, degenen, welke hij wilde straffen, met de handen en
voeten aan vier in den grond geplaatste staken te doen bevestigen en
hen zoo te martelen. Sommigen verklaren de woorden, die ook door "de
heer of de meester der staken" kunnen worden vertaald, figuurlijk,
als beeld van het hechte bestaan van Pharaos koninkrijk, dewijl de
Arabieren hunne tenten door middel van staken bevestigen (Al Beid‚wi);
doch zij kunnen ook de weerspannigheid en hardvochtigheid van dien
vorst bedoelen.
[1823] Zie Hoofdstuk XV, vers 78.
[1824] De uitleggers veronderstellen, dat hier de geschiktheid bedoeld
wordt om de vaak herhaalde uitoefening der godsdienstplichten vol
te houden. Zij zeggen, dat David gewoon was, om den anderen dag te
vasten, en de helft van den nacht in gebeden door te brengen.
[1825] Zie Hoofdstuk XXI, vers 79.
[1826] Dit waren twee engelen, die in de gedaante van menschen tot
David kwamen, om zijn oordeel te vragen over den gewaanden en hierboven
medegedeelden twist. Het is slechts de parabel van Nathan en David
(2 Sam. XII) met eene kleine wijziging.
[1827] Omdat zij plotseling tot hem kwamen, op een dag van afzondering,
toen de deuren bewaakt waren en niemand toegelaten werd, ten einde
zijne godsdienstige overpeinzingen niet te storen. Zij zeggen namelijk,
dat David zijn tijd geregeld verdeelde, een dag afzonderlijk met het
dienen van God doorbrengende, een anderen om bij zijn volk recht te
spreken, een anderen dag om voor hen te prediken en een anderen dag
aan zijne eigen zaken besteedde (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1828] De misdaad waaraan David zich schuldig maakte, was het nemen
der vrouw van Uriah, terwijl hij beval, dat men haar man aan het hoofd
van den slag zou plaatsen, opdat hij gedood mocht worden (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin). Sommigen veronderstellen, dat dit verhaal medegedeeld
werd, om als een waarschuwing voor Mahomet te dienen, die naar het
schijnt neiging had om te begeeren, wat een ander toebehoorde.
[1829] Door te veroorloven dat de onrechtvaardigheid ongestraft en
de rechtvaardige onbeloond bleef.
[1830] Salomo had uit de veroverde steden Damascus en Nisibis een
groot aantal paarden medegebracht; anderen zeggen, dat het paarden
waren die David op de Amalekieten buit gemaakt en aan zijn zoon als
erfenis nagelaten had; anderen weder, dat deze paarden uit de golven
der zee waren voortgekomen en vleugels hadden. Toen men deze duizend
paarden voor Salomo voerde, beschouwde hij die zoo lang, dat hij het
uur des gebeds vergat; maar toen hij dit bemerkte, liet hij de dieren
grootendeels ombrengen als offeranden, terwijl hij een honderdtal der
schoonste behield. Om hem voor dit verlies te troosten, onderwierp
God hem de winden (Al Beid‚wi, al Zamakshari, Yahya).