[826] Daarom kunt gij niet verontschuldigen, door te zeggen, dat ik

u lastig ben.

[827] Zooals: Hoed, Saleh, Abraham, Lot en Shoaib, aan die van Ad,

Thamoed, Babel, Sodom en Midian.

[828] Zie Hoofdstuk VII, vers 101.

[829] Want toen hij in het eerst begon te prediken, geloofden slechts

weinigen der jonge IsraÎlieten in hem; de andere luisterden niet naar

hem, uit vrees voor den koning. Sommigen veronderstellen echter dat

het voornaamwoord zijn op Pharao slaat, en dat deze zekere Egyptenaren

waren, die, evenals zijne vrouw Asaia, Mozes geloofden. (Al Beid‚wi).

[830] Zoo verklaart Jallalo'ddin het oorspronkelijke woord Kebla,

dat eigenlijk de plaats of de hemelstreek beteekent, waarheen men bij

het verrichten van het gebed is gekeerd. Al Zamakshari veronderstelt

dientengevolge, dat het hier den IsraÎlieten wordt bevolen hunne

bedehuizen zÛÛ in te richten, dat zij zich in gebed met het aangezicht

naar Mekka kunnen keeren, hetgeen, naar zijne veronderstelling,

dat Kebla van Mozes was, zooals zij het die der Mahomedanen is. De

eerstgenoemde uitlegger voegt er bij, dat Pharao den IsraÎlieten

had verboden tot God te bidden, waardoor zij genoodzaakt waren,

dien plicht in stilte in hunne huizen te vervullen.

[831] Het voornaamwoord staat hier in het meervoudig daar het op

Mozes en A‰ron slaat, die voorafgaan. De uitleggers zeggen, dat, ten

gevolge van dit gebed, al de schatten van Egypte in steenen werden

veranderd. (Jallalo'ddin.)

[832] Of zooals Al Beid‚wi het vertolkt: wees volhardend en onwrikbaar

in het prediken voor het volk. De Mahomedanen beweren, dat Mozes niet

korter dan veertig jaren in Egypte bleef, voor hij het eerst zijne

zending openbaarde. Dit is echter niet met de H. Schrift overeen

te brengen.

[833] Men zegt, dat Pharao deze woorden bij zijn uiteinde dikwijls

herhaalde, opdat hij verhoord mocht worden. Maar zijn berouw kwam te

laat; want GabriÎl stopte spoedig zijn mond met slijk, uit vrees,

dat hij genade mocht verkrijgen, terwijl hij hem tegelijkertijd

verwijtingen deed, met de woorden die thans hier boven volgen.

[834] Daar sommigen der kinderen IsraÎls het betwijfelden, dat

Pharao werkelijk verdronken was, deed GabriÎl, op Gods bevel,

het naakte lichaam naar den oever drijven, opdat zij het zouden

zien. (Exod. XIV : 30). Het woord dat hier met lichaam is vertolkt,

beteekent ook een malienkolder: waardoor sommigen veronderstellen,

dat hier bedoeld wordt, dat zijn lichaam, gewapend met een uit goud

vervaardigden malienkolder, op het water dreef, waardoor zij wisten

dat het Pharao was.

[835] Dat is nopens de waarheid der geschiedenissen, die hier worden

verhaald. De uitleggers verschillen, of de persoon waarvan hier wordt

gesproken, Mahomet zelf, dan wel zijn toehoorder is.

