zijn wij talrijk, en wij willen ter zijner verdediging sterven.
[912] Dat is: Het zou een voorbeeld van uiterste zwakheid en dwaasheid
van ons zijn, en wij zouden terecht om zijn verlies gegispt worden.
[913] Zooals sommigen zeggen, was deze een zekere put nabij Jeruzalem
of niet ver van de rivier de Jordaan gelegen; anderen noemen dien
echter de put van Egypte of Midian. De uitleggers verhalen ons, dat,
toen Jacobs zonen Jozef naar het veld hadden medegenomen, zij hem zoo
onbarmhartig mishandelden en sloegen, dat zij hem zouden gedood hebben,
indien Judah, op zijne hulpkreten, niet de belofte had herinnerd,
die zij hadden afgelegd, hem niet te zullen dooden, maar hem in
den put neder te laten. Daarop lieten zij hem een klein eind neder,
doch toen de wanden van den put hem terughielden, bonden zij hem, en
ontnamen hem zijn onderkleed, met het doel, dit met bloed te verven,
teneinde hunnen vader te bedriegen. Jozef smeekte overluid, dat men
hem zijne kleederen zou teruggeven, maar te vergeefs: zijne broeders
zeiden tot hem met een spottenden lach, dat de elf sterren en de zon en
de maan hem konden kleeden en gezelschap houden. Daarna hadden zij hem
tot op den bodem van den put nedergelaten. Doordien er echter water
in den put was (hoewel de schrift het tegenovergestelde zegt), was
hij verplicht, op een steen te klauteren, waarop hij weenende stond,
toen de engel GabriÎl tot hem kwam met de openbaring, waarvan aanstonds
in den tekst wordt gesproken (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Al Zamakshari).
[914] Jozef was toen slechts zeventien jaar oud. Al Beid‚wi doet
opmerken, dat hij hier op Johannes den Dooper en Jezus gelijkt, die
mede zeer vroeg met de goddelijke mededeeling werden begunstigd. De
uitleggers beweren, dat GabriÎl hem tevens in den put kleedde, met
een gewaad van zijde uit het paradijs. Zij voegen er bij, dat toen
Abraham door Nimrod in het vuur werd geworpen (Zie Hoofdstuk XXI),
hij ontbloot was, en dat GabriÎl dit kleed bracht en het hem omhing;
en dat het van Abraham op Jacob kwam, die het opvouwde en in een
amulet legde, dat hij om Jozefs hals hing, tot GabriÎl het er uittrok
(Al Beid‚wi, Al Zamakshari.)
[915] Deze wedloopen dienden hun tot oefening, en de uitleggers nemen
hier in het algemeen die soort van wedloopen aan, waarbij zij ook
hunne vlugheid in het werpen van pijlen toonen, en welke nog in het
Oosten gebruikelijk zijn.
[916] Jacob had reden dit te veronderstellen, dewijl, toen men hem
het kleed bracht, hij bemerkte, dat hoewel het bebloed was, er echter
geene scheuren in waren (Al Beid‚wi.)
[917] De uitleggers hier zijn zÛÛ nauwlettend, dat zij ons den naam
van dien man opgeven, welke, zooals zij beweren Malec Ebn Dhor was,
van den stam van Khozaab (Al Beid‚wi.)
[918] En Jozef, van de gelegenheid gebruik makende, greep de koord
vast en werd door den man opgehaald.
[919] De oorspronkelijke woorden zijn: Ya boshra, waarvan het laatste
door sommigen als den naam van den akker des waterputters wordt
beschouwd, wien hij ter hulp riep. Die woorden zouden dan moeten
luiden: O Boshra!
