[1115] De misdaden waarvoor een mensch rechtens kan worden ter dood

gebracht, zijn: afvalligheid, overspel en moord (Al Beid‚wi).

[1116] Zijnde: het staat in de verkiezing van den erfgenaam of van

den naasten bloedverwant, Ûf den moordenaar het leven te benemen,

Ûf, inplaats daarvan, eene boete aan te nemen (zie Hoofdstuk II,

vers 173-175).

[1117] Sommigen passen het voornaamwoord hij op den gedooden persoon

toe, om wiens dood te wreken deze wet werd gemaakt; sommigen op den

erfgenaam, aan wien het recht wordt verleend, voldoening voor het

bloed van zijn vriend te vragen (Yahya); en anderen op hem, die door

den erfgenaam zal worden verslagen, indien hij zijn wraak te ver drijft

(Zie Al Beid‚wi).

[1118] Zie Hoofdstuk IV, vers 2 en 5-12.

[1119] Of voordeeliger in het einde (Al Beid‚wi, Al Zamakshari).

[1120] Zijnde: ijdele en onzekere meening, waarvoor gij geene goede

redenen hebt, om die voor waar, of zelfs voor waarschijnlijk te

houden. Sommigen vertolken deze woorden: Beschuldig een ander niet van

eene misdaad, waarvan gij geene kennis hebt. Deze veronderstellen,

dat daarbij het afleggen van valsche getuigenis, of het verspreiden

van, of wel het geloof hechten aan ijdele berichten omtrent anderen

wordt verstaan (Al Beid‚wi, Al Zamakshari).

[1121] Zie Hoofdstuk XVI, vers 59.

[1122] Zijnde: dat zij naar alle waarschijnlijkheid met God zouden

willen twisten omtrent de minderheid, en trachten hem te onttroonen,

op dezelfde wijze als de vorsten met elkander op aarde handelen.

[1123] Niet toestaande, dat hunne goden met hem vereenigd worden noch

hunne tusschenkomst bij hem afbiddende.

[1124] Al Beid‚wi zegt, dat de dooden op Gods oproeping dadelijk

zullen verrijzen, en het stof van hunne hoofden schudden, onder den

uitroep van: Geloofd zij gij, o God!

[1125] Zijnde: in uwe graven of in de wereld.

[1126] Deze woorden worden als een model aangewezen, door de Moslems

te volgen in hunne gesprekken met de afgodendienaars, en waardoor

hun wordt geleerd, zachte en twijfelachtige uitdrukkingen te bezigen,

en hun niet onmiddellijk te verhalen, dat zij tot het hellevuur zijn

gedoemd, hetgeen, behalve de laatdunkendheid die er in gelegen schijnt,

de straf van anderen te willen bepalen, hen slechts tot onverzoenlijker

vijanden zou maken (Al Beid‚wi).

[1127] Hetgeen eene grootere eer voor hem was dan zijn koninkrijk,

en waarin Mahomet en zijn volk onder anderen door deze woorden worden

voorspeld. Zie Marracci in Alc. p. 28 enz., Prid. Life of Moh. p. 122):

De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten. Psalm XXXVII :

29. Al Beid‚wi).

[1128] Zijnde: de engelen en profeten, die evenzeer Gods dienaren

zijn als gij zelf.

[1129] Zie Hoofdstuk VII, vers 71.

