het hem te vertellen toen hij die miste. Men zegt, dat toen zij aan
de rots kwamen, Mozes in slaap viel en de visch, die geroosterd was
uit de mand in de zee sprong. Sommigen voegen er bij, dat Josua zich
aan de fontein des levens afwiesch, waarvan een weinig water op de
visch spatte, waardoor deze dadelijk weder levend werd (Al Beid‚wi,
Al Zamakshari, enz.).
[1195] Het woord dat hier met "vrijelijk" is vertolkt, beteekent ook
eene pijp, of een gewelfd kanaal voor den toevoer van water. Sommigen
hebben daarom gemeend, dat het water der zee op wonderdadige wijze
werd belet, het lichaam van den visch aan te raken, die als onder
een gewelf door de zee ging (Al Beid‚wi, Al Zamakshari, enz.)
[1196] Volgens het algemeene gevoelen was deze persoon de profeet Al
Khedr, dien de Mahomedanen gewoonlijk met Phineas, Elias en St. Joris
verwarren, zeggende, dat zijne ziel door eene zielsverhuizing
achtervolgens door alle drie ging. Sommigen zeggen echter, dat zijn
ware naam Balya Ebn Malcan was, en dat hij leefde in den tijd van
Afridun, een der oude koningen van PerziÎ; dat hij Dhoe'lkarnein
voorafging en tot den tijd van Mozes leefde. Zij veronderstellen dat al
Khedr, die de fontein des levens had opgespoord, daarvan dronk waardoor
hij onsterfelijk werd, en dat hij dientengevolge dezen naam verkreeg,
om zijne bloeiende en voortdurende jeugd (Al Beid‚wi, al Zamakshari,
al Bokhari, in Sonna. Zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt. Art. Khedher,
Septem castrens de Turcar, Moribus, Busbeq Epist. I. p. 93
enz. Hotting. Hist. OriÎnt p. 58 enz. 99 enz. 291 enz.).
[1197] Al Khedr nam namelijk eene bijl en sloeg twee der planken er
uit (Al Beid‚wi).
[1198] Door zijn nek om te draaien, of zijn hoofd tegen een muur te
slaan, of wel door hem neder te werpen en den strot af te snijden
(Al Beid‚wi).
[1199] Deze stad was AntiochiÎ, of zooals sommigen eerder aannemen,
Obollah nabij Basra, of wel Bajirwan in ArmeniÎ (Al Beid‚wi).
[1200] Alleen door dien met zijne hand te bestrijken: anderen zeggen
echter dat hij dien omwierp en daarna herbouwde (Al Beid‚wi).
[1201] Dit waren tien broeders, waarvan vijf, om hunne jaren, geen
werk meer konden verrichten (Al Beid‚wi).
[1202] Jaland Ebn Karkar, of Minwar Ebn Jaland al Azdi genaamd (Al
Beid‚wi) die in Oman regeerde.
[1203] Men zegt, dat zij naderhand eene dochter hadden, die de vrouw
en de moeder van een profeet was, en dat haar zoon een geheel volk
bekeerde (Al Beid‚wi).
[1204] Hunne namen waren Asram en Sarim (Al Beid‚wi).