[836] Zijnde de inwoners van Ninweh, dat op of nabij de plaats stond,

waar zich thans al Mawsil bevindt. Daar dit volk zich zelf, door

afgoderij, in het verderf had gestort, werd Jonas, de zoon van Mattai

(of Amittai, dat, volgens de veronderstelling der Mohammedanen de naam

zijner moeder was), een IsraÎliet van den stam van Benjamin, door God

gezonden, om voor hen te prediken en hem terecht te brengen. Toen hij

het eerst begon, hen tot berouw te vermanen, behandelden zij hem zeer

slecht, in plaats van naar hem te luisteren, zoodat hij genoodzaakt

was de stad te verlaten, terwijl hij bij zijn vertrek dreigde dat zij

binnen drie dagen, of volgens anderen, binnen veertig dagen zouden

worden verdelgd (Jonas III : 4.) Maar toen de tijd naderde en zij

den hemel met eene zwarte wolk bedekt zagen, die vuur uitschoot en

de lucht met rook vervulde, en welke juist boven hunne stad hing

werden zij door een onbeschrijfbaren schrik bevangen en vluchtten

met hunne gezinnen en vee naar de velden. Zij hulden zich in zakken

en verootmoedigden zich voor God, luid om vergiffenis roepende en

onrecht berouw toonende over de door hen bedreven zonden. Daarop

behaagde het Gode hun te vergeven, en woei het onweder over (Al

Beid‚wi, Jallalo'ddin, Abulfed. Zie Hoofdstuk XXI en XXVII).

[837] Zijnde tot dat zij naar den gewonen loop der natuur sterven.

[838] Het verhaal van dezen profeet komt in dit hoofdstuk voor,

Savary's overzetting behelst, na dezen naam, de woorden: vrede zij

met hem. Sommigen schrijven Hud.

[839] Of, zooals het wel eens wordt vertaald; wenden zij hunne harten

niet af, enz.

[840] Deze plaats werd te voorschijn gebracht door de woorden der

afgodendienaars, die tot elkander zeiden; als wij eens gordijnen

nederlaten (zooals de vrouwen in het oosten doen, om zich voor het

gezicht der mannen te verbergen, indien deze bij toeval in de kamer

zijn), en ons in onze kleederen hullen en onze harten omsluieren,

om onze kwaadwilligheid nopens Mahomet te verbergen, hoe zou hij dan

de wetenschap verkrijgen?

[841] Door alle hoop op de goddelijke gunst ter zijde te werpen,

door gebrek aan geduld en vertrouwen op God.

[842] Dit was het eerste aantal hoofdstukken, welke hij hen uitdaagde

samen te stellen; doch daar zij niet in staat waren het te doen,

maakte hij het hun gemakkelijker, daar hij hen uittartte, slechts

een enkel hoofdstuk voort te brengen (Zie Hoofdstuk II: 21 en X: 39,

enz.), dat met den Koran zoo wel in leer, als welsprekendheid zou

zijn te vergelijken.

[843] Zijnde de Koran, of, zooals anderen veronderstellen, de engel

GabriÎl.

[844] Dat daarvan getuigenis draagt.

[845] Zijnde de engelen en profeten, en ook hunne eigene ledematen.

[846] Want zij zullen, zoowel in dit als in het volgende leven,

gestraft worden.

[847] Zijnde de geloovigen en de ongeloovigen.

[848] Zie Hoofdstuk VII, vers 57 enz.

[849] Door gebrek aan overweging en door den eersten indruk hunner

verbeelding.

[850] Want dit verzochten zij hem te doen, daar deze armen menschen

waren.

[851] Zie Hoofdstuk VI, vers 50.

[852] Daar hij een schip bouwde in eene midden in het land gelegen

plaats, en zoo zeer van de zee verwijderd, en dat hij timmerman was

geworden, nadat hij profeet was geweest. (Al Beid‚wi).

[853] Of, evenals het oorspronkelijke, letterlijk vertaald,

zou luiden: kookt over. Deze oven bevond zich, zooals sommigen

zeggen te C˚fa, op eene plek, waar thans eene moskee staat, of

zooals anderen veeleer denken, in eene zekere plaats in IndiÎ,

of wel te Ain warda in MesopotamiÎ (Al Beid‚wi). De overstrooming

van dezen oven was voor Noach het teeken, dat de zondvloed nabij

was (Jallalo'ddin enz.) Sommigen beweren dat het dezelfde oven

was, die Eva gebruikte om haar brood in te bakken, zijnde van een

anderen vorm dan diegene, welke door ons worden gebezigd, hebbende

de opening in het bovenste gedeelte. Deze oven zou van patriarch op

patriarch zijn overgegaan, tot zij aan Noach kwam. (Zie d'Herbelot,

Bibl. Orient. Art. Noah). Het is opmerkelijk, dat Mahomet, naar alle

waarschijnlijkheid deze omstandigheid aan de Perzische wijsbegeerte

heeft ontleend, die veronderstelde, dat de eerste wateren van den

zondvloed uit den oven van eene zekere oude vrouw, met name Zala

Cufa zouden zijn gestroomd. (Zie Hyde, de Rel. Vet. Persar en Lord,

account of the Relig. of the Persees, pag. 9.) Doch het woord tann¸r,

dat hier met oven is vertaald, beteekent ook de oppervlakte der aarde,

of een plaats waar wateren ontspringen of verzameld worden. Sommigen

zijn dientengevolge van meening, dat op deze plaats slechts gedoeld

wordt op de plek of de kloof waaruit de eerste wateren stroomden.

