gekweekt, de poÎzie bemind en de dichters geÎerd. Te Okadh, had ieder
jaar, buiten de wekelijksche kermissen eene jaarmarkt plaats, die eene
maand duurde. Daar, te midden der handelszaken, kwamen de dichters
van alle punten van ArabiÎ bij elkander. Zij zeiden hunne gedichten
(Karidah) op, bezongen hunne daden en lotgevallen, en wedijverden in
het behandelen van zulke onderwerpen. Dat was eene poÎtisch tournooi,
waarbij de talrijke toehoorders, zoowel stedelingen als Beduinen,
de rechters waren. Aan den waardigste werd de belooning toegekend,
zijne gedichten in den hooggeschatten tempel--den Caaba--in gulden
letteren opgehangen te zien. Van daar worden de zeven gedichten,
die voor Mahomet in zwang waren, modhahhabat (verguld) en moallakat
(opgehangen) genoemd. Vooral muntten de Arabieren der woestijn in de
poÎzie uit; onder de tenten bleef de taal immer zuiverder en correcter
bewaard. Dikwijls legde eene BeduÔnsche moeder eene pijnlijke straf
op aan haar kind, dat zich aan eene fout tegen de taalkunde had
schuldig gemaakt. Mahomet was aan de stoutheid zijner dichterlijke
taal een groot deel van den bijval schuldig, waarmede zijn streven
werd bekroond. Hij heeft zelfs zijne volgelingen aangeraden, de werken
der Arabische dichters te raadplegen, en daarin de uitlegging der
duistere uitdrukkingen of woorden van den Koran op te zoeken. Waaraan
is het dan toe te schrijven, dat de profeet die befaamde jaarmarkt
van Okadh opgeheven, en het anathema over de dichters uitgesproken
heeft? Ziehier de reden. De Arabieren der woestijn in het algemeen,
en daaronder de dichters, hadden weinig neiging voor den nieuwen
eeredienst: zij waren aan de genoegens van het nomadenleven gehecht
en aan de moeielijkheden daarvan gewoon; zij waren onafhankelijk,
onwillig een juk, welk dan ook, te dragen; dapper, edelmoedig,
maar trotsch en wraakzuchtig, altijd een vijand nazettende, om
eene beleediging te wreken; of op de hielen eener schoonheid van
de woestijn; gestreng en wild als Schanfara, de vermaken van het
vroolijke leven beminnende als AmrolkaÔs; zorgeloos omtrent het
toekomstige leven, twijfelaars en Epicuristen, en behoorden dus
niet tot de eersten die den nieuwen profeet volgden. De dichters
trachtten die gewoonten van het nomadenleven te bestendigen. Mahomet
zag in dat negatieve en vernietigende instinct een grooten hinderpaal
voor de vestiging zijner zedelijke en godsdienstige leer, en hij
veroordeelt hen daarom. Voegt men hierbij, dat de satirieke geest
van eenige hunne pijlen op den nieuwen profeet had doen richten,
dan zal men zich niet verwonderen over het oordeel dat hij over hen
uitbrengt. Eenige geschiedschrijvers beschuldigen AmrolkaÔs, satyren
tegen Mahomet te hebben geschreven, welke laatste, op zijne beurt, een
dichter Lebid, een nieuwen bekeerling, zou opgedragen hebben, daarop
te antwoorden. De heer de Slane, die de gedichten van AmrolkaÔs heeft
uitgegeven, bestrijdt deze meening; dat AmrolkaÔs en Lebid betreft,
is het echter niettemin waar, dat Mahomet eenige gedienstige dichters
te zijner beschikking had, en de verzen 227 en 228 zinspelen daarop. De
dichters waren Lebid Ebn Rabia, Abda'llah Ebn Rawaha, Hassan Ebn Thabet
en de twee Caabs. Eens zeide hij tot Caab Ebn Malec: Bestrijd hen
(de dichters) met uwe satyren; want ik bezweer het u bij hem die mijne
ziel in zijne handen houdt, de satyren verwonden meer dan de pijlen.
