zwaar mishandelden IsraÎliet en ontkwam het gevaar daarvoor gestraft
te worden, door naar Midian te vluchten, dat op een afstand van acht
dagreizen van Mesr was gelegen (Al Beid‚wi).
[1274] Zijnde: Tien (Al Beid‚wi).
[1275] Daar A‰ron op dien tijd was gekomen om zijn broeder te
ontmoeten, hetzij door eene goddelijke ingeving, hetzij dat hij kennis
droeg van zijn voornemen om naar Egypte terug te keeren (Al Beid‚wi).
[1276] Zijnde: Geluk of ellende na den dood.
[1277] Hetwelk waarschijnlijk de eerste dag van het nieuwe jaar was.
[1278] Door te zeggen dat de mirakelen in zijn naam gedaan, de gevolgen
van toovenarij zijn.
[1279] Zij bedekte de staven met kwikzilver, dat hen door de hitte
der zon deed bewegen (Al Beid‚wi. Zie Hoofdstuk VII, vers 112).
[1280] Zie Hoofdstuk VII, vers 120.
[1281] Letterlijk de tuinen van Eden. Zie Hoofdstuk IX, vers 73.
[1282] De uitleggers voegen er bij, dat de zee in twaalf afzonderlijke
paden verdeeld was, zijnde een voor iederen stam (Al Beid‚wi Abu'lfed,
in Hist. R. EliÎz, Pirke).
[1283] Zie Hoofdstuk II, vers 44.
[1284] Door ondankbaarheid, buitensporigheid, of slecht gedrag.
[1285] Zij gingen gedurende de eerste twintig dagen van Mozes'
afwezigheid voort, den waren God te aanbidden, welken tijd zij, door de
nachten mede in rekening te brengen, als veertig dagen beschouwden. Zij
beweerden diensvolgens, dat zij den vollen tijd ten einde gebracht
hadden, dien Mozes hun had bevolen, waarna zij tot aanbidding van
het gouden kalf vervielen (Al Beid‚wi.)
[1286] Dit was zijn eigen naam niet, maar hij werd aldus genoemd,
omdat hij tot zekeren stam onder de IsraÎlieten behoorde, Samaritanen
genaamd. (Daardoor doen de Mahomedanen op vreemdsoortige wijze hunne
onkunde in de geschiedenis blijken). Sommigen zeggen echter, dat hij
een proseliet was, maar een huichelaar en afkomstig van Kirman of
eene andere nabijgelegen plaats. Zijn ware naam was Mozes of Moesa
Ebn Dhafar (Al Beid‚wi.) Selden is van oordeel, dat deze persoon
niemand anders was dan A‰ron zelf (die werkelijk de vervaardiger
van het kalf was), en dat hij hier Al Sameri wordt genoemd, naar
het Hebreeuwsche werkwoord Smr, bewaren (Selden, de Diis syris,
Synt, 1. c 4), omdat hij gedurende de afwezigheid van zijn broeder
op den berg, de bewaarder of beschermer der kinderen IsraÎls was,
hetgeen eene zeer vernuftige veronderstelling is, die niet geheel
onvereenigbaar met den tekst van den Koran kan worden genoemd.
[1287] Zijnde: nadat hij zijn verblijf van veertig dagen op den berg
volbracht en de wet ontvangen had (Al Beid‚wi).
[1288] Zijnde: de wet, die eene gemakkelijke en zekere leiding bevat
om u op den rechten weg te voeren.
[1289] Zie Hoofdstuk VII, noot van vers 146.
[1290] In deze woorden wordt A‰ron door Mozes berispt, zijnen ijver
niet ondersteund te hebben, door de wapenen tegen de afgodendienaars
op te vatten, of dat hij hem niet op den berg was komen opzoeken om
hem met hunne weÍrspannigheid bekend te maken.
[1291] Zijnde: indien ik de wapenen tegen de aanbidders van het kalf
had opgevat, zoudt gij zeggen, dat ik een opstand had veroorzaakt, of
indien ik tot u ware gekomen, zoudt gij mij gegispt hebben wegens het
verlaten van mijn post, en dat ik uwe terugkomst niet had afgewacht,
om te herstellen wat er verkeerds bedreven was.