[854] Of zooals deze woorden mede kunnen worden vertolkt, gelijk

dit, volgens sommige uitleggers, dan ook zou behooren te geschieden,

twee paar, dat is twee mannetjes en twee wijfjes van iedere soort,

waardoor zij voor een gedeelte overeenkomen met verschillende Joodsche

en Christelijke schrijvers (Ebn Ezra, Justin, Martyr, enz.), die

van de Hebreeuwsche uitdrukking "zeven en zeven," en "twee en twee",

het mannetje en zijn wijfje (Gen. VII : 2) afleiden, dat er veertien

paren van iedere reine en twee paren van iedere onreine soort in de

ark gingen. Er bestaat eene overlevering, volgens welke God voor

Noach alle diersoorten verzamelde, en dat, toen hij ze aanvatte,

zijne rechterhand aanhoudend op de mannetjes en zijne linkerhand op

de wijfjes nederviel. (Jallalo'ddin).

[855] Namelijk zijne vrouw en zijne zonen met hunne vrouwen.

[856] Dit was eene ongeloovige zoon van Noach (Yahya) Canaan genaamd

(Jallalo'ddin, Al Beid‚wi) of Yam (Ebn Shohnah). Anderen zeggen echter,

dat hij niet de zoon van Noach was, maar de zoon van zijn zoon Cham,

of de zoon van zijne vrouw, bij een anderen echtgenoot, dus zijn

klein- of zijn stiefzoon. Anderen weder beweren, dat hij niet met hem

verwant was, doch slechts in zijn huis werd opgevoed (Al Zamakhshari,

d'Herbelot, Bibl. OriÎnt p. 676). De beste uitleggers voegen er bij,

dat de vrouw van Noach, WaÔla genaamd, zijnde eene ongeloovige,

mede in deze uitzondering was begrepen, en met haar zoon omkwam

(Jallalo'ddin, Al Zamakhshari, Al Beid‚wi).

[857] Daar Noachs gezin reeds vroeger werd vermeld, veronderstelt men

dat door deze woorden, de andere geloovigen worden bedoeld, welke zijne

bekeerlingen waren, maar niet tot zijn gezin behoorden. Daaruit schijnt

de algemeene heerschende meening der Mahomedanen, dat een grooter

aantal personen dan acht in de ark werden gered, zijn oorsprong te

hebben genomen. (Zie Hoofdstuk VII, vers 62 noot.)

[858] Zijnde zijne andere vrouw, die een ware geloovige was, zijne

drie zonen, Sem, Cham en Japhet en hunne vrouwen, en tweeÎnzeventig

andere personen. (Zie Hoofdstuk VII, vers 62 noot).

[859] Dat is: verzuim niet aan boord te gaan. Overeenkomstig eene

andere lezing moeten de volgende woorden aldus worden vertaald:

