zooals dadels, druiven, eene soort van honig, die uit de dadels vloeit,
en azijn. Sommigen hebben verondersteld, dat deze woorden het gematigd
gebruik van wijn veroorloofden. De algemeen aangenomen meening beweert
echter het tegendeel. (Zie Hoofdstuk II, vers 261, in de noot.)
[1070] Zijnde: De wegen langs welke, door Gods macht, de bittere
bloemen, die in de maag der bij komen, tot honig worden, of de wijze
van honig maken, welke hij haar bij instinct heeft gegeven, of wel de
gereede weg naar huis van de afgelegen plaatsen, waarheen dat insect
vliegt. (Al Beid‚wi).
[1071] Zijnde: honig, waarvan de kleur zeer verschillend is,
veroorzaakt door de onderscheidene planten, waarmede zich de bijen
voeden: sommige zijn namelijk wit, sommige geel, andere weder rood
of wel zwart. (Al Beid‚wi).
[1072] Met deze woorden worden de afgodendienende bewoners van Mekka
berispt, die geschapene wezens tot een deel der goddelijke eer konden
toelaten, hoewel zij hunne slaven niet veroorloofden, met hen zelven
te deelen, wat hun door God geschonken was (Al Beid‚wi).
[1073] Of: stel geene gelijkheid of vergelijkingen voor tusschen
hem en zijne schepselen. Naar het schijnt gebruikten de bewoners van
Mekka een argument ter verdediging hunner afgodendienarij, zijnde:
dat het aanbidden van ondergeschikte godheden vereerend voor God was,
evenals de eerbewijzen aan de dienaren van een vorst gebracht, den
vorst zelven vereeren. (Al Beid‚wi).
[1074] De afgoden worden hier vergeleken bij een slaaf, die er zoo
ver van verwijderd is iets te bezitten wat hem behoort, dat hij zelf
in het bezit van een ander is, terwijl God een rijk en vrij mensch
gelijk is, die overvloedig voor zijn gezin zorgt en ook anderen,
welke in nood verkeeren, zoowel in het openbaar als in het geheim
ondersteunt (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1075] Het afgodsbeeld is hier op nieuw voorgesteld onder het beeld
van iemand, die, door het gebrekkige zijner zintuigen een nuttelooze
last is voor den mensch, die hem onderhoudt, en God onder dat van een
persoon, die volkomen in staat is, hetzij om eene nuttige onderneming
te besturen, hetzij om die uit te voeren. Sommigen veronderstellen,
dat deze vergelijking op een waren geloovige en een ongeloovige slaat.
[1076] Dat is: de opstanding van den dood.
[1077] Al Beid‚wi zegt, dat een uiterste, en wel het onuitstaanbaarste
in ArabiÎ, hier voor beiden is gesteld. Jallalo'ddin veronderstelt
echter, dat het woord "hitte" hier "koude" moet verstaan worden.
[1078] Belijdende dat God de bron van alle zegeningen is, welke zij
genieten, terwijl zij hunne beden en dankzeggingen nochtans tot hunne
afgoden richten, door wier tusschenkomst zij zich verbeelden, dat de
zegeningen worden verkregen.
[1079] Door de onwetendheid of verdorvenheid Gods voorzienigheid
geheel loochenende.
[1080] Letterlijk: hunne makkers.
[1081] Dit vers, hetgeen de aanleiding was tot de bekeering van
Othman Ebn Matun, bevat, volgens de meening der uitleggers, alles
wat de mensch verplicht is te doen of te vermijden, en is slechts
eene voldoende ontleding van hetgeen in het voorafgaande vers werd
gezegd. Onder de drie dingen, die hier worden bevolen, verstaan zij het
geloof aan Gods eenheid, zonder daarom nog eenerzijds tot atheÔsme,
of anderzijds tot polytheÔsme over te hellen, gehoorzaamheid aan
Gods bevelen, en weldadigheid omtrent de noodlijdenden. Onder de
drie verboden dingen verstaan zij: alle verdorven en vleeschelijke
lusten, alle valsche leerstellingen en kettersche meeningen, en alle
onrechtvaardigheid omtrent den mensch (Al Beid‚wi).