[920] De uitleggers zijn het niet eens, of het voornaamwoord zij
betrekking heeft op Malec en zijne makkers of op de broeders van
Jozef. Zij die de eerste meening omhelzen, zeggen, dat degenen die
kwamen om water te halen, de wijze waarop zij aan hem waren gekomen,
voor het overige gedeelte der karavaan verborgen, opdat zij hem
voor zich zelven zouden kunnen behouden, voorgevende, dat zij hem
van eenige personen hadden gekregen, om hem voor hen in Egypte te
verkoopen. Zij die de laatstgemelde meening zijn toegedaan verhalen
ons, dat Judah iederen dag, door Jozef in den put doorgebracht,
hem levensmiddelen bracht, maar toen hij hem op den vierden dag niet
meer vond, maakte hij zijne broeders er mede bekend, waarop zij zich
allen tot de karavaan begaven, en Jozef als hun slaaf terug eischten,
terwijl hij niet dorst ontdekken dat hij hun broeder was, uit vrees
dat daaruit nieuw leed voor hem mocht voortvloeien, terwijl zij er
eindelijk in toestemden, Jozef aan hen te verkoopen (Al Beid‚wi.)
[921] Namelijk: twintig of tweeÎntwintig dirhems, en die bovendien
het volle gewicht niet hadden.
[922] Zijn naam was KitfÓr of ItfÓr (eene verbastering van Potiphar);
hij was een man van hoog aanzien, daar hij onder-intendant der
koninklijke schatkist was (Al Beid‚wi). De uitleggers beweren, dat
Jozef op 17 jarigen ouderdom in zijnen dienst trad en 13 jaren bij
hem leefde, en dat hij op 33 jarigen leeftijd tot den eersten minister
werd verheven, en 120 jaren telde toen hij stierf. Zij die verhalen,
dat Jozef tweemalen werd verkocht, verschillen onder elkander, nopens
den prijs dien door de Egyptenaren voor hem werd betaald. Sommigen
zeggen dat het 20 gouden dinars waren, een paar schoenen en twee witte
kleederen, en anderen dat het eene groote som in zilver of goud was.
[923] Sommigen noemen haar RaÔl; maar de naam, waaronder zij het
beste bekend staat, is die van Zoleikha.
[924] Daar KitfÓr geene kinderen had. Men zegt dat Jozef de genegenheid
zijns meesters, zÛÛ spoedig door zijn voorkomen won, dat, naar KitfÓrs
meening, die, gelijk men beweert, veel kennis van gelaatkunde bezat,
zijne voorzichtigheid en andere goede eigenschappen daarin waren
aangeduid.
[925] Zijnde KitfÓr. Volgens anderen wordt hier echter van God
gesproken.
[926] Dat is: hij had niet ernstig nagedacht over de onreinheid
der hoererij, en de groote zonde die daarin is gelegen. Sommigen
veronderstellen echter, dat deze woorden op eene wonderbaarlijke
stem of verschijning doelen, door God gezonden, om Jozef af te wenden
van de uitvoering der misdadige gedachten, die zich van hem begonnen
meester te maken. Zij zeggen namelijk, dat hij reeds zoo zeer door
de schoonheid van zijne meesteres en haar verleidelijk gedrag in
verzoeking was gebracht, dat hij op haren schoot zat, en juist begon
zich te ontkleeden, toen eene stem hem riep, en hem smeekte, zich van
haar te onthouden: maar hij sloeg geen acht op die vermaning, welke
echter driemaal werd verhaald, tot eindelijk de engel GabriÎl, of,
zooals anderen willen, de gedaante van zijn meester hem verscheen. Het
meer algemeene gevoelen is echter, dat het de verschijning van zijn
vader Jacob was, die op de toppen van zijne vingers beet, of, zooals
sommigen zeggen, over zijne borst streek, waarop zijne onkuischheid
door de toppen zijner vingers verdween (Al Beid‚wi, Al Zamakhshari,
Jallalo'ddin, Yahya).
[927] Een harer neven, die toen nog een kind was, dat in die wieg lag.
[928] Deze vrouwen waren vijf in getal en de echtgenooten van evenveel
van des konings hoofdbeambten, zijnde: zijn kamerheer, zijn schenker,
zijn bakker, zijn gevangenbewaarder en zijn veehoeder. (Al Beid‚wi).