"Wie haar zal doen voortbewegen en stil liggen," als de gelegenheid

dit vordert. De uitleggers verhalen, dat de ark zich voortbewoog of

stil lag, al naar Noach dit verlangde, alleen door het uitspreken

der woorden: "In den naam van God" (Al Beid‚wi, enz.) Men dient niet

uit het oog te verliezen, dat de meer oordeelkundige uitleggers

de afmetingen van de ark zoo opgeven, dat die overeenkomen met de

door Mozes vermelde (Al Beid‚wi, enz.) niettegenstaande deze door

anderen op overdreven wijze zijn vergroot (Yahya, Zie Marracc,

in Alcor. p. 340, gelijk door sommige christelijke schrijvers

(Origen. contr. Cels. lib. 4. Zie Kircher de Arca NoÎ c. 8) mede

is geschied. Zij verhalen eveneens, dat Noach twee jaren gebruikte

om de ark te bouwen, die van Indiaansch ahornhout was samengesteld

(Al Beid‚wi) d'Herbelot p. 675 en Eutych, p. 34); dat zij in drie

verdiepingen was afgedeeld, waarvan de onderste was bestemd voor

de dieren, de middelste voor de mannen en vrouwen en de bovenste

voor de vogels (Al Beid‚wi, Eutych. p. 34) en dat de mannen van de

vrouwen waren afgescheiden door het lijk van Adam, dat door Noach

in de ark was medegenomen (Yahya). Dit laatste is eene overlevering

van de Christenen uit het Oosten (Jacob. Edessenus, apud Barcebham,

de Parad. Pars. I, Cap. 14. Eutych, ubi sup. t. a. pl., etiam Eliezer

pirke Cap. 23), van welke sommige beweren dat de huwelijksplicht was

opgeheven gedurende den tijd dat Noach en zijn gezin in de ark waren

(Ambros. de Noa et Arca Cop. 21) Cham wordt echter beschuldigd de

onthouding niet in acht genomen te hebben, daar Cansan in de ark werd

voortgebracht (Heidegger, Hist. Patriarch. VI, p. 409).

[860] De wateren stonden vijftien voet boven de bergen (Al Beid‚wi).

[861] Zie hierboven de noot op vers 42.

[862] Dit is een van de bergen, waardoor ArmeniÎ, ten zuiden, wordt

gescheiden van MesopotamiÎ en het deel van AssyriÎ, dat door de Kurden

wordt bewoond; vanwaar de bergen den naam van Cardu of Gardu hebben

ontleend. De Grieken noemen dien GordyaeÓ, of geven er andere namen

aan. (Zie Bochart, Phaleg lib. I, Cap. 3). De berg al J˚di welks naam

eene verbastering schijnt te zijn, hoewel die steeds door de Arabieren

in plaats van Jordi of Giordi wordt geschreven, wordt ook Thamanin

genaamd (Georg. Num. p. 202), waarschijnlijk naar eene stad, die aan

zijnen voet ligt (d'Herbelot Bibl. Orient., p. 404 en 676 en Agathiam,

lib. XIV, p. 135), aldus genaamd naar het aantal personen, die in de

ark werden gered, daar het woord thamanin, tachtig beteekent, terwijl

men van deze plaats de streek, Diy‚r Rabiah kan overzien, nabij de

steden Mawsel, Forda en Jazirat Ebn Omar, welke laatstgenoemde plaats,

volgens de verzekering van een uitlegger, op slechts vier mijlen

afstands van de plaats der ark ligt. Hij voegt er bij, dat daar van de

overblijfsels van dat vaartuig door den Khalif Omar Ebn Abd'alaziz,

dien hij verkeerdelijk Omar Ebn Khattab noemt, een Mahomedaansche

tempel werd gebouwd (Benjamin, Itiner p. 61). De overlevering,

waarbij het bevestigd wordt, dat de ark op deze bergen is gebleven

moet zeer oud zijn, daar zij van de Chaldeeuwen afkomstig is (Berosus

apud Joseph Antiq. lib. I. cap. 4). De Chaldeeuwsche paraphrasten

ondersteunen deze meening (Onkelos et Jonathan in Gen. VIII, 4),

welke lang te voren gevestigd was, vooral bij de Christenen in het

Oosten (Eutych. Annal., p. 41). Ter bevestiging daarvan verhaalt men,

dat de overblijfselen der ark op de Gordyaansche bergen zichtbaar

waren. Berosus en Abydenius verklaren beide, dat er zulk een verhaal

in hunnen tijd bestond (Berosus, apud Joseph t. a. pl. Abydenius,

apud Euseb. Praep. Ev., lib. IX, cap. 4). De eerste doet opmerken,

dat verscheidene inwoners het pek, der planken afschraapten, om het als

eene zeldzaamheid te bewaren, en dit als een amulet bij zich droegen;

