uitleggers zeggen dat hier met het woord "donder" de engel wordt
bedoeld, die het bevel over de wolken voert en deze met gedraaide
bladen van vuur voortdrijft (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[978] Deze plaats werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard. Amer
Ebn Al Tofail en Abrad Ebn Rabiah, de broeder van Labid gingen tot
Mahomet om hem te dooden: Amer begon nopens de voornaamste punten
zijner leer met hem te twisten, terwijl Abrad een omweg maakte en
achter hem kwam, ten einde met hem zijn zwaard te treffen. Maar
de profeet doorzag zijn plan en riep Gode hulp in, waarop Abrad
onmiddellijk door den donder werd doodgeslagen, terwijl Amer met
een pestbuil werd bezocht, waaraan hij, na korten tijd, en in een
ellendigen toestand stierf. (Al Beid‚wi, Vide Golii, note in Adagia
Arab. adject. ad Gram. Erpenii, p. 99.) Jallalo'ddin deelt echter een
ander verhaal mede, volgens hetwelk Mahomet iemand had gezonden om
zekeren man uit te noodigen, zijnen godsdienst te omhelzen. De man
deed daarop de volgende vraag tot den zendeling. Wie is de apostel
en wat is God? is hij van goud, van zilver of van koper: Daarop sloeg
een donderslag zijn schedel af en doodde hem.
[979] De ongeloovigen en zelfs de duivels zijn gedwongen, zich voor
hem te vernederen, doch tegen hunnen wil, als zij aan de straf worden
overgeleverd.
[980] Dit is eene toespeling op de vermeerdering en vermindering der
schaduwen, naar gelang van den stand der zon, zoodat, wanneer die het
langst zijn, namelijk des ochtends en des avonds, zij, op den grond
nedergebogen, in de houding der aanbidding schijnen.
[981] Door in al de profeten zonder uitzondering te gelooven,
en daaraan de aanhoudende uitoefening hunner plichten, zoowel ten
opzichte van God als van de menschen, te verbinden (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin, Yahya).
[982] Eigenlijk de tuinen van Eden. (Zie hoofdst. IX, vers 73 en
de noot).
[983] Dit zijn mirakelen, welke de KoreÔshieten van Mahomet eischten;
zij vroegen hem voorts, dat hij door de macht van zijn Koran Úf
de bergen van Mekka zou wegnemen, opdat zij uitmuntende tuinen
in hunne plaats konden hebben, Úf dat hij den wind zou dwingen,
hen met hunne koopwaren naar SyriÎ over te brengen, (overeenkomstig
welke overlevering de woorden, hier: of de aarde gespleten vertaald
zouden moeten luiden: of in een oogenblik over de aarde gereisd),
of wel dat hij Kozai Ebn Kelab en andere hunner voorouders, uit den
dood zou doen opstaan om voor hem te getuigen.
[984] Sommigen veronderstellen, dat deze woorden tot Mahomet werden
gesproken, en dan moeten zij in den tweeden persoon worden vertaald:
Gij zult niet ophouden, bij hunne woningen neder te zitten, enz. Zij
zeggen namelijk, dat dit vers betrekking heeft op de afgodendienende
bewoners van Mekka, die door eene reeks van tegenspoeden werden
bezocht, om de mishandeling van hunnen profeet, en welke aanhoudend
verontrust en geplaagd werden door zijn aanhangers, die dikwijls hunne
karavanen plunderden en hun vee wegvoerden. Hij zelf bevond zich toen
met zijn geheel leger nabij de stad, voor de expeditie Al Hodeibiya
(Al Beid‚wi).
[985] Dat is: tot de dood en de dag des oordeels hen overvallen, of,
overeenkomstig de uitlegging in de vorige noot gegeven, totdat Mekka
worde ingenomen (Al Beid‚wi).
[986] Dat is: dat zij hen de makkers van God noemen, zonder in staat
te zijn, eene reden op te geven, waarom zij verdienen aandeel te
hebben in de eer en de aanbidding, welke de mensch hem verschuldigd is
(Al Beid‚wi).