[1082] Door in zijnen waren godsdienst te volharden. Sommigen denken,
dat hier voornamelijk de eed van getrouwheid wordt bedoeld, die
Mahomet van zijne volgelingen ontving.
[1083] Sommigen veronderstellen, dat in deze plaats eene bepaalde vrouw
wordt bedoeld, die, gelijk Penelope, de gewoonte had, des nachts het
werk te vernietigen, dat zij des daags had verricht. Zij zeggen, dat
haar naam was Reita Bint Saad Ebn Teym, van de stam der KoreÔshieten
(Al Beid‚wi).
[1084] Dat is: wees niet geneigd, door beloften of giften der
ongeloovigen van uwen godsdienst, of van uwe verbintenissen met uwen
profeet afstand te doen. Want het schijnt, dat de KoreÔshieten, ten
einde de arme Moslems er toe te verleiden, afvallig te worden, hun
aanbiedingen deden, die wel niet aanzienlijk waren, maar toch zÛÛ,
dat zij die der aanneming waardig konden achten (Al Beid‚wi).
[1085] Toen Mahomet eens in den Koran las, sprak hij eene vreeselijke
godslastering uit, tot groote ergernis van hen, die tegenwoordig waren,
zooals dit op eene andere plaats (in de noot op vers 51 van Hoofd
XXII) zal worden medegedeeld. Ten einde zich te verontschuldigen,
verzekerde hij hun, dat de duivel hem deze woorden in den mond had
gelegd, en ten einde zulke gevallen in de toekomst te voorkomen,
wordt hem hier vermaand, Gods bijstand in te roepen, alvorens dien
plicht te vervullen (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Yahya enz).
[1086] Zijnde: GabriÎl. Zie Hoofdstuk II vers 81.
[1087] Dit was eene groote tegenwerping, welke de bewoners van Mekka
omtrent de autoriteit van den Koran maakten; want toen Mahomet,
als een bewijs voor den Goddelijken oorsprong, er bij bleef
volharden, dat het een mensch, zoo geheel ongeleerd als hij zelf,
geheel onmogelijk was, zulk een boek samen te stellen, hernamen zij:
dat hem daartoe een of meer personen hunne hulp hadden verleend. De
overleveringen verschillen echter nopens den persoon of de personen,
die voornamelijk daarvan verdacht gehouden werden. Eene zegt dat het
Jabar was, een Griek, de bediende van Amer Ebn al Hadrami, die goed
kon lezen en schrijven (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi, Yahya): een ander
zegt, dat het twee slaven, Jabar en Yesar waren, die het ambacht van
zwaardvegers te Mekka uitoefenden, en gewoon waren den Pentateuchus en
het Evangelie te lezen, en Mahomet dikwijls onder hunne toehoorders
telden, als hij langs dien weg kwam (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi,
Zie Prideaux. Life of Moh. p. 32). Een ander verhaalt ons, dat het
zekere Aish of Yaish was, een knecht van al Haweiter Ebn Abd al Uzza,
die een zekeren graad van kennis verworven en het Mahomedanisme omhelsd
had (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi). Een ander weder veronderstelt, dat
het zekere Kais, een christen, wiens huis door Mahomet werd bezocht
(Jallalo'ddin); nog een ander, dat het Addas was, een dienstknecht
van Otha Ebn Rabia (Al Zamakhshari, Yahya), en een ander, dat
het Salman, de PerziÎr was. Overeenkomstig sommige christelijke
schrijvers (Ricardi Confut. Legis Saracenicae, c. 13. Joh. Andreas,
de Confus. Sectae Mahometanae, c. 2. Zie ook Prid. Life of Moh, p. 33,
34), zou Abdallah Ebn Salam, een Jood, die zeer bevriend met Mahomet
was (welke door den een, overeenkomstig den Hebreeuwschen tongval,
Abdias Ben Salon en door een ander Abdala Celen, wordt genoemd)
hem in het samenstellen zijner openbaringen geholpen hebben. Deze