[929] De oude Latijnsche vertalers hebben, op eene vreemde wijze, de
beteekenis van het oorspronkelijke woord abcarnaho misbruikt, hetgeen
zij met menstruatae sunt vertolken, en daarna Mahomet bestraffen om het
onwelvoegelijke der uitdrukking. Erpenius (In Not. ad Hist. Josephi)
beweert, dat hier niet het minste spoor van zulk eene bedoeling in het
woord is te vinden; maar hij dwaalt, daar het werkwoord cabara in de
vierde vervoeging, zooals het hier is gebruikt, die beteekenis heeft,
doch de bijvoeging van het voornaamwoord (gelijk hier is geschied,
en dat misschien door de Latijnsche vertalers niet is opgemerkt,)
werpt deze vertolking geheel omver.
[930] Door de groote verrassing die de buitengewone schoonheid van
Jozef bij haar te weegbracht. Zoleikha voorzag deze verrassing, en gaf
haar messen in de handen, opdat dit ongeval zou plaats hebben. Sommige
schrijvers doen hierbij opmerken, dat in het Oosten bij gelieven de
gewoonte is, dat zij de hevigheid van hunnen hartstocht bewijzen,
door zich zelven te snijden, als een teeken dat zij hun bloed ten
offer zouden willen brengen, om den persoon te dienen, die door hen
wordt bemind.
[931] Dat is aan KitfÓr en zijne vrienden. Men zegt dat de reden van
Jozefs gevangenschap daarin lag, dat zij hem voor schuldig hielden,
niettegenstaande de bewijzen voor zijne onschuld gegeven. Anderen
beweren, dat Zoleikha het begeerde, voorgevende, om haren man
te bedriegen, dat zij verlangde dat Jozef aan haar gezicht zou
worden onttrokken, tot zij door den tijd haren hartstocht zou kunnen
overwinnen, maar dat haar wezenlijk plan was, hem tot medeplichtigheid
te dwingen.
[932] Zijn opperste schenker en zijn opperste bakker, die beschuldigd
waren, hem te hebben willen vermoorden.
[933] Namelijk de schenker.
[934] De bedoeling dezer plaats schijnt te zijn, hetzij dat Jozef, ten
einde te toonen, dat hij van geene bovennatuurlijke of astrologische
kunsten gebruik maakte, belooft hun hunne droomen dadelijk uit te
leggen, nog voor zij een eenvoudig maal zouden gebruiken, of wel
dat hij hier, als een proef van zijne ervarenheid, hun aanbiedt,
hun vooruit te voorspellen, welke hoeveelheid levensmiddelen hun zou
worden gebracht.
[935] Zie Hoofdstuk VII, vers 101 en de noot.
[936] Overeenkomstig de uitlegging van sommigen, die aannemen, dat
het voornaamwoord hij betrekking heeft op Jozef, zou deze plaats
aldus moeten luiden: Maar de duivel deed hem (d.i. Jozef) vergeten,
zich tot zijnen Heer te wenden; en deed hem de goede diensten zijner
medegevangenen voor zijne bevrijding vragen in plaats van op God
alleen te vertrouwen, zooals vooral een profeet had behooren te
doen. (Al Beid‚wi).
[937] Het oorspronkelijke woord beteekent een getal tusschen drie
en negen of tien. Volgens het algemeene geloof zou Jozef zeven jaren
in de gevangenis zijn verbleven; doch sommigen zeggen, dat hij niet
minder dan twaalf jaren in gevangenschap doorbracht. (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin)
[938] Zooals de Oostersche schrijvers in het algemeen aannemen, was
deze vorst Rivan, de zoon van Al Walid, den Amalekiet, die door Jozef
bekeerd werd tot de aanbidding van den waren God en in den leeftijd
van dien profeet sterf. Sommigen beweren echter, dat de Pharao van
Jozef en die van Mozes een en dezelfde persoon was, en dat hij 400
jaren leefde of liever regeerde (Al Beid‚wi).
[939] Ten einde het voor de kalander te behouden.