[1526] Daar hunne werken zoo onverdacht zijn als de daden van
een bezeten mensch. Het meerendeel der oude dichtstukken was
namelijk vol ijdele voorstellingen, zooals fabelachtige verhalen en
beschrijvingen, minnedichten, vleierijen, buitensporige aanprijzingen
hunner beschermers, evenzeer als buitensporige verwijtingen aan
hunne vijanden, uitdagingen tot slechte daden, ijdele snorkerijen,
en dergelijken (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1527] Deze uitzondering betreft de dichters in de voorlaatste noot
opgenoemd, en welke den Islam omhelsden.
[1528] De titel van dit Hoofdstuk is ontleend aan vers 18. Behalve
verscheiden vreemde dingen die in deze soera voorkomen, vindt men
namelijk in dat vers eene wonderlijke geschiedenis van de mier. De
aanvangletters zijn: Ta Sad.
[1529] Door hen, in hunne bedorven geaardheden en neigingen, zich
behagelijk en aangenaam te doen gevoelen.
[1530] Zie Hoofdstuk XX, vers 9, volg.
[1531] Sommige zijn van oordeel, dat God, door de voorafgaande, en
de engelen door de laatste woorden worden bedoeld (Yahya). Anderen
denken, dat deze plaats het oog heeft op Mozes en de engelen, of
op alle personen in die heilige vlakte en in haren omtrek aanwezig
(Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1532] Deze uitzondering was bestemd om de voorafgaande bewoordingen
te verklaren, die te algemeen schenen te zijn; want verscheiden der
profeten begingen, voor hun hunne zending werd opgedragen, zonden,
hoezeer die ook niet van belang waren, weshalve zij reden hadden Gods
gramschap te duchten, maar hier wordt hun verzekerd dat hunne later
gevolgde verdiensten hem op zijne vergiffenis aanspraak geeft. Men
veronderstelt dat hier in het voorbijgaan op het onvoorbedacht dooden
van den Egyptenaar door Mozes wordt gedoeld (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1533] Zie Hoofdstuk XVII, vers 103.
[1534] Hij erfde niet alleen zijn koninkrijk, maar ook de zending van
profeet. Hij werd boven zijne andere zonen verkozen, die niet minder
dan negentien in getal waren (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1535] Dat is: De bedoeling hunner verschillende stemmen, hoewel die
niet gearticuleerd zijn. De uitleggers geven een aantal voorbeelden
op van Salomos uitleggingen (Zie Marracc. nol. in loc. p. 511).
[1536] Deze vallei schijnt aldus genoemd te zijn naar het groot
aantal mieren dat zich daar bevindt. Sommigen plaatsen haar in SyriÎ,
anderen in Tayef (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1537] De Arabische geschiedschrijvers verhalen, dat Salomo, nadat
hij den tempel van Jeruzalem had voleindigd, als pelgrim naar
Mekka trok, van waar hij, na er zoo lang gebleven te zijn als hem
behaagde, naar Yaman reisde. Hij verliet Mekka des ochtends en kwam
des middags te Sanaa aan, en groot genoegen in deze plaats vindende,
bleef hij daar. Hij verlangde echter water om zich te reinigen, en
zocht daartoe onder de vogelen naar den kievit, door de Arabieren Al
Hudbud genaamd, wiens taak het was dit te vinden; want men beweert,
dat die vogel slim of scherpziende genoeg was, om het water onder
den grond te ontdekken, hetgeen de duivels gewoon waren te putten,
nadat hij de plaats had aangeduid door met zijnen bek te graven. De
genoemde geschiedschrijvers voegen er bij, dat deze vogel dan opvloog,
en nadat hij een van zijne gelijke zag, die nederdaalde, deed hij
het mede, en daar hem door den ander eene beschrijving der stad van
Saba was gegeven, van waar hij juist was teruggekomen, gingen zij
beiden te zamen, om die plaats te zien en keerden spoedig terug,
nadat Salomo de vraag had gedaan, welke het nu volgende te weeg bracht.
[1538] Door hem zijne vederen uit te plukken en hem in de zon te
zetten, ten einde door de insecten gekweld te worden, of wel door
hem in eene kooi op te sluiten.