[987] Zijnde de eerste proselieten van het Mahomedanisme, die uit
het Jodendom en het Christendom waren voortgesproten of de Joden en
Christenen in het algemeen, die vergenoegd waren, dat de Koran zoo
gelijkluidend met hunne eigene schriften was (Zie Hoofdstuk III,
vers 198).
[988] Dit zijn zij die deelgenomen hadden aan een bondgenootschap, om
Mahomet weerstand te bieden, zooals Caab Ebn al Ashraf en de Joden, die
hem volgden, benevens Al Seyid al Najrani, al Akib, en verschillende
andere Christenen, die de gedeelten van den Koran loochenden, waarin
hunne vervalschte leerstellingen en overleveringen worden weersproken
(Hoofdstuk III, vers 198).
[989] Zooals aan u. Deze plaats werd geopenbaard in antwoord op de
verwijtingen, welke men Mahomet deed, over het groote getal zijner
vrouwen. De Joden zeiden namelijk, dat, indien hij een echt profeet
ware, zijne zorg en aandacht op iets anders zou zijn gevestigd
dan op vrouwen en het voortbrengen van kinderen. (Jallalo'ddin,
Yahya). Hierbij moet opgemerkt worden, dat het eene grondstelling
der Joden is, dat niets meer strijdig met het profeetschap is dan
de onbeteugelde begeerte des vleesches. (Zie Maimon. More Neb. 2e
ged. c. 36, enz.)
[990] Letterlijk de moeder van het boek; waarmede de tafel wordt
bedoeld, waarop al de geschrevene openbaringen zijn overgeschreven,
welke van tijd tot tijd aan de menschen werden geschonken.
[991] Aan het einde van dit Hoofdstuk wordt die patriarch vermeld.
[992] Opdat zij deze openbaringen niet alleen volkomen en snel voor
zich zelven zouden kunnen begrijpen, maar ook in staat zouden wezen,
die aan anderen te vertolken en te verklaren. (Al Beid‚wi).
[993] Letterlijk: de dagen van God; hetgeen ook zou kunnen vertolkt
worden met: de veldslagen van God (daar de Arabieren het woord dag
gebruiken om een belangrijk gevecht aan te duiden, zooals de Italianen
giornata en de Franschen journÈe), of zijne wondervolle daden, betoond
in de verschillende gelukkige uitkomsten van vroegere natiÎn in hare
oorlogen (Al Beid‚wi).
[994] Zie Hoofdstuk VII, vers 124, enz.
[995] Zie hetzelfde Hoofdstuk vers 63, enz.
[996] Zijnde diegene, welke onmiddellijk tegen God werden bedreven,
en door gelooven of het omhelzen van den Islam dadelijk worden
uitgewischt; maar niet de misdaden uit onrechtvaardigheid begaan, en
verdrukkingen die tegen den mensch plaats hadden (Al Beid‚wi). want
om aflaat van deze laatste zonden te erlangen, is, behalve gelooven,
berouw en teruggave overeenkomstig des menschen vermogen noodig.
[997] De uitleggers verkeeren in het onzekere, of dit de profeten
waren, die om ondersteuning tegen hunne vijanden baden, dan wel de
ongeloovigen, die Gods beslissing tusschen hen zelven en de profeten
inriepen; of beiden. Daarentegen beweren sommigen, dat dit vers in geen
verband staat met het vorige, maar op de bewoners van Mekka slaat,
die om regen baden gedurende eene groote droogte, met welke zij op
het gebed van hunnen profeet werden gestraft, doch welken regen zij
niet konden Verkrijgen (Al Beid‚wi.)
[998] Dat voort zal komen van de lijken der verdoemden, gemengd met
etterachtige zelfstandigheden en bloed.
[999] Zijnde: de meer eenvoudigen en lageren zullen tot hunne leeraren
en vorsten zeggen, die hen tot afgodendienarij verleidden en hen in
hun hardnekkig ongeloof bevestigden, enz.
