en ook, zooals sommigen meenen, huiselijke dienstboden, die geene
slaven zijn, evenals die van eene andere natie.
[1437] Of die geene begeerte hebben van haar te genieten, zooals
afgeleefde oude mannen en misvormden, of personen, welke de menschen
als tafelschuimers volgen, om hunne overgebleven levensmiddelen, en
te verachtelijk zijn, om den hartstocht eener vrouw of de ijverzucht
van den man op te wekken. Of gesneden onder deze algemeene aanduiding
zijn begrepen, is een geschilpunt tusschen de geleerden (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin, Yahya, enz.)
[1438] Door de ringen te schudden welke de vrouwen in het Oosten
boven hare enkels dragen, en die gewoonlijk van goud of zilver zijn
(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya). De trotschheid waarmede de Joodsche
vrouwen in den ouden tijd deze versierselen van hunnen voet deden
klinken, is, behalve nog verscheiden andere dingen van dien aard,
door den profeet Jesajah sterk gegispt (Jes. III; 16, 18).
[1439] Zij die niet gehuwd zijn van beide geslachten, hetzij ze te
voren al of niet getrouwd waren.
[1440] Van beiderlei kunne.
[1441] Waarbij de meester zich verplicht, zijn slaaf in vrijheid te
stellen, op de ontvangst van eene zekere som gelds, welke de slaaf
aanneemt te betalen.
[1442] Zijnde: Indien gij hebt gevonden dat zij geloovig zijn, en reden
hebt om te mogen aannemen, dat zij hunne verbintenis zullen nakomen.
[1443] Hetzij door hun iets van uwe eigen bezittingen te schenken
of hun een deel van hunnen losprijs kwijt te schelden. Sommigen
veronderstellen dat deze woorden niet slechts tot de meesters zijn
gericht, maar tot alle Moslems in het algemeen, door hen aan te
bevelen, degenen te ondersteunen die hunne vrijheid ontvangen en
hunnen losprijs betaald hebben, hetzij uit hunne eigene middelen, of
door hen toe te laten, een deel van de openbare aalmoezen te genieten
(Al Beid‚wi).
[1444] Het schijnt dat Abd'allah Ebn Obba zes slavinnen bezat, op
welke hij eene zekere belasting had gelegd, welke hij haar dwong
door prostitutie te verdienen. Eene dier vrouwen beklaagde zich bij
Mahomet, hetgeen de openbaring dezer plaats veroorzaakte (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin).
[1445] Zijnde: Het verhaal van de valsche beschuldiging van
AÔsha, hetwelk op dat van Jozef en van Maria gelijkt (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin).
[1446] Maar van eene nog betere soort. Sommigen denken dat de bedoeling
is, dat de boom noch in de oostelijke gedeelten noch in de westelijke,
maar in het midden der wereld groeit; namelijk in SyriÎ, waar de
beste olijven voorkomen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1447] Of een licht, welks glans verdubbeld is door de bovenvermelde
omstandigheden. De uitleggers verklaren deze allegorieÎn en iedere
bijzonderheid er van met groote scherpzinnigheid. Zij zeggen daarbij
dat het hier beschreven licht dat van den Koran, of Gods verlichtende
genade in het hart van den mensch is, en geven nog verschillende
andere verklaringen.
