[730] Het oorspronkelijke woord beteekent eene aanstekende misdaad,

die een groot getal menschen omvat. De uitleggers zijn omtrent de

ware beteekenis dezer plaats verdeeld.

[731] Zijnde te Mekka. De hier aangesproken personen zijn de Mohajerin

of uitgewekenen, die van toen af naar Medina vluchtten.

[732] Door hunne samenzwering aan Mahomet te openbaren, en hem

wonderbaarlijk bijstaande om hen te ontmaskeren en hem te doen

ontsnappen; en door hen later tot den slag van Bedr te brengen.

[733] Zie Hoofdstuk VI, vers 25.

[734] Bij de expeditie van Al Hodeibiya.

[735] Men zegt dat zij gewoon waren, naakt om een Caaba-tempel te

gaan (Zie Hoofdstuk VII, vers 29, in de noot), zoowel mannen als

vrouwen, terwijl zij door hunne vingers floten en in hunne handen

klapten. Volgens anderen maakten zij dit gedruisch met het doel,

Mahomet te storen, als deze bad, terwijl zij voorgaven mede te

bidden. (Al Beid‚wi.)

[736] De personen die voornamelijk op deze plaats worden bedoeld

waren twaalf KoreÔshieten, die ieder elken dag tien kameelen schonken,

om die te dooden tot leeftocht voor hun leger in de expeditie van Bedr.

[737] Overeenkomstig deze bepaling, is een vijfde deel van den buit

bestemd voor de bijzondere, hier vermelde doeleinden, en de vier

andere deelen om gelijkelijk verdeeld te worden onder hen, die bij de

verovering tegenwoordig waren. Omtrent het doeleinde van het eerste

vijfde, verschillen de Mahomedaansche geleerden.

[738] Om de grootere talrijkheid van den vijand, en de tegenspoeden

waaraan gij onderworpen waart.

[739] Met welk visioen Mahomet zijne volgelingen bekend maakte,

om hem aan te moedigen.

[740] Of gij den vijand aantasten, of vlieden zoudt.

[741] Door hen aan te zetten, den profeet wederstand te bieden.

[742] Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op en passen die op de

bijzondere ingevingen van den duivel toe, of op de verijdeling zijner

voornemens en der hoop, waarmede hij de afgodendienaars heeft vervuld.

[743] Door hen zoowel tot zulk een groot waagstuk aan te zetten,

eene dergelijke groote schaar menschen met zoo weinigen aan te tasten.

[744] Deze plaats wordt algemeen op de engelen toegepast, die de

ongeloovigen te Bedr doodden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.) Sommigen

gelooven echter, dat de woorden doelen op het onderzoek van het graf,

hetwelk, volgens het geloof der Mahomedanen, iedereen na den dood moet

ondergaan, en hetgeen zeer vreeselijk voor den ongeloovige zal zijn.

[745] Sommige afschriften geven dit in den derden persoon, aldus:

Laten de ongeloovigen niet denken, enz.

[746] Volgens de meening van sommigen, werd deze plaats geopenbaard

in eene vlakte, al Beida genaamd, tusschen Mekka en Medina, gedurende

de expeditie van Bedr, en volgens anderen in het zesde jaar van des

profeets zending, bij gelegenheid dat Omar het Mahomedanisme omhelsde.

[747] Zie Lev. XXVI : 8; Josua XXIII : 10.

[748] Aangezien men gestreng moet handelen, als de omstandigheden dit

vereischen; doch barmhartigheid is verkieslijker, wanneer die veilig

wordt uitgeoefend.