Jood wordt door Dr. Prideaux verward met Salman, den PerziÎr, die
een geheel verschillend persoon was, zooals door schrijvers uit den
lateren tijd (Gagnier not. in Abulf. Vit Moh. p. 74 en Sake, the Koran)
is opgemerkt. Het is dus niet ongepast, met het oog op hetgeen later
nopens Salman zal worden medegedeeld, hierbij een kort uittreksel
te doen kennen van zijne levensgeschiedenis, zooals die door hem
zelven wordt medegedeeld. Hij behoorde tot eene goede familie van
Ispahan, die in zijn jeugdigen ouderdom den godsdienst van zijn land
verliet om het Christendom te omhelzen. Toen hij in SyriÎ reisde,
werd hem door zekeren monnik van AmuriÎ aangeraden, naar ArabiÎ te
gaan, waar men, omstreeks dien tijd, de verschijning van een profeet
verwachtte, die den godsdienst van Abraham zou bevestigen, en dien
hij onder anderen ook zou kennen door het zegel der profecy tusschen
zijne schouders. Salam deed die reis en ontmoette Mahomet te Koba,
waar hij zich gedurende zijne vlucht naar Medina ophield. Hij bevond
spoedig dat deze de persoon was dien hij zocht, en beleed den Islam
(Ex Ebn Ishak. Zie Gagnier, not in Abulf. Vit. Moh. p. 74). Het
algemeen gevoelen der christenen is echter, dat de voornaamste hulp,
die Mahomet bij het samenstellen van zijn Koran genoot, van een
Nestoriaanschen monnik was, Sergius genaamd, die verondersteld wordt
dezelfde persoon te zijn als de monnik Boheira, met wien Mahomet op
jongeren leeftijd eenigen omgang te Bosra had, waar die monnik zijn
verblijf hield (Zie Prid. t. a. pl. 35, enz. Gagnier, t. a. pl. p. 10,
11. Marrac. De Alcor, p. 37). Om deze veronderstelling te staven,
is eene plaats van een Arabisch schrijver aangevoerd (Al Masudi),
die vermeldt, dat de naam van Boheira, in de werken der christenen
Sergius is, doch dit is slechts eene veronderstelling, en een ander
(Abul Hasan al Becra) verhaalt, dat zijn ware naam SaÔd, of Felix,
was en zijn toenaam Boheira. Maar hoe het ook zij, indien Boheira en
Sergius slechts een en dezelfde persoon waren, dient men te weten,
dat men bij de Mahomedaansche schrijvers niet de minste aanduiding
vindt, dat hij ooit zijn klooster verliet om naar ArabiÎ te gaan, zoo
als door de christelijke schrijvers wordt beweerd; en zijne kennis
met Mahomet te Bosra viel te vroeg in, om de meening te staven,
dat hij hem bij het vervaardigen van den Koran zou hebben geholpen,
hetgeen lang daarna geschiedde; doch het is mogelijk, dat Mahomet
door zijne gesprekken met hem eenige kennis van het christendom en
van de schriften hebbe verkregen, welke door hem bij den Koran zijn
gebruikt. Uit het antwoord op deze plaats van den Koran gegeven, op
de tegenwerping der ongeloovigen; zijnde, dat de persoon, die door
hen verdacht wordt gehouden, de hand in den Koran te hebben gehad,
eene vreemde taal sprak, en dus met geen schijn van mogelijkheid
verondersteld kan worden bij het samenstellen van een stuk in de
Arabische taal, en wel met zulk een groote sierlijkheid te hebben
geholpen, is het duidelijk dat die persoon geen Arabier was. Het woord
Ajami dat hier is gebruikt, beteekent eene vreemde of onbeschaafde
taal in het algemeen; maar de Arabieren passen het meer bijzonder op
het Perzisch toe; waaruit door sommigen de gevolgtrekking is gemaakt,
dat Salman de bewuste persoon was. Indien het echter waar zij, dat
hij niet tot Mahomet kwam dan na de Hedjira, zoo kan hij ook de hier
bedoelde man niet zijn, of wel dan moet dit vers, in strijd met het
algemeene gevoelen, te Medina zijn geopenbaard.