[1205] Of de dubbel-gehoornde. Het grootste deel der uitleggers
(Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Jallalo'ddin, Yahya), veronderstellen,
dat de hier bedoelde persoon Alexander de Groote was, of gelijk zij
hem noemen, Iscander Al Roemi, koning van PerziÎ en Griekenland. De
meeningen zijn echter zeer verdeeld, nopens de oorzaak van dezen
bijnaam. Sommigen denken, dat hem die werd gegeven, omdat hij koning
van het Oosten en van het Westen was, of omdat hij expeditiÎn naar
beide de uiterste deelen der aarde had ondernomen, of wel, omdat hij
twee hoorns op zijne diadeem had, of twee krullen van haar, gelijk
hoorns op zijn voorhoofd, of, wat het waarschijnlijkste is tengevolge
van zijn grooten heldenmoed. Onderscheidene moderne schrijvers,
(Scaliger, de Emend. temp. L'Empereur, not. in Jachiad. Dan. VIII,
5 Gol. in Alfrag, p. 58, enz.), veronderstellen veeleer, dat deze
bijnaam werd veroorzaakt, door dat hij op zijne munten en door zijne
standbeelden met hoorn wordt voorgesteld, als de zoon van Jupiter
Ammon, of wel omdat hij door den profeet DaniÎl bij een bok wordt
vergeleken (Schickard, Tarikh Reg. Pers. p. 73). Hij wordt echter daar
slechts met ÈÈn hoorn voorgesteld (Zie Dan. VIII). Er zijn nochtans
sommige goede schrijvers, die gelooven dat de vorst, op deze plaats van
den Koran bedoeld, niet Alexander de Griek was, maar een andere groote
overwinnaar, die denzelfden naam en voornaam droeg en ouder dan hij
was, daar hij in den tijd van Abraham leefde, en een der koningen van
PerziÎ was, tot het eerste geslacht behoorende (Abulfeda, Khondemir,
Tarikh Monthakhah, enz. Zie d'Herbel. Bibl. Orient. Art. Escander),
of, zooals anderen veronderstellen, een koning van Saman, Asaab al
Rayesh genaamd (overlever., Ebn Abbas, Zie Poc. Spec. p. 58). Allen
komen nochtans daarin overeen, dat hij een waar geloovige was. Of hij
echter al of niet een profeet was, maakt bij hen een geschilpunt uit.
[1206] Dit is: dat het hem zoo toescheen, toen hij aan den Oceaan kwam,
en niets dan water zag (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1207] Een ongeloovig volk, dat zich met de huiden van wilde dieren
kleedde, en van datgene leefde, wat de zee op het strand wierp (Al
Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1208] Zijnde dat gedeelte der bewoonde aarde waar de zon het eerste
opkomt.
[1209] Die noch kleederen noch woningen bezaten, daar er in hunne
landstreek geen gebouw te vinden was. Zij woonden in onderaardsche
holen, waar zij zich voor de hitte der zon verscholen (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin). Jallalo'ddin zegt, dat het de Zenj waren: een zwart
volk dat zich ten zuidwesten van EthiopiÎ ophield. Zij schijnen de
Troglodyten der ouden te zijn.
[1210] Waar tusschen Dhoe'lkarnein den straks te vermelden befaamden
muur tegen de invallen van Gog en Magog bouwde. Deze bergen zijn
gelegen in ArmeniÎ en Adherbijan, of, volgens anderen, veel meer
noordwaarts, nabij de grenzen van Turkestan (Al Beid‚wi). d'Herbelot
geeft in zijn werk het verhaal van eene reis naar dien muur, door
iemand ondernomen, die door den khalif al Wathee werd uitgezonden om
dien te gaan zien (Bibl. OriÎnt. art. JagÓouge).
[1211] Door het vreemde hunner spraak en hun traag begrip, waardoor
zij genoodzaakt werden van een tolk gebruik te maken (Al Beid‚wi).
[1212] De Arabieren noemen hen Yajoej, en Majoej, en zeggen dat
het twee volkeren of stammen waren, uit Japhet den zoon van Noach
gesproten. Zooals anderen schrijven, was Gog een stam der Turken en
Magog van die van Gilan. (Al Beid‚wi. Zie d'Herbelot, t. a. pl. de Geli
en Gelae van Ptolemaeus en Strabo. Zie Gol. in Alfrag, p. 207). Men
zegt dat dit barbaarsche volk gedurende de lente hunne invallen in
de nabij gelegen streken deden en de aardvruchten verwoestten en
wegvoerden, terwijl sommigen beweren dat zij menscheneters waren
(Al Beid‚wi).
[1213] De uitleggers zeggen, dat de muur op de volgende wijze was
gebouwd. Zij groeven tot zij water vonden, en na het fondament van
steen en gesmolten koper te hebben gelegd, maakten zij den bovenbouw
van groote stukken ijzer, waar tusschen zij hout en kolen legden,
tot zij de hoogte der bergen bereikt hadden. Daarop staken zij den
brand in de brandoffers en maakten, met behulp van groote blaasbalgen,
het ijzer rood gloeiend en goten er gesmolten koper over, waardoor
de leemten tusschen de stukken ijzer werden aangevuld en het geheele
werk zoo stevig als eene rots werd. Sommigen verhalen, dat het geheel
van steenen gebouwd was, door ijzeren krammen verbonden, waarop zij
gesmolten koper goten, om ze te verbinden (Al Beid‚wi).