[1130] Het is algemeen aangenomen, dat Mahomets reis naar den hemel

op deze plaats wordt bedoeld, hetgeen groote geschillen en twisten

onder zijne volgelingen veroorzaakte, tot zij weder bevredigd werden

door de getuigenis van Aboe Bekr waarbij de waarheid er van verklaard

werd. (Zie Abulf. Vit. Moh. p. 89 en noot t. a. pl. Prideaux Life of

Moh., p. 50). Het woord visioen, hier gebruikt, wordt door hen, die

beweren dat deze reis niets meer dan een droom was, als eene duidelijke

bevestiging hunner meening aangevoerd. Sommige veronderstellen echter,

dat het visioen, op deze plaats bedoeld, niet de nachtelijke reis

betreft, maar den droom, dien Mahomet te al Hodeibiya had, waarin

hij zijne intrede te Mekka scheen te doen (zie Hoofdstuk XLVIII,

vers 27), of wel een visioen, dat hij had betrekkelijk het gezin van

Ommeya, hetwelk hij zijn sprookgestoelte zag beklimmen, en daarin als

apen rondspringen, waarop hij zeide: Dit is hun deel in deze wereld,

hetgeen zij door hunne belijdenis aan den Islam hebben verdiend. (Al

Beid‚wi.) Maar indien een dezer laatste aanduidingen waarheid bevat,

dat moet het vers te Medina zijn geopenbaard.

[1131] Die al Zakkum wordt genoemd en uit den bodem der hel

opgroeit. (Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 60-64.) Volgens Savary is de

Zakkum een doornachtige boom, die in ArabiÎ groeit en waarvan de

vrucht ongemeen bitter is. Volgens dienzelfden uitlegger was deze

slechte hoedanigheid de ontwijfelbare reden, dat Mahomet hem in de

hel plaatste.

[1132] Zie Hoofdstuk II, vers 32, en Hoofdstuk VII, vers 26, enz.

[1133] Zie Hoofdstuk X, vers 23 volg.

[1134] Sommigen passen dit toe op den profeet, welke aan ieder volk

zal worden gezonden; anderen op de hoofden der secten; anderen op de

verschillende godsdiensten die in de wereld worden beleden, anderen

weder op de boeken, welke bij de opstanding van ieder mensch zullen

worden gegeven en bevattende een register hunner goede en slechte

daden. (Al Beid‚wi).

[1135] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk een klein huidje

in de kloof eener dadelpit, hetgeen gebruikelijk is om iets van weinig

waarde uit te drukken.

[1136] Zijnde: Beiden van dit leven en van het volgende. Sommigen

zien in het eerste de straf in het volgende leven en in het laatste

de marteling van het graf (Al Beid‚wi).

[1137] De uitleggers verschillen zoowel nopens de plaats waar dit vers

werd geopenbaard, als omtrent de aanleiding daartoe. Sommigen denken

dat het te Mekka werd geopenbaard, en dat het betrekking heeft op de

hevige vijandschap, welke de KoreÔshieten aan Mahomet toedroegen, en

hunne rustelooze pogingen om hem Mekka te doen verlaten (Al Beid‚wi),

hetgeen hij eindelijk verplicht was te doen. Maar daar de personen

van welke hier wordt besproken, niet in hun ontwerp schijnen te zijn

geslaagd, wordt door anderen verondersteld, dat het vers te Medina

werd geopenbaard.

[1138] Dit werd vervuld, overeenkomstig de eerste der bovenvermelde

uitleggingen, door de nederlaag der KoreÔshieten te Bedr en volgens

de laatste door de groote slachting onder de Joden van Koreidha en

al Nadir. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[1139] Dit is: op den tijd van het middaggebed, als de zon van den

meridiaan afwijkt, of zooals sommigen deze woorden vertalen: bij het

ondergaan der zon; hetgeen de tijd voor het eerste avondgebed is.

[1140] De tijd van het laatste avondgebed.

[1141] Letterlijk zou dit moeten luiden: De lezing van den ochtend

stond, waaruit door sommigen wordt verondersteld, dat de lezing van

den Koran op dat tijdstip hier wordt bedoeld.

[1142] Zijnde: De wacht-engelen, die, volgens sommigen, op dien tijd

worden afgelost, of wel de engelen met het maken van verandering van

nacht in dag enz. belast. (Al Beid‚wi).

[1143] Overeenkomstig eene overlevering van Abn Horeira, is de eervolle

plaats, welke hier bedoeld wordt, die van tusschenpersoon voor anderen

(Al Beid‚wi).