de laatstgenoemde zegt, dat zij het vaartuig met verwonderlijk gevolg

tegen verschillende ziekten aanwendden. Ook waren hier de reliquieÎn

van de ark zichtbaar, in den tijd van Epiphanius, indien wij hem mogen

gelooven (Epiph. Haeres 18), en men verhaalt, dat keizer Heraclius

zich van de stad Thamanin op den berg al J˚di begaf waar hij de plaats

van de ark zag (Elmacin, lib. I, cap. 1). Vroeger stond hier ook een

groot klooster, het klooster van de ark genaamd, dat op een der bergen

gebouwd was, waar de Nestorianen gewoon waren een feestdag te vieren,

op de plek, waar zij veronderstelden, dat de ark bleef; maar in het

jaar 776, na Chr., werd dit klooster, met de kerk, door een onweder

vernield, terwijl er zich eene talrijke gemeente in bevond. (Zie

Chronic. Dionysii Patriarch. Jacobitar. apud Asseman, Bibl. Orient.,

tome II. p. 113). Sedert dezen tijd, schijnt echter het geloof aan

deze overlevering verminderd te zijn, en voor eene andere plaats

gemaakt te hebben, die thans gevestigd is, en volgens welke de ark

op den berg Mazis in ArmeniÎ bleef, die door de Turken Agdir dagh,

de zware of de groote berg genoemd wordt en omstreeks twaalf mijlen

ten zuidoosten van Erivan ligt (Al Beid‚wi).

[863] Overeenkomstig eene andere lezing, moet deze plaats vertolkt

worden met de woorden: Want hij heeft onrechtvaardig gehandeld.

[864] De Mahommedanen zeggen, dat Noach in de ark ging op den 10den van

Rajeb, en er op den 10den van al Moharam uitkwam, waarop dientengevolge

een vastendag werd ingesteld. De geheele tijd van Noachs verblijf in de

ark, bedroeg derhalve zes maanden (Al Beid‚wi, d'Herbelot. t. a. pl.)

[865] Dit is: het deel zijner nakomelingschap, dat het ware geloof

mocht verlaten, en zich aan afgodendienarij overgeven.

[866] Zie Hoofdstuk VII, vers 63. Sommigen schrijven Hud.

[867] Daar de Aditen gedurende drie jaren vreeselijk door droogte

werden geteisterd (zie Hoofdstuk VII, vers 63 en volgende).

[868] Door u kinderen te schenken daar ook de boezems hunner vrouwen,

gedurende den tijd der droogte, evenals hunne landerijen, mede

onvruchtbaar werden gemaakt (Al Beid‚wi).

[869] Of uitzinnigheid, daar zij u van uwe reden beroofden, om de

onwaardige daden, die gij omtrent hen hebt bedreven.

[870] Dat is: hij oefent eene volstrekte macht daarover uit, naardien

een schepsel op deze wijze vastgehouden, verondersteld wordt, tot de

grootste onderwerping te zijn gebracht.

[871] Zie Hoofdst. VII, vs 71 enz. Sommigen schrijven Themud.

[872] Zijnde Woensdag, Donderdag en Vrijdag (Al Beid‚wi).

[873] Zijnde GabriÎl, MichaÎl, en IsrafÓl (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin

Zie Gen. XVIII).

[874] Volgens Savary: toen hij zag, dat zij zijne hand niet

aanraakten. Als de Oosterlingen iemand ontmoeten bewegen zij de

hand naar de linkerzijde, nadat zij de gewone groet: "Vrede zij met

u." hebben gedaan, en schudden elkander de hand. Als zij op zeer

vertrouwelijken voet zijn, herhalen zij deze plichtpleging, en doen

elkaar allerlei goede wenschen. Indien zij de personen niet kennen,

die zij ontmoeten, maken zij hun slechts deze groete, en indien het

een ongeloovige is, vergenoegen zij zich met hem alleen goeden dag

te zeggen. Toen Abraham zag, dat de twee boden des hemels zijne hand

niet aanraakten, leidde hij daaruit af, dat zij vreemdelingen waren,

bij wie hij niet bekend was.

[875] Vermoedende dat zij slechte voornemens, nopens hem koesterden,

daar zij niet met hem wilden eten.

[876] Al Beid‚wi schrijft, dat Sara toen negentig of negenennegentig

jaar oud was, en Abraham honderdtwintig.