[1088] Deze vier laatste woorden werden bijgevoegd met het oog op het
gebeurde met Ammar Ebn Yasa en sommige anderen, die, toen zij door
de KoreÔshieten waren gegrepen en gemarteld, hun geloof uit vrees
verlieten, hoewel hunne harten niet met hunne monden instemmen
(Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Yahya). Het schijnt, dat Ammar de
standvastigheid niet bezat van zijne ouders Yasar en Sommeya, die
hetzelfde vonnis op denzelfden tijd met hunnen zoon ondergingen, maar
die standvastig weigerden te herroepen, en beiden ter dood werden
gebracht. De ongeloovigen bonden Sommeya tusschen twee kameelen, en,
staken eens lans door hare schaamdeelen (Al Beid‚wi). Toen Mahomet
het bericht werd gebracht, dat Ammar het geloof had verloochend, zeide
hij, dat het niet kon zijn; want dat Ammar vol van het geloof was, van
de kruin zijns hoofds tot de zool zijner voeten, daar het geloof met
zijn vleesch en bloed vermengd en in hem verlichaamd was. Toen Ammar
daarop zelf weenende tot den profeet kwam, veegde hij zijne oogen
af en zeide: Wat was uwe misdaad, indien zij u dwongen? Maar hoewel
het hier wordt gezegd, dat zij die alleen schijnbaar afvallig worden,
om doop of marteling te ontgaan, op Gods vergiffenis mogen hopen, is
het echter thans eenparig door de Mahomedaansche leeraars aangenomen,
dat het verdienstelijker en aangenamer in de oogen van God is, met
moed en standvastigheid in het ware geloof te volharden, en eerder
den dood te ondergaan, dan, al zij het ook slechts met woorden van
dat geloof afstand te doen. Ook ontbreken de martelaars in den
ergeren zin des woords niet aan den Mohamedaanschen godsdienst,
waarvan wij hieronder, behalve het hierboven medegedeelde, nog
twee voorbeelden zullen geven. Het eene is van Khobair Ebn Ada, die
verraderlijk aan de KoreÔshieten verkocht, en daarna door hen op eene
afschuwelijke wijze ter dood gebracht werd, door verminking en door
hem zijn vleesch stuksgewijze af te snijden. Toen hem te midden dezer
martelingen gevraagd werd, of hij niet zou wenschen, dat Mahomet in
zijne plaats ware, antwoordde hij: Ik zou niet willen wenschen bij
mijn gezin, mijn vermogen en mijne kinderen te zijn, op voorwaarde, dat
Mahomet, zij het ook slechts door een doorn, zou worden geprikt. (Ebn
Sohohmah). Het ander voorbeeld is dat van een man, die door Moseilama
bij de volgende gelegenheid werd ter dood gebracht. Die valsche profeet
had namelijk twee van Mahomets volgelingen gegrepen. Hij vroeg aan
een van hen, wat hij van Mahomet zeide: De man antwoordde daarop,
dat deze Gods gezant was. En wat zegt gij van mij, voegde Moseilama
er bij, waarop hij antwoordde: Gij zijt mede Gods gezant, waarop hij
onmiddellijk in vrijheid werd gesteld. De andere persoon, die door
Moseilama werd gegrepen, gaf hetzelfde antwoord op de eerste vraag,
maar weigerde iets op de tweede te zeggen: hij werd daartoe drie
verschillende malen aangemaand, maar gaf voor doof te zijn, en werd
daarom gedood. Men verhaalt dat Mahomet, toen hem het gebeurde met
deze mannen werd medegedeeld, zeide: De eerste hunner nam toevlucht
tot Gods barmhartigheid, maar de laatste beleed de waarheid en zal
daarvoor zijne belooning vinden (Al Beid‚wi).
[1089] Zooals Ammar deed. Sommigen, die het woord met verschillende
zelfklinkers lezen, vertolken daardoor de laatste woorden met: "na de
ware geloovigen te hebben vervolgd", en halen al Hadrami als voorbeeld
aan, die een zijner dienstknechten dwong van het Mahomedanisme afstand
te doen, maar daarna te gelijk met den dienstknecht hetzelfde geloof
beleed en derhalve vluchtte (Al Beid‚wi).