[1539] Deze koningin wordt door de Arabieren Balkis genaamd. Sommigen
maken haar tot de dochter van al Hodbad Ebn Sharhabil (zie Pocock
Spec, p, 59), en anderen van Sharahil Ebn Malec (Al Beid‚wi, enz. Zie
d'Herbel., Bibl. OriÎnt, p. 182), maar allen komen zij daarin
overeen, dat zij eene afstammeling van Yakab Ebn Kahtan was. Zij
is de tweeÎntwintigste op de lijst der koningen van Yaman door
Dr. Pocock. (t. a. pl.). In Hoofdstuk XXXIV is mede van Saba sprake.
[1540] Die, volgens het zeggen der uitleggers, van goud en zilver
vervaardigd en met eene kroon van edelgesteenten bedekt was. Zij
verschillen echter nopens zijne afmeting; de een maakt dien tachtig
ellebogen lang, veertig breed en dertig hoog, terwijl sommigen zeggen
dat elke afmeting tachtig ellebogen bedroeg, en anderen weder dertig
ellebogen.
[1541] Jallalo'ddin zegt dat de koningin door haar leger was omringd,
toen de kievit den brief in haren boezem wierp; maar Al Beid‚wi
veronderstelt, dat zij in een vertrek van haar paleis was, waarvan de
deuren gesloten waren, en dat de vogel door het venster binnenvloog. De
laatste voegt er bij, dat Salomo den brief met muskus parfumeerde,
en met zijn zegel dichtsloot.
[1542] Of: Kom tot mij en onderwerp u aan de goddelijke leiding,
en belijd den waren godsdienst welken ik predik.
[1543] Dat is: Hetzij gij de bevelen van Salomo gehoorzamen, of ons
bevelen geven wilt om hem tegenstand te bieden.
[1544] De geschenken dragende, die, naar zij zeggen, in vijfhonderd
jonge slaven van elke kunne bestonden, allen gelijk gekleed;
vijfhonderd baren goud, eene kroon met edelgesteenten versierd,
benevens eene groote hoeveelheid muskus, amber, en andere dingen van
waarde (Jallalo'ddin). Sommigen voegen er bij, dat Balhis, ten einde te
beproeven of Salomo al of niet een profeet was, de knapen als meisjes,
en de meisjes als knapen deed kleeden, en hem in een juweelkistje een
parel zond die niet doorboord was, en een onyx die doorboord was met
een krom gat: en dat Salomo de knapen van de meisjes onderscheidde,
door de verschillende wijze, waarop zij water haalden. Hij beval daarop
aan een worm den parel te doorboren en aan een anderen een draad door
den onyx te rijgen (Al Beid‚wi). Zij verhalen ons ook, dat Salomo,
door den kievit bericht van deze zending ontvangen hebbende, even voor
zij zich op weg begaven, bevel gaf, een groote vierkante ruimte door
een muur te omringen, gebouwd van gouden en zilveren steenen, waarin
hij zijne strijdkrachten en gevolg rangschikte om haar te ontvangen
(Jallalo'ddin).
[1545] Volgens Savary: Behoudt uwe geschenken.
[1546] Dit was een Ifrit, of een der zondige en weerspannige geniussen
en zijn naam was, volgens Al Beid‚wi, Dhacwan of Sakhr. Deze naam
wordt voor elken boozen geest gebezigd.
[1547] Zijnde: van uwen rechterstoel. Salomo was namelijk gewoon,
iederen dag tot des middags als rechter te zitten (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin.).
[1548] Deze persoon wordt algemeen verondersteld Asaf, de zoon van
Barachia geweest te zijn, Salomo's wezir (of vizar) die den grooten
of onuitsprekelijken naam van God kende, door het uitspreken van
welken hij deze wondervolle daad volvoerde (Jallalo'ddin). Sommigen
veronderstellen echter dat het Al Khedr was, of GabriÎl of een andere
engel, en anderen, dat het Salomo zelf was (Al Beid‚wi).