[1448] Het verband dezer woorden is niet zeer duidelijk. Sommigen
veronderstellen dat zij met de voorafgaande moeten worden verbonden,
en dat de vergelijking nauwkeurig en juist is, naardien deze doelt op
de lampen der moskeÎn, welke grooter zijn dan die in particuliere
woningen. Sommigen achten deze woorden veeleer met de volgende
woorden: verkondigen de menschen enz. in verband te staan. Anderen
zijn wederom van oordeel, dat het de onvoltooide aanvang van eenen
volzin is, en dat de woorden als: Looft God, of iets dergelijks
moeten worden opgevat. De huizen welke hier echter worden bedoeld,
zijn diegene, welke bijzonder voor de godsvereering zijn bestemd,
of meer bijzonder de drie voornaamste tempels: van Mekka, Medina en
Jeruzalem (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1449] Het Arabische woord Ser‚b beteekent; de bedriegelijke schijn,
welke in het Oosten dikwijls in zandige vlakten tegen den middag
wordt gezien, en welke gelijkt op eene groote watervlakte die in
beweging is; hetwelk door de terugkaatsing van de zonnestralen wordt
veroorzaakt. Het verschijnsel lokt dikwijls dorstige reizigers
van hunnen weg af, maar bedriegt hen als zij naderbij komen,
daar het voorwaarts gaat (want het schijnt altijd op denzelfden
afstand te blijven), of geheel verdwijnt. (Vide Q. Curt. de rebus
Alex. lib. VII, et Gol. en in Alfrag. p. 111. I. et in Adag. Arab. ad
calcem Gram. Erp. p. 93).
[1450] Dat is: Hij ontsnapt Gods aandacht of wraak niet.
[1451] Deze verklaring, welke reeds op eene andere plaats is vermeld
(Hoofdstuk XXI, vers 31) niet geheel juist zijnde, hebben de uitleggers
verondersteld, dat hier met "water" het woord "zaad" wordt bedoeld
of wel dat hier het water is vermeld als de hoofdoorzaak van den
groei der dieren en als een aanzienlijk en noodzakelijk bestanddeel
hunner lichamen.
[1452] Deze plaats werd geopenbaard om Bashir den huichelaar die,
een verschil met een Jood hebbende, zich tot Caab Ebn al Ashraf begaf,
terwijl de Jood Mahomets beslissing inriep (Zie Hoofdstuk IV, vers 63
en de noot), of, zooals anderen verhalen, werd dit vers geopenbaard
om Mogheira Ebn Wayel, die weigerde een geschil, dat hij met Ali had,
aan de beslissing van den profeet te onderwerpen (Al Beid‚wi).
[1453] Zijnde: Zooals hij met de IsraÎlieten ten aanzien der
Kana‰nieten deed.
[1454] Aangezien er zekere tijdstippen van den dag zijn, waarop het
voor een dienstbode, noch voor een kind gepast is, zonder verlof
binnen te komen.
[1455] Zijnde: de tijd dat de menschen opstaan en zich voor den
dag aankleeden.
[1456] Dat is: als gij des middags uwe opperkleederen aflegt om te
slapen hetgeen een gewoon gebruik in het Oosten en in alle heete
luchtstreken is.
[1457] Als gij u ontkleedt om u te bed te begeven. Al Beid‚wi voegt er
een vierde tijdstip bij, waarop verlof om binnen te komen moet worden
gevraagd: namelijk, des nachts; maar dit vloeit uit de omstandigheid
zelve voort.
[1458] Zie vers 31 van dit hoofdstuk.
[1459] Zijnde: Waar zich uwe vrouwen of gezinnen bevinden, of in de
huizen van uwe zonen, welke gij als de uwe moogt aanzien. Deze plaats
werd geopenbaard, om sommige bezwaren of bijgeloovige denkbeelden bij
de Arabieren gedurende den tijd van Mahomet, op te heffen. Sommigen
van dezen meenden namelijk, dat het eten met verminkte of zieke
personen hen onteerde: anderen meenden, dat zij niet in het huis van
een ander mochten eten, al waren zij nog zoo na met hen verbonden,
of al was hun, gedurende de afwezigheid des meesters, de sleutel van
en de zorg over het huis toevertrouwd, en zij daarvan konden afleiden,
dat het geoorloofd was; anderen vermeden, hoewel daartoe uitgenoodigd,
met hunne vrienden te eten, uit vreeze dat zij lastig zouden zijn
(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.). De geheele plaats schijnt slechts eene
verklaring te zijn, dat die dingen waaromtrent men zwarigheid maakte
geheel onschuldig zijn, hoewel de uitleggers zeggen, dat het nu is
afgeschaft, en dat het alleen betrekking heeft op de oude Arabieren,
die gedurende de kindsheid van het Mahomedanisme leefden.
