[1601] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een getal personen

van tien tot veertig. Sommigen beweren, dat deze sleutels zeventig

man vereischten. Abu'lfeda zegt dat men veertig muilezels gebruikte,

om die te vervoeren.

[1602] Deze plaats komt overeen met Luc. XVI : 9.

[1603] Men zegt, dat hij op een witten muilezel reed, die met gouden

tuig was versierd; dat hij in purper was gekleed, en door vier duizend

wel gewapende en rijk gekleede mannen gevolgd werd.

[1604] Sommigen zeggen, dat dit vers aan Mahomet werd geopenbaard,

toen hij op zijne vlucht van Mekka naar Medina te Johfa aankwam,

ten einde hem gerust te stellen en zijne klachten te stillen.

[1605] In vers 40 wordt van dit insect melding gemaakt.

[1606] Sommigen beweren, dat de verzen 1-10 te Medina werden

geopenbaard en het overige gedeelte van het Hoofdstuk te Mekka;

anderen weder gelooven het tegenovergestelde.

[1607] Zie Hoofdstuk II, vers 1, noot.

[1608] Deze plaats gispt het ongeduld van sommige der volgelingen van

den profeet, veroorzaakt door de ongemakken, welke zij doorstonden

in de verdediging van hunnen godsdienst en de verliezen die zij van

de ongeloovigen leden, door hun aan te toonen, dat zulke rampen

noodzakelijk waren om den oprechten persoon van den huichelaar,

den standvastige van den twijfelende te onderscheiden. Sommigen

veronderstellen, dat deze plaats werd veroorzaakt door den dood

van Mahja, den slaaf van Omar, welke in den slag van Bedr door een

pijl gedood, en door zijne vrouw en nabestaanden diep betreurd werd

(Al Beid‚wi).

[1609] Zijnde: de schuld aan de verleiding van anderen, die gevoegd

zal worden bij de schuld hunner eigene weerspannigheid, zonder de

schuld dergenen te verminderen, die door hen zijn verleid.

[1610] Dit is waar, indien men het geheele leven van Noach

rekent; en volgens het beweren van Abu'lfeda, werd hij in zijn

tweehonderdvijftigste jaar gezonden om te prediken en leefde hij

in het geheel negenhonderdvijftig jaren: de tekst schijnt echter

alleen te spreken van de jaren, welke hij doorbracht met vÛÛr den

zondvloed te prediken, daar de uitleggers veronderstellen, dat hij

veel langer heeft geleefd. Sommigen zeggen, dat de geheele lengte van

zijn leven duizend en vijftig jaren was; dat hem op veertigjarigen

ouderdom zijne zending werd opgedragen, en dat hij zestig jaren

na den zondvloed leefde (Al Beid‚wi, Al Zamakshari). Anderen geven

verschillende getallen op, en ÈÈn vooral beweert, dat Noach bijna

zestienhonderd jaren leefde (Caab, op Yahya). Al Beid‚wi zegt, dat

deze omstandigheid werd vermeld, om Mahomet te verzekeren dat God,

die Noach zoovele jaren tegen weerspannigheid en de aanslagen der

antidiluviaansche ongeloovigen had ondersteund, niet zou nalaten,

hem tegen alle pogingen van de afgodendienende bewoners van Mekka en

hunne partijgangers te verdedigen.

[1611] De ark.

[1612] Zie Psalm CXXXIX : 7, enz.

[1613] Zie Hoofdstuk XXI, vers 71.

[1614] Sommigen veronderstellen, dat de bewoners van Sodom de

voorbijgangers plunderden en doodden; anderen dat zij hunne lichamen

misbruikten.

[1615] Daar hunne bijeenkomsten tooneelen van onkuischheid en

ongebondenheid waren.

[1616] Zie Hoofdstuk XI, vers 72.

[1617] Zie ibid, vers 77.

[1618] Zijnde het verhaal harer vernietiging, door de gewone

overlevering gemeld, of wel hare bouwvallen, of andere sporen van

dit vonnis. Er wordt beweerd, dat verscheidene der steenen die op

deze steden uit den hemel nedervielen, nog te zien zijn, en dat de

grond waar zij stonden, verbrand en zwartachtig schijnt.