[1214] Dat is: als de tijd voor Gog en Magog zal komen om hunne
gevangenschap te verlaten, hetgeen eenigen tijd voor de opstanding
zal plaats hebben.
[1215] Deze woorden stellen Úf den geweldigen inval van Gog en Magog
voor, Úf de verwarde verzameling van alle schepselen: zooals menschen,
geniussen en redelooze dieren bij de opstanding.
[1216] Verschillende omstandigheden, die in dit hoofdstuk worden
vermeld en op Maria betrekking hebben deden haren naam tot titel van
deze Soera kiezen.
[1217] Behalve het vers van aanbidding.
[1218] Chaf: Ha, Ya, AÔn, Sad.
[1219] Want hij was de eerste die den naam van Johannes droeg of Yahya
(zooals de Arabieren dien uitspreken). Deze meening schijnt veroorzaakt
te zijn door eene verkeerde opvatting van de woorden van Johannes,
dat niemand van de nabestaanden van Zacharias met dien naam werd
genoemd (Lucas 1, 61); want anders was Johannes of, zooals het in
het Hebreeuwsch wordt geschreven Jochanan een algemeene naam onder
de IsraÎlieten en is het nog.
[1220] Deze plaats wordt door Savary aldus vertaald: Gij zult gedurende
drie dagen stom zijn, hernam de engel.
[1221] Sommigen zeggen dat hij de volgende woorden op den grond
schreef.
[1222] Ook beteekenen deze woorden de liefde tot het geven van
aalmoezen.
[1223] Naar het oostelijk gedeelte van den tempel, of naar eene
afzonderlijke kamer in het huis, welker opening naar het oosten gekeerd
was, van waar, volgens Al Beid‚wi, de Christenen naar dat gedeelte
gekeerd, hunne gebeden uitspreken. Er bestaat eene overlevering,
volgens welke de maagd, toen zij tot de jaren van huwbaarheid was
gekomen, gewoon was, als zij hare maandelijksche reiniging kreeg,
haar vertrek in den tempel te verlaten, en zich naar het huis van
Zacharias bij hare tante te begeven. Zoodra zij weder rein was,
keerde zij tot den tempel terug. Op het tijdstip toen de engel haar
bezocht, bevond zij zich, om eene gelijke reden, bij hare tante;
zij zat en wiesch zich op eene opene plaats door een sluier bedekt
om te voorkomen, dat men haar zag (Yahya, Al Beid‚wi). Anderen zijn
omzichtiger en veronderstellen, dat zij zich verwijderd had om te
bidden (Al Zamakshari).
[1224] In de vroegste oudheid reeds waren de vrouwen in het Oosten
gewoon het aangezicht te bedekken. Thans verschijnen zij nimmer
in het openbaar zonder gesluierd te zijn. Deze sluiers zijn van
neteldoek en reiken tot de middel; er zijn twee kleine openingen
in, opdat de vrouw kunne zien, waar zij zich bevindt. Twee oorzaken
kunnen bijgedragen hebben, om onder de schoone sekse in het Oosten
de gewoonte in te voeren, hare aangezichten te bedekken: ten eerste
de overmatige hitte, waardoor de frischheid harer huid spoedig zou
vernietigd zijn en, ten tweede, de bijzondere ijverzucht der mannen,
die niet kunnen verdragen, dat zij gezien worden (Savary).
[1225] Want GabriÎl blies in de borst van haar hemd, welke hij met
zijne vingers opende. (Yahya.) Zijn adem bereikte haren schoot en
veroorzaakte de ontvangenis (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi.). De ouderdom
der maagd Maria op het tijdstip harer ontvangenis was dertien,
of, zooals anderen zeggen tien jaren, en zij bleef, overeenkomstig
verschillende overleveringen zes, zeven, acht of negen maanden zwanger
van hem. Sommigen zeggen echter dat het kind in zijne volle groote
van negen maanden werd ontvangen, en dat zij binnen een uur daarna
van hem werd verlost (Al Beid‚wi, Yahya).