[940] Niettegenstaande hetgeen door sommige oude schrijvers nopens
het tegendeel wordt beweerd (Plato, in Timaeo Pomp. Mela), regent
het dikwijls des winters in het lagere gedeelte van Egypte en zelfs
heeft men te AlexandriÎ sneeuw zien vallen, in strijd met de bepaalde
verzekering van Seneca (Nat. Quaest., Lib, 4). In het opperste deel
van Egypte, nabij de watervallen van den Nijl, regent het zeer zelden
(Zie Greaves Descr. of the Pyramids, p. 74 enz., Ray, Collection of
Travels. dl. II, p. 92.) Sommigen veronderstellen echter, dat met
de hier besproken regens, diegene bedoeld worden, welke in EthiopiÎ
zouden vallen, en den Nijl doen zwellen, hetgeen de groote oorzaak
is van de vruchtbaarheid van Egypte; of wel de regens, die zouden
nederkomen in de naburige plaatsen, welke gedurende denzelfden tijd
zeer met hongersnood werden geteisterd.
[941] Het schijnt dat Jozef niet wenschte, de gevangenis te kunnen
verlaten, dan nadat zijne onschuld algemeen en openbaar erkend was. De
uitleggers doen opmerken, dat Jozef den boodschapper niet smeekte, den
koning te bewegen, zelf naar de waarheid der zaak onderzoek te doen,
maar dat hij hem onmiddellijk bad, den koning te vragen, hem de gunst
te doen, met den meesten ernst een onderzoek in te stellen. Zij doen
tevens opmerken, dat Jozef zorg droeg, zijne meesteres niet te noemen,
uit eerbied en dankbaarheid voor de gunstbewijzen, welke hij van haar
had ontvangen, tijdens hij zich in haar huis bevond (Al Beid‚wi, enz.)
[942] Mij door bedreigingen en door overredingen, trachtende aan te
sporen, snoodheid met mijne meesteres te bedrijven.
[943] De koning vroeg haar af: Wat was de uitslag uwer verzoekingen van
Jozef? Prins, hernam zij, zijn hart was bestand tegen boosheid. Savary.
[944] Volgens eene overlevering van Ebn Abbas, had Jozef de
voorafgaande woorden nauwelijks uitgesproken, waarbij hij zijn
onschuld volhield, of GabriÎl zeide tot hem: Wat! naamt gij het niet
in overweging, bij haar te gaan liggen? Daarop bekende Jozef zijne
zwakheid (Al Beid‚wi enz.)
[945] De uitleggers zeggen, dat Jozef buiten de gevangenis werd
gebracht, nadat hij zich gewasschen en van kleederen verwisseld
had. Hij werd daarop bij den koning binnengeleid, die hij in de
Hebreeuwsche taal groette; en op des konings vraag, welke taal dit
was, antwoordde hij: de taal mijner vaderen. Zij zeggen dat deze vorst
niet minder dan zeventig talen verstond, in welke alle hij met Jozef
sprak, die hem in dezelfde taal antwoordde. De koning was daarover
zeer verwonderd, en verzocht hem zijn' droom te verhalen, hetgeen
hij deed, terwijl hij de kleinste omstandigheden beschreef. De koning
plaatste daarop Jozef naast hem op den troon en verhief hem tot zijn
Wezir, of eersten minister. Sommigen zeggen, dat, toen zijn meester
KitfÓr, omstreeks dienzelfden tijd stierf, hij hem niet alleen in
zijne betrekking opvolgde, maar zelfs, op bevel des konings, de
weduwe, zijne voormalige meesteres, huwde, welke hij bevond eene
maagd te zijn, en die hem EphraÔm en Manassa baarde (Al Beid‚wi,
Kitab Tafasir, enz.). Volgens deze overlevering is zij dezelfde vrouw
welke door Mozes Asenath wordt genoemd. Dit veronderstelde huwelijk,
hetwelk hunne liefde wettigde, heeft de Mahomedaansche godgeleerden
waarschijnlijk aangemoedigd, van de liefde van Jozef en Zoleihka
gebruik te maken, als een zinnebeeld der geestelijke liefde tusschen
den Schepper en het schepsel, God en de ziel, evenals het hooglied
van Salomo op hetzelfde mystieke onderwerp wordt toegepast. (Zie
d'Herbelot, Bibl. OriÎnt, art. Jousouf).