[1619] Zie Hoofdstuk VII, vers 89.

[1620] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een wind, die

het zand en de kleine steentjes voor zich uitdrijft, en waarmede

de storm, of de regenbui van steenen, schijnt te worden bedoeld,

die Sodom en Gomorrah vernielde.

[1621] Hetgeen het einde van Ad en Thamoed was.

[1622] Zooals met Karoen geschiedde.

[1623] Zooals de ongeloovigen ten tijde van Noach en Pharao met

zijn leger.

[1624] Zijnde: zonder hevige taal en drift. Dit vers wordt algemeen

verondersteld, door dat van het zwaard te zijn afgeschaft; maar

sommigen denken, dat het alleen betrekking heeft op degenen, die met

de Moslems in bondgenootschap zijn.

[1625] Zie Hoofdstuk VI, vers 57.

[1626] Dat is: Indien gij mij niet in de eene stad of op de eene

plaats kunt aanbidden, vlucht dan naar eene andere, waar gij den waren

godsdienst in zekerheid kunt belijden; want de aarde is ruim genoeg,

en gij zult gemakkelijk toevluchtsoorden vinden. Men zegt dat Mahomet

heeft verklaard, dat, wie om de zaak van den godsdienst vlucht al

zij het ook, dat hij ÈÈne span aflegt, het paradijs verdient, en de

makker van Abraham en de zijnen zal wezen (Al Beid‚wi).

[1627] En weet dus wie een goed en wie een slecht gebruik zijner

rijkdommen zal maken.

[1628] Het oorspronkelijke woord is al Rum, waarmede hier de latere

Grieken, of de onderdanen van het Konstantinopelsche rijk worden

bedoeld. De Arabieren geven echter denzelfden naam aan de Romeinen

en andere Europeanen.

[1629] Sommigen zonderen hiervan vers 17 uit.

[1630] Zie Hoofdstuk II, vers 1, noot.