[1144] Dit is: Geef, dat ik mijn graf in vrede moge binnengaan en bij

de opstanding met eer en voldoening daaruit kome. In deze beteekenis

is dit verzoek hetzelfde met dat van Bileam: Laat mij den dood van den

rechtvaardige sterven en laat mijn uiterste gelijk aan het zijne wezen

(Num. XXXI : 10). Daar echter de persoon tot wien hier gesproken wordt,

algemeen verondersteld wordt Mahomet te zijn, zeggen de uitleggers, dat

hem bevolen was, in deze woorden te bidden om een gelukkig vertrek van

Mekka en een goede ontvangst te Medina, of om eene veilige schuilplaats

in de spelonk, waar hij zich verborg, toen hij van Mekka vluchtte, of

(hetgeen het meer algemeen oordeel is) om een zegevollen intocht te

Mekka en een gelukkigen terugkeer te vinden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[1145] Of de ziel van den mensch. Sommigen passen het toe op den

engel GabriÎl of op de goddelijke openbaring (Al Beid‚wi).

[1146] Zijnde door het woord Kun, dat is: Wees! bestaande in

eene onstoffelijke zelfstandigheid en niet voortgebracht zooals

het lichaam. Maar volgens eene andere meening zou deze plaats aldus

moeten worden verstaan: De geest van zoodanige dingen, waarvan uw Heer

zich de kennis heeft voorbehouden. Men zegt namelijk dat de Joden

den KoreÔshieten verzochten, Mahomet te vragen, de geschiedenis te

verhalen van hen die in de spelonk sliepen (zie het volgende hoofdstuk)

en van Dhoe'lkarnein (zie ald.) en hun eene beschrijving te geven van

des menschen ziel, er bijvoegende, dat, indien hij toestemde op al de

drie vragen te antwoorden, of op geene daarvan zou kunnen antwoorden,

zij zeker zouden mogen zijn, dat hij geen profeet was; maar indien hij

op eene of twee der vragen antwoord gaf en op de andere het stilzwijgen

bewaarde; hij dan wezenlijk een profeet ware. Dien tengevolge verhaalde

hij toen zij hem de vragen voorstelden, hun de twee geschiedenissen,

maar erkende zijne onwetendheid nopens den oorsprong der menschelijke

ziel. (Al Beid‚wi).

[1147] Daar al uwe kennis door de werking uwer zinnen wordt verkregen,

hetgeen u zonder de hulp der goddelijke openbaring, in geestelijke

bespiegelingen noodzakelijk moet doen falen. (Al Beid‚wi).

[1148] Zijnde de Koran doordien, zoowel uit de geschreven kopiÎn als

uit het geheugen der menschen, weg te wisschen.

[1149] Zooals gij voorgeeft op uwe nachtelijke reis gedaan te hebben

doch waarvan geen mensch getuige was.

[1150] Wat het leven of wat de opstanding betreft.

[1151] Dit is: tot zij uitgeput zouden zijn.

[1152] Deze waren: het veranderen van zijnen staf in eene slang,

het wit en schijnend maken van zijn hand, het voortbrengen van

sprinkhanen, ongedierte, kikvorschen en bloed, het splijten van de

Roode zee, het slaan van water uit de rots en eindelijk het schudden

van den berg SinaÔ boven de kinderen IsraÎls. In plaats van de drie

laatsten rekenen sommigen de overstrooming van den Nijl, het verzengen

van het koren, en de schaarschte van de aardvruchten (Al Beid‚wi,

Jallalo'ddin). Deze woorden worden echter door anderen vertolkt,

niet met negen mirakelen, maar met negen bevelen, die Mozes aan zijn

volk gaf, en die aan een Jood, welke hem daarom vroeg, door Mahomet

zelven aldus werden opgeteld: Dat zij zich niet aan afgodendienarij

zouden schuldig maken, noch stelen, noch overspel of moord plegen,

noch tooverij bedrijven of woekeren, noch een onschuldig mensch

beschuldigen om hem van het leven berooven, of eene zedige vrouw van

hoererij, noch uit het leger deserteeren, waarbij hij, als een tiende

bevel, het in achtnemen van den Sabbath voegde, hetgeen echter de

IsraÎlieten in het bijzonder betreft; op welk antwoord, naar men zegt,

de IsraÎliet de handen en voeten van den profeet kuste (Al Beid‚wi).