[1549] Het oorspronkelijke zou letterlijk vertaald, moeten luiden:
Alvorens gij op eenig voorwerp kunt nederzien en uw oog daarvan kunt
afnemen. Er wordt gezegd, dat Salomo op Azafs begeerte naar den hemel
opzag, en alvorens hij zijne oogen nedersloeg, legde de troon den
weg onder den grond af en verscheen voor hem.
[1550] Want, na den terugkeer van haren afgezant, besloot zij te
gaan en zich aan dien vorst te onderwerpen; maar alvorens zij vertrok
beveiligde zij, gelijk zij meende, haren troon, door dien in een sterk
kasteel op te sluiten, en eene wacht er voor te plaatsen om het te
verdedigen, waarop zij met een groot leger vertrok (Jallalo'ddin).
[1551] Het is onzeker, of dit de woorden van Balkis zijn, waarbij zij
hare overtuiging beleed, teweeggebracht door de wonderen welke zij
reeds had gezien, of van Salomo en zijn volk, Gods gunst erkennende,
door hen, vÛÛr haar, tot den waren godsdienst te roepen.
[1552] Of, gelijk sommigen het begrijpen, den hof voor het paleis,
waarvan Salomo den aanleg vÛÛr de aankomst van Balkis had bevolen. De
grond of het plaveisel was van doorzichtig glas, dat over stroomend
water was gelegd, waarin visschen zwommen. Aan den rand van dat
plaveisel was de koninklijke troon geplaatst, waarop Salomo zat om
de koningin te ontvangen (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[1553] Sommige Arabische schrijvers verhalen, dat Salomo onderricht
was, dat de voeten en beenen van Balkis met haar bedekt waren, zooals
die van een ezel, waarvan hij alsnu gelegenheid had zich met eigen
oogen te overtuigen.
[1554] Daar de koningin van Saba door deze woorden den Islam beleden,
en van den afgodendienst afstand gedaan had, kwam Salomo op de
gedachte, haar tot vrouw te nemen; maar hij kon er niet toe besluiten,
dan nadat de duivels, door een daartoe strekkend middel het haar van
hare beenen hadden weggenomen (Jallalo'ddin). Sommigen (Al Beid‚wi)
echter willen, dat zij niet Salomo maar een vorst van den stam van
Hamdan huwde.
[1555] Nopens de leer door Saleh gepredikt; naardien een deel in hem
geloofde, en het andere hem als een bedrieger beschouwde.
[1556] Zijnde: Waarom dringt gij op de goddelijke wraak aan, waarmede
gij bedreigd wordt en trotseert die, in plaats van haar door berouw
te voorkomen?
[1557] Zie Hoofdstuk VII, vers 123, waar de Egyptenaren Mozes op de
zelfde wijze als de oorzaak hunner rampen beschuldigen.
[1558] Men zegt dat Saleh, en zij die in hem geloofden, gewoonlijk
op eene zekere enge plek tusschen de bergen vergaderden om te bidden,
waarop de ongeloovigen zeiden: Hij denkt binnen drie dagen een einde
aan ons te maken (Zie Hoofdstuk VII, vers 96 noot), maar wij; zullen
hem voorkomen. Daarop begaf een deel van hen zich onmiddellijk naar
de bovenvermelde engte, denkende hun plan te kunnen uitvoeren. Zij
werden echter verschrikkelijk teleurgesteld; want in plaats dat zij
den profeet grepen, werden zij zelven gevat, daar hun de terugtocht
werd afgesneden door een rotsklomp, die aan den uitgang der engten
nederviel, zoodat zij op eene ellendige wijze hun einde vonden.
[1559] Zie Hoofdstuk VII, vers 82 en Hoofdstuk XI, vers 84.
[1560] Zie Hoofdstuk XXV, vers 55. Hier is niet het woord barzakh,
maar een van gelijke strekking gebruikt.
[1561] Letterlijk: Hij die door tegenspoed wordt aangedreven, Gods
hulp in te roepen.
[1562] Zie Hoofdstuk VII, vers 55 en Hoofdstuk XXV, vers 50.