[1631] De vervulling van de profetie vervat in deze plaats, die bij de

Mahomedanen zeer beroemd is, wordt door hunne godgeleerden beschouwd

als een overtuigend bewijs, dat de Koran werkelijk van den hemel

nederkwam. Het zal daarom dan ook niet ondienstig zijn hierbij langer

dan gewoonlijk stil te staan. Deze plaats wordt gezegd geopenbaard

te zijn bij gelegenheid eener groote overwinning, door de Perzen op

de Grieken behaald. Toen het bericht daarvan te Mekka aankwam werden

de ongeloovigen uitermate overmoedig, en begonnen Mahomet en zijne

volgelingen te mishandelen, zich verbeeldende, dat dit voordeel,

behaald door de Perzen, die, gelijk zij zelven, afgodendienaars

waren, en verondersteld werden geene schriften te bezitten, op de

Christenen, die, evengoed als Mahomet beweerden ÈÈn God te aanbidden

en goddelijke schriften te bezitten, een begin was van hunne eigene,

toekomstige overwinningen op den profeet en zijne volgelingen. Om

deze ijdele hoop te keer te gaan, wordt hier in den tekst voorzegd,

dat, hoe onwaarschijnlijk het ook moge zijn, de kans in eenige jaren

zou verkeeren en de overwonnen Grieken op wonderdadige wijze over

de Perzen zouden zegepralen. Dat deze profetie juist vervuld werd,

vergeten de uitleggers niet te doen opmerken; doch zij komen niet

geheel overeen in de verhalen welke zij van hare vervulling geven,

daar het aantal jaren tusschen de twee voorvallen niet juist

is uitgemaakt. Sommigen plaatsen de overwinning, door de Perzen

behaald in het vijfde jaar voor de Hedjira, en hunne nederlaag door

de Grieken in het tweede jaar daarna, toen de slag van Bedr plaats

had (Jallalo'ddin, enz.) Anderen plaatsen het eerste wapenfeit in

het derde of vierde jaar voor de hedjira en het laatste in het einde

van het zesde of in het begin van het zevende jaar daarna, toen de

expeditie naar al HodaÔbiÔah werd ondernomen (Al Zamakhshari, Al

Beid‚wi.) Het tijdstip van de overwinning door de Grieken behaald,

in het eerstgenoemde dezer verhalen opgegeven, is in tegenspraak

met eene geschiedenis, welke door de uitleggers wordt verhaald van

eene weddenschap door Aboe Bekr met Obba Ebn Khalf aangegaan, die

zijne voorspelling bespottelijk maakte. Aboe Bekr verwedde eerst tien

jonge kameelen, dat de Perzen binnen drie jaren eene nederlaag zouden

lijden. Toen hij nu Mahomet verhaalde wat hij had gedaan, zeide de

profeet hem, dat het woord bed, waarvan in deze plaats wordt gebruik

gemaakt, geen bepaald getal jaren beteekent, maar een zeker getal

van drie tot negen (eenigen veronderstellen dat het tiende jaar mede

daaronder is begrepen), en ried hem dus aan, den tijd te verlengen, en

de weddenschap grooter te maken, hetgeen hij dientengevolge aan Obba

voorstelde. Zij besloten daarop, dat de bepaalde tijd negen jaren en

de inzet der weddenschap honderd kameelen zou wezen. Alvorens deze

tijd was verloopen, stierf Obba aan eene wonde, welke hij te Ohod

had ontvangen, in het derde jaar der hedjira (Zie Hoofdstuk XXVI,

vers 29, in de noot). Maar toen de gebeurtenissen daarna toonden, dat

Aboe Bekr had gewonnen, ontving hij de kameelen van de erfgenamen

van Obba en bracht die in zegepraal naar Mahomet (Al Beid‚wi,

Jallalo'ddin enz.). De geschiedenis leert ons dat de overwinningen

van Khosroe Parvis, of den Edelmoedigen (590-628) koning van PerziÎ,

die een vreeselijken oorlog tegen het Grieksche rijk onderhield,

om den dood van Maurits, zijn schoonvader te wreken, die door Phocas

was gedood, zeer groot waren en elkander in eene onafgebroken reeks

van tweeÎntwintig jaren opvolgden. Vooral in het jaar 615 na Christus,

tegen het begin van het zesde jaar voor de hedjira, maakten de Perzen,

die in het voorafgaande jaar SyriÎ hadden verwonnen, zich meester

van Palestina en namen Jeruzalem in. Dit schijnt het groote voordeel

te zijn op de Grieken behaald, als het best overeenkomende met de

uitdrukkingen hier gebruikt, en het meeste geschikt, de Arabieren door

de nabijheid van het tooneel des voorvals te verontrusten. Op dien

tijd was er bovendien zoo weinig waarschijnlijkheid, dat de Grieken

in staat zouden wezen, hunne verliezen te herwinnen, en veel minder

de Perzen nadeel toe te brengen, dat de wapenen der laatstgenoemden

nog meer en aanzienlijker vorderingen maakten, en zij eindelijk zelfs

het beleg voor Konstantinopel sloegen. Maar in het jaar 625 waarin het

vierde jaar van de hedjira begon, omstreeks tien jaren na de inneming

van Jeruzalem behaalden de Grieken, toen dit het allerminst werd

verwacht, eene belangrijke overwinning op de Perzen en dwongen hen,

niet alleen het grondgebied des rijks te verlaten, door den krijg in

hun eigen vaderland over te brengen, maar dreven hen tot het uiterste

punt en plunderden de groote stad al Madayen. Heraclius mocht zich

van toen af in eene aanhoudende reeks van voordeelen verblijden, tot

de aftreding en den dood van Kosroe. Overigens verwijzen wij naar de

historieschrijvers en chronologen. (Zie Asseman, Bibl. Orient. t. 3

part 1, p. 411 enz. en Boulainy. Vie de Moham, p. 333, enz.)

[1632] Sommige uitleggers veronderstellen, dat het hier bedoelde land,

ArabiÎ of wel dat der Grieken is, en plaatsen het tooneel van dit

voorval op de grenzen van ArabiÎ en SyriÎ, nabij Bostra en Adhradt

(Yahya, Al Beid‚wi). Anderen gelooven dat hier het land van PerziÎ

wordt bedoeld, en plaatsen het voorval in MesopotamiÎ, op de grenzen

van dat koninkrijk (Mojahed op Zamakhsh.), maar Ebn Abbas denkt met

meer waarschijnlijkheid, dat het Palestina was.

