vragen op welke wijze zij zijne verschillende lastgevingen hebben
volvoerd, en hoe zij door hun volk werden ontvangen; of, hetgeen de
woorden mede kunnen beteekenen, dat hij hen, die in hem geloofden,
nopens hun geloof onderzoeken en hen dienovereenkomstig beloonen zal.
[1675] Dit waren de strijdkrachten van de KoreÔshieten en den stam
van Ghatfan, die, verbonden met de Joden van al Nadhir en Koreidha,
ten getale van twaalf duizend man, Medina belegerden, in de expeditie
welke de oorlog van de gracht is genaamd.
[1676] Op de nadering des vijands beval Mahomet naar den raad van
Salman, den PerziÎr, dat er eene diepe gracht of retranchement
rondom Medina zou worden gegraven, tot meerdere zekerheid der stad,
terwijl hij met drie duizend man uittrok, om die te verdedigen. Aan
beide zijden bleef men bijna eene maand in de kampen, zonder eenige
andere vijandelijkheid te plegen, dan het afschieten van pijlen en
het slingeren van steenen, tot God in een winternacht een doordringend
kouden Oostenwind zond, die de ledematen der verbondenen verstijfde,
hun het stof in het aangezicht joeg, hunne vuren uitbluschte,
hunne tenten omwierp en hunne paarden in wanorde bracht, terwijl de
engelen op denzelfden tijd Allah-acbar rondom hun kamp uitriepen,
waarop Toleiha Ebn Khowailed, de Asadiet, overluid zeide: Mahomet
wil u met toovenarijen aan vallen, zorgt dus door de vlucht voor uwe
veiligheid. Dientengevolge braken eerst de KoreÔshieten en daarna de
Chatfanieten het beleg op, en keerden naar huis. Men verhaalt dat
Mahomet, op het hooren van het aftrekken zijner vijanden, zeide:
Ik heb door den oostenwind eene overwinning behaald, en Ad is door
den westenwind omgekomen (Al Beid‚wi, Abu'lf, Vit. Moh. p. 77 enz.)
[1677] Zijnde Aws Ebn Keidhi en zijne aanhangers.
[1678] Dit was de oude en eigenlijke naam van Medina, of van het
grondgebied waarop die plaats stond. Sommigen meenen dat die stad
aldus werd genaamd naar haren stichter Yathreb, den zoon van Kabiya,
den zoon van Mahlayel, den zoon van Aram, den zoon van Sem, den zoon
van Noach. Anderen verhalen echter dat die stad door de Amalekieten
werd gebouwd (Ahmed Ebn Yoesof).
[1679] Namelijk in de stad, of: in hunne afvalligheid en
weerspannigheid, daar de Moslems zeker ten laatste zullen slagen.
[1680] Hetzij door in kleinen getale tot het leger op te komen,
of door slechts korten tijd bij hen te blijven en daarna met eene
gewaande verontschuldiging terug te keeren; of door zich ziek te
houden, wanneer de tijd tot handelen gekomen was.
[1681] Door spaarzaam te zijn in hunnen bijstand, hetzij wat hunnen
persoon of wat hunne beurs betreft, of begeerig naar den buit zijnde.
[1682] Om daardoor afwezig en niet verplicht te zijn ten strijde
te trekken.
[1683] Namelijk: dat wij niet moesten verwachten het paradijs binnen
te gaan zonder aan sommige beproevingen en moeielijkheden onderworpen
te zijn geweest, zie Hoofdstuk II, vers 209, III, vers 147, XXIX,
vers 1 enz. Er is eene overlevering, dat Mahomet werkelijk deze
expeditie der verbondenen en den uitslag daarvan eenigen tijd te
voren voorspelde. (Al Beid‚wi).
[1684] Door den profeet standvastig bij te staan en den vijanden
van den waren godsdienst dapper het hoofd te bieden, overeenkomstig
hunne verbintenis.