[1563] De Mahomedanen noemen dit dier, welke verschijning een teeken
van de nadering van den dag des oordeels zal zijn, al Jessasa of
el Djessassa (de spion). De uitleggers geven bijzonderheden nopens
de grootte en den vorm van het dier op, welke zij tot Mahomet,
Ali of ook wel tot Abou HoreÔra, den gezel van den profeet doen
opklimmen. Zoo moet het monster zestig ellebogen lang wezen; een
stierenkop, varkensoogen, olifantsooren, hertshoornen, den hals
van een struisvogel, de borst van een ram, de pooten van een kameel
hebben; men zou het in zijnen loop niet kunnen inhalen noch aan zijne
vervolging ontkomen. Het zou, volgens de overlevering, uit eene der
groote moskeen voortkomen. Dit monster draagt den staf van Mozes en
het zegel van Salomo: overal op zijn doortocht zal het de menschen,
met den een of met het ander merken. Zij die met den staf van Mozes
zullen worden aangeraakt, zullen een van witheid schitterend aangezicht
hebben: dit zijn de goeden. Zij, wien het zegel zal worden opgedrukt,
zullen een zwart aangezicht hebben; dit zijn de verdoemden.
[1564] Of, volgens eene andere lezing: dat hen zal verwonden.
[1565] Sommigen zeggen, dat de personen van deze algemeene verwarring
uitgezonderd, zullen zijn: de engelen GabriÎl, MichaÎl, Israfil
en IsraÎl (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Anderen veronderstellen, dat
het de maagden van het paradijs zijn en de engelen die deze plaats
bewaken en Gods troon bewaren (Dezelfde). Anderen willen dat het de
martelaren zijn (Ebn Abbas).
[1566] Dat is: tegen de vrees der verdoemenis, en de andere rampen,
die de zondaren zullen verontrusten, maar niet tegen den algemeenen
schrik of de verwarring, in de vorige noot vermeld.
[1567] Zijnde: De voordeelen door de ware geloovigen op de ongeloovigen
behaald, en, vooral de overwinning te Bedr.
[1568] De titel van dit hoofdstuk is ontleend aan vers 26, waar Mozes
gezegd wordt de geschiedenis van zijne lotgevallen aan Shoaib te hebben
verhaald. Voor de aanvangletters zie Hoofdstuk XXVI, vers 1, noot.
[1569] Sommigen zonderen hiervan vers 25 uit.
[1570] Zijnde: Úf in gedeelten, opdat zij beter zijne bevelen zouden
kunnen vernemen en de diensten verrichten, welke hij van hen eischte,
Úf in tegenover elkander staande partijen, teneinde te voorkomen,
dat zij iets tegen hem zouden ondernemen, om zich van zijne tirannie
te verlossen.
[1571] Namelijk de IsraÎlieten.
[1572] Zie Hoofdstuk XXVI, vers 59.
[1573] Deze naam is aan Pharaos eersten minister gegeven, van waar
algemeen de gevolgtrekking wordt gemaakt, dat Mahomet hier Haman op
het oog heeft den gunsteling van Ahasveros, koning van PerziÎ, en die
onbetwistbaar vele jaren na Mozes leefde, in plaats van een tijdgenoot
diens profeet te zijn. Maar hoe klaarblijkelijk deze dwaling ons
moge schijnen, zou het toch zeer moeielijk, zoo niet onmogelijk zijn,
een Mahomedaan daarvan te overtuigen, daar twee personen denzelfden
naam kunnen dragen (Zie Reland, de Rel. Moham. p. 217.).
[1574] Men verhaalt dat de vroedvrouw, die de Hebreeuwsche vrouw
verloste, verschrikt werd door een licht, dat bij Mozes' geboorte
tusschen zijne oogen verscheen. Zij kreeg eene buitengewone gehechtheid
voor het kind, en ontdekte het niet aan de beambten, zoodat zijne
moeder hem in haar huis hield en hem drie maanden voedde, waarna het
haar onmogelijk was, hem langer te bewaren, daar de koning toen bevelen
gaf, de opsporingen nauwkeuriger te doen plaats hebben (Al Beid‚wi,
zie de noten op Hoofdstuk XX, vers 39).