[1226] Om hare verlossing te verbergen, verliet zij de stad des nachts
en begaf zij zich naar zekeren berg.
[1227] De palmboom waarheen zij vluchtte, om daartegen in haren arbeid
te leunen, was een verdorde stam, zonder top of bladeren; bovendien
had dit des winters plaats. Desniettegenstaande voorzag die boom
haar op wonderdadige wijze van vruchten ter harer verfrissching (Al
Beid‚wi, Yahya al Zamakshari), zooals later wordt medegedeeld. Men
heeft de opmerking gemaakt, dat het Mahomedaansche verhaal van
Maria's verlossing zeer veel overeenkomst heeft met dat van
Latona, zooals dit door de dichters wordt beschreven (Zie Sikh
not., in Evang. Infant. pp. 9, 21 etc.), niet alleen doordat zij
een palmboom aanvatte (Homer. Hymn. in Apoll. Callimach. Hymn. in
Delum), hoewel sommigen zeggen dat Latona een olijfboom omvatte, of
een olijf- en een palmboom, of wel twee laurierboomen, maar ook door
het spreken der kinderen, hetgeen gelijk de fabel zegt, ook Apollo
zou gedaan hebben terwijl hij zich nog in het lichaam zijner moeder
bevond. (Callimach. t. a. pl., zie Hoofdst. III, vers 41).
[1228] Savary vertaalt deze plaats aldus: En zij riep uit: Gave God
dat ik dood, vergeten en door de sterfelijken verlaten ware, alvorens
ik had ontvangen.
[1229] Sommigen veronderstellen, dat dit het kind zelf was, maar
anderen beweren dat het GabriÎl was, die eenigszins lager dan zij stond
(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Volgens een andere lezing zou deze plaats
aldus vertaald kunnen worden: En hij riep haar van onder haar. Sommigen
passen het persoonlijk voornaamwoord haar op den palmboom toe.
[1230] En dienovereenkomstig was dit nauwelijks gezegd of de verdroogde
stam herleefde, bracht groene bladeren voor en kreeg een top met
rijpe vruchten beladen.
[1231] Letterlijk: uw oog.
[1232] Sommigen zeggen dat Maria werkelijk een broeder had A‰ron
genaamd, die denzelfden vader maar een andere moeder had. Anderen
veronderstellen dat hier Mozes' broeder bedoeld wordt, maar zeggen dat
Maria vergelijkenderwijze zijne zuster wordt genoemd. Door anderen
wordt beweerd, dat dit een ander persoon van denzelfden naam was,
die tot hare tijdgenooten behoorde en om zijne goede of slechte
hoedanigheden bekend was, en dat zij haar bij hem vergeleken, Ûf bij
wijze van lof Ûf als een verwijt enz.
[1233] Bij Savary luidt dit aldus: Hij heeft kinderliefde in mijn
hart geplant en mij van trotschheid, de gezellin van ellende, bevrijd.
[1234] Men zal uit Hoofdstuk III hebben gezien, dat Mahomet de passie
van Jezus niet aannam. Dit vers nu heeft ten doel, Jezus als eenvoudig
sterveling en profeet voor te stellen wiens leven ter beschikking
staat van God, die alle wezens zal doen sterven, om hen later weder
tot het leven op te wekken. Van daar dan ook, moet volgens Mahomet,
Jezus, die in den hemel werd opgenomen, werkelijk voor den dag des
laatsten oordeels sterven.
[1235] Door Savary wordt deze plaats aldus vertolkt: God kan geen
zoon hebben. Geloofd zij zijn naam! Hij beveelt, en datgene wat niet
bestaat, treedt op zijne stem in het leven.
[1236] Zijnde: door alleen te overleven, en alle schepselen dood en
vernietigd zullen zijn. Zie Hoofdstuk XV, vers 23.
[1237] Zie Hoofdstuk VI, vers 74.
[1238] Door eerst door Harran en daarna naar Palestina te vluchten.