[1153] Letterlijk: op hunne kinnen.

[1154] Toen de ongeloovigen namelijk hoorden, dat Mahomet zeide:

o God, en o Barmhartige! verbeeldden zij zich dat de Barmhartige de

naam was van eene andere godheid dan God, en dat hij de aanbidding van

twee goden leerde, waardoor deze plaats ontstond (Zie Hoofdstuk VII,

vers 179).

[1155] Zijnde noch zoo luid, dat de ongeloovigen u kunnen beluisteren,

en daaruit aanleiding kunnen hebben om te lasteren en te spotten,

noch zoo zacht, dat het door de omstanders niet kunne worden

gehoord. Sommigen veronderstellen, dat door het woord: gebed, op deze

plaats het lezen van den Koran wordt bedoeld.

[1156] Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat het melding maakt van

de spelonk waarin zich de zeven slapers verborgen.

[1157] Sommigen zonderen vers 27 daarvan uit.

[1158] Dit waren zekere Christen jongelieden van eene goede familie

te Ephesus, die, om de vervolging te ontgaan van den keizer Decius,

welke door de Arabische schrijvers DecÔanus genoemd wordt, zich in eene

spelonk verborgen, waar zij gedurende een groot aantal jaren sliepen

(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, enz.) Dit aprocryphe verhaal werd door

Mahomet aan de christelijke overleveringen ontleend (Zie Greg. Turon,

en Simeon Metaphrast.), maar werd door hem en zijne volgelingen

met verschillende bijomstandigheden vermeerderd. (Zie d'Herbelot,

Bibl. OriÎnt, p. 189). Zelfs Baronius (in zijne Martijrol. ad 27

Julii) noemt het verhaal apocryph, Marracci (Alkor. p. 425 en in

Prodr. part. 4, p. 103) erkent dat het gedeeltelijk valsch of minstens

twijfelachtig is, hoewel hij Hottinger een monster van goddeloosheid

noemt en het schuim der ketters, dewijl hij het als een fabel beschouwt

(Hotting. Hist. Orient. p. 40.)

[1159] De uitleggers verschillen onder elkander nopens de beteekenis

van dit woord. Volgens sommigen kon het de naam zijn van den berg

of de vallei, waarin zich de spelonk bevond. Sommigen beweren dat

het de naam van den hond is, en anderen (die het naast bij de ware

beteekenis schijnen te komen) beweren, dat het eene koperen plaat

of steenen tafel was, nabij den ingang van de spelonk, waar op de

namen der jonge lieden waren geschreven. Er zijn echter sommigen die

aannemen, dat de makkers van Al Rakim andere personen zijn dan de zeven

slapers: zij zeggen namelijk, dat de eerstgenoemden drie mannen waren,

die door slecht weder in eene spelonk als schuilplaats werden gedreven,

en daar werden ingesloten, door het nedervallen van een grooten steen,

waardoor de opening van de spelonk werd gesloten, maar toen zij Gods

barmhartigheid afsmeekten en ieder een verdienstelijk werk verhaalde,

dat hem die, naar zij hoopten, waardig zou maken, werden zij op

wonderdadige wijze bevrijd, doordat de rots in verschillende stukken

werd vaneengespleten om hun den doortocht te verleenen (Al Beid‚wi,

uit de overlevering van Nooman Ebn Bashir).

[1160] Want zij aanbidden den waren God, en afgoden daarenboven

(Al Beid‚wi).

[1161] Opdat die hen niet zou hinderen, opende de spelonk zich naar

het zuiden (Al Beid‚wi).

[1162] Zijnde in het middengedeelte daarvan, waar zij nog door de

hitte der zon, noch door het geslotene van de spelonk werden gehinderd

(Al Beid‚wi).

[1163] Omdat zij hunne oogen open hebben, of zich dikwijls van de

eene zijde naar de andere wenden (Al Beid‚wi).