[1000] Dat is: Wij deden voor u dezelfde keus als voor ons; en indien
God niet zou hebben toegelaten, dat wij in dwaling vervielen, zouden
wij u niet hebben verleid.
[1001] Gisp mijne verzoekingen niet, maar gisp uw eigene dwaasheid,
om mij te gelooven en te vertrouwen, terwijl ik mij openlijk uw
onverzoenlijke vijand heb betoond.
[1002] Of: ik verklaar mij thans onschuldig aan de omstandigheid, dat
gij mij boven God hebt gehoorzaamd en afgoden op mijne ingeving hebt
aangebeden. Of wel zouden de woorden aldus vertaald kunnen worden: Ik
geloofde vroeger niet aan het wezen waarmede gij mij hebt vereenigd;
zoodoende zijne eerste ongehoorzaamheid te kennen gevende, waardoor
hij weigerde Adam op Gods bevel te aanbidden (Al Beid‚wi).
[1003] Zie Hoofdstuk X, vers 10.
[1004] De uitleggers verschillen nopens hetgeen op deze plaats onder
het goede woord en het slechte woord moet worden verstaan. Met het
eerste schijnt de belijdenis van Gods eenheid, die uitnoodiging
aan anderen tot den waren godsdienst, of de Koran zelf, en met het
laatste, het aannemen van een veelgodendom, het verleiden van anderen
tot afgodendienarij, of de hardnekkige tegenstand aan Gods profeten
te worden bedoeld (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1005] Jallalo'ddin veronderstelt, dat met dit laatste het graf wordt
bedoeld, in welke plaats de ware geloovigen, als zij door de beide
engelen nopens hun geloof zullen worden ondervraagd naar behooren en
zonder aarzeling zullen antwoorden, waartoe de ongeloovigen niet in
staat zullen wezen.
[1006] Dat is: die zijne gunsten beantwoordden met ongehoorzaamheid
en ongeloof, of zij wier ondankbaarheid God noodzaakte, hen van de
zegeningen te berooven welke hij hun had geschonken, zooals hij ten
opzichte der bewoners van Mekka deed, die, hoewel zij door God op
het heilige grondgebied waren geplaatst, en hij hun de bewaring van
den Caaba, en een overvloedigen voorraad van alle benoodigdheden en
gemakken des levens geschonken, en hen door de zending van Mahomet
vereerd had, ter vergelding voor al deze gunsten, hardnekkige
ongeloovigen werden en zijne gezanten vervolgden. Zij werden daarvoor
niet alleen met een hongersnood van zeven jaren gestraft, maar ook
door het verlies en de schande, welke zij te Bedr ondergingen; zoodat
zij, die vroeger door hunnen voorspoed vermaard waren, thans daarvan
werden beroofd, en alleen door hun ongeloof in het oogloopend werden
(Al Beid‚wi). Indien dit de bedoeling dezer plaats is, kan zij niet
te Mekka zijn geopenbaard, zooals nopens het overige des hoofdstuks is
aangenomen; sommigen veronderstellen dan ook, dat dit en het volgende
vers te Medina werden geopenbaard.
[1007] Het hier en in de volgende verzen gebruikte woord is Sakhkara,
hetgeen beteekent: met geweld tot eenen of anderen dienst dwingen
(Zie Hoofdstuk II, vers 159, in de noot).
[1008] Zijnde het grondgebied van Mekka.
[1009] Naar het schijnt werd dit gebed niet voor zijne geheele
nakomelingschap verhoord, en in het bijzonder niet voor de
afstammelingen van IsmaÎl. Sommigen beweren echter dat deze laatsten
geene afgoden aanbaden, maar alleen eene bijgeloovige vereering
wijdden aan zekere steenen, die zij oprichtten en huldigden, als
vertegenwoordigers van den Caaba. (Al Beid‚wi).
[1010] Dat is: door hen tot berouw te brengen. Jallalo'ddin
veronderstelt echter, dat deze woorden door Abraham werden gesproken,
alvorens hij wist, dat God aan de afgodendienaren geene vergiffenis
wilde schenken.