[946] Het oorspronkelijke woord beteekent niet alleen geld, maar ook
goederen, die geruild of tegen andere koopwaren in betaling gegeven
zijn. Sommige uitleggers verhalen ons dan ook, dat zij niet in geld
maar in schoenen en toebereide huiden betaalden (Al Beid‚wi).
[947] De bedoeling kan hier zijn, tenzij de hoeveelheid koren, die zij
thans brachten, niet toereikend was voor het onderhoud hunner familiÎn,
zoodat het voor hen noodig was een tweede reis te aanvaarden, of wel,
dat een kameellast meer of minder slechts eene kleinigheid voor den
koning van Egypte ware. Sommigen veronderstellen dat dit de woorden
van Jacob waren, waardoor gezegd wordt dat de reden te gering was,
om hem er toe te brengen met zijn zoon te vertrekken.
[948] Men verhaalt dat Jozef zijne broeders tot een gastmaal
uitnoodigde, waarbij hij hun beval twee aan twee te zitten. Daardoor
was Benjamin, de elfde, genoodzaakt alleen te zitten, en in tranen
uitbarstende, zeide hij: Indien mijn broeder Jozef in leven was,
zoude hij met mij aanzitten. Daarop beval Jozef hem, aan dezelfde
tafel met hem zelven plaats te nemen, en toen het maal geÎindigd was,
gebood hij den anderen te vertrekken, met bevel, dat zij twee aan twee
in eene woning zouden worden gehuisvest. Hij hield Benjamin echter
in zijn eigen vertrek, waar deze den nacht doorbracht. Den volgenden
dag vroeg Jozef hem, of hij hem als zijn broeder wilde aannemen, in de
plaats van dengeen dien hij verloren had. Benjamin hernam daarop: Wie
kan een' broeder vinden die u gelijk is? Evenwel zijt gij de zoon van
Jacob en Rachel niet. Daarop ontdekte Jozef zich aan hem (Al Beid‚wi).
[949] Sommigen beweren dat dit eene inhoudsmaat was ter grootte van
een Sa‚ (of omstreeks 4.5 Ned. kan), waarin zij gewoon waren koren
te meten, of de dieren te drenken. Volgens anderen was het een gouden
of zilveren drinkbeker.
[950] Zoowel door ons gedrag onder de uwen, als door het terugbrengen
van ons geld, dat ons, zonder dat wij het wisten, werd teruggegeven.
[951] Dit was de wijze van strafoefening voor diefstal bij Jacob en
zijn gezin gebruikelijk. Bij de Egyptenaren werd deze misdaad op eene
andere wijze bestraft.
[952] Want hier werd de dief niet tot slavernij gebracht, maar hij
werd gegeeseld en gedwongen, het dubbele terug te geven van hetgeen
hij had gestolen. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[953] De oorzaak van deze verdenking was, naar men zegt, de volgende:
Jozef werd namelijk door de zuster zijns vaders opgevoed, en zij werd
zoo verzot op hem, dat, toen hij opgroeide, en Jacob het voornemen
had, hem van haar weg te nemen, zij de volgende list uitdacht om
hem te behouden. Daar zij een gordel bezat die eens aan Abraham
had toebehoord, gordde zij dien het kind om. Daarop gaf zij voor,
dien verloren te hebben en deed een nauwkeurig onderzoek daarnaar
instellen. Eindelijk werd die bij Jozef gevonden en hij veroordeeld,
overeenkomstig de bovenvermelde wet der familie haar als haar eigendom
te worden overgeleverd. Sommigen zeggen echter dat Jozef wezenlijk
had gestolen en wel een gouden afgodsbeeld, dat aan de moeder van
zijn' vader toebehoorde, en dat hij dit vernietigde. Dit sprookje
is waarschijnlijk ontleend aan het stelen der beelden van Laban door
Rachel. Anderen verhalen wederom dat hij eens eene geit of eene hen
stal, om die aan een' armen man te geven (Jallalo'ddin).
[954] Zijnde Ruben. Sommige beweren echter, dat hier van Simeon of
Judah sprake is, en vertolken het in plaats van met: de oudste met:
de voorzichtigste van hen.