[1460] Zooals de stam van Leith het voor ongeoorloofd hield, dat een
mensch alleen at, en sommigen der Ansars, die als zij een gast hadden,
niet anders dan in zijn gezelschap aten. Zoo waren er ook anderen,
die weigerden met iemand te eten, uit eene bijgeloovige voorzorg, om
niet ontreinigd te worden, of uit dierlijke vraatzucht (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin.)
[1461] Letterlijk u zelven; dat is, overeenkomstig Al Beid‚wi, de
bewoners van het huis waarmede gij, door de banden des bloeds, en
door het gemeene verbond van den godsdienst zijt verbonden. En indien
er niemand in het huis is, zegt Jallalo'ddin, groet dan u zelven, en
zeg: Vrede zij over ons, en over de rechtvaardige dienaren van God;
want de engelen zullen uwen groet beantwoorden.
[1462] Zooals bij openbare gebeden, of een plechtig feest, of in den
raad, of bij eene militaire onderneming.
[1463] Omdat zulk een vertrek, ofschoon met verlof en met eene
redelijke verschooning, eene soort van schending is van de nauwkeurige
vervulling van hunnen plicht; naardien zij hunne tijdelijke zaken
boven den vooruitgang van den waren godsdienst verkiezen (Al Beid‚wi.).
[1464] Deze woorden worden op verschillende wijzen uitgelegd. Zoo
kan de bedoeling wezen. Behandel de vermaningen van den profeet niet
lichtvaardig, zooals gij zoudt doen met die van een persoon welke
gelijk met u staat, door deze niet te gehoorzamen, of door er van
af te wijken, of in zijne tegenwoordigheid te komen, zonder eerst
verlof te hebben verkregen. Of de bedoeling kan deze zijn: Denk niet,
dat wanneer de profeet God in het gebed aanroept, het met hem evenals
met u gaat, als gij een verzoek tot een hooger geplaatste richt, die
somtijds uw verzoek toestaat, maar het dikwijls afwijst. Of ook wel:
Roep den profeet niet toe, zooals gij dat elkander doet; te weten bij
den naam, of vertrouwelijk en met eene luide stem; maar maak van eene
of andere eerbiedige benaming gebruik, zooals: O profeet van God! of:
O gezant van God! en spreek op eene onderdanige en zedige wijze.
[1465] Al Forkan, of de onderscheiding, is een der namen van den Koran.
[1466] Zijnde de hemelsche lichamen, of de afgodsbeelden en de werken
van des menschen handen.
[1467] Zie Hoofdstuk XVI, vers 105.
[1468] Zijnde aan dezelfde natuurlijke behoeften en gebreken
onderworpen. De bewoners van Mekka waren met Mahomet, zijne
omstandigheden en levenswijze te goed bekend, om hunne oude
vertrouwelijkheid in den eerbied te veranderen, dien zij aan den
gezant van God schuldig waren; want geen profeet wordt in zijn land
geÎerd. Sommigen lezen hier: op de markt.
[1469] Door gelegenheid te geven tot afgunst, nijd en kwaadaardigheid:
zooals, bij voorbeeld, de armen, geringen en zieken, als zij hunnen
eigenen toestand vergelijken met dien van den rijke, edele en
welvarende en door het volk aan hetwelke profeten waren gezonden,
door die profeten te beproeven (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1470] Zijnde bij hunnen dood of bij de opstanding.
[1471] Want op den dag der opstanding zullen de zaken op dat
tijdstip zijn afgeloopen, en de gelukzaligen zullen hunnen middag
in het paradijs en de verdoemden in de hel doorbrengen (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin).
[1472] Zijnde: Zij zullen vaneen scheiden en ruimte maken voor de
wolken, die met de engelen zullen nederdalen, de boeken dragen,
waarin de daden van ieder mensch zijn vermeld.