[1633] Om naar water en mineralen te graven en den grond te beploegen,

ten einde daarop te zaaien enz.

[1634] Zie Hoofdstuk III, vers 27.

[1635] Dat is: als wij van hem spreken, moeten wij gebruik maken van

de edelste en heerlijkste uitdrukkingen, welke wij slechts in staat

zijn uit te denken.

[1636] Zie Hoofdstuk XVI, vers 77.

[1637] Zijnde de onveranderlijke natuurwet, waarop alles berust;

welke de mensch van nature geneigd is op te volgen, en welke iedereen,

als het meest geschikt voor een redelijk wezen, zou willen omhelzen.

[1638] Dat is: hebben wij ooit, hetzij, door den mond van een of

anderen profeet, of door eene geschreven openbaring, de aanbidding

van meer dan ÈÈn god bevolen of aangemoedigd.

[1639] En zoeken Gods gunst niet ten gepasten tijde door berouw

te herwinnen.

[1640] Of door omkooping. Het woord bevat alle afpersing of

ongeoorloofde winst.

[1641] Zijnde: ongeluk en openbare ramp, zooals: honger, pest, droogte,

schipbreuken enz., of dwaalbegrippen, of eene algememene verdorvenheid

van zeden enz.

[1642] Zijnde in de wereld of in hunne graven. Zie Hoofdstuk XXIII,

vers 115.

[1643] Dat is overeenkomstig zijne voorkennis en zijn besluit in de

bewaarde tafels; overeenkomstig hetgeen in den Koran is gezegd, waar

de staat des doods door deze woorden is uitgedrukt (Hoofdstuk XXIII,

vers 102). Achter hen zal een hek (of slagboom) zijn, tot den dag

der opstanding (Al Beid‚wi).

[1644] Dit Hoofdstuk is aldus genoemd naar den persoon, die in het

11e vers wordt vermeld.

[1645] Sommigen zonderen hiervan echter het 3e vers uit, en anderen

de drie verzen 26-28.

[1646] Zijnde ijdele en dwaze fabels. Men zegt, dat deze plaats werd

geopenbaard met het oog op al Nodar Ebn al Hareth, die, den roman van

Rostam en Isfandiyar uit PerziÎ hebbende medegebracht, tot welk land

die beide helden behoorden, dezen in de vergadering der KoreÔshieten

zong; daarbij de macht en heerlijkheid der oude Perzische koningin

hoogelijk roemende, en hunnen verhalen de voorkeur gevende, boven

die van Ad en Thamoed, David en Salomo en de overige, welke in den

Koran worden medegedeeld. Sommigen zeggen, dat al Nodar zingende

meisjes kocht en die aan degenen deed brengen, welke neiging hadden

Moslems te worden, ten einde hen door gezangen en verhalen van hunne

bedoelingen af te brengen (Al Beid‚wi.).

[1647] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15. Een geleerd schrijver (Gol in

Append. ad Erpinii Gram. p. 187) zegt, in zijne aanteekeningen op

deze plaats, dat het woord rawasiya, hetgeen door de uitleggers in

het algemeen als onbewegelijke bergen wordt wedergegeven, (eigenlijk

het Hebreeuwsch woord m/ekvnm/">mkvnyh zijnde) grondslagen of basis

beteekent. Genoemde schrijver is dientengevolge van oordeel, dat

de Koran hier de plaats uit de Psalmen heeft overgenomen, luidende:

Hij legde de grondslagen der aarde, opdat die in eeuwigheid niet zou

wankelen (Psalm CIV : 5). Dit is het eenige bewijs niet, dat men zou

kunnen geven, dat Mahomedaansche godgeleerden niet altijd de beste

vertolkers hunner schriften zijn.