[749] Onder de zeventig gevangenen, die door de Moslems in dezen slag

werden prijs gemaakt, behoorden Al Abbas, een van de ooms van Mahomet,

en Okail, de zoon van Aboe Taleb en broeder van Ali; toen zij voor

Mahomet werden gebracht, vroeg hij zijne volgelingen, hem te raden,

wat hij met hen moest doen. Aboe Bekr was er voor, hen tegen betaling

van losgeld vrij te laten; zeggende, dat zij naaste bloedverwanten van

den profeet waren, en dat God hen misschien na hun berouw zou vergeven;

maar Omar was er voor hunne hoofden af te slaan, daar zij bepaalde

beschermers van het ongeloof waren. Mahomet nam de laatstgenoemden

raad niet aan, maar deed opmerken, dat Aboe Bekr op Abraham geleek, die

voor misdadigers tusschenbeide trad, en dat Omar op Noach geleek, die

voor de geheele uitroeiing der zondige menschen van de eerste wereld

bad. Daarop besloot men, het losgeld van hen en hunne medegevangenen

aan te nemen. Spoedig daarop ging Omar in de tent van den profeet, waar

hij dezen en Aboe Bekr weenende vond. Toen hij hun naar de oorzaak

hunner tranen vroeg, zeide Mahomet, dat dit vers was geopenbaard,

waarin hunne handelingen, omtrent de gevangenen, werden veroordeeld;

dat zij daarvoor ter nauwernood de goddelijke wraak waren ontkomen,

en dat, indien God het niet had laten voorbijgaan, zij zekerlijk allen

waren verdelgd, uitgenomen alleen Omar en Saad Ebn Moadh, welke laatste

mede had aangeraden de gevangenen ter dood te brengen. (Zie Hoofdstuk

XXXIII.) Deze misdaad bleef echter niet geheel ongestraft, daar de

Moslems in den slag van Ohod juist zeventig man verloren, zijnde gelijk

aan het getal gevangenen, te Bedr prijs gemaakt (zie Hoofdstuk III,

vers 134, in de noot), hetgeen aldus door God was bevolen.

[750] Door u het overeengekomen losgeld niet te betalen.

[751] En zullen bijgevolg de een des anderen bezittingen erven, boven

hunne eigenlijke bloedverwanten. De Arabieren zeggen, dat dit gedurende

eenigen tijd in praktijk werd gebracht, en dat de Mohajerin en Ansars

gerechtigd geacht werden, van elkander te erven, met uitsluiting

der andere bloedverwanten van den overledene, tot deze plaats werd

afgeschaft door den tweeden volzin van vers 76 van dit Hoofdstuk.

[752] De reden waarom dit Hoofdstuk dezen naam draagt, blijkt uit het

laatste vers. Sommigen geven het een anderen titel en voornamelijk dien

van hetgeen onmiddellijk daarna wordt vermeld. Het is opmerkelijk,

dat alleen dit Hoofdstuk den gewonen aanhef van: In naam van den

lankmoedigen en albarmhartigen God niet heeft. Volgens sommigen is

deze weglating daaraan toe te schrijven, dat deze woorden eene belofte

van zekerheid geven, die later in dit Hoofdstuk wordt teruggenomen, na

verloop van een bepaalden tijd, dientengevolge hebben het sommigen 't

Hoofdstuk van straf genoemd. Anderen zeggen, dat Mahomet, die spoedig

overleed, nadat hij dit Hoofdstuk had ontvangen, niet heeft opgegeven

waar het zou worden geplaatst, en ook niets omtrent de plaatsing van

de Bismillah in den aanvang, zooals bij de andere Hoofdstukken was

geschied. Daar nu het onderwerp van dit Hoofdstuk veel gelijkenis

heeft met dat van het vorige, waren zijne gezellen het niet eens;

sommigen hunner zeiden, dat beide Hoofdstukken slechts ÈÈn uitmaakten,

en dat zij te zamen het 7e der zeven groote Hoofdstukken vormden,

terwijl anderen beweerden, dat het twee onderscheiden Hoofdstukken

waren; waarom, ten einde het geschil uit den weg te ruimen, zij eene

ruimte tusschen beiden lieten, doch de onderscheiding der Bismillah

niet daarbij voegde (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya enz.) Het is

aangenomen, dat dit Hoofdstuk het laatst geopenbaard is en, zooals

Mahomet verklaarde, het eenige dat op eens werd geopenbaard, behalve

het 110e. Sommigen willen dat de beide laatste verzen van dit Hoofdstuk

te Mekka werden geopenbaard.