[1473] Door sommigen wordt verondersteld, dat deze woorden bijzonder
betrekking hebben op Okba Ebn Abi Moait, die gewoon was veelal in
Mahomets gezelschap te zijn. Eens noodigde hij hem tot een bezoek uit:
de profeet weigerde van zijn vleesch te proeven, tenzij hij den Islam
omhelsde, hetgeen hij dientengevolge deed. Spoedig daarna ontmoette
Okba zijn vertrouwden vriend Obba Ebn Khalf. Deze berispte hem,
omdat hij van godsdienst was veranderd, doch Okba verzekerde dat dit
niet zoo was, maar dat hij alleen de belijdenis van het Islamismus
had afgelegd om Mahomet er toe te brengen, met hem te eten, daar
hij zich schaamde hem zonder eten uit zijn huis te laten gaan. Obba
zeide echter dat hij niet voldaan zou wezen, zoo lang hij Mahomet niet
had opgezocht, hem zijn voet op den nek gezet en hem in het gezicht
gespuwd zou hebben, hetgeen Okba, om zijn vriend niet te verliezen,
op de openbare vergaderplaats deed, waar hij Mahomet vond zitten. De
profeet zeide hem daarop, dat hij hem het hoofd zou afsnijden, zoodra
hij hem buiten Mekka mocht ontmoeten. En hij hield zijn woord; want
toen Okba later in den veldslag van Bedr werd gevangen genomen, werd
zijn hoofd, op Mahomets bevel, door Ali afgeslagen. Wat Obba betreft,
hij ontving eene wonde van des profeten eigen hand in den slag van
Opod, tengevolge waarvan hij bij zijn terugkeer te Mekka overleed
(Al Beid‚wi. Zie Gagnier, Vie de Moham. vol. I. p. 362).
[1474] Overeenkomstig de voorafgaande noot was dit Obba Ebn Khalf.
[1475] Zooals, volgens de meening der Mahomedanen, de Pentateuchus,
de psalmen en het Evangelie, terwijl het drieÎntwintig jaren duurde
alvorens de Koran in zijn geheel werd geopenbaard.
[1476] Zoowel om u moed en standvastigheid in te boezemen, als om uw
geheugen en uw verstand te versterken. Want, zeggen de uitleggers,
de profeet ontving van tijd tot tijd de goddelijke leidingen hoe hij
zich gedragen en bij een of andere dringende gelegenheid spreken moest,
waarbij de herhaalde bezoeken van den engel GabriÎl hem grootelijks
in al die moeielijkheden aanmoedigden en ondersteunden. Bovendien
was de openbaring van den Koran bij gedeelten eene groote en voor
hem een noodzakelijke hulp, om dien te begrijpen en te onthouden,
hetgeen voor hem geheel onmogelijk ware geweest, het met eenige
nauwkeurigheid te doen, indien die in eens ware geopenbaard. Zij
voegen er bij, dat het geval van Mahomet geheel verschillend was van
dat van Mozes, David en Jezus, die allen lezen en schrijven konden,
terwijl hij geheel ongeletterd, was (Al Beid‚wi, enz.)
[1477] De uitleggers zijn er mede verlegen, waar zij al Rass zullen
plaatsen. Volgens een hunner was het de naam van eenen bron (hetgeen
ook de beteekenis van het woord is) nabij Midian, waar sommige
afgodendienaars hunne woningen hadden gevestigd en waarheen de
profeet Shoaib werd gezonden, om voor hen te prediken; doch daar
zij niet in hem geloofden, viel de bron in en zij en hunne huizen
werden verzwolgen. Een ander veronderstelt, dat het eene stad in
Yamama was, waar eenige overgeblevenen van de Thamoediten woonden,
aan welken mede een profeet werd gezonden; doch zij doodden hem en
werden daarop geheel verdelgd. Een ander meent, dat het eene bron
nabij AntiochiÎ was, waar Habib al Najjar, wiens graf daar nog te
zien is en dikwijls door de Mahomedanen wordt bezocht [Zie Hoofdstuk
XXXVI] werd gemarteld (Zie Abul'f, Geog. Vit. Saladine p. 86). Een
vierde ziet in al Rass eene bron in Hadramaut, in welker nabijheid
eenige afgodendienende Thamoediten woonden, wier profeet Handha of
Khantala Ebn Safwan was. Dit volk werd het eerst verontrust door
zekere reusachtige vogels Anka genaamd, die in den berg boven hen
waren genesteld en hunne kinderen wegvoerden, als zij een prooi
begeerden; maar zij bekreunden zich zoo weinig over deze ramp, dat,
toen de profeet een oordeel over die dieren afsmeekte, zij hem doodden,
waarna zij allen verdelgd werden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1478] Zijnde Sodom. De KoreÔshieten trokken namelijk gedurende de
reizen welke zij, voor handelszaken, naar SyriÎ deden, dikwijls de
plaats voorbij, waar die stad eens had gestaan.