[1575] Deze plotselinge gehechtheid of bewondering werd in hen
veroorzaakt Úf door zijne ongewone schoonheid, Úf door licht dat
op zijn voorhoofd scheen, Úf omdat, toen zij den korf openden, zij
bevonden, dat hij op zijn duim zoog, die hem van melk voorzag. (Al
Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1576] Zie Hoofdstuk XX, vers 41.
[1577] Zijnde: Des middags; tegen welken tijd het in die streken
de gewoonte is, dat men een slaapje doet, of, zooals anderen
veronderstellen, meer tegen den avond.
[1578] Zijnde de een, een IsraÎliet, van zijn eigen godsdienst en
zijn eigen volk, en de andere een afgodendienende Egyptenaar.
[1579] Mahomet neemt aan, dat Mozes den Egyptenaar onrechtvaardig
doodde, maar om het te verontschuldigen, vooronderstelt hij dat hij
hem sloeg zonder de bedoeling te hebben hem te dooden.
[1580] Sommigen veronderstellen dat deze woorden door den IsraÎliet
werden gezegd, die omdat Mozes hem had berispt, zich verbeeldde,
dat hij gekomen was om hem te slaan; en anderen door den Egyptenaar,
die wist of verdenking had, dat Mozes den vorigen dag zijn landgenoot
had doen omkomen.
[1581] Deze persoon, zegt de overlevering, was een Egyptenaar en de
zoon van Pharaos oom, maar een waar geloovige, die, wetende dat de
koning onderricht was van hetgeen Mozes had bedreven, en bepaald had,
dat hij ter dood zou gebracht worden, hem onmiddellijk daarvan kennis
gaf, om zich door de vlucht te kunnen redden.
[1582] Door een steen van een bijzonder groot gewicht weg te rollen,
die door de schaapherders op den mond der bron was gelegd, en niet
minder dan zeven (anderen noemen een nog grooter getal) mannen,
vereischte om verplaatst te worden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin,
Interd. Yahya).
[1583] Toen de vader aan het meisje vroeg, hoe zij Mozes die getuigenis
kon geven, verhaalde zij hem, dat hij den bovenvermelden grooten steen
zonder eenige hulp had verplaatst, en dat hij haar niet aangezien,
maar zijn hoofd nedergebogen had gehouden, tot hij hare boodschap
had gehoord, en dat hij had verlangd, dat zij achter hem zou loopen,
daar de wind hare kleederen eenigszins in wanorde bracht, waardoor
een gedeelte harer beenen werd ontbloot, (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin,
Interd. Yahya).
[1584] Zijnde den langsten termijn, van tien jaren. De Mahomedanen
zeggen, dat Mozes van Shoaib den staf der profeten ontving (die in
een myrtentak uit het paradijs bestond, en van Adam tot op hem was
gekomen), ten einde de wilde dieren van zijne schapen af te houden, en
dat dit de staf was, waarmede hij al de wonderen in Egypte volvoerde.
[1585] Zie Hoofdstuk XX, vers 8.
[1586] Letterlijk: uw vleugel: deze uitdrukking zinspeelt op de
beweging der vogelen die hunne vleugels uitslaan om weg te vliegen,
wanneer zij verschrikt zijn, en die weder samenvouwen, al zij zich
zeker achten.
[1587] Zie Hoofdstuk XXVI, vers 28.
[1588] Men zegt dat Haman, na de steenen en andere materialen te
hebben gereed gemaakt, niet minder dan vijftig duizend man, behalve de
arbeiders, voor het gebouw gebruikte, dat zij tot zulk eene reusachtige
hoogte optrokken, dat de werkman er niet langer op kon staan. Pharao
beklom daarop dien toren en wierp eene speer naar den hemel, die met
bloed bevlekt terugviel, waarop hij godlasterend snoefde, dat hij den
God van Mozes had gedood. Maar bij zonsondergang zond God den engel
GabriÎl, die met eene streek van zijn vleugel den toren omverwierp,
waarvan een gedeelte op het leger des konings viel en een millioen
menschen doodde (Al Zamakhshari.)