[877] Of de stam, waaruit voor de toekomst al de profeten moesten

geboren worden. Misschien heeft de uitdrukking ook betrekking op

het bouwen van den Caaba, door Abraham en IsmaÎl, welke dikwijls,

bij uitnemendheid, het huis wordt genoemd.

[878] Door dat zij in de gedaante van schoone en jonge mannen

verschenen, die de bewoners van Sodom in verzoeking moesten brengen,

hen te misbruiken. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[879] Dit is: dat hij zich zelven niet in staat achtte, hen voor de

beleedigingen zijner medeburgers te behoeden.

[880] Volgens Savary: Is alle schaamte bij u uitgedoofd?

[881] Dit schijnt de ware zin van deze plaats te zijn; maar volgens

eene andere lezing van den zelfklinker, wordt dit door sommigen

vertaald. "Uitgezonderd uwe vrouw;" daar de bedoeling zou zijn,

dat hier aan Lot wordt bevolen, zijn gezin mede te nemen, uitgenomen

zijne vrouw.

[882] De oven, waarin zij werden gebakken, was, volgens de meening

van sommigen, de hel.

[883] Dat is, zooals sommigen veronderstellen, met witte en roode

strepen, of op bijzondere wijze gemerkt, ten einde die van gewone

steenen te onderscheiden. De heerschende meening is echter, dat op

iederen steen de naam geschreven was van den persoon, die daardoor

werd gedood (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Het leger van Araha al Ashram

werd mede door dezelfde soort steenen verdelgd.

[884] Dit is eene soort van bedreiging, tot andere zondaren gericht, en

bijzonder tot de ongeloovigen van Mekka, die dezelfde straf verdienden,

en haar terecht hadden te vreezen.

[885] Zie hoofdstuk VII, vers 83 enz.

[886] Daar zij zich verbeeldden, dat hun deze vrijheid was ontnomen,

door zijn verbod van het gebruik van valsche maten en gewichten,

of om hunne muntstukken in innerlijke waarde te verminderen, of die

te vervalschen (Al Beid‚wi).

[887] Want Sodom en Gomorra waren op geen grooten afstand van u

gelegen, en hare vernietiging is zooveel jaren nog niet geleden;

zij verdienden het ook niet meer dan gij zelf, uithoofde zij niet

snooder of halsstarriger waren.

[888] Het Arabische woord daif, zwak, beeteekent in het Hamyaritische

dialect, ook blind. Sommigen veronderstellen, dat ShoaÔb dit was,

en dat de Midianieten hem dit tegenwierpen, als een gebrek, waardoor

hij minder geschikt was, om als profeet op te treden.

[889] Zie Hoofdstuk VI, vers 135 en de noot.

[890] Zie Hoofdstuk VII, vers 101 enz.

[891] Letterlijk: nedergemaaid; de volzin stelt verschillende beelden

van het staan en maaien van het koren voor, welke ook dikwijls door

de gewijde schrijvers werden gebruikt.

[892] Deze twee woorden beteekenen eigenlijk in het oorspronkelijke,

de snelle in- en uitademing van een persoon, zooals dat dikwijls plaats

heeft bij menschen, die in groote droefheid en angst verkeeren; gelijk

ook bij het inhalen van den toon der stem van een ezel, als hij balkt.

[893] Dit moet niet zoo strikt worden opgevat, alsof de straf van den

verdoemde een einde zou hebben, of dat de hemelen en de aarde eeuwig

zoude blijven bestaan; daar deze uitdrukking, alleen bij wijze van

beeld of vergelijking is gebruikt, en dus niet met iedere bijzonderheid

der zaak zelve behoeft overeen te stemmen. Sommigen zijn echter van

oordeel, dat hier worden bedoeld de toekomstige hemelen en aarde,

waarin de tegenwoordige zullen veranderen. (Al Beid‚wi).

[894] Dat is: na zonsondergang, of voor het avondeten, op welken tijd

de Mahomedanen hun vierde gebed uitspreken, dat zij Sal‚t al moghreb

of het avondgebed noemen. (Al Beid‚wi).

[895] Door hen tot hunne eenige zaak te maken, hunne brooddronken

begeerten en lusten te streelen, waarin zij hunne geheele

gelukzaligheid stelden.