[1685] Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: hebben
hunne gelofte vervuld, of hunne schuld aan de natuur betaald, door als
martelaren in den slag te vallen, evenals Hamza, Mahomets oom, Marab
Ebn Omair en Ans Ebn Al Nadr (Al Beid‚wi), die in den slag van Ohod
werden gedood. De martelaren in den oorlog der gracht, bedroegen zes,
daaronder begrepen Saad Eba Moadh, die omstreeks eene maand daarna
aan zijne wonde overleed (Abu'lf. Vit. Moh. p. 79).
[1686] Zooals Othman en Telha (Al beid‚wi).
[1687] Dit waren de lieden van den stam van Koreidha, die, hoewel
zij met Mahomet een verbond hadden gesloten, op de onophoudelijke
aansporingen van Caab Ebn Asad, een voornaam man onder hen, in dezen
oorlog van de gracht, op verraderlijke wijze tot zijne vijanden
overliepen en daarvoor gestreng werden gestraft. Den volgenden
ochtend namelijk, nadat de verbonden strijdkrachten hunne legers
hadden opgebroken, keerde Mahomet met zijne manschappen naar Medina
terug en legden zij hunne wapenen neder, waarop zij zich na de door hen
uitgestane vermoeienis verkwikten. GabriÎl kwam daarop tot den profeet
en vroeg hem, waarom hij zijn volk had toegestaan de wapenen neder te
leggen, terwijl de engelen de hunne nog niet hadden afgelegd. Hij beval
hem onmiddellijk tegen de Koradhieten op te trekken, hem verzekerende,
dat hij zelf den weg zou banen, Mahomet gehoorzaamde het goddelijke
bevel en liet in het openbaar afkondigen, dat iedereen dien namiddag
zou bidden om de overwinning op de zonen van Koreidha. Hij trok
daarop onmiddellijk tot de expeditie op, en toen hij de forteres der
Koradhieten had bereikt, belegerde hij hen gedurende vijfentwintig
dagen. Na verloop van dien tijd, capituleerde het volk, daar zij in
groote verwarring en ellende verkeerden; en zich niet aan de genade
van Mahomet durvende vertrouwen, gaven zij zich eindelijk aan de
edelmoedigheid van Saad Ebn Moadh over (Zie Hoofdstuk VIII, vers 39)
hopende dat hij, die een vorst was van den stam van Aws--hunne oude
vrienden en bondgenooten--eenig mededoogen met hen zouden hebben;
maar zij werden bedrogen; want Saad, ten hoogste verbolgen omdat zij
het verbond hadden geschonden, had God gebeden, dat hij hem niet zou
laten sterven aan de wonde welke hij in de gracht had ontvangen, zonder
dat hij wraak op de Koradhieten had zien uitoefenen; weshalve hij
bepaalde, dat de mannen met het zwaard gedood, de vrouwen en kinderen
in slavernij gevoerd en hunne goederen onder de Moslems verdeeld
zouden worden. Zoodra Mahomet deze uitspraak hoorde, riep hij uit,
dat Saad het vonnis van God had uitgesproken, en dientengevolge werd
die straf uitgevoerd. Het getal der gedoode mannen beliep zeshonderd,
of, zooals anderen zeggen, zevenhonderd of daaromtrent, waaronder zich
Hoyai Ebn Akhtab, een groote vijand van Mahomet, en Caab Ebn Asad
bevond, die de hoofdoorzaak van het opstaan van hunnen stam waren
geweest, Saad wiens wonde reeds gesloten was, doch weder openging,
stierf korten tijd daarna (Al Beid‚wi, Abu'lf. Vit. Moh. p. 77 enz. Zie
voorts Gagnier. Vie de Moh. liv. 4, c. 3.)
[1688] Waardoor sommigen veronderstellen, dat hier PerziÎ en
Griekenland worden bedoeld; anderen Khaibar, en weder anderen, al
het land dat tot den dag des oordeels door de Moslems mocht worden
veroverd (Al Beid‚wi).