[1292] Zijnde: dat de gezant, die hun van God werd gezonden, een
zuivere geest was, en dat zijne voetstappen leven gaven aan alles
wat zij aanraakten; daar deze geest niemand anders was dan de engel
GabriÎl, op het paard des levens gezeten. Daarom maakte ik gebruik
van het stof van zijn voet, om het gegoten kalf te geven. Men beweert
ook dat Al Sameri den engel kende, daar die hem gered en zorg voor
hem gedragen had, toen hij, een kind, door zijne moeder, uit vrees
voor Pharao te vondeling gelegd was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1293] Zie Hoofdstuk II vers 48.
[1294] Opdat gij hen niet met eene brandende koorts zoudt aansteken;
want dit was het gevolg, als iemand hem aanraakte, terwijl hetzelfde
geschiedde met de personen welke hij aanraakte. Daarom was hij
verplicht, alle verkeer met anderen te vermijden en werd hij mede door
hen geschuwd, behalve hij als een wild dier in de woestijn ronddwaalde
(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Van hier wordt de gevolgtrekking gemaakt,
dat een stam der Samaritaansche Joden die gezegd wordt een zeker
eiland in de Roode zee te bewonen, de afstammelingen zijn van dezen
Al Sameri, omdat het nog heden hun bijzonder onderscheidingsteeken
is, dat zij dezelfde woorden gebruiken als zij iemand ontmoeten,
namelijk La mesas, zijnde: Raak mij niet aan (Zie Geogr. Nub. p. 45).
[1295] Of, zooals deze plaats mede kan worden vertaald: wij zullen
doen afvijlen. De hierboven gebruikte uitdrukking is echter de meer
gebruikelijke.
[1296] Zie Hoofdstuk VI, vers 31.
[1297] Dit is namelijk bij de Arabieren een teeken van een vijand,
of van een persoon van wien zij afkeerig zijn. Door dus te zeggen dat
iemand eene zwarte lever (hoewel sommige Westersche volken hunnen
afkeer te kennen geven door de uitdrukking "eene witte lever")
roodachtige knevels en grijze oogen heeft, wordt eene omschrijving
gegeven van een vijand en voornamelijk van een Griek welke natie den
Arabieren het vijandigste was en gewoonlijk haren en oogen van die
kleuren had (Al Beid‚wi, Jawhari, in Lex.). Het oorspronkelijke woord
zorkan (van azrak) beteekent echter ook personen die een gebrekkig
gezicht of blauwe oogen hebben of aan de staar lijden.
[1298] Zijnde in de wereld of in het graf.
[1299] Of: Behalve aan hem, enz. Zie Hoofdstuk XIX, vers 99.
[1300] De oorspronkelijke uitdrukking beteekent eigenlijk de
nederigheid en verslagen blikken van gevangenen in de tegenwoordigheid
van hunnen overwinnaar.
[1301] Hier wordt aan Mahomet bevolen, niet ongeduldig te zijn,
wanneer er eenig oponthoud plaats heeft in het overbrengen der
goddelijke openbaringen door GabriÎl, of om die niet te snel den
engel na te zeggen, door hem in te halen, alvorens hij de geheele
plaats geÎindigd hebbe. Sommigen veronderstellen echter, dat het
verbod betrekking heeft op de openbaarmaking van een vers, alvorens
hem dit volkomen zou zijn verklaard (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1302] De omstandigheid, dat Adam het goddelijke bevel zoo spoedig
vergat, heeft sommige Arabische Etymologen het woord Imsan, (mensch)
van nassiya (vergeten) afleiden en heeft mede het volgende spreekwoord
doen ontstaan: Awwalo nasin awwalo'nnasi, d.i. de eerste vergeetachtige
persoon was de eerste der menschen, zinspelende op den gelijken klank
der woorden.
[1303] Zie Hoofdstuk II, vers 32 enz. en Hoofdstuk VII, vers 10 enz.
[1304] Zie Hoofdstuk VII, vers 21 volg.
[1305] Zie Hoofdstuk II.