[1239] Letterlijk vertaald, zou dit moeten luiden: Wij verleenden
hun eene verheven taal van waarheid.
[1240] Daar hij te dien opzichte wordt genoemd, en vooral om zijne
vastberadenheid en standvastigheid, welke hij zijn vader had beloofd,
toen deze Gods bevel ontving om hem te offeren (Al Beid‚wi), daar
de Mahomedanen zeggen, dat het IsmaÎl en niet Iza‰k was die door God
aan Abraham bevolen werd te offeren.
[1241] Of Henoch, de grootvader van Noach, die dien bijnaam om zijne
groote kennis had. Hij werd namelijk door niet minder dan dertig
boeken met goddelijke openbaringen begunstigd en was de eerste die met
eene pen schreef en de sterre- en rekenkunde beoefende (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin).
[1242] Sommigen passen dit toe op de eer van de profetenzending
en zijne gemeenzaamheid met God. Anderen echter veronderstellen,
dat hier zijne opneming tot God wordt bedoeld. Zij zeggen namelijk,
dat hij op den ouderdom van driehonderdvijftig jaren door God in den
hemel werd opgenomen; nadat hij eerst gestorven en vervolgens weder
tot het leven opgewekt was, en dat hij thans in een der zeven hemelen
of in het paradijs leeft (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Abu'lfeda).
[1243] Zijnde woorden van vrede en troost, of de groeten der
engelen. Zie Hoofdstuk X, vers 10 enz.
[1244] Hier spreekt GabriÎl tot Mahomet.
[1245] Dat is: die het recht op den naam van God hebben of verdienen.
[1246] Sommigen zeggen, dat hier een bijzonder persoon wordt bedoeld,
namelijk Obba Ebn Khalf. Zie Hoofdstuk XVI vers 4 in de noot.
[1247] Men zegt namelijk, dat alle ongeloovigen op den dag des
oordeels zullen verschijnen, geketend aan den duivel, die hen verleidde
(Al Beid‚wi).
[1248] Hieruit blijkt het, zegt Al Beid‚wi, dat God sommigen der
weerspannigen vergiffenis zal schenken. Maar misschien wordt hier
bedoeld, het onderscheiden der ongeloovigen in verschillende klassen,
om hun verschillende plaatsen en graden van pijniging aan te wijzen.
[1249] Zijnde: meer weerspanningen en verdorvenen en in het bijzonder
de opperhoofden van secten, die eene dubbele straf zullen ondergaan
voor hunne eigene misstappen en hunne verleiding van anderen.
[1250] De ware geloovigen zullen namelijk mede langs of door
de hel moeten gaan; doch dan zal het vuur verminderd en de vlam
uitgebluscht worden, om hun niet te schaden; maar de anderen zal het
omringen. Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden slechts
doelen op den overgang van de smalle brug die over de hel ligt
(Al Beid‚wi).
[1251] Zijnde: van ons of van ulieden. Toen de KoreÔshieten niet in
staat waren een boek, gelijk den Koran aan te wijzen, snoefden zij
op hunne welvaart en hunnen adel. In dat opzicht stelden zij zich
zelven zeer hoog en versmaadden de volgelingen van Mahomet.
[1252] Deze plaats werd geopenbaard met het oog op Al As Ebn
Wayel. Deze was geld schuldig aan Khabbab. Toen de laatste om het
verschuldigde vroeg, weigerde de schuldenaar te betalen, tenzij Khabbab
Mahomet verloochende. Op dit voorstel werd door Khabbab geantwoord,
dat hij dien profeet nimmer zou verloochenen; noch levend, noch dood,
noch zelfs als hij op den jongsten dag zou worden opgewekt. Hierop
hernam Al As: als gij weder zijt verrezen, kom tot mij; want dan zal
ik overvloed van rijkdommen en kinderen hebben, en ik zal betalen
(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1253] Zijnde: Hij zal verplicht wezen, zijne geheele welvaart en
zijne kinderen achter te laten als hij sterft.
[1254] Het woord van den oorspronkelijken tekst kan ook worden vertaald
door steun, kracht, eer.