[1689] Deze plaats werd geopenbaard, omdat dat de vrouwen van Mahomet
hem om rijkere kleederen en eene buitengewone toelage voor hare
verteringen hadden gevraagd. Zoodra hij dit verzoek ontving, gaf hij
haar de vrije keuze, hetzij om bij hem te blijven of van hem gescheiden
te worden. Hij begon met AÔsha, die "God en zijn apostel" koos waarop
de overige haar voorbeeld volgden. De profeet bedankte haar alle, en
vers 52 van dit Hoofdstuk werd geopenbaard. Vanhier is door sommigen
de gevolgtrekking gemaakt, dat de vrouw welke men de vrije keuze had
gelaten, en die verkoos bij haren man te blijven, niet zou worden,
gescheiden. Anderen zijn echter van eene tegenovergestelde meening
(Al Beid‚wi).
[1690] Want de misdaad (overspel) zou grooter en onvergefelijk voor
haar zijn, om de hoogere plaats welke zij innemen, en de genade
die zij van God hebben ontvangen. Vandaar komt ook het bevel, dat de
straf van een vrij persoon het dubbele van die van een slaaf zal wezen
(zie Hoofdstuk IV, vers 30), en dat profeten strenger om hunne fouten
berispt worden dan andere menschen (Al Beid‚wi).
[1691] Zijnde eens voor hare gehoorzaamheid, en daarna nog eens
voor hare huwelijkstrouw jegens den profeet, en lofwaardig gedrag
omtrent hem.
[1692] Dat is: de oude tijd van afgodendienst. Sommigen
veronderstellen, dat hier de tijden voor den zondvloed of den tijd
van Abraham bedoeld wordt, toen de vrouwen zich met al hare sieraden
opschikten, en dan op straat gingen om zich aan de mannen te vertoonen
(Al Beid‚wi).
[1693] Zijnde ZeÔd Ebn Haretha, aan wien God reeds vroeger de genade
schonk, een Moslem te worden.
[1694] Door hem zijne vrijheid te schenken en hem voor uwen zoon aan
te nemen, enz. ZeÔd was van den stam van Calb, een tak der KhodaÔeten
afstammende van Hamyar, den zoon van Saba. Hij werd in zijne kindsheid
door eene bende vrijbuiters geroofd en door Mahomet gekocht, of, zooals
anderen zeggen, door zijne vrouw Khadidjah, voor zij hem huwde. Toen
Haretha eenige jaren later hoorde waar zijn zoon was, ondernam hij
eene reis naar Mekka, en bood een aanzienlijken prijs als losgeld,
waarop Mahomet zeide: Laat ZeÔd hier komen, en indien hij verkiest
met u te gaan, kunt gij hem zonder losgeld nemen; maar indien hij
bij mij wil blijven, waarom zou ik hem dan niet behouden? ZeÔd kwam
en verklaarde, dat hij bij zijn meester wilde blijven, die hem als
zijn eenigen zoon behandelde. Nauwelijks had Mahomet dit gehoord,
of hij nam ZeÔd bij de hand en leidde hem naar den zwarten steen
van den Caaba, waar hij hem in het openbaar als zijn zoon aannam,
en hem tot zijn erfgenaam maakte, waarin de vader toestemde en zeer
voldaan naar huis terugkeerde. Van dien tijd werd ZeÔd de zoon van
Mahomet genoemd, tot de openbaring van den Islam, (Al Jannabi zie
Gagnier Vie de Moh. liv. V. 4, c, 3.). Later deed Mahomet hem eene
vrouw huwen ZeÔneb (of Zenobia) genaamd. Eenige jaren daarna ging
Mahomet tot ZeÔd. Hij vond hem niet en zag alleen zijne vrouw, wier
schoonheid hem zoozeer trof, dat hij uitriep: Geloofd zij God, die
de harten der menschen naar zijn welbehagen keert! Toen ZeÔd weder te
huis kwam berichtte zijne vrouw hem het bezoek van Mahomet, zonder de
zeer beteekenisvolle kreet van den profeet te vergeten. ZeÔd begreep
dat hij zijne vrouw aan zijn weldoener moest opofferen, en haastte
zich diententengevolge haar te verstooten. Mahomet trachtte echter,
hetzij oprecht, hetzij slechts schijnbaar en uit vrees voor schandaal,
ZeÔd van dit voornemen af te brengen. Daarop verscheen vers 37, dat den
hartstocht van den profeet wettigt, en hetgeen hem en de geloovigen
veroorlooft, de vrouwen te huwen, welke door hunne aangenomene zonen
zijn verstooten. Hij huwde haar in het laatste gedeelte van het 5e
jaar der hedjira (Al Beid‚wi, Al Jannabi enz.) De muzelmannen doen
opmerken, dat ZeÔd de enige der tijdgenooten van Mahomet is, die in
den Koran wordt genoemd. Men dient echter Aboe Lahab niet te vergeten,
die in Hoofdstuk CXI wordt genoemd.