[1479] Zijnde: Verwacht gij zulk een van afgoderij en ongeloof te
zullen kunnen terughouden?
[1480] Zie Hoofdstuk VII, vers 55.
[1481] Eigenlijk zuiverend water, welke bijnaam waarschijnlijk
betrekking heeft op de reinigende eigenschap dier vloeistof, welke
van zulk uitgebreid gebruik is, zoowel in het godsdienstige als in
het gewone leven.
[1482] Dat is aan de zulken, die in de dorre woestijnen leven, en
verplicht zijn regenwater te drinken, hetgeen de bewoners van steden,
en van plaatsen, welke van bronwater zijn voorzien, niet noodig hebben.
[1483] Of uit ongeloof. De oude Arabieren waren namelijk gewoon
te denken, dat zij den regen niet aan God maar aan een invloed van
sommige bijzondere sterren te danken hadden.
[1484] Om hen afzonderlijk te houden en te voorkomen dat zij zich
met elkander vermengen. Het oorspronkelijke woord is parzakh, hetgeen
reeds vroeger Hoofdstuk XXIII noot van vers 102 werd uitgelegd.
[1485] Waarmede de oorspronkelijke klei werd vermengd, of van
zaad. (Zie Hoofdstuk XXIV, vers 44.).
[1486] Door zich met hem, in zijne weerspannigheid, in zijn ongeloof te
vereenigen. Sommigen meenen dat op deze plaats vooral Aboe Jahl wordt
bedoeld. De woorden kunnen ook aldus worden vertaald: De ongeloovige
is verachtelijk voor de oogen van zijn Heer.
[1487] Trachtende hem te naderen, door den godsdienst te omhelzen,
welke door mij, zijn profeet, wordt geleerd, hetgeen de beste belooning
is, welke ik van u voor mijn arbeid verwacht (Al Beid‚wi). Deze plaats
kan echter nog anders worden opgevat, en wel aldus: Dat Mahomet niemand
iets zal geven dan aan hem, die vrijwillig en volgaarne zal bijdragen
tot den vooruitgang van Gods waren eeredienst.
[1488] Zie Hoofdstuk XVII, vers 110.
[1489] Zijnde de zon.
[1490] Zie Hoofdstuk XVII, vers 28.
[1491] Hunne vroegere weerspannigheid uitwisschende, door hun berouw
en hun geloof, en hunne gehoorzaamheid bevestigende en uitbreidende
(Al Beid‚wi).
[1492] Dit hoofdstuk draagt dezen naam, omdat aan het einde daarvan
de Arabische dichters scherp worden gegispt.
[1493] Sommigen zonderen hiervan de laatste verzen uit, en zeggen
dat die te Medina werden geopenbaard.
[1494] Ta. Sin. Mim. Zie Hoofdstuk II, vers 1, in de noot.
[1495] Zie Hoofdstuk XX, vers 26, volg.
[1496] Namelijk dat hij een Egyptenaar had gedood (Zie Hoofdstuk
XXVIII, vers 14 en 15).
[1497] Dit woord staat in het oorspronkelijke in het enkelvoudig,
waarvoor de uitleggers verschillende redenen opgeven.