[1306] De sporen hunner verdelging ziende; zooals van de stammen van
Ad en Thamoed.
[1307] Zijnde: des avonds en des ochtends, als de voornaamste uren van
het gebed. Sommigen veronderstellen echter, dat met deze woorden het
middaggebed wordt bedoeld; daar op dat tijdstip de eerste helft van
den dag eindigt en de tweede helft begint (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1308] Dat is: Misgun of begeer hunne pracht en hunnen voorspoed in
deze wereld niet. Zie Hoofdstuk XV, vers 88.
[1309] Zijnde: de belooning in het volgende leven voor u weggelegd
of het geschenk der profetie, en de openbaring waarmede God u heeft
begunstigd.
[1310] Men zegt dat als Mahomets gezin in droefheid verkeerde, hij
gewoon was hun te bevelen, het gebed uit te spreken en dit vers te
verhalen (Al Beid‚wi).
[1311] Dit hoofdstuk draagt dezen titel, omdat daarin sommige
bijzonderheden nopens verschillende oude profeten worden
medegedeeld. Zamakshari zegt, dat hij, die dit hoofdstuk zal lezen,
genadig zal worden geoordeeld op den dag der opstanding. De profeten,
die in den Koran zijn vermeld, zullen hunne handen naar hem uitstrekken
en hem groeten.
[1312] Zijnde: nopens den tegenwoordigen toestand, bij wijze van
raadplegen, of dat gij onderzocht wordt nopens uwe daden, opdat gij
de belooning daarvoor zoudt ontvangen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin,
Al Zamakhshari).
[1313] Men verhaalt, dat een profeet tot de bewoners van zekere steden
in Yaman werd gezonden; maar in plaats van naar zijne vermaningen te
luisteren, doodden zij hem. Daarop leverde God hen aan de handen van
Nebuchadnezar over, die hen met het zwaard strafte. Op dat zelfde
tijdstip riep eene stem van den hemel: Wraak voor het bloed der
profeten! Daarop gevoelden zij berouw en gebruikten de woorden van
deze plaats.
[1314] Maar tot het toonen van onze kracht en wijsheid aan hen
die verstand hebben, opdat zij de wonderen der schepping ernstig
zouden gadeslaan en hunne daden doen strekken tot bereiking van het
toekomstige geluk; tevens de ijdele praal en voorbijgaande genoegens
van deze wereld verachtende.
[1315] Wij zouden ons behagen hebben gezocht in onze eigene
volmaaktheden of in de geestelijke wezens, die in onze onmiddellijke
nabijheid zijn, en niet in het optrekken van stoffelijke gebouwen
met geschilderde daken en schoone vloeren, hetgeen de uitspanning
der menschen is. Sommigen zijn van oordeel, dat het oorspronkelijke
woord, hier met vermaken vertaald, op deze plaats eene vrouw of een
kind beteekent, en dit gezegde in het bijzonder tegen de Christenen
is gericht (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Al Zamakshari).
[1316] Dit is: De geheele schepping zou noodzakelijk in verwarring
geraken en omgekeerd worden, door het wedijveren van zulke machtige
tegenstanders.
[1317] Dit is: de standvastige leer van al de geheiligde boeken,
niet alleen van den Koran, maar ook van dezulke, die in vroegere
tijdperken werden geopenbaard, en welke allen de wijzen van de groote
en fundamenteele waarheid van Gods eenheid dragen.
[1318] Deze plaats werd met betrekking tot de KhozaÔten geopenbaard
die de engelen voor de dochters van God hielden. Savary vertaalt
die aldus: De ongeloovigen hebben gezegd: God heeft een zoon door
gemeenschap met engelen. Deze godslastering zij verre van hem. De
engelen zijn zijne geÎerde dienaren.
[1319] Zijnde: dat zij zich gedragen als dienaren, die hunnen plicht
kennen.
[1320] Dat is: Zij waren ÈÈn samenhangende klomp, tot wij die
scheidden, en de hemel in zeven hemelen en de aarde in verschillende
afdeelingen verdeelden. Wij onderscheidden de verschillende kringen van
den eenen en de verschillende klimaten van de andere, enz. Sommigen
verkiezen deze woorden aldus te vertolken: De hemelen en de aarde
werden gesloten en wij openden die; daardoor zeggende, dat er uit den
hemel geen regen viel, noch dat de aarde planten voortbracht tot God
zijne macht liet gelden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1321] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15.