[1695] Daar deze gewaande betrekking, zooals reeds werd opgemaakt bij
de oude Arabieren een hinderpaal opleverde voor het huwelijk binnen
de verboden graden van bloedverwantschap gelijk wij reeds in de noot
van vers 37 hierboven hebben doen opmerken op dezelfde wijze, alsof
die bloedverwantschap werkelijk bestond. Daardoor veroorzaakte het
huwelijk van Mahomet en ZeÔneb, de vrouw van zijn aangenomen zoon,
een groot schandaal onder zijne volgelingen, dat nog vermeerderd
werd door de ijveraars en ook door de Joden, die van zulke huwelijken
afschuw hadden; maar de gewoonte wordt hier onredelijk verklaard en
voor het vervolg afgeschaft.
[1696] De Mahomedanen beschouwen Mahomet als het zegel der
profeten. Khatem Elnabiin. Zij zeggen, dat hij kwam om de zending
te bevestigen van hen, die hem waren voorafgegaan, en dat hij geen
opvolger heeft gehad (Savary).
[1697] Dat is: gij zijt niet verplicht haar eenigen tijd te behouden
voor gij haar ontslaat, zooals het geval is met haar met welke het
huwelijk is voltrokken. (Zie Hoofdstuk II, vers 231).
[1698] Zijnde: Indien haar geen bruidschat (of weduwgeld) is toegezegd;
want indien haar een bruidschat is toegezegd, is de man, overeenkomstig
de Sonna, verplicht, de vrouw de helft van den toegezegden bruidschat
en een geschenk daarenboven te geven (Al Beid‚wi, Al Jannabi,
enz.). Dit wordt thans nog opgevat als van zulke vrouwen, met welke
het huwelijk niet is voltrokken.
[1699] Het wordt daarom gezegd, dat de vrouwelijke slaven die hij
mocht koopen, niet in deze vergunning zijn begrepen.
[1700] Zonder een bruidschat te vragen. Overeenkomstig eene
overlevering van Ebn Abbas, huwde de profeet echter geene vrouw zonder
haar een bruidschat toe te kennen. De uitleggers zijn het niet eens
omtrent de vrouw, welke in het bijzonder op deze plaats wordt bedoeld.
[1701] Want geen Moslem kan wettelijk meer dan vier vrouwen huwen,
hetzij het vrije vrouwen of slavinnen mochten wezen, terwijl Mahomet,
door de voorafgaande woorden, vrijheid verkreeg, zooveel te nemen
als hij verkoos, doch met sommige beperkingen.
[1702] Door deze plaats werden nog eenige andere voorrechten aan
Mahomet toegekend; want andere mannen zijn verplicht zich gelijkelijk
omtrent hunne vrouwen te gedragen (Zie Hoofdstuk IV, vers 3 enz.) voor
het geval dat zij meer dan eene bezitten, vooral wat de plichten van
het huwelijksbed betreft, waartoe ieder op hare beurt werd geroepen
en welk recht reeds in de vroegste eeuwen werd erkend (zie Gen. XXX :
14 enz.). Ook konden zij eene vrouw, welke zij ten derden male van
zich had laten scheiden niet weder terug nemen, dan nadat zij weder
met een ander getrouwd en van dezen gescheiden was (zie Hoofdstuk II,
vers 230). Daarentegen was den profeet volkomen vrijheid gelaten,
zoowel in dit als in andere opzichten, met haar te handelen als hij
geschikt mocht oordeelen.