[1255] Zijnde: bij de opstanding, als de afgodendienaars hunne
afgoden en de afgoden hunne aanbidders zullen verloochenen, en zij
elkander wederkeerig zullen beschuldigen. Zie Hoofdstuk VI, vers 24
en Hoofdstuk X, vers 29 volg.
[1256] Of: het tegendeel; d.i. eene schande in plaats van eene eer.
[1257] Dat is: uitgenomen hij, welke eigenlijk geschikt zal zijn
die gunst te ontvangen, door het belijden van den Islam. Volgens eene
andere vertolking kan deze plaats ook aldus worden vertaald: Zij zullen
de tusschenkomst van niemand verkrijgen, behalve de tusschenkomst van
hen, enz. Of anders: Niemand zal in staat zijn voor anderen tusschen
beide te treden, behalve zij, die een verbond (of verlof) van God
zullen hebben ontvangen; dat is: hij die daartoe door geloof en het
doen van goede werken, overeenkomstig Gods belofte, of die daartoe
van God het bepaalde verlof zal hebben ontvangen (Al Beid‚wi. Zie
Hoofdstuk II, vers 255).
[1258] Zijnde: de liefde van God en van al de bewoners des
hemels. Sommigen veronderstellen, dat dit vers werd geopenbaard om de
Moslems te troosten, die om hun geloof, te Mekka veracht en gehaat
worden. Hierbij wordt hun beloofd, dat zij de liefde en de achting
der menschen in korten tijd zullen winnen.
[1259] De beteekenis van deze letters, waarmede het eerste vers
aanvangt, en die daarom voor den titel zijn genomen, is niet met
zekerheid op te geven. Sommigen meenen echter, dat zij er staan in
plaats van Ya rajol, zijnde: O mensch! deze vertolking welke, naar
het schijnt niet gemakkelijk uit het Arabisch is te verklaren wordt
in zekere overlevering van het Ethiopisch afgeleid (Moham. Ebn Abd
al Baki, ex trad. Acreman, Ebdae Abi Sofian). Sommigen zien in de
letters het woord Ta, d.i. Tred, er bij voegende, dat Mahomet in den
nacht toen deze plaats werd geopenbaard, waakte en bad, en daarbij
slechts op ÈÈn voet stond, zoodat hem hier werd bevolen, het zich
gemakkelijk te maken en beide voeten op den grond te zetten. Anderen
weder beweren, dat de eerste letter Tuba gelukzaligheid en de laatste
Hawiyat beteekent, zijnde de onderste afdeeling der hel, Tah is ook
een tusschenwerpsel waarbij stilte wordt bevolen, en zou daarom op
deze plaats niet ongepast zijn.
[1260] Hetzij door hunne ijverige zorg voor de bekeering der
ongeloovigen, of door zich te vermoeien met waken, en de uitoefening
van andere godsdienstige plichten. Het schijnt namelijk, dat de
KoreÔshieten de buitengewone vermoeienissen, welke hij in dit opzicht
leed, als het gevolg aanvoerden van de omstandigheid, dat hij hunnen
godsdienst had verlaten (Al Beid‚wi).
[1261] Wij doen hier eens voor altijd opmerken, dat het woord God
met eene groote G telkens door ons is genomen voor het Arabische
woord Allah, de eenige God, terwijl god, goedheid, voor het Arabische
woord illah, zonder lidwoord is gekozen. Zie voorts Hoofdstuk VII,
vers 179 en op verschillende andere plaatsen.
[1262] Het verhaal van de geschiedenis van Mozes, hetgeen hier het
grootste deel van het hoofdstuk inneemt, werd aangewezen om Mahomet
door zijn voorbeeld aan te moedigen, aan de roeping van profeet met
vastheid des harten te voldoen, daar hij dan verzekerd kon zijn,
dezelfde hulp van God te ontvangen. Men zegt namelijk, dat dit
hoofdstuk een der eerst geopenbaarden was (Al Beid‚wi.)