[1322] Deze plaats werd geopenbaard toen de ongeloovigen zeiden:
Wij verwachten Mahomet te zien sterven, zooals de overige menschen.
[1323] Zijne eenheid loochenende, of zijn gezant en de schriften,
die tot hun onderricht werden gegeven, en voornamelijk den Koran
verwerpende.
[1324] Als zijnde haastig en onoverlegd. Zie Hoofdstuk XVII, vers 12.
[1325] Zie Hoofdstuk VI, vers 74; Hoofdstuk XIX, vers 43, en Hoofdstuk
II, vers 260.
[1326] Abraham nam de gelegenheid waar, dit te doen, terwijl
de Chaldeeuwen in de velden verspreid waren en een groot feest
vierden. Sommigen zeggen, dat hij zich in den tempel wist te
verbergen. Toen hij zijn plan had uitgevoerd, ten einde hen duidelijker
te overtuigen van hunne domheid, de beelden te aanbidden, hing hij de
bijl, waarmede hij de afgoden had omgehouwen en nedergeworpen, om den
hals van den oppersten god, door sommige schrijvers Baal genoemd,
alsof hij de bedrijver van het geheele ongeval ware geweest (Al
Beid‚wi, Jallalo'ddin enz. Zie ook Hyde, de Rel. vet. Pers c. 2). Dit
verhaal, hetwelk hoewel het valsch is, toch niet slecht gevonden
kan worden genoemd, is door Mahomet aan de IsraÎlieten ontleend,
die het met eene kleine wijziging verhalen, daar zij zeggen dat
Abraham dit in den winkel van zijn vader, gedurende zijne afwezigheid
volvoerde. Toen Terach terugkeerde en naar de oorzaak van de wanorde
vroeg, verhaalde zijn zoon hem dat de afgodsbeelden getwist hadden
en handgemeen waren geworden om eene offerande van fijn meel, dat
hun door eene oude vrouw was gebracht. De vader gevoelende, dat hij
de onmogelijkheid niet kon aantoonen van hetgeen door Abraham werd
beweerd, zonder de machteloosheid zijner goden te erkennen, barstte
in eene vreeselijke woede uit en bracht hem aan Nimrod, opdat hij
voor zijne onbeschaamdheid voorbeeldig zou worden gestraft (R. Gedal
in Shalshl. Hakkabe p. 8 en Maimon Yad hachazaka c.l. de idol).
[1327] De uitleggers verhalen dat op Nimrods bevel eene groote ruimte
te Cutha ingesloten en met een groote hoeveelheid hout opgevuld werd en
dat, toen het in brand gestoken werd, het zoo hevig brandde dat niemand
het dorst naderen. Daarop bonden zij Abraham en plaatsten hem in een
werktuig (zooals sommigen veronderstellen door den duivel uitgevonden)
en stieten hem in het midden des vuurs, waar hij door den engel GabriÎl
werd beschermd, die te zijner hulp werd gezonden, zoodat het vuur
alleen de koorden verbrandde, waarmede hij gebonden was (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin). Zij voegen er bij, dat het vuur op wonderbaarlijke wijze
zijne hitte voor Abraham had verloren en een liefelijken geur verkreeg,
en dat de brandstapel in een fraai open veld veranderde. Voor de andere
woedde het vuur echter zoo vreeselijk, dat, overeenkomstig sommige
schrijvers, omstreeks twee duizend afgodendienaars daardoor werden
verteerd (Zie het Apocryphe Evangelie van Barnabas Hoofdstuk 28). Deze
fabel mag echter op vrij hoogen ouderdom bogen, en is niet alleen
door de IsraÎlieten maar ook door verschillende Oostersche Christenen
aangenomen. De vijfentwintigste van de tweede Canun of January,
is dan ook in den Syrischen kalender aangeteekend, ter herdenking
van den dag, dat Abraham in het vuur werd geworpen. (Zie Hyde de
Rel. Pers. p. 73). De IsraÎlieten maken mede melding van eenige andere
vervolgingen, waaraan Abraham om zijnen godsdienst was blootgesteld,
en voornamelijk van eene tienjarige gevangenisstraf. (R. Eliez. Pirke
c. 26 enz; Maim. More. Nev. lib. III, c. 29) Sommigen zeggen dat hij
door Nimrod werd gekerkerd (Glossa Talmud in Gemar Bava Bathra 91. 1)
en anderen door zijn vader Terach (in Hagada).