[1703] De uitleggers verschillen nopens de juiste meening dezer
woorden. Sommigen gelooven, dat het daardoor aan Mahomet werd verboden,
meer vrouwen dan negen te nemen, welk getal hij toen bezat, en hetgeen
verondersteld wordt zijne grens te zijn geweest, daar anderen er
slechts vier bezaten. Sommigen zeggen, dat hij na dit verbod, geene
vrouwen in de plaats mocht nemen van haar, welke hij door den dood of
door echtscheiding verloor. Anderen weder zijn van meening, dat het
hem van dien tijd alleen werd verbonden een andere vrouw te huwen, dan
eene der vier soorten in de voorafgaande plaats (v. 49). vermeld. Nog
anderen (gelijk Abu'l Kasem Hebatallah enz.) gelooven, dat dit vers
is afgeschaft door de twee voorafgaande verzen of een daarvan, als
voor deze geopenbaard, doch eerst na deze voorgelezen (Al Zamakshari,
Al Beid‚wi, Jallalo'ddin enz.).
[1704] Dat is: laat er eene gordijn tusschen u opgehangen zijn,
of laat haar gesluierd wezen, terwijl gij met haar spreekt. Het
doel van het eerste voorschrift was, om zich te vrijwaren van de
onbeschaamdheid van lastige bezoekers; het doel van het tweede was,
om eene te gemeenzame betrekking of vertrouwelijkheid tusschen zijne
vrouwen en zijne volgelingen te voorkomen, werd, naar men zegt,
in het leven geroepen, door dat de hand van een zijner volgelingen
bij toeval die van AÔsha aanraakte, hetgeen den profeet eenigszins
verstoorde (Al Beid‚wi).
[1705] Zijnde Ûf haar, van welke hij zich gedurende zijn leven zal
laten scheiden, Ûf na zijn dood zijne weduwen. Dit is een ander
voorrecht den profeeet bijzonder eigen.
[1706] Zie Hoofdstuk XXIV, vers 31.
[1707] Deze woorden zijn tot de vrouwen van den profeet gericht.
[1708] Vanhier vermelden de Mahomedanen zelden zijn naam, zonder er
bij te voegen: Op wien Gods zegen zij en vrede, of dergelijke woorden.
[1709] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk groote doeken,
gewoonlijk van wit linnen, waarmede de vrouwen in het Oosten, als
zij uitgaan, zich van het hoofd tot de voeten bedekken.
[1710] De uitleggers komen niet overeen welke deze lastering geweest
zij. Sommigen zeggen, dat Mozes gewoon was zich afzonderlijk te
wasschen, weshalve eenige slechtgezinden uitstrooiden, dat hij eene
breuk had (of, zeggen anderen, dat hij melaatsch of een hermaphrodiet
was), en daarom het schuwde, zich met hen te wasschen. Maar God
zuiverde hem van deze lastering, door den steen, waarop hij zijne
kleederen had nedergelegd, met dezen naar het kamp te doen loopen,
waar Mozes die naakt volgde. Op deze wijze zagen de IsraÎlieten de
volkomen valschheid van het gerucht. Anderen veronderstellen, dat hier
de beschuldiging van Karoen tegen Mozes wordt bedoeld. (Hoofdstuk
XXVIII, vers 76), of wel de verdenking van A‰rons moord, die op
Mozes werd geworpen, omdat hij bij hem was toen hij op den berg
Hor stierf. Hij werd echter omtrent dit laatste gerechtvaardigd,
doordat de engelen het lijk brachten en het openbaar tentoonstelden,
of, zooals sommigen zeggen, door de verklaring van A‰ron zelven,
die tot dat doel ten leven werd opgewekt (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1711] Sommige afschriften hebben abda in plaats van inda, tengevolge
waarvan deze woorden zouden moeten vertolkt worden: En hij was een
doorluchtig dienaar van God.