[1090] Dat is: ieder mensch zal bezorgd zijn voor eigene zaligmaking,
en zich niet met den toestand van een ander inlaten; maar uitroepende:
mijne eigene ziel, mijne eigene ziel! (Al Beid‚wi).
[1091] Zie Hoofdstuk V, vers 1, 4-7, 95-98 enz.
[1092] Toestaande wat God heeft verboden, en zich bijgeloovig
onthoudende van hetgeen hij heeft vergund. Zie Hoofdstuk VI, vers
139-148.
[1093] Zijnde in Hoofdstuk VII, vers 147 en volg.
[1094] Dit waren de Joden, aan welke door Mozes bevolen werd, den
vrijdag (den dag die thans door de Mahomedanen als rustdag wordt
beschouwd) te stemmen, om God te aanbidden. Zij weigerden het echter en
kozen den Sabbatdag, omdat God op dien dag van zijn Scheppingsarbeid
had gerust. Daarom werd hun bevolen, den dag dien zij hadden gekozen,
op de meest strikte wijze in acht te nemen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1095] Men veronderstelt, dat deze plaats te Medina geopenbaard
werd, bij gelegenheid dat Hamza, de oom van Mahomet, in den slag
van Ohod werd gedood. De ongeloovigen schonden zijn lijk, door het de
ingewanden uit het lijf te nemen, en zijne ooren en neus af te snijden,
toen Mahomet het zag en zwoer, dat, indien God hem een goeden uitslag
verleende, hij die gruwelen aan zeventig KoreÔshieten op gelijke wijze
zou vergelden. Door deze plaats werd hem echter verboden uit te voeren,
wat hij had gezworen, tengevolge waarvan hij zijnen eed krachteloos
maakte (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Abu'lfeda beweert, dat het getal
KoreÔshieten, waarop Mahomet gezworen had zich te zullen wreken,
slechts dertig bedroeg (Abu'lf. Vit. Moh. p. 68); maar tevens moet men
hier doen opmerken, dat de vertaler van dien schrijver die plaats aldus
teruggeeft: God heeft mij geopenbaard, dat ik zal wedervergelden enz.,
inplaats van: Indien God nog eene overwinning over de KoreÔshieten
verleent, zal ik weder vergelden, enz., hetgeen veroorzaakt werd,
doordat hij Lah. adhharni in plaats van adhjerni heeft gelezen. God,
wel verre van den profeet dit plan door openbaring in te geven,
verbied hem uitddrukkelijk, het tot uitvoering te brengen.
[1096] De reden van dezen titel blijkt reeds uit de eerste
woorden. Sommigen noemen dit Hoofdstuk de kinderen IsraÎls.
[1097] Sommigen zonderen daarvan acht verzen uit, te beginnen met
vers 75.
[1098] Van waar hij door de zeven hemelen in Gods tegenwoordigheid
werd overgevoerd, en van waar hij, den zelfden nacht, naar Mekka
werd teruggebracht. Deze reis van Mahomet naar den hemel is zoo
zeer bekend, dat wij de beschrijving daarvan gevoegelijk kortelijk
kunnen behandelen. Wie echter daaromtrent nadere bijzonderheden,
wenscht te vernemen, verwijzen wij naar Dr. Prideaux, life of Mohammed
(p. 43, enz.) Morhan, Mohammedanism explained (vol. 2) en Abu'lfeda
(Moham. Vit. cap. 19). De vertaler des laatsten heeft verschillende
misslagen verbeterd, die in het verhaal van Dr. Prideaux en van andere
schrijvers voorkomen. Mahomet zou namelijk door den engel GabriÎl
door de hemelen zijn gevoerd op een lastdier, Borak genaamd, dat door
de overlevering wordt voorgesteld als een gevleugeld schepsel, met
een vrouwengelaat, het lichaam van een paard en een pauwenstaart. De
Mahomedaansche godgeleerden twisten er echter over, of de nachtelijke
reis van hunnen profeet, werkelijk door hem lichamelijk werd afgelegd,
of dat het slechts een droom of een visioen was. Sommigen denken, dat
de geheele gebeurtenis slechts een visioen was, en voeren daartoe eene
opzettelijke overlevering van Moawiyah, een van Mehomets opvolgers,
aan (Zie Vit. Moham cap. 18). Anderen veronderstellen, dat hij
lichamelijk naar Jeruzalem, maar niet verder werd overgebracht,
en dat hij daarna alleen geestelijk ten hemel voer. De aangenomene
meening is echter, dat het geen visioen was, maar dat hij wezenlijk
lichamelijk tot aan het einde zijner reis werd overgebracht en indien
men hun onmogelijkheid daarvan tracht aan te toonen, gelooven zij,
dat het voldoende is te antwoorden, dat het door den Almachtige
gemakkelijk kan worden uitgevoerd (Al Beid‚wi).