[1498] Men zegt dat Mozes dertig jaren onder de Egyptenaren woonde en
zich vervolgens naar Midian begaf, waar hij zes jaren bleef. Daarna
keerde hij naar Egypte terug en besteedde dertig jaren in pogingen
hen te bekeeren: na het verdrinken van Pharao zou hij nog vijftig
jaren hebben geleefd (Al Beid‚wi.).
[1499] Door den Egyptenaar zonder voordracht te dooden.
[1500] Het schijnt dat Pharao veronderstelde dat Mozes slechts
onbedachte antwoorden op zijne vraag had gegeven omtrent hetgeen
hij wenschte nopens den persoon en den waren aard van God te kennen,
wiens boodschapper Mozes voorgaf te zijn, terwijl hij slechts van zijn
werken sprak. En aangezien dit antwoord den Koning zoo weinig voldeed,
wordt hij door sommigen verondersteld een Dhariet te zijn geweest,
of iemand die in de eeuwigheid van het voortbestaan der wereld gelooft
(Al Beid‚wi.).
[1501] Van deze en eene gelijksoortige uitdrukking in het XXVIIIe
Hoofdstuk (vers 38) wordt afgeleid, dat Pharao van zijne onderdanen
eischte, dat zij hem zouden aanbidden, als een hulde aan zijne
oppermacht verbonden.
[1502] Al Beid‚wi zegt, dat dit eene vreeselijker bedreiging was
dan indien hij zou gezegd hebben: Ik zal u gevangen nemen; daaruit
toch moest het Mozes blijken, dat hij in gezelschap zou wezen met
de boosdoeners, die door den tyran, volgens zijn gewoonte, in een
diepe onderaardsche gevangenis werden geworpen, waar zij bleven tot
zij stierven.
[1503] Maar hij heeft de diepste geheimen voor zich behouden. (Al
Beid‚wi).
[1504] Zie Hoofdstuk VII, vers 117-23, enz.
[1505] Van hier wordt door sommigen verondersteld, dat de
IsraÎlieten, na de vernietiging van Pharao en zijne heerscharen
naar Egypte terugkeerden, en van de rijkdommen van dat land bezit
namen (Jallalo'ddin, Yahya.). Anderen zijn echter van oordeel, dat de
bedoeling slechts deze is, dat God hun dezelfde bezittingen en woningen
in eene andere plaats gaf, (Al Zamakshari. Zie voorts Hoofdstuk VII,
vers 133).
[1506] Letterlijk: Schenk mij eene taal van waarheid; dat is een hooge
lof. In Hoofdstuk XIX, vers 51 wordt dezelfde uitdrukking gebruikt.
[1507] Door hem tot berouw te neigen en hem het ware geloof te doen
ontvangen. Sommigen veronderstellen, dat Abraham dit gebed na den
dood van zijn vader uitsprak, denkende dat hij misschien inwendig
een waar geloovige kon zijn geweest, die echter zijne bekeering uit
vrees voor Nimrod verborg, en dat het hem verboden was vroeger voor
hem te bidden (Zie Hoofdstuk IX, vers 115 en Hoofdstuk XIV, vers 42).
[1508] Zie Hoofdstuk XXI, vers 98.
[1509] Zijnde: Hetzij dat zij het geloof door mij gepredikt, uit
de oprechtheid huns harten, hetzij met het oog op eenig wereldlijk
voordeel hebben omhelsd.
[1510] Zie Hoofdstuk XI, vers 29 en 31.
[1511] Of om de voorbijgangers te bespotten, die zich naar de sterren
richten, en geene behoefte aan dergelijke gebouwen hebben? (Al
Beid‚wi).
[1512] Zonder genade doodende en andere lichamelijke straffen
opleggende, en veel meer tot de voldoening uwer drift, dan tot boete
voor hen die daaraan worden onderworpen (Al Beid‚wi).
[1513] De woorden hier tusschen [†] geplaatst zijn in de vertolking
van Savary weggelaten.
[1514] Of, zooals het oorspronkelijke woord mede kan worden vertaald:
kunst en vindingrijkheid in uw werk toonende.