[1712] Door geloof wordt hier verstaan; geheele gehoorzaamheid
aan Gods wet, die voorgesteld wordt als van zooveel belang (want
eeuwige gelukzaligheid of ellende hangt geheel van hare nakoming
of verwaarloozing af), en als zoo moeielijk in hare nakoming, dat,
indien God hetzelfde op die voorwaarden aan de grootere deelen
van de schepping zou voorstellen en zij verstand genoeg bezaten om
het symbool te begrijpen, zij het zouden weigeren en geen plicht
op zich zouden durven nemen, waarvan het niet vervullen door een
zoo verschrikkelijken uitslag wordt gevolgd. Er wordt gezegd, dat
de mensch het toch ondernam, niettegenstaande zijne zwakheid, en de
gebreken hem van nature eigen. Sommigen beweren, dat dit voorstel niet
hypothetisch is, maar werkelijk aan de hemelen, de aarde en de bergen
werd gedaan, welke bij hunne eerste schepping met rede waren begaafd,
en dat God hun zeide, dat hij eene wet had gemaakt en het paradijs
had geschapen ter belooning van hen, die daaraan gehoorzaamden,
en de hel tot straf van den ongehoorzame, waarop zij antwoordden,
dat zij er mede tevreden waren, genoodzaakt te worden, de diensten
te vervullen, waarvoor zij werden geschapen, maar dat zij niet zouden
willen ondernemen de goddelijke wet op die voorwaarden te vervullen,
en dus noch belooning noch straf verlangden. De verhalers van deze
vertelling voegen er bij, dat, toen Adam werd geschapen, hem hetzelfde
aanbod werd gedaan en hij het aannam (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). De
uitleggers geven echter andere uitleggingen van deze plaats.
[1713] Onrechtvaardig omtrent zich zelven, door het niet vervullen
zijner verbintenissen en het gehoorzamen der wet, welke hij had
aangenomen; en dwaas, daar het gevolg zijner ongehoorzaamheid en
achteloosheid niet te overwegen is.
[1714] Van het volk van Saba wordt melding gemaakt in het 14e vers.
[1715] Zooals: de regen, verborgen schatten, dooden, enz.
[1716] Zooals: dieren, planten, metalen, bronwater, enz.
[1717] Zooals: de engelen, de schriften, Gods besluiten, regen,
bliksem en donder, enz.
[1718] Zooals: de engelen, daden van menschen, dampen, rook enz. (Al
Beid‚wi).
[1719] Zie Hoofdstuk XXI. vers 79.
[1720] Zie ibid. vers 80.
[1721] Zie Hoofdstuk XXI, vers 81.
[1722] Zij zeggen dat deze fontein te Yaman was en drie dagen in de
maand vloeide (Al Beid‚wi Jallalo'ddin).
[1723] Sommigen veronderstellen dat dit beelden van de engelen en
profeten waren, en dat het maken daarvan toen niet was verboden; en
anderen, dat het niet zulke beelden waren, welke door de wet werden
verboden. Sommigen zeggen, dat deze geesten hem twee leeuwen maakten,
die aan den voet van zijn troon, en twee arenden die daar boven werden
geplaatst, en dat als hij den troon beklom, de leeuwen hunne klauwen
uitstrekten, en dat, wanneer hij nederzat, de arenden hem met hunne
vleugels overschaduwden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1724] Zijnde zoo reusachtig groot, dat een duizendtal menschen te
gelijk uit ieder daarvan zou hebben kunnen eten.
[1725] Deze ketels zeggen zij, waren uit de bergen van Yaman gehouwen
en zoo reusachtig, dat zij niet vervoerd konden worden, en het volk
met een aantal treden daarnaar opklom (Jallalo'ddin).