[1164] Uit vreeze, dat, door het lang liggen op den grond, hun vleesch

zou worden verteerd (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)

[1165] Deze hond volgde hen, toen zij hem op hunne vlucht naar de

spelonk voorbij gingen, en zij joegen hem weg. God deed hem daarop

spreken en hij zeide: Ik bemin hen die God dierbaar zijn; ga dus slapen

en ik zal u bewaken. Sommige echter zeggen, dat het een hond was,

die aan een schaapherder toebehoorde, die hen achtervolgde en dat de

hond dezen volgde. Deze meening wordt gestaafd door gelijk sommigen

doen, calebohom, de meester van hunnen hond, in plaats van calbohom,

hun hond te lezen (Al Beid‚wi Jallalo'ddin.) Jallalo'ddin voegt er

bij, dat de hond zich als zijne meesters gedroeg, door zich slapende

en wakende om te wenden. De Mahomedanen hebben grooten eerbied voor

dezen hond en geven hem eene plaats in het paradijs met eenige andere

geliefkoosde dieren terwijl zij eene soort van spreekwoord hebben,

dat zij, sprekende van een gierig persoon, gebruiken, luidende:

dat hij geen been aan den hond der zeven slapers zou toewerpen. Ook

zegt men dat zij de bijgeloovige gewoonte hebben, zijn naam, die,

naar zij veronderstellen, Katmir was (hoewel sommigen, gelijk hier

boven is gezegd, denken dat hij, Al Rakim heette), op hunne brieven

te schrijven, die naar verre oorden gezonden worden, of de zee

moeten overgaan, als een waarborg, of eene soort van talisman, om het

verlies van den brief te voorkomen (La Roque, Voyage de l'Arabir Heur,

p. 74. Zie d'Herbel, t. a. pl.)

[1166] Door dat God hun vreeselijke gedaanten had gegeven, of wel om

de groote uitgestrektheid hunner lichamen, of de afschuwelijkheid der

plaats. Men verhaalt, dat de khalif Moawiyah, op eene expeditie welke

hij tegen NatoliÎ ondernam, de spelonk der zeven slapere voorbij kwam,

en volstrekt iemand daarin wilde zenden, niettegenstaande Ebn Abras

hem het gevaar daarvan aantoonde, zeggende; dat reeds aan een beter

mensch dan hij was (daarmede den profeet bedoelende) werd verboden

er in te gaan; dit vers herhalende; doch de personen die er door den

khalief werden in gezonden hadden nauwelijks de spelonk betreden,

of zij werden door een brandenden wind dood geslagen (Al Beid‚wi).

[1167] Daar zij des ochtends in de spelonk kwamen en tot omstreeks den

middag waakten, verbeeldden zij zich in het eerst dat zij een halven

dag, of ten hoogste een en een halven dag hadden geslapen maar toen

zij bevonden dat hunne nagels en hun haar zeer lang waren gegroeid,

gebruikten zij deze woorden (Al Beid‚wi).

[1168] Naar de veronderstelling van sommige uitleggers was dit Tarnis.

[1169] Daar de lange slaap van deze jongelieden, en hun ontwaken

na zoo vele jaren, eene voorstelling is van den staat van hen die

sterven en daarna weder tot het leven worden opgewekt.

[1170] Zijnde nopens de opstanding. Sommigen zeggen namelijk dat alleen

de zielen zouden opstaan; anderen dat zij met de lichamen zouden worden

opgewekt, of wel, nopens de slapers, nadat zij werkelijk dood waren,

daar de een zeide, dat zij dood waren, en de ander dat zij slechts

sliepen; of wel nopens het oprichten van een gebouw over hen, hetgeen

in de volgende woorden wordt vermeld; daar sommigen aanrieden aldaar

een woonhuis te bouwen en anderen een tempel (Al Beid‚wi).