[1648] De Arabische schrijvers zeggen, dat Lokman de zoon was van

Ba¸ra, de zoon of kleinzoon van een zuster of tante van Job en dat hij

eenige eeuwen, tot den tijd van David leefde, met wien hij in Palestina

verkeerde. Volgens de beschrijving welke zij van dezen persoon geven,

moet hij zeer misvormd zijn geweest. Zij zeggen namelijk, dat hij een

zwarte huid had (vanwaar sommigen hem voor een EthiopiÎr houden),

met dikke lippen en gespleten voeten. Daarentegen ontving hij van

God wijsheid en welsprekendheid in een hoogen graad, welke hem,

volgens sommigen, in een visioen werden gegeven, waarbij hij de

wijsheid boven de gave der profetie verkoos, welke hem beide werden

aangeboden. Algemeen houden hem de Mahomedanen daardoor niet voor een

profeet maar alleen voor een wijs man. Wat zijn stand betreft, zeggen

zij, dat hij een slaaf was, maar dat hij zijne vrijheid bij de volgende

gelegenheid verkreeg: Zijn meester gaf hem eens eene bittere meloen te

eten, en hij betoonde daarbij zooveel gehoorzaamheid dat hij de vrucht

geheel opat, waarop de meester zich zeer verwonderde en hem vroeg:

Hoe hij zulk eene vrucht kon eten? Hij antwoordde daarop, dat het geen

wonder was, dat hij eens eene bittere vrucht aannam uit dezelfde hand,

van welke hij zoovele gunsten had ontvangen. (Al Zamakhsh, Al Beid‚wi,

enz. Zie d'Herbel, Bibl. Orient, p 516 en Marracc, in Alc. p. 547). De

uitleggers vermelden verschillende snedige antwoorden, die door

Lokman zouden zijn gegeven, en welke, gevoegd bij de boven vermelde

omstandigheden, zoo zeer overeenkomen met hetgeen Maximus Planudes van

Esopus heeft geschreven, dat daarom, en ook door de fabelen, welke door

de Oosterlingen aan Lokman worden toegeschreven, de laatste algemeen is

aangenomen de Esopus der Grieken te zijn geweest. Desniettegenstaande

is Sale van oordeel, dat Planudes een groot deel van zijn leven van

Esopus aan de overleveringen heeft ontleend, welke hij in het Oosten

nopens Lokman ontmoette, daaruit afleidende, dat zij ÈÈn persoon

vormden, omdat zij beiden slaven waren en verondersteld worden, de

schrijvers te zijn van de fabelen, welke onder hunne verschillende

namen doorgaan, en veel op elkander gelijken. Het is toch reeds

voorlang door geleerden opgemerkt, dat het grootste deel van dit

verhaal van den monnik Planuder, een samengeflanste roman is, welke

door geen bewijs der oude schrijvers wordt gestaafd (Zie vie d'Esope

par M. de Meziriac Bayle, Dict. Historique, Art Esope Rem. B.).

[1649] De plaats vers 13 en 14 maken geen deel uit van den raad van

Lokman aan zijn zoon, maar zijn er, bij wijze van tusschenzin, aan

toegevoegd, als zeer passend en geschikt om hier te worden herhaald,

ten einde het verfoeielijke der afgoderij aan te toonen. Die woorden

zijn (behalve eenige bijvoegingen) in Hoofdstuk XXIX, vers 7 te vinden

en werden oorspronkelijk geopenbaard wegens Saad Ebn Abi Wakkas,

Wiens moeder hem weder van den Islam wilde terugbrengen.

[1650] De persoon hier eigenlijk bedoeld, was Aboe Bekr, door wiens

aanraden Saad een Moslem werd.

[1651] De Arabieren vergelijken namelijk eene luide en onaangename

stem bij het balken van dat dier.

[1652] Zijnde: alle soorten van zegeningen, die zoowel den geest als

het lichaam betreffen.

[1653] Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard ter beantwoording

van de Joden, die volhielden, dat alle kennis in de wet was bevat

(Al Beid‚wi).

[1654] Daar God in staat is een millioen werelden voort te brengen

door het enkele woord Kun, zijnde: Wees! en de dooden allen te doen

verrijzen door het enkele woord Kum, d.i. Rijst op!

[1655] Zijnde de duivel.