[955] Dat is: de pupillen verloren door zijn aanhoudend weenen
hunne zwartheid en werden parelkleurig gelijk bij zekere oogziekten
geschiedt; hierdoor werd zijn gezicht veel verzwakt, of, zooals
sommigen beweren, werd hij volkomen blind (Al Beid‚wi).
[956] Zijnde, dat Jozef nog in leven was; hetgeen hem, zooals sommigen
verhalen, in een droom door den engel des doods werd verzekerd. Anderen
veronderstellen echter, dat hij vertrouwde op de vervulling van Jozefs
droom, die echter verijdeld zou zijn geworden, ware hij gestorven
vÛÛr zijne broeders zich voor hem nederbogen (Al Beid‚wi).
[957] Daar hun geld gesnoeid en vervalscht was. Sommigen beweren echter
dat zij geen geld brachten, maar goederen om die te ruilen, zooals
wol en boter, of andere benoodigdheden van geringe waarde (Al Beid‚wi).
[958] De krenking welke zij Benjamin aandeden, was, dat zij hem van
zijn broeder scheidden, waarna zij hem zoo zeer vernederden, dat hij
slechts met de grootste onderdanigheid tot hen dorst spreken. Sommigen
zeggen, dat deze woorden het gevolg waren van een brief zijns vaders,
welke door Jozefs broeders werd overgegeven, en waarin de vrijlating
van Benjamin werd verzocht, terwijl hij daarin zijne groote droefenis
schetste, wegens het verlies van hem en van zijn broeder. De uitleggers
doen opmerken, dat Jozef, ten einde het gedrag zijner broeders te
zijnen opzichte te verontschuldigen, dit aan hunne ontwetenheid,
en aan de drift der jeugd toeschreef (Al Beid‚wi).
[959] Zij zeggen dat deze vraag niet het gevolg was van een bloot
vermoeden dat hij Jozef was, maar dat zij hem werkelijk hadden
herkend, hetzij door zijn aangezicht en gedrag, hetzij door zijne
voorste tanden, die hij bij het glimlachen vertoonde, of wel bij het
afnemen zijner tiara, waardoor een witachtige vlek op zijn voorhoofd
zichtbaar werd (Al Beid‚wi).
[960] De uitleggers veronderstellen, dat dit hetzelfde kleed was
als datgene, waarmede GabriÎl hem in den put voorzag, hetwelk,
oorspronkelijk uit het paradijs afkomstig, de geuren dier plaats
had behouden, en dat het groote voordeel bezat, alle gebreken te
genezen van den persoon die daarmede werd aangeraakt (Al Beid‚wi,
Jallalo'ddin).
[961] Dit was de bovenvermelde reuk van het kleed, door den wind tot
Jacob gevoerd, die zooals beweerd wordt, door hem werd waargenomen
op een afstand van tachtig parasangs (Al Beid‚wi) of, zooals anderen
willen, op eene verte van drie of acht dagreizen (Jallalo'ddin).
[962] Zijnde Judah, die, daar hij vroeger zijn vader bedroefd had,
door hem het met bloed bevlekte kleed van Jozef te brengen, hem
thans des te meer verblijdde, daar hij de overbrenger van dezen rok,
en van het bericht van Jozefs voorspoed was (Al Beid‚wi).
[963] Zijnde zijn vader en Lea, de zuster zijner moeder, welke
hij na Rachels dood als zijne moeder beschouwde, (Al Beid‚wi, zie
Gen. XXXVII : 10). Al Beid‚wi: verhaalt, dat Jozef voertuigen en
leeftocht voor zijnen vader en zijne bloedverwanten zond; en dat
hij en de Koning van Egypte hen te gemoet trokken. Hij voegt er bij,
dat het getal der kinderen IsraÎls die met hem Egypte binnentogen,
twee en zeventig beliep, en dat, toen zij later door Mozes werden
uitgeleid, hun aantal zesmaal honderdduizend-vijfhonderd zeventig
man en meer was aangegroeid, behalve de ouden en kinderen.