[1011] Zijnde IsmaÎl en diens nakomelingschap. De Mahomedanen
zeggen dat Hagar, zijne moeder, aan Sarah toebehoorende, die haar
aan Abraham gaf, en dat Sarah, nadat Hagar hem IsmaÎl had gebaard,
zÛÛ ijverzuchtig op haar werd, dat zij er bij haren man op aanhield,
hen beiden weg te zenden (Gen. XXI). Daarop zond hij hen naar het
grondgebied van Mekka, waar God de bron van Zemzem ter hunner hulpe
deed ontspringen, tengevolge waarvan de Joramieten die meester der
plaats waren, hun veroorloofden, onder hen te wonen (Al Beid‚wi).
[1012] Had hij gezegd: de harten der menschen, in den volstrekten
zin dan zouden de Perzen en Romeinen hen mede als vrienden behandeld,
en zoowel de Joden als de Christenen hunne pelgrimstochten naar Mekka
afgelegd hebben (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1013] Dit gedeelte van het gebed werd verhoord, daar Mekka zÛÛ
overvloedig is voorzien, dat de vruchten van lente, zomer en herfst
er op denzelfden tijd worden gevonden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1014] Want hij wist door openbaring, dat sommigen hunner ongeloovigen
zouden zijn.
[1015] Abraham richtte deze bede tot God, alvorens hij wist, dat
zijne ouders de vijanden van God waren. (Zie Hoofdstuk IX vers
15.) Sommigen beweren, dat zijne moeder eene ware geloovige was, en
lezen dit dus in het enkelvoudige: en mijn vader. Anderen beweren, dat
Abraham onder zijne ouders hier, Adam en Eva verstaat (Jallalo'ddin,
Al Beid‚wi, enz.)
[1016] Dat is: dat gij niet van den dood proeven, maar eeuwig op deze
wereld blijven zoudt, of, dat gij na den dood niet zoudt opstaan om
geoordeeld te worden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Yahya.)
[1017] Zijnde, die van de Adieten en Thamoedieten.
[1018] Niet alleen door de geschiedenissen van sommigen, die in den
Koran voorkomen, maar ook door de van hen overgebleven monumenten
(zooals die der Thamoedieten), en de overleveringen die onder u
zijn overgebleven, nopens de vreeselijke straffen welke zij moesten
ondergaan.
[1019] Volgens de veronderstelling der Mohammedanen zou dit op den
jongsten dag geschieden. De aarde zou dan wit en effen worden,
of zooals sommigen willen, van zilver en de hemelen van goud
(Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Yahya).
[1020] Al Hedjr is een grondgebied in de provincie Hejaz, tusschen
Medina en SyriÎ, waar de stam van Thamoed woonde. Nabij het einde
van het hoofdstuk wordt daarvan melding gemaakt.
[1021] Als zij het geluk en den voorspoed der ware geloovigen zullen
zien, of als zij zullen sterven: of wel bij de opstanding.
[1022] Zijnde de openbaringen waaruit de Koran is samengesteld.
[1023] Als de goddelijke wijsheid het noodig zal oordeelen, van hun
ambt gebruik te maken, zooals om zijne openbaringen aan de profeten
over te brengen en om zijne straf aan de zondaren uit te voeren;
maar niet om u te behagen door hunne verschijning en zichtbaren vorm,
hetgeen, indien aan uw verzoek werd voldaan, slechts uwe verwarring
vermeerderen en de goddelijke wraak des te spoediger over u brengen
zou.
[1024] Zijnde de ongeloovige bewoners van Mekka zelven, of, volgens
anderer meening, de engelen in zichtbare vormen.
[1025] De Mahomedanen gelooven namelijk, dat de duivels trachten tot
de sterren op te stijgen, om de daden van de bewoners des hemels te
onderzoeken, hunne gesprekken af te luisteren en hen in verzoeking
te brengen. Zij beweren tevens dat deze booze geesten de vrijheid
hadden, binnen al de hemelen te komen, tot de geboorte van Jezus,
toen zij uit drie daarvan werden gesloten; maar dat bij de geboorte
van Mahomet hun de andere vier werden ontzegd (Al Beid‚wi).