[1171] Toen de jongeling die naar de stad was gezonden, de gekochte

levensmiddelen wilde betalen, was zijn geld zÛÛ oud (het was namelijk

eene munt van Decianus), dat zij zich verbeeldden, dat hij een schat

had gevonden. Zij brachten hem voor den vorst die een Christen was,

welke, nadat hij zijn verhaal had gehoord, eenige personen met hem

naar de spelonk zond, die de anderen zagen en met hen spraken; daarna

vielen zij achterover in slaap en stierven. De vorst beval dat zij op

dezelfde plaats zouden worden verbrand, en bouwde eene kapel over hen.

[1172] Dit was de meening van al Seyid en Jacobitisch Christen

van Najran.

[1173] Hetgeen de meening was van sommige Christenen en bijzonder

van een Nestoriaanschen prelaat.

[1174] En dit is de ware meening (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[1175] Men zegt, dat, toen de KoreÔshieten, op aanhitsing der

Joden, de drie bovenvermelde vragen aan Mahomet deden, hij hun

verzocht den volgenden dag tot hem te komen. Hij beloofde hun

dan te zullen antwoorden, maar voegde er niet bij: Indien het God

behaagt. Daardoor had hij het verdriet, dat hij meer dan tien dagen

moest wachten, alvorens hem eene openbaring omtrent deze onderwerpen

werd verleend. De KoreÔshieten zegevierden daardoor, en verweten hem,

op bittere wijze, dat hij een leugenaar was. Eindelijk bracht GabriÎl

hem echter onderricht nopens hetgeen hij moest zeggen, nochtans met de

waarschuwing, dat hij in het vervolg niet zoo onbeschaamd moest zijn

(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). De Turken handelen strikt overeenkomstig

dezen grondregel van hunnen profeet. Nimmer geven zij een stellig

antwoord. Indien men hun vraagt: Komt gij? Gaat gij? Zult gij deze

zaak volbrengen? dan eindigen zij hun antwoord immer met en cha Alla:

Indien het God behaagt.

[1176] Zijnde: Geef hem de eer en vraag vergiffenis voor uwe zonden,

indien gij vergeet te zeggen: Indien het God behaagt.

[1177] Jallalo'ddin veronderstelt dat de geheele tijdsruimte drie

honderd zonnejaren was, en dat het ongelijke getal negen er bij gevoegd

is om het geheel tot maanjaren te herleiden. Sommigen denken dat deze

woorden er tusschen gevoegd zijn, als door de Christenen gesproken,

die onder elkander nopens den tijd verschilden. Een zeide namelijk dat

het drie honderd jaren was, en een ander drie honderd en negen jaren

(Al Beid‚wi). De tijd tusschen de regeering van Decius en die van

Theodosius den jonge, in welk tijdperk de slapers gezegd worden te

zijn ontwaakt, pleit er tegen, dat zij volle twee honderd jaren zouden

hebben geslapen. Maar Mahomet is eenigszins te verontschuldigen,

naardien het getal door Simeon Metaphrastus t. a. pl. opgegeven,

drie honderd twee en zeventig jaar beloopt.

[1178] Dit is eene ironische uitdrukking, waar in de dwaasheid en

razernij wordt aangeduid van het beweren des menschen, die God wil

onderrichten, (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[1179] Waartoe de ongeloovigen u zouden willen overhalen (Al Beid‚wi

Jallalo'ddin).

[1180] Dat is: Veracht de arme geloovigen niet om hunne armoede,

en vereer de rijken niet om hunne welvaart en grootheid.

[1181] Men zegt dat de persoon, hier meer bijzonder bedoeld, Ommeya Ebn

Khalf was, die begeerde dat Mahomet zijne nooddruftige volgelingen, uit

eerbied door de KoreÔshieten, zou ontslaan (Zie Hoofdstuk IV, vers 52).

[1182] Letterlijk: van Eden (Zie Hoofdstuk IX, vers 73).