[896] Al Beid‚wi zegt, dat deze plaats de reden aantoont, waarom de

volkeren in den ouden tijd werden verdelgd: zijnde om hun geweld en

hunne onrechtvaardigheid, en wegens het volgen hunner eigene lusten,

hunne afgoderij en hun ongeloof.

[897] Of, zooals de evengenoemde uitlegger beweert, alleen om hunne

afgodendienarij, terwijl ze in andere opzichten de rechtvaardigheid

niet uit het oog verloren.

[898] Zie Hoofdstuk VI, vers 135 en de noot.

[899] De KoreÔshieten wilden Mahomet verstrikken, op aanhitsing en

aangevoerd door zekere Joodsche rabbijnen, en vroegen hem daartoe, hoe

Jacobs gezin naar Egypte was gekomen, en dat hij hun de geschiedenis

van Jozef met al hare omstandigheden zou vertellen. Daarop beweerde

hij dit hoofdstuk, bevattende het verhaal van dien patriarch, van den

hemel te hebben ontvangen (Al Beid‚wi). Men zegt echter, dat het door

twee Mahomedaansche secten, takken van de Kharejieten--Ajaredieten

en Maimoenianen genaamd--als valsch werd verworpen.

[900] Volgens Savary, zegt Al Beid‚wi, dat de Mahomedaan die dit

hoofdstuk zal lezen, of het aan zijne vrienden of dienaren verklaart,

een zachten dood zal hebben en genoegzame zielskracht om niemand

te benijden.

[901] Of dit bijzondere hoofdstuk. Zooals reeds werd opgemerkt,

beteekent het woord Koran niets meer dan eene lezing of voorlezing,

en wordt het dikwijls gebruikt, niet alleen om het geheele boek,

maar ook om een hoofdstuk of deel daarvan aan te duiden.

[902] Dat is: Zoo geheel onbekend met het verhaal waart gij dat het

u nimmer in de gedachte kwam. Volgens Al Beid‚wi is dit een zeker

argument, dat het uit den hemel aan Mahomet moet zijn geopenbaard.

[903] Want de uitleggers zeggen, dat Jacob, die van oordeel was, dat

Jozefs droom zijne verheffing boven de overige leden van het gezin

voorspelde, terecht begreep, dat de afgunst zijner broederen hen in

verzoeking mocht brengen, hem eenig nadeel te berokkenen.

[904] Dat is van droomen, of, zooals anderen zeggen, van de diepe

beteekenis der plaatsen van de schrift, en van alle moeilijkheden,

hetzij betreffende den godsdienst of de gerechtigheid.

[905] Zijnde Benjamin, zijn broeder uit dezelfde moeder.

[906] Jozef en Benjamin genieten de grootste teederheid van Jacob,

hoewel wij die meer dan zij verdienen. Hij beging eene groote

onrechtvaardigheid omtrent ons. (Savary).

[907] Of: hij zal u zijne geheele liefde wijden, en gij zult zijne

gunst alleen genieten.

[908] Zooals sommigen zeggen, was deze persoon Judah, de voorzichtigste

en edelhartigste van hen allen, of, volgens anderen, Ruben, die

door de Mahomedaansche schrijvers RubÓl wordt genaamd (Al Beid‚wi,

Al Zamakshari). Deze beide meeningen worden gestaafd door het verhaal

van Mozes, die ons vertelt, dat Ruben hun ried, Jozef niet te dooden,

maar hem heimelijk in een put neder te laten, waaruit hij voornemens

was hem te verlossen (Gen. XXX, VII, 21, 22) en dat Judah daarna,

gedurende de afwezigheid van Ruben, hen overhaalde hem niet in den

put te laten sterven, maar hem aan de IsmaÎlieten te verkoopen (Ibid

26, 27.)

[909] In sommige afschriften staat: Opdat wij ons zouden mogen

vermaken, enz.

[910] De reden waarom Jacob dit dier vooral vreesde was, zooals de

uitleggers zeggen: hetzij omdat het land vol wolven was, of wel omdat

hij had gedroomd, dat hij Jozef door een dezer dieren zag verscheuren

(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Al Zamakshari.)

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 72 / 89 段