[1026] Zie hoofdstuk III vers 31, in de noot.
[1027] De Mahomedanen veronderstellen namelijk bij het verschieten
eener ster, dat de engelen welke in de sterrebeelden wacht houden,
deze op de duivels werpen die er te nabij komen.
[1028] Zijnde: uw gezin, bedienden en slaven, welke gij u verkeerdelijk
voorstelt door u gevoed te worden, terwijl het God is, die zoowel
voor u als voor hen zorgt (Al Beid‚wi), of, zooals sommigen denken,
de dieren, voor welke de menschen geene zorg dragen (Jallalo'ddin).
[1029] Zijnde: alleen overblijvende, als alle schepselen dood of
vernietigd zullen zijn.
[1030] Het is onzeker waarop deze woorden eigenlijk zinspelen. Sommigen
denken dat daarmede de verschillende tijdstippen worden bedoeld, waarop
de menschen in deze wereld komen, en die verlaten; anderen meenen,
dat hier de voorwaarts rukkende en achteruitwijkende manschappen
van Mahomet in den slag worden bedoeld. Een ander wederom beweert
dat deze plaats werd geopenbaard, om het verschillend gedrag van
Mahomets volgelingen, toen zij eene zeer schoone vrouw gedurende
het gebed achter Mahomet zagen; sommigen hunner gingen vÛÛr haar
uit de moskee, ten einde te vermijden, haar meer van nabij te zien;
anderen bleven achter met het doel, haar te zien (Al Beid‚wi). Savary
vertolkt deze plaats aldus: Wij kennen hen die voor u zijn gegaan,
zoowel als hen die na u zullen komen.
[1031] Zie Hoofdstuk II, vers 28, noot.
[1032] Zie Hoofdstuk II, vers 28, noot en Hoofdstuk VII, vers 3.
[1033] Zijnde: alle haat en kwaden wil, die zij elkander gedurende
hunnen leeftijd toedragen. (Zie Hoofdstuk VII, vers 41 noot); of gelijk
sommigen het verkiezen uit te drukken, alle afgunst of nijd nopens
de verschillende graden van eer en geluk, welke aan de gezegenden
zullen worden geschonken, overeenkomstig hunne verdiensten.
[1034] Nimmer elkander den rug toekeerende (Jallalo'ddin), hetgeen
als een teeken van verachting kan worden aangezien.
[1035] Zie Hoofdstuk XI, vers 72.
[1036] Hetgeen SyriÎ of Egypte was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1037] Sommigen willen, dat deze woorden door de engelen tot Lot
werden gericht; anderen door God tot Mahomet.
[1038] Tot wie ShoaÔb mede werd gezonden, evenals tot de bewoners van
Midian. Abulfeda zegt, dat dit volk nabij Taboec woonde, en niet van
denzelfden stam was als ShoaÔb. (Zie mede Geogr. Nub. p. 110).
[1039] Door hen, wegens hun ongeloof en hunne ongehoorzaamheid, door
een heeten, verstikkenden wind te verdelgen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1040] Dat is de stam van Thamoed (Zie Hoofdstuk VII, vers 71).
[1041] Men zegt dat dit vers werd afgeschaft door dat van het zwaard.
[1042] Zijnde het eerste hoofdstuk van den Koran, hetwelk uit zooveel
verzen bestaat. Sommigen zijn echter van meening, dat hier de zeven
groote hoofdstukken van den Koran worden bedoeld.
[1043] Dat is: benijdt of begeert niet hunnen wereldschen voorspoed,
nu gij in den Koran een zegen hebt ontvangen, in vergelijking waarvan
al wat wij hun hebben geschonken, als van geene waarde kan worden
geacht. Al Beid‚wi vermeldt eene overlevering, volgens welke Mahomet
te Adhri‚t (eene stad in SyriÎ) zeven, zeer rijk beladen karavanen
ontmoette, die aan eenige Joden van de stammen van Korledha en al Nadir
toebehoorden. Zijne manschappen hadden grooten lust die te plunderen,
zeggende, dat deze rijkdommen van groot nut konden zijn voor de
voortplanting van Gods waar geloof. Maar de profeet deed hun door
deze plaats opmerken, dat zij geene reden hadden, spijt te gevoelen,
daar God hun zeven verzen had gegeven, die oneindig meer waarde hadden
dan deze zeven karavanen (Al Beid‚wi).