[1099] De uitleggers beijveren zich het verband tusschen deze woorden
en de vorige op te sporen. Sommigen vertalen het zooals hier boven
is geschied, terwijl anderen weder dit aldus vertolken: Neem buiten
mij niet tot uwe beschermers de nakomelingen van hen, enz.; daarmede
sterfelijke menschen bedoelende.
[1100] Hunne eerste overtreding bestond in het verwerpen der
beslissingen van de wet, het dooden van Jesaiah (Al Beid‚wi) en het
gevangen nemen van Jeremiah (Jallalo'ddin); hunne tweede zonde was
het dooden van Zacharias en Johannes den Dooper, en hun verzinnen
dat Jezus dood was (Jallalo'ddin).
[1101] Deze waren Jalut of Goliath met zijne strijdmacht (Jallalo'ddin,
Yahya), of Sennacherib, de AssyriÎr, of wel Nebuchadnezar, die door
de Oostersche schrijvers Bakhtnasr werd genoemd (hetgeen echter
alleen zijn voornaam was, zijnde zijn ware naam Gudars of Raham) de
beheerder van Babylon onder Lohorasp, koning van PerziÎ (Al Zamakhsari,
Al Beid‚wi), die Jeruzalem innam en den tempel verwoestte.
[1102] Door David toe te staan, Goliath te dooden, of door de
wonderdadige nederlaag van het leger van Sennacherib, of door dat
God in het hart van Bahman, den zoon van Isfandyar, toen hij zijn
grootvader Lohorasp opvolgde, het denkbeeld legde, aan Kiresh of Cyrus,
toen beheerder van Babylon te bevelen, de Joden uit hunne ballingschap
te doen vertrekken, onder het geleide van DaniÎl; overeenkomstig
hetwelk hij handelde, en zij hadden de overhand boven hen, die door
Baktnasr in het land waren gelaten (Al Zamakhsari, Al Beid‚wi).
[1103] Sommige beweren, dat het hier bedoelde leger dat van Bakhunasr
was Yahya, Jallalo'ddin), maar anderen zeggen, dat de Perzen de
Joden ten tweeden male overwonnen door de wapenen van Gudarz (met
wien zij Antiochus Epiphanes schijnen te bedoelen, een der opvolgers
van Alexander te Babylon. Men verhaalt, dat de krijgsbevelhebber
dezer expeditie, bij het binnenkomen van den tempel, op het groote
altaar bloed zag opborrelen, en toen hij naar de reden daarvan vroeg,
zeiden de Joden, dat dit bloed was van een offer, dat God niet had
aangenomen. Hij hernam daarop, dat zij hem de waarheid niet hadden
gezegd, en gaf bevel, dat duizend van hen op het altaar zouden worden
gedood; maar toen het bloed niet ophield te vloeien, zeide hij hun
dat indien zij de waarheid niet wilden bekennen, hij geen van hen
zou sparen. Zij erkenden alsnu, dat het bloed van Johannes was,
waarop de krijgsbevelhebber zeide: Zoo heeft uw Heer wraak op u
genomen, en riep toen uit: "o Johannes! mijn Heer en uw Heer weet,
wat uw volk voor uwe zaak is geschied, laat dus met Gods verlof uw
bloed ophouden te vloeien, anders zal ik geen van hen laten leven",
waarop het bloed onmiddellijk ophield te stroomen (Al Beid‚wi). Dit
zijn de ophelderingen der uitleggers, waaruit hunne onbekendheid
met de oude geschiedenis op voldoende wijze blijkt; doch misschien
bedoelt Mahomet, in deze later voorkomende plaats, de verwoesting
van Jeruzalem door de Romeinen.