[964] Men veronderstelt dat hier eene verplaatsing der woorden heeft
plaats gehad, en dat hij zijn vader en zijne moeder deed zitten, nadat
zij voor hem hadden nedergebogen, en niet vÛÛr dien tijd (Al Beid‚wi).
[965] De Mahomedaansche schrijvers houden het er voor, dat Jacob
vier en twintig jaren in Egypte woonde, en dat hij bij zijnen dood
bevel gaf, dat zijn lichaam in Palestina, bij zijn vader moest worden
begraven, voor welks uitvoering Jozef zorg droeg. Hij keerde daarop
naar Egypte terug, waar hij drie en twintig jaren later stierf. Zij
voegen er bij, dat er nopens zijne begraving zulke groote geschillen
tusschen de Egyptenaren rezen, dat die bijna tot feitelijkheden
zouden zijn overgeslagen. Eindelijk echter kwamen zij overeen, zijn
lijk in een marmeren doodkist te leggen, en die in den Nijl te doen
zinken, uit bijgeloof dat dit zou bijdragen tot geregeld wassen
der rivier, en waardoor zij in het vervolg van hongersnood zouden
zijn gevrijwaard. Doch toen Mozes de IsraÎlieten uit Egypte voerde,
vischte hij de doodkist op, en nam de beenderen van Jozef met zich
naar Cana‰n, waar hij die bij zijne voorvaderen begroef (Al Beid‚wi).
[966] Mahomet beschuldigt, niet alleen de afgodendienende bewoners
van Mekka, maar ook de Joden en Christenen van deze misdaad, zooals
reeds bij de herhaling werd opgemerkt. (Zie onder anderen Hoofdstuk
IX, vers 30).
[967] En niet onder de bewoners der woestijnen, dewijl de bewoners
der steden meer weten en medelijdender zijn, terwijl de bewoners der
woestijnen onwetender en hardvochtig zijn. (Al Beid‚wi).
[968] Dit woord komt hieronder in vers 4 voor.
[969] Of, volgens sommige afschriften, te Medina.
[970] De beteekenis dezer letters is onbekend. Onder de verschillende
veronderstellende uitleggingen die daarvan worden gegeven, behoort
ook eene, volgens welke dit zou moeten luiden: Ik ben de meest wijze
en alwetende God.
[971] Zooals: zoet en zuur, zwart en wit, klein en groot, enz. (Al
Beid‚wi, Jallalo'ddin). Savary vertolkt deze plaats aldus: Hij is
het die de aarde uitspreidde, die de bergen verhief, die de rivieren
vormde, die u verschillende soorten van vruchten gaf. Hij schiep die
van het mannelijke en van het vrouwelijke geslacht.
[972] Daar sommige streken vruchtbaar en andere onvruchtbaar, sommige
vlak en andere bergachtig, sommige geschikt voor graanbouw en andere
voor boomen zijn, enz. (Al Beid‚wi).
[973] Indien gij u over hun ongeloof verwondert, wat moet dan uwe
verrassing zijn, als gij hen hoort zeggen: Is het mogelijk dat de
stof van ons lichaam tot een nieuw schepsel kan worden (Savary.)
[974] De hier vermelde kraag is een werktuig, eenigszins gelijk aan
eene kaak, maar licht genoeg voor den schuldige om daarmede voort te
gaan. Behalve het gat om het aan den nek te bevestigen, bezit het een
ander door eene der handen, die daardoor aan den nek is vastgemaakt
(Vide Chardin Voyde Perse, V. 2, p. 229.) Op deze wijze zullen de
verdoemden, volgens de meening der Mahomedanen, op den dag des oordeels
verschijnen (Zie Hoofdstuk V, vers 69). Sommigen vatten deze plaats
figuurlijk op, naardien de ongeloovigen door de ketenen van dwaling
en de hardnekkigheid worden gekluisterd (Al Beid‚wi).
[975] Door u uit te lokken en te tarten, om hunne onboetvaardigheid
de goddelijke wraak op hen af te smeeken.
[976] Daar donder en bliksem de voorteekens van naderende regen zijn,
die vooral in het Oosten als eene groote zegen wordt beschouwd.