[1183] Deze schijnen echter slechts algemeene karakters te zijn,

aangeduid om het verschillende uiteinde van den zondaar en den

goede voor te stellen. Door sommigen wordt echter verondersteld, dat

hier twee bepaalde personen worden bedoeld. Een zegt, dat zij twee

IsraÎlieten en broeders waren, die een aanzienlijke som van hunnen

vader hadden geÎrfd, welke zij met elkander deelden. Een van hen,

die een ongeloovige was, kocht ruime velden en bezittingen voor zijn

deel, terwijl de andere die een ware geloovige was daarvan tot vrome

doeleinden gebruik maakte. Eindelijk werd echter de eerste tot armoede

gebracht, terwijl de laatste voorspoedig was. Een ander is van meening

dat het twee menschen van den stam van Makhzum waren, waarvan de een

een ongeloovige, al Aswald Ebn Abd al Ashadd was genaamd en de andere

Aboe Salma Ebn Abd Allah, de echtgenoot van Omm Salma (met welke de

profeet na den dood van Abd Allah huwde,) die een waar geloovige was

(Al Beid‚wi).

[1184] Terwijl hij zijn makker medenam uit pralerij en om hem te

ergeren, door het gezicht zijner uitgebreide bezitting (Al Beid‚wi).

[1185] Zich eindelijk inbeeldende, dat zijn voorspoed niet zoozeer eene

vrije gift van God was, als eene schuld voor zijn gedrag (Al Beid‚wi).

[1186] Zij zullen namelijk, aan den wortel afgescheurd, in de lucht

oprijzen en tot atomen verdeeld worden. (Al Beid‚wi.)

[1187] Zie Hoofdstuk II, vers 32 en Hoofdstuk VII, vers 10 enz.

[1188] Van hier sommiger beweren, dat de geniussen eene soort van

engelen zijn: anderen veronderstellen dat de duivel oorspronkelijk

een genius was, en dat dit de aanleiding tot zijn opstand was. Zij

noemen hem den vader der geniussen, welke hij na zijn val voortbracht

(Jallalo'ddin). Het is tevens de vaste meening der Mahomedanen,

dat de engelen zondenvrij zijn en zich niet voortplanten.

[1189] Zijnde tusschen de afgodendienaars en hunne valsche

goden. Sommigen veronderstellen, dat hier de bedoeling slechts is,

dat God hen tot geschil en verdeeldheid zal aanzetten.

[1190] Van hunnen nood te Bedhr (want de KoreÔshieten zijn de hier

bedoelde ongeloovigen), of hunne straf bij de opstanding (Al Beid‚wi).

[1191] Dit zijn de steden der Adieten, Thamoedieten, Sodomieten, enz.

[1192] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk de tijdruimte

van achttien jaren en daar boven. Om deze lange plaats toe te lichten,

verhalen de uitleggers het volgende: Zij zeggen, dat, toen Mozes eens

voor het volk predikte, zij zijne kennis en welsprekendheid zoo zeer

bewonderden, dat zij hem vroegen, of hij een man ter wereld kende,

die wijzer was dan hij. Hij antwoordde daarop ontkennend, waarop God,

na hem om zijne ijdelheid gelaakt te hebben (sommigen beweren echter

dat Mozes die vraag uit eigen beweging aan God deed), hem in eene

openbaring mededeelde, dat zijn dienaar al Khedr wijzer was dan hij. Op

het verzoek van Mozes verhaalde hij hem dat hij dien persoon op zekere

rots zou vinden, waar de twee zeeÎn elkander ontmoetten. Hij ried hem,

visch in eene mand met zich te nemen, en dat daar, waar hij den visch

zou missen, de plaats zou wezen. Dienovereenkomstig vertrok Mozes met

zijn dienaar Josua om al Khedr op te zoeken, welke expeditie hier is

beschreven (Al Beid‚wi, al Zamakhshari, al Bokhari, in Sonna enz.)

[1193] Zijnde die van PerziÎ en Griekenland. Sommigen beweren echter

dat hier de ontmoeting van Mozes en al Khedr wordt bedoeld, als

van twee zeeÎn van kennis (Al Beid‚wi, al Zamakhshari, al Bokhari,

in Sonna, enz.).

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 76 / 89 段