[1656] Op deze plaats worden vijf zaken opgeteld, welke God alleen

kent; zijnde; de tijd van den dag des oordeels, de tijd van den

regen, of hetgeen zich in den schoot vormt, tot het mannelijke of

het vrouwelijke geslacht behoort, enz., wat morgen zal geschieden

en waar iemand zal sterven. Dit noemen de Arabieren, overeenkomstig

eene overlevering van hunnen profeet, de vijf sleutels van verborgen

kennis. Men zegt dat deze plaats door Al Hareth Ebn Amroe werd

veroorzaakt, die aan Mahomet vragen van dien aard voorstelde. Omtrent

de laatste bijzonderheden geeft Al Beid‚wi het volgende verhaal: De

engel des doods ging eens in een zichtbaren vorm Salomo voorbij. De

engel zag iemand aan, die bij hem zat, waarop deze vroeg, wie hij

was. Salomo herkende hem als den engel des doods, waarop de man zeide:

Hij schijnt mij te verlangen; beveel dus den wind mij van hier naar

IndiÎ over te brengen. Toen dit volvoerd was zeide de engel tot

Salomo: Ik zag dien man zoo ernstig aan, uit verwondering, omdat mij

bevolen was zijne ziel uit IndiÎ te halen, en ik hem hier met u in

Palestina vond.

[1657] De titel is aan vers 15 ontleend, waar gezegd wordt dat de

geloovigen in aanbidding nedervallen.

[1658] Zie Hoofdstuk XXVIII, vers 46.

[1659] Zie Hoofdstuk LXX, vers 4, noot. Sommige leggen de hier

voorkomende plaats niet uit, als had die betrekking op de opstanding,

maar veronderstellen, dat de woorden hier het nemen en uitvoeren

van Gods besluiten beschrijven welke van den hemel op aarde worden

nedergezonden en tot hem terugkeeren (of opklimmen, zooals het

werkwoord eigenlijk beteekent), nadat zij tot uitvoering zijn

gebracht. Zij stellen deze voor, als het ware met zijn voorkennis

uitgevoerd in den tijd van ÈÈn dag met God, maar met den mensch in

duizend jaren. Anderen denken dat deze tijdruimte de tijd is, dien

de engelen welke de goddelijke besluiten overvoeren en deze na hunne

uitvoering terugbrengen, noodig hebben om af te dalen en weder op te

stijgen, aangezien de afstand van den hemel tot de aarde eene reis

van vijfhonderd jaren vordert, terwijl anderen van meening zijn,

dat de engelen in eens de besluiten voor de volgende duizend jaren

brengen, na verloop waarvan zij terugkeeren om nieuwe bevelen af te

halen enz. (Al Beid‚wi).

[1660] Zijnde: zaad.

[1661] Zie Hoofdstuk VII, vers 34 en Hoofdstuk XI, vers 120.

[1662] Zelfs niet een van de engelen, die het naast bij Gods

troon komen, noch een der profeten, welke door hem zijn gezonden

(Al Beid‚wi).

[1663] De bewoners van Mekka komen namelijk dikwijls voorbij de

plaatsen, waar de Adieten, Thamoedieten, Midianieten, Sodomieten

enz. eens woonden.

[1664] Dat is op den dag des oordeels: sommigen veronderstellen

echter, dat de hier bedoelde dag die van de overwinning te Bedr is,

of wel die van de inneming van Mekka, waarbij verscheidene van hen,

die gebannen waren, onmiddellijk werden gedood.

[1665] Een deel van dit Hoofdstuk werd geopenbaard bij gelegenheid van

den oorlog der gracht, die in het vijfde jaar der hedjira voorviel,

toen Medina gedurende meer dan twintig dagen door de verbonden

strijdmachten van verschillende Joodsche stammen en van de bewoners van

Mekka, Najd en Tehama werd belegerd, op de aanhitsing der Joden van

den stam van Nadhir, welke een jaar te voren door Mahomet uit hunne

woonplaatsen, nabij Medina, waren verdreven geworden (Zie Abu'lfeda,

Vit. Moh. p. 73 en Gagnier, Vie de Mohamm. lib. 4. c. l.).