[1515] Dat is: zij waren gewoon het water beurtelings te gebruiken. De
kameel dronk een dag, en de Thamoediten wachtten tot den anderen;
want als die kameel dronk, waren de bronnen of beken voor dien dag
geledigd (Zie Hoofdstuk VII, vers 71).
[1516] Zie Hoofdstuk XV, vers 78. Daar Shoaib niet de broeder van die
volken wordt genoemd, hetgeen de gelijkvormigheid van deze plaats met
de vorige zou hebben bewaard, wordt door sommigen gemeend, dat zij
geene Midianieten maar van een anderen stam waren. Wij zien echter
dat de profeet hen van dezelfde misdaden beschuldigt als die van
Midian (Zie Hoofdstuk VII vers 83, volg). Savary vertaalt de woorden:
"De bewoners van het woud" met "de bewoners van Aleika".
[1517] God bezocht hen eerst gedurende zeven dagen met zulk eene
ondragelijke hitte, dat al hunne wateren opdroogden: daarna bracht
hij eene wolk over hen, onder welker schaduw zij toevlucht zochten,
waarna zij allen door vuur en een brandenden wind werden verdelgd,
die daaruit nederkwamen. (Al Beid‚wi).
[1518] Zijnde GabriÎl, die met de goddelijke geheimen en openbaringen
bekend is.
[1519] De ongeloovigen tartten Mahomet aanhoudend, eene duidelijke en
wonderbaarlijke verdelging over hen te brengen; zooals een regenbui
van steenen, enz.
[1520] Zie Hoofdstuk XV, vers 16 en 17.
[1521] De uitleggers veronderstellen dat hetzelfde bevel eigenlijk
reeds in hoofdstuk LXXIV is vervat, dat, wat den tijd betreft,
aan dit voorafging. Men zegt dat Mahomet op het ontvangen der voor
ons liggende plaats, onmiddellijk den berg Jafa beklom, en daarna
verscheiden gezinnen, een voor een, bij zich riep. Toen zij allen
verzameld waren, vroeg hij hun, of, indien hij hun vertelde dat de
berg een kleineren berg zou voortbrengen, zij hem zouden gelooven,
waarop zij bevestigend antwoordden. Daarop zeide hij: Waarlijk, ik
ben tot u gezonden, om u voor eene ernstige kastijding te waarschuwen
(Al Beid‚wi).
[1522] Zijnde: Die u ziet, wanneer gij opstaat om te waken, en
den nacht in godsdienstige verrichtingen doorbrengt, en die uwe
angstige zorg gadeslaat, voor de juiste vervulling der plichten
van de Moslems. Men zegt dat in den nacht, waarin het voorschrift
van het waken werd afgeschaft, Mahomet heimelijk van het eene huis
naar het andere ging, om te zien hoe zijne volgelingen hunnen tijd
doorbrachten, en dat hij hen zoo zeer met het lezen van den Koran en
met het herhalen hunner gebeden bezig vond, dat hunne huizen, door
het brommende geluid dat zij veroorzaakten, even zoo vele horsel- of
paardenvliegennesten schenen te zijn (Al Beid‚wi). Sommige uitleggers
veronderstellen echter, dat door het gedrag van den profeet, op deze
plaats de verschillende houdingen worden bedoeld, welke hij gewoon was
aan te nemen, terwijl hij aan het hoofd zijner volgelingen trad zooals:
staan, buigen, nederknielen en zitten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1523] Na zich verdedigd te hebben tegen de beschuldiging, dat
hij met de duivels in verband zou zijn, door de tegenstrijdigheid
tusschen zijne leer en hunne plannen en hunne overmacht, een zooveel
omvattend boek, als den Koran, samen te stellen, gaat de profeet over
tot het aantoonen, dat de personen die het meest geneigd zijn tot
het onderhouden van betrekkingen met deze booze geesten, leugenaars
en lasteraars zijn; namelijk zijne vijanden en tegenstanders.
[1524] Zijnde: zij worden geleerd door de geheime ingeving van den
duivel, en ontvangen hunne ijdele en onsamenhangende ingevingen
als waarheid.