[1726] Ten einde deze plaats te verklaren, verhalen de uitleggers,
dat David, die de grondslagen van den tempel van Jeruzalem had gelegd,
welke in plaats van den tabernakel van Mozes zou worden opgericht, toen
hij stierf, de voltooiing daarvan aan zijn zoon Salomo overliet, die de
geniussen bij dien arbeid gebruikte. VÛÛr het gebouw geheel voleindigd
was, voelde Salomo zijn einde naderen, weshalve hij God bad, dat zijn
dood voor de geniussen mocht verborgen blijven, tot zij den arbeid
voleindigd zouden hebben. God beval daarom, dat Salomo zou sterven,
als hij stond te bidden, leunende op zijn staf, die het lijk gedurende
een vol jaar in dien stand hield. De geniussen veronderstelden, dat hij
levend was, en vervolgden hunnen arbeid gedurende dat tijdsverloop. Na
het einde dier tijdruimte was de tempel voltooid, en een worm, die
in den staf gekropen was, doorknaagde dezen waardoor het lichaam
op den grond viel en de dood des konings ontdekt werd (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin). Misschien dat deze fabel dat de tempel door geniussen
en niet door menschen is gebouwd, zijn oorsprong heeft genomen in
hetgeen daarvan in de H. Schrift wordt vermeld; namelijk dat het huis
van steen werd gebouwd, welke gereed gemaakt was, vÛÛr die daarheen
werd gebracht, zoodat, terwijl het werd gebouwd er noch hamer, noch
bijl, noch eenig gereedschap in werd gehoord. (I Koningen VI : 7).
[1727] Zijnde: dat zij niet in slaafsche onderwerping aan het bevel
van Salomo gebleven, noch met het werk van den tempel zouden zijn
voortgegaan.
[1728] Saba was de zoon van Yashhab, den zoon van Yarab, den zoon van
Khatan, wiens nakomelingen in Yaman woonden in de stad Mareb, ook Saba
genaamd, en op omstreeks drie dagreizen van Sanaa gelegen. Wie iets
naders wil weten omtrent dit gedeelte van gelukkig ArabiÎ en de taal
welke men er spreekt, leze eene reeks artikelen van den Heer Fresnel,
voorkomende in het Journal Asiatique.
[1729] Dat is: twee streken lands, waarvan de eene aan deze en de
andere aan gene zijde hunner stad ligt, welke met boomen beplant
en tot tuinen gevormd zijn, die zoo dicht aan elkander liggen, dat
iedere streek een doorloopende tuin scheen te wezen; of het kan zijn,
dat ieder huis ter wederzijde een tuin had (Al Beid‚wi).
[1730] De uitleggers geven verschillende beteekenissen van het woord al
Arem op, die schier niet der moeite waard zijn, vermeld te worden. De
meest eigenlijke beteekenis is die van wallen of dammen, ten einde
het water te keeren of te bevatten, en is hier gebruikt voor den
verbazenden wal of het gebouw, dat de uitgestrekte vergaarkom boven de
stad Saba vormde, en dat, wegens, de groote goddeloosheid, trotschheid
en onbeschaamdheid der bewoners, des nachts door een hevigen vloed
werd doorgebroken, en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte. Al
Beid‚wi veronderstelt, dat deze wal het werk der koningin Balkis was,
en dat het bovengenoemde ongeval plaats had na Chr. geboorte. Hierin
schijnt hij zich echter, volgens de meening van Sale, te hebben
bedrogen. Volgens de onderzoeking echter van de Sacy, zou men het in
de tweede eeuw na Chr. kunnen plaatsen. Overigens verwijzen wij nog
naar l'Histoire des Arabes van Caussin de Perceval 3 vols, 1849.
[1731] Een kleine heester, die geene vruchten draagt, en op zilte en
onvruchtbare gronden wast (Tamarix of Tamariscus).
[1732] Zijnde de steden van SyriÎ.
[1733] Want de nabijwonende volkeren verwonderden zich terecht over
de spoedige en onvoorziene omwenteling in de zaken van dit eens
zoo bloeiende volk, van waar het tot een spreekwoord is geworden,
als men eene geheele verstrooiing wil aanduiden, dat zij verdwenen
en verstrooid werden als Saba (Al Beid‚wi. Zie Gol. note in Alfrag.,
p. 87).