[1666] Men verhaalt dat Aboe Sofian, Acrema Ebn Abi Jahl en Abu'l A'war

al Salami eens een vriendschappelijk onderhoud met Mahomet hadden,

waarbij ook Abdallah Ebn Obba, Moatteb Ebn Kosheir en Jadd Ebn Kais

tegenwoordig waren, waarin de eerstgenoemden den profeet voorstelden

dat, indien hij zou willen ophouden, tegen de aanbidding van hunne

goden te prediken en hij die als bemiddelaars zou willen erkennen,

zij hem en zijn Heer geene verdere moeilijkheden zouden veroorzaken;

waarop deze woorden werden geopenbaard (Al Beid‚wi).

[1667] Deze plaats werd geopenbaard, om twee gewoonten der oude

Arabieren af te schaffen. De eerste daarvan was de wijze, waarop zij

zich van hunne vrouwen lieten scheiden, als zij geene lust hadden,

haar uit hun huis te laten vertrekken of te laten huwen; en dit deed

de man, door tot de vrouw te zeggen: "Gij zijt mij voortaan als de

rug mijner moeder", na het uitspreken van welke woorden hij afstand

van haar bed had gedaan en haar in alle opzichten als zijne moeder

beschouwde. Zij werd dan tot al zijne nabestaanden zoo verwant, als

ware zij werkelijk zijne moeder. De andere gewoonte bestond daarin,

dat zij hunne aangenomen zoons even zoo aan zich verwant beschouwden

als hunne werkelijke zonen, waardoor dezelfde hinderpalen tegen het

huwelijk uit die veronderstelde betrekking voortvloeiden, betreffende

de verboden verbindingen, gelijk dit met een echten zoon het geval

is. Mahomet had eene bijzondere reden dit laatste af te schaffen,

daar hij de vrouw huwde, welke van zijnen bevrijden slaaf ZeÔd was

gescheiden, die mede zijn aangenomen zoon was, waarop wij later nader

zullen terugkomen. Door de verklaring, die tot inleiding van deze

plaats strekt, dat God, geen mensch twee harten heeft gegeven, wordt

bedoeld, dat een man niet dezelfde gehechtheid voor veronderstelde

bloedverwanten, en voor aangenomen kinderen kan hebben als voor

degenen, die dit werkelijk zijn. Men verhaalt dat de Arabieren gewoon

zijn, van een voorzichtig en scherpzinnig mensch te zeggen, dat hij

twee harten heeft: vanwaar zekere Abn Mamkr, of, zoo als anderen

zeggen, Jemil Ebn Asad El Fihri, den bijnaam had van Dhoe'lkalbein,

of de man met twee harten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[1668] Door onwetendheid of vergissing, of dat gij in den verleden

tijd hebt gedwaald.

[1669] Hun niets bevelende dan wat in hun belang en voordeel was,

en meer bezorgd voor hun tegenwoordig en toekomstig geluk zijnde dan

zij zelven; waarom hij hun dierbaar moet wezen, en hunne grootste

liefde en hunnen grootsten eerbied verdient.

[1670] Doch de geestelijke betrekking tusschen Mahomet en zijn volk,

in de voorafgaande woorden verklaard, levert geen hinderpaal op,

die hem had kunnen beletten, zulke vrouwen tot de zijne te kiezen

als hij geschikt achtte. De uitleggers zijn echter van oordeel,

dat het hier verboden wordt eene zijner vrouwen te huwen.

[1671] Deze woorden, die, behalve het laatste gedeelte van het oordeel,

ook in het VIIIe Hoofdstuk voorkomen, schaffen de wet nopens de

erfenissen af, welke in hetzelfde Hoofdstuk is afgekondigd, waardoor

Mohajerun en Ansars elkanders erfgenamen werden, met uitsluiting van

hunne nadere verwanten, die ongeloovigen waren (Zie Hoofdstuk VIII,

vers 73.)

[1672] Zijnde: In de bewaarde tafel of den Koran, of, zooals anderen

veronderstellen, in den Pentateuchus.

[1673] Waardoor zij op zich namen, hunne verschillende lastgevingen

te volvoeren en beloofden den godsdienst te prediken, welke hun door

God was bevolen.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 82 / 89 段