[1328] Sommigen zeggen, dat Nimrod op het zien dezer wonderdadige
bevrijding uit zijn paleis, uitriep dat hij den God van Abraham een
offer wilde brengen, en dat hij dientengevolge vierduizend koeien
offerde (Al Beid‚wi). Maar hij verviel spoedig weder in zijn vorig
ongeloof, en bouwde een toren om naar den hemel op te stijgen ten einde
den God van Abraham te zien; dit gebouw werd echter omvergeworpen
(zie Hoofdstuk XVI, vers 28). Daarna wilde hij, door middel van
eene door vier reusachtige vogels ten hemel gedragen kast ten
hemel varen, maar nadat hij gedurende eenigen tijd in de lucht had
gezweefd, viel hij met zulk een kracht op een berg neder, dat hij
dien deed schudden. Nimrod alsnu teleurgesteld in zijn voornemen,
om God den oorlog aan te doen, keerde zijne wapenen tegen Abraham,
die, daar hij een groot vorst was, zijne strijdkracht verzamelde om
zich te verdedigen. Maar God verdeelde Nimrods onderdanen en verwarde
hunne taal, waardoor hij hem van het grootste gedeelte van zijn volk
beroofde, terwijl hij hen die hem getrouw bleven, door zwermen van
muggen bezocht, die hen bijna allen verdelgden. Eene dezer muggen
kroop door het oor of het neusgat van Nimrod en drong tot in een der
vliezen van zijne hersenen door, waar zij iederen dag grooter werd en
hem zulk eene ondragelijk pijn veroorzaakte, dat hij genoodzaakt was
zijn hoofd met een hamer te doen slaan, om zich eenige verlichting
te verschaffen, welke marteling hij vierhonderd jaren doorstond,
daar God met een zijner kleinste schepselen hem wilde straffen, die
zich onbeschaamd beroemde, de heer van het heelal te zijn (d'Herbelot,
Bibl. OriÎnt. Art. Nemrod Hyde t. a. p.) Een Syrische kalender plaatst
den dood van Nimrod alsof het tijdstip daarvan bekend ware, op den
8sten Thomoez, of Juli (Hyde ibid. p. 79.)
[1329] Zijnde: Palestina.
[1330] Zie Hoofdstuk II, vers 123.
[1331] Zie Hoofdstuk VII, vers 78 enz. en Hoofdstuk XI, vers 83.
[1332] Gedurende de afwezigheid van hunnen herder, waren eenige
schapen des nachts in het veld (volgens anderen in den wijngaard)
van een ander doorgedrongen en hadden het koren opgegeten. Daaruit
ontstond een twist. Toen de zaak voor David en Salomo werd gebracht
zeide de eerste dat de eigenaar van het land de schapen zou behouden
tot vergoeding van de schade welke hij had geleden; maar Salomo,
die toen elf jaren oud was, oordeelde dat het rechtvaardiger nopens
den eigenaar van het veld zou wezen, indien hij alleen de opbrengst
van de schapen nam; namelijk hunne melk, hunne lammeren en hunne wol,
tot de schaapherder, door zijn eigen arbeid, en op zijne eigen kosten
het land in den goeden toestand had teruggebracht waarin het was,
toen de schapen er op kwamen, waarna de schapen aan hunnen meester
zouden worden teruggegeven. En David zelf bekende, dat dit oordeel
beter dan het zijne was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1333] Volgens eene overlevering zou David het allereerst de
maliÎnkolders hebben uitgevonden, ter vervanging van de kurassen
van metalen platen. Men zegt dat het ijzer in zijne handen lenig en
rekbaar werd als was.