[1263] De uitleggers zeggen, dat Mozes van Shoaib, of Jethro zijn
schoonvader, verlof ontvangen hebbende om zijne moeder te bezoeken,
met zijn gezin van Midian naar Egypte vertrok. Toen hij echter aan de
vallei van Towa kwam, waarin de berg SinaÔ was gelegen, gevoelde zijne
vrouw barensweÎn en werd gedurende een zeer duisteren en sneeuwachtigen
nacht, van een zoon verlost. Ook was hij van zijnen weg afgedwaald,
en zijn vee verstrooid, toen hij plotseling ter zijde van een berg
een vuur zag, dat, toen hij naderbij kwam, in een groen bosch bleek
te branden (Al Beid‚wi.)
[1264] Dit was een teeken van nederigheid en eerbied. Sommige beweren
echter, dat er eenige onreinheid in de schoenen was, omdat die van
de huid van een ongetemde ezel waren vervaardigd (Al Beid‚wi.)
[1265] Die eerst niet dikker dan de staf was, maar later tot eene
buitengewone dikte opzwol (Al Beid‚wi.)
[1266] Toen Mozes zag, dat de slang zich met groote snelheid
voortbewoog en steenen en boomen verzwolg, was hij verschrikt en
ontvluchtte haar. Toen hij echter op deze woorden van God den moed
herkreeg, had hij de onverschrokkenheid, de slang bij de kinnebakken
te vatten (Al Beid‚wi.)
[1267] Want Mozes had een spraakgebrek, dat door het volgende geval
werd veroorzaakt. Eens, toen hij nog een kind was, en Pharao hem in
zijn armen hield, trok hij plotseling aan diens baard en plukte daaraan
op zeer ruwe wijze. Pharao ontstak daardoor in zulk een hevigen toorn,
dat hij beval, Mozes ter dood te doen brengen. Zijne vrouw Asia deed
hem echter opmerken, dat hij slechts een kind was, dat geen onderscheid
wist tusschen een brandende kool en een robijn; waarop Pharao beval,
dat men daarvan de proef zou nemen. Daarop plaatste men een gloeiende
kool en een robijn voor Mozes. Deze nam de kool en stak die in zijn
mond, waardoor hij zich de tong verbrandde, en hierna schonk Pharao
hem vergiffenis. Vergelijk Shalsh. Hakobb. p. 11.
[1268] Het Arabisch woord is Wezir, waarmede iemand wordt bedoeld,
aan wien het opperbeheer der zaken onder een vorst is opgedragen.
[1269] De uitleggers zijn het niet eens over de wijze, waarop deze
openbaring werd gedaan, hetzij door eene persoonlijke ingeving,
door een droom, een profeet of een engel.
[1270] De uitleggers zeggen, dat zijne moeder dienovereenkomstig
een kistje van papyrus maakte en dit met pek besmeerde, waarop
zij er eenig katoen in legde. Daarop plaatste zij het kind er in
en wierp het in de rivier, waarvan een tak in den tuin van Pharao
uitliep. De stroom dreef het kistje van daar in een vischvijver, aan
welks boord Pharao toen met zijne vrouw Asia zat, die eene dochter van
Mozahem was. De koning beval, dat het kistje opgenomen en geopend zou
worden. Men vond er een schoon kind in, waar Pharao behagen in schepte,
zoodat hij beval, dat het zou worden opgevoed (Al Beid‚wi). Sommige
schrijvers vermelden eene wonderdadige redding van Mozes, vÛÛr hij
in het kistje werd gelegd. Zij verhalen namelijk, dat zijne moeder
hem voor de beambten van Pharao in een oven had verborgen. Terwijl
de moeder afwezig was, ontstak de zuster een groot vuur in den oven,
om dien te stoken, niet wetende dat zich het kind aldaar bevond. Hij
werd er echter later ongedeerd uitgenomen (Abu'lpeda enz.)
[1271] Dat is: ik gaf liefde voor u in de harten van hen die u zagen,
en voornamelijk in het hart van Pharao.
[1272] De Mahomedanen beweren, dat men onderscheidene zoogsters bracht,
maar dat het kind weigerde de borst van eene van haar te vatten,
tot dat zijne zuster Mirjam, die gekomen was om tijding nopens hem
te vernemen, haar zeide, dat zij eene zoogster zou zoeken en daarop
zijne moeder bracht (Al Beid‚wi).