[1044] Sommigen vertolken het oorspronkelijke woord met verhinderaars,
die de lieden beletten binnen Mekka te komen om den tempel te bezoeken
uit vrees dat zij besluiten mochten, den Islam te omhelzen, hetgeen,
naar men zegt, door tien mannen werd bedreven, die allen te Bedr
werden gedood. Anderen vertalen het woord met: die zich door een eed
hebben verbonden, en veronderstellen, dat hier sommige Tamoedieten
worden bedoeld, die zwoeren Saleb des nachts te dooden. Het is
echter meer waarschijnlijk dat deze plaats betrekking heeft op
de Joden en Christenen, die, volgens de meening der Mahomedanen,
sommige gedeelten der schriften aannemen, en andere voorwerpen,
en evenzoo sommige plaatsen van den Koran goed en andere afkeuren,
overeenkomstig hunne vooroordeelen; of wel op de ongeloovige bewoners
van Mekka waarvan sommige den Koran een goochelwerk noemden; anderen
voorzeggende ontboezemingen, anderen oude sprookjes en wederom anderen
eene dichterlijke samenstelling (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)
[1045] Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard tegen vijf
KoreÔshietische edelen, wier namen waren: Al Walid Ebn al Mohheira,
Al As Ebn Wayel, Oda Ebn Kais, al Aswad Ebn Abd Jagh˚th en Al Aswad
Ebn al Mottalleb. Deze waren gezworen vijanden van Mahomet, die hem
aanhoudend vervolgden en belachelijk maakten. Daarom kwam GabriÎl
eindelijk en verhaalde hun, dat hem bevolen was Mahomet tegen hen bij
te staan: en nadat de engel hun na elkander een teeken had gemaakt,
ging al WalÓd voorbij eenige pijlen, waarvan een zich in zijn kleed
vasthechtte. Uit trotschheid boog hij zich niet om dien uit te trekken,
maar stapte voort waardoor de punt een ader van zijn hiel doorsneed
en hij doodbloedde: al As werd door een doorn gedood, die door de
zool van zijn voet drong en zijn been tot eene monsterachtige grootte
deed opzwellen; Oda stierf aan vreeselijk en aanhoudend niezen; al
Aswad Ebn Abd Yagh˚th stootte zijn hoofd tegen een doornigen boom
en doodde zich zelven en al Aswad Ebn Al Motalleb werd met blindheid
geslagen. (Al Beid‚wi).
[1046] Letterlijk: Hetgeen zeker is.
[1047] Dit insect wordt in vers 70 van dit hoofdstuk vermeld.
[1048] Behalve de drie laatste verzen.
[1049] De persoon, die hier wordt bedoeld, was Obra Ebn Khalf, die tot
Mahomet kwam met een verrot been, en hem vroeg, of het God mogelijk
was dat voorwerp het leven te hergeven.
[1050] Zijnde: huiden, wol en haar, die u tot kleeding dienen.
[1051] Letterlijk versch vleesch; waarmede visch wordt bedoeld, als
zijnde, uit den aard, verscher en spoediger aan bederf onderhevig dan
het vleesch van vogelen en andere dieren. Men veronderstelt, dat hier
deze uitdrukking bij voorkeur is gebruikt, omdat het voortbrengen van
zulk versch voedsel uit zout water een voorbeeld van Gods macht is
(Al Beid‚wi).
[1052] Zooals parelen en koralen.
[1053] De Mahomedanen veronderstellen, dat de aarde, toen zij
pas geschapen werd, week en effen en daarenboven even goed als de
hemelbollen aan eene wentelende beweging onderworpen was. De engelen
zouden daarop gevraagd hebben, wie in staat zou zijn, op een zoo
waggelend lichaam te staan, waarop God de aarde den volgenden ochtend
bevestigde door er bergen op te plaatsen.