[1334] Die zijn troon met wonderbaarlijken spoed overbracht. Sommigen
zeggen dat die wind hard of zacht was, naar gelang Salomo dat begeerde.
[1335] Zijnde: Palestina.
[1336] Zooals het bouwen van steden en paleizen, het halen van zeldzame
kunstvoorwerpen uit vreemde plaatsen en dergelijke.
[1337] De Mahomedaansche schrijvers verhalen dat Job tot het geslacht
van Ezau behoorde en met een talrijk gezin, benevens overvloedige
rijkdommen, was gezegend, maar dat God hem beproefde, door hem alles
en daarbij zelfs zijne kinderen te ontnemen. Des niettegenstaande ging
hij voort God te dienen en hem niet minder dankbaar dan gewoonlijk
te zijn. Daarop werd hij door eene afzichtelijke ziekte getroffen,
waardoor zijn lichaam vol wormen was. Deze ziekte was zoo akelig,
dat hij op een mesthoop lag en niemand het kon uithouden hem te
naderen. Zijne vrouw (die door sommigen gezegd wordt de dochter van
EphraÔm, Jozefs zoon, en door anderen Makhir, de dochter van Manasse
te zijn) verpleegde hem echter met groot geduld, en ondersteunde hem
met hetgeen zij door haren arbeid verdiende. Eens verscheen haar
nochtans de duivel, die haar den vroegeren voorspoed herinnerde,
en haar daarna beloofde, dat, indien zij hem wilde aanbidden,
hij alles zou teruggeven wat zij verloren had. Zij vroeg daarop de
toestemming van haren echtgenoot, die zoo boos om dat voorstel werd,
dat hij zwoer zijne vrouw honderd slagen te zullen geven als hij
hersteld zou zijn. Nadat Job het op deze plaats vermelde gebed had
uitgesproken, zond God GabriÎl, die Job bij de hand nam en hem deed
opstaan. Op hetzelfde oogenblik ontsprong er eene fontein aan zijn
voet, waardoor, nadat Job er van gedronken had, al de wormen van zijn
lichaam vielen; en toen hij zich vervolgens met dat water wiesch,
herkreeg hij zijne vroegere welvaart en schoonheid. Daarna gaf God hem
alles dubbel terug, terwijl zijne vrouw weder jong en schoon werd en
hem zesentwintig zonen baarde. Job werd, om zijn eed te vervullen,
door God geleid, waardoor hij haar een slag met een palmtak gaf,
waaraan zich honderd bladeren bevonden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin,
Abulfeda enz. Zie d'Herbel. Bibl. Orient Art Aioub). Sommigen
zeggen, teneinde de groote rijkdommen uit te drukken, welke aan Job
na zijn lijden werden geschonken dat hij twee dorschvloeren bezat:
een voor tarwe en de andere voor gerst, en dat God twee wolken zond,
die goud op den eenen en zilver op den anderen deden regenen, tot zij
overliepen (Jallalo'ddin). De overleveringen verschillen nopens den
duur van Jobs martelingen: de eene zegt dat het achttien jaren was,
een andere dertien, een andere drie en een andere juist zeven jaren,
zeven maanden en zeven dagen.
[1338] Zie Hoofdstuk XIX, vers 52 en 57.
[1339] Het is onzeker wie deze profeet was. Een uitlegger wil, dat het
Elias, Jesaia of Zacharias was. (Al Beid‚wi). Een ander veronderstelt
dat het de zoon van Job was en dat deze in SyriÎ woonde; maar door
sommigen wordt bijgevoegd, dat hij een zeer boos mensch was, maar
later berouwvol stierf, waarna deze woorden op wonderdadige wijze
boven zijne deur werden geschreven: Thans is God genadig omtrent
Dhu'lkefl geweest (Abulfeda).
[1340] Dit is de bijnaam van Jonas, welke hem werd gegeven, omdat
hij door den visch was verzwolgen. (Zie Hoofdstuk X, vers 68.)
[1341] Zijnde uit den buik van den visch.
[1342] Zijnde de maagd Maria.