[1104] En dienovereenkomstig geschiedde het; want daar de Joden
wederom zoo zondig waren, dat zij Mahomet verwierpen, en tegen zijn
leven samenzwoeren, leverde God hen in zijne handen over, terwijl
hij den stam van Koreidha uitroeide, en de opperhoofden van die van
Al Nadir doodde en de overige Joodsche stammen dwong, schatting te
betalen. (Al Beid‚wi).
[1105] Uit onwetendheid het slechte voor goed houdende of door het
uitspreken van zondige verwenschingen over hem en anderen, uit drift
en ongeduld.
[1106] Of onoverdacht en de gevolgen niet berekenende van hetgeen
hij vraagt. Men zegt dat de hier bedoelde persoon Adam is, die, toen
de levensadem hem door de neusgaten was ingeblazen en zijn navel had
bereikt, doch het onderste gedeelte van zijn lichaam nog slechts een
stuk klei was, moest beproeven op te rijzen, maar daarbij een zwaren
val deed. Anderen beweren echter, dat deze plaats bij de volgende
gelegenheid werd geopenbaard: Mahomet gaf zekeren vluchteling aan zijne
vrouw, Sawda int Zamaa, ter bewaring, die door het jammeren van dien
man met medelijden voor hem vervuld, hem liet ontvluchten, waarop de
profeet in de eerste opwelling zijner gramschap haar toewenschte,
dat hare handen zouden mogen afvallen. Hij herstelde zich echter
onmiddellijk en zeide overluid: O God! ik ben slechts een mensch,
verander dus mijn vloek in eene zegening. (Jallalo'ddin).
[1107] Letterlijk "de vogel" welk woord hier is gebruikt om het geluk
of den voorspoed van den mensch uit te drukken. De Arabieren zoowel als
de Grieken en Romeinen, leiden uit de vlucht der vogelen voorteekenen
af, die volgens hunne meening, geluk aanbrengen. Indien zij van de
linker- naar de rechter zijde vliegen, maar het tegenovergestelde
indien zij zich van de rechter- naar de linkerzijde begeven. Hetzelfde
leiden zij er uit af, wanneer hen zekere dieren voorbijgaan.
[1108] Als een kraag, waarvan hij zich op geenerlei wijze kan ontdoen.
[1109] Dit is: dat zij hun onderhoud en hulp van u ontvangen.
[1110] Dit is: vriendschap, gehechtheid en hulp in tijd van nood.
[1111] Daar roekeloosheid en het verspillen van iemands bezitting
in overdaad en weelde, eene zeer groote zonde is. De Arabieren waren
vooral schuldig aan buitensporigheid in het dooden van kameelen, welke
zij, meerendeels uit ijdelheid en praal, door het lot verdeelden. Dit
wordt hun op deze plaats verboden, en hun bevolen, al wat zij zouden
kunnen sparen, aan hunne arme bloedverwanten en andere hulpbehoevenden
te schenken (Al Beid‚wi).
[1112] Dit is: indien uwe tegenwoordige omstandigheden u niet mochten
toelaten, anderen te ondersteunen, stel dan uwe liefdadigheid uit,
tot God u daartoe beter in staat stelt.
[1113] Dit is: wees niet gierig of verspillend maar bewandel den weg
tusschen die twee uitersten; daarin bestaat de ware milddadigheid
(Al Beid‚wi).
[1114] Zie Hoofdst. VI, vers 141 en 152 en Hoofdst. LXXXI, vers 8 en 9.