[1054] Die hunne gidsen zijn; niet alleen op zee, maar ook op het land,
als zij des nachts door de woestijnen reizen. De sterren, welke zij
tot dit doel in het oog houden, zijn Ûf de pleiaden (zevengesternte),
Ûf sommige der sterren nabij de pool.
[1055] Zijnde: Op welken tijd zij, of hunne aanbidders, zullen opgewekt
worden, om aan het oordeel te worden onderworpen.
[1056] Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op, en passen die op Gods
verijdeling hunner zondige voornemens toe. Anderen veronderstellen,
dat de woorden letterlijk moeten worden toegepast op den toren,
dien Nimrod (van wie de Mahomedanen vertellen, dat hij de zoon van
Gana‚n, de zoon van Nun, was en de neef van Cush en dus niet diens
zoon) te Babel bouwde, welke hij tot een reusachtige hoogte optrok
(volgens sommigen vijfduizend ellebogen), met het dwaze doel, daardoor
den hemel te bereiken en zoo doende een oorlog met diens bewoners
te ondernemen; maar God verijdelde dien aanslag, door den toren
bij hevige wind en aardbeving geheel omver te werpen (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin. Zie d'Herbel. Bibl. Orient. Art. Nimrod).
[1057] Zijnde: de profeten en de onderwijzers en leeraars van Gods
eenheid, of de engelen.
[1058] Zie Hoofdstuk II, vers 257. Sommige schrijven Thahoet of
Thaghoet.
[1059] Het is onzeker of het voornaamwoord zij betrekking heeft op de
ongeloovigen of op de ware geloovigen. Worden hier de eerstgenoemden
bedoeld, dan is de gevolgtrekking, dat zij begeerig zouden zijn,
den gelukkigen toestand van de Mohajerin te bereiken, door hetzelfde
geloof te belijden. Heeft het betrekking op de laatsten, dan wordt
op de kennis daarvan aangedrongen, als eene beweegreden voor geduld
en volharding (Al Beid‚wi).
[1060] Zie Hoofdstuk VII, de noot van vers 57, Hoofdstuk XII, vers
109 enz.
[1061] Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: Deze vermaning.
[1062] Zie Hoofdstuk XIII, de noot van vers 19.
[1063] Of: die zij niet kennen; zich in hunne dwaasheid verbeeldende,
dat zij hen kunnen helpen, of er bij God op kunnen aandringen, voor hen
tusschen beide te komen. De oude Arabieren hielden namelijk een zeker
deel van de voortbrengselen hunner landen voor hunne afgodsbeelden
achter, en onthielden zich, in hun bijgeloof, van het gebruik van zeker
vee, ter eere van diezelfde afgoden. Zie Hoofdstuk V, vers 102 en VI,
vers 139-146 benevens de noten.
[1064] Al Beid‚wi zegt, dat vooral de stammen van Khozaak en Kenana
gewoon waren, de engelen de dochters van God te noemen.
[1065] Maar wel zonen. De geboorte van eene dochter werd namelijk als
een soort van ongeval bij de Arabieren beschouwd, en waren zij dikwijls
gewoon die kinderen te dooden, door hen levend te verbranden. Zie
Hoofdstuk VI, vers 138 en Hoofdstuk LXXXI, vers 8.
[1066] Zijnde bewolkt door schrik en spijt.
[1067] Deze plaats veroordeelt de onoordeelkundige en godslasterlijke
toeschrijving van hoedanigheden aan God, die zijner onwaardig zijn,
hetgeen door de bewoners van Mekka geschiedde, en welke niet alleen
de volkomenheden der godheid verminderden maar zelfs onteerend voor
den mensch waren, daar zij in hunne opgeblazenheid de vereerender
hoedanigheden zich zelven toeschreven.
[1068] Of: hij is heden hun (namelijk der KoreÔshieten) schuts enz.