[1343] Zijnde de zelfde, die door al de profeten en al de heilige
mannen en vrouwen, zonder eenig verschil of eenige verandering in
den grondslag, werd beleden.
[1344] Zijnde: Tot de opstanding, welke nadering door den inval van
deze barbaren zal worden aangekondigd.
[1345] Op deze plaats staat in sommige afschriften in plaats van
hadabin zijnde een verheven gedeelte der aarde, jadathin hetgeen een
graf beteekent. Indien wij nu de laatstgenoemde lezing volgen, dan
moet het voornaamwoord zij niet op Gog en Magog maar op de menschen
in het algemeen worden toegepast.
[1346] Om hunne verbazing en de ondragelijke martelingen, die zij
zullen doorstaan, of, zooals anderen het uitdrukken: Zij zullen daarin
niets hooren, wat hun de minste verlichting kunne verschaffen.
[1347] Wiens bezigheid bestaat in het op eene rol nederschrijven der
daden, welke ieder mensch gedurende zijn leven verricht. Na zijn dood
rolt hij die op. Sommigen beweren, dat hier een van Mahomets schrijvers
wordt bedoeld, en anderen beschouwen het woord sijil of sidjill,
zooals het mede wordt geschreven, als den naam van een boek of eene
geschreven rol, en vertolken deze plaats dienovereenkomstig: zooals
eene geschreven rol wordt opgerold (Al Beid‚wi Jallalo'ddin enz).
[1348] Deze woorden zijn ontleend aan Psalm XXXVII : 29.
[1349] De vermelding van sommige plechtigheden bij den pelgrimstocht
naar Mekka in dit hoofdstuk, zijn oorzaak van dezen titel.
[1350] Sommigen (Jallalo'ddin) zonderen hier van twee verzen (11 en
12) uit. En anderen (Al Beid‚wi) zes verzen (20-25).
[1351] Of de aardbeving, die, naar het zeggen van sommigen, plaats
zal hebben even voor de zon uit het Westen oprijst, zijnde een teeken
van de spoedige nadering van den dag des oordeels.
[1352] Moedermelk.
[1353] Deze plaats werd geopenbaard met het oog op al Nodar Ebn al
Hareth, die volhield, dat de engelen de dochters van God waren, en
dat de Koran een bundel oude fabels was, terwijl hij de opstanding
loochende (Al Beid‚wi).
[1354] Zie Hoofdstuk XCVI, vers 2.
[1355] Men zegt, dat de hier bedoelde persoon Aboe Jahl was
(Jallalo'ddin) zijnde een voornaam man onder de KoreÔshieten, en een
der meest hardnekkige vijanden van Mahomet en zijnen godsdienst. Zijn
ware naam was Amboe Ebn Hesram, van het gezin van Makhzoem. Hij had
den bijnaam van Aboe'lhocm, zijnde de vader der wijsheid, die later
werd veranderd in dien van Aboe Jahl, of de vader der dwaasheid. Hij
werd in den slag van Bedr gedood (zie Hoofdstuk VIII, vers 49).
[1356] Deze uitdrukking ziet op iemand die aan den vleugel van een
leger geposteerd, zijn plaats behoudt, als hij ziet dat de overwinning
naar zijne zijde overslaat, maar wijkt, als de vijand voordeel schijnt
te betalen.
[1357] Of: Laat hem een touw aan het dak van zijn huis vastmaken en
zich ophangen, dat is: laat zijne boosheid en wrok zulk een hoogte
bereiken, dat hij op het punt staat, tot de wanhopigste uitersten te
worden aangedreven, en dat hij zie, of hij met al zijne pogingen in
staat zal zijn de goddelijke hulp te onderscheppen (Al Beid‚wi).
[1358] Zijne macht belijdende en zijn opperbevel gehoorzamende.
[1359] Zijnde: de ware geloovigen en de ongeloovigen.
[1360] Zijnde: De belijdenis van Gods eenheid, of deze woorden,
welke zij bij hun binnentreden in het paradijs zullen gebruiken:
Geloofd zij God, die zijne belofte aan ons heeft vervuld (Al Beid‚wi).