[1589] Dat is tot de Arabieren; tot welke nog geen profeet gezonden
was; ten minste niet na IsmaÎl.
[1590] Zijnde de Pentateuchus en de Koran. Sommige afschriften lezen
hier: twee bedriegers: Mozes en Mahomet, bedoelende.
[1591] Omdat zij niet alleen in hunne eigene schriften, maar ook aan
den Koran hebben geloofd.
[1592] Zie Hoofdstuk XXV, vers 64, noot.
[1593] Deze tegenwerping werd door al Hareth Ebn Othman Ebn Nawfal
Ebn Abd Menaf gemaakt, die tot Mahomet kwam en hem vertelde,
dat de KoreÔshieten geloofden, dat hij de waarheid predikte, maar
vreesden, dat indien zij de Arabieren tot hunne vijanden maakten,
door hunnen godsdienst te verlaten, zij ook genoodzaakt zouden zijn
Mekka te verlaten, daar zij slechts een handvol personen uitmaakten
in vergelijking van de geheele natie (Al Beid‚wi).
[1594] Door hun het geheiligde grondgebied van Mekka tot woonplaats
te geven; eene plaats door God beschermd en door den mensch vereerd.
[1595] Dat is: voor een dag of slechts eenige uren, terwijl de
reizigers zich daar ophouden, om uit te rusten en zich te verfrisschen,
of, zoo als het oorspronkelijke mede kan beteekenen: tenzij door
eenige inwoners, daar eenige dier oude steden en woonplaatsen zeer
vervallen en andere schaars bewoond zijn.
[1596] Daar niemand werd overgelaten om daarvan na hen te genieten.
[1597] Zie Hoofdstuk X, vers 29.
[1598] Letterlijk: De rekenschap daarvan zal duister voor hen wezen;
want de verwarring, waaraan zij dan onderhevig zijn, zal hen verstompt
en ongeschikt maken om antwoord te geven.
[1599] Zijnde de profeet, die aan ieder volk zal zijn gezonden.
[1600] De uitleggers zeggen, dat Karoen de zoon van Yeshar (of Izhar)
was, de oom van Mozes, en maken hem tot denzelfden als den Korah der
schriften. Deze persoon wordt door hen voorgesteld, als de schoonste
der IsraÎlieten, die hen zoozeer in rijkdom overtrof, dat de rijkdom
overtrof, dat de rijkdommen van Karoen tot een spreekwoord werden. De
Mahomedanen verhalen, dat hij een groot paleis bouwde met goud
bedekt, welks deuren van massief goud waren. Zij voegen er bij,
dat hij door zijne reusachtige rijkdommen zoo onbeschaamd werd,
dat hij een opstand tegen Mozes beraamde. Sommigen beweren echter,
dat de aanleiding zijner weerspannigheid in zijne onwilligheid lag om
aalmoezen te geven, gelijk Mozes had bevolen. Eens toen Mozes tot het
volk predikte en, onder andere wetten welke hij openbaarde, ook zeide,
dat overspeligen zouden worden gesteenigd, vroeg Karoen hem, wat er zou
gebeuren, indien hij aan dezelfde misdaad werd schuldig bevonden? Mozes
antwoordde, dat hij dan dezelfde straf zou ondergaan. Daarop bracht
Karoen eene ontuchtige vrouw voor den dag, welke hij gehuurd had om te
zweren, dat Mozes haar had beslapen, waarvan hij hem in het openbaar
beschuldigde. Mozes bezwoer daarop de vrouw de waarheid te zeggen,
waardoor zij van haar voornemen terugkwam en beleed, dat zij door
Karoen was omgekocht om hem valsch te beschuldigen. Daarop deed God
aan Mozes weten, die zich bij hem over het gebeurde had beklaagd,
dat hij van de aarde zou vragen wat hem behaagde, en dat die hem zou
gehoorzamen, waarop hij zeide: O aarde! verzwelg hem! De aarde opende
zich nu onmiddellijk onder Karoen en zijne bondgenooten, en verzwolg
hen met zijn paleis en al zijne rijkdommen (Abu'lfeda, Jallalo'ddin,
Al Beid‚wi, enz.).