[753] Deze maanden waren Shawal, Dhoe'lkaada, Dhoe'lhajja

en Moharram. Het Hoofdstuk zelf werd in eerstgenoemde maand

geopenbaard. Anderen echter rekenen, dat dit op den 10den van

Doe'thajja te Mekka plaats had, en doen die tijdruimte op den 10den

van de vorige Rabi eindigen. (Al Beid‚wi).

[754] De afkondiging van dit Hoofdstuk was door Mahomet aan Ali

opgedragen, die met dat doel, op den kameel met gespleten ooren van

den profeet, van Medina naar Mekka rende, en op den bovenvermelden dag

zich voor de geheele vergadering te al Akaba plaatste, en verhaalde,

dat hij de boodschapper aan hen van Godsgezant was. Zij vroegen hem

vervolgens, wat zijne boodschap was: hij las hun twintig of dertig

verzen uit het Hoofdstuk voor en zeide toen: Mij is bevolen u met

vier dingen bekend te maken: 1. Dat, na verloop van dit jaar, geen

afgodendienaar den tempel van Mekka zal naderen. 2. Dat geen mensch

zich in het vervolg verstoute den Caaba naakt te betreden. (Zie

Hoofdstuk VII, vers 29). 3. Dat alleen de ware geloovigen binnen het

Paradijs zullen komen; en 4. Dat het openbare geloof moet bewaard

worden. (Al Beid‚wi, Zie Abulfed. Vit. Moh. pag. 127, enz.)

[755] Zoodat niettegenstaande Mahomet ieder verbond afwijst, met

hen die hem hebben bedrogen, hij zich echter bereid verklaart, zijne

verbintenissen na te komen omtrent hen die hem getrouw waren.

[756] Dat is, gij zult hem een zeker geleide geven, opdat hij met

veiligheid naar huis terugkeere, voor het geval dat hij het niet

geraden mocht oordeelen, het Mahomedanisme te omhelzen.

[757] Door deze woorden worden de geloovigen gewaarschuwd, geen te

groot vertrouwen in hunne eigene verdiensten te stellen, terwijl

zij ook dienen om de ongeloovigen af te schrikken; want indien de

geloovige slechts misschien zal gered worden, waar kunnen de anderen

dan op hopen (Al Beid‚wi).

[758] Deze veldslag had plaats in het 8e jaar der hedjira in de vallei

van Honein, die, omstreeks drie mijlen van Mekka, nabij Tayef ligt.

[759] Daar de vallei zeer diep en door steile bergen omringd was,

plaatste zich de vijand ter wederzijde in hinderlaag en viel hen in

de bergpassen, in alle doorgangen en van achter de rotsen met groot

voordeel aan (Ebn Ishak.)

[760] Het oorspronkelijke woord is Sakinat, hetwelk door de

commentatoren in deze beteekenis wordt uitgelegd; maar het schijnt

veeleer de goddelijke bescherming, tegenwoordigheid of Schechinah te

beteekenen, die verschijnt om de Moslems bij te staan (Zie Hoofdstuk

II, vers 249 en de noot.)

[761] Behalve dat een groot aantal proselieten bij dezen slag werden

gewonnen, was Mahomet op hun verzoek zoo edelmoedig, dat hij de

gevangenen, die niet minder dan zes duizend in getal waren, aan hunne

vrienden terug gaf, terwijl hij aanbood, aan ieder zijner manschappen,

die niet geneigd zou zijn zich van zijne gevangenen te ontdoen,

eene vergoeding te betalen; zij stemden echter allen toe (Al Beid‚wi).

[762] Dit was in het negende jaar der hedjira. Tengevolge van dit

verbod worden noch Christenen, noch Joden, noch de belijders van

eenigen anderen godsdienst, tot op den huidigen dag in de nabijheid

van Mekka toegelaten.

[763] Dat zijn zij, die geen vast en volkomen geloof in deze punten

stellen. Anderen gelooven echter, dat het op degenen slaat, die in

meer dan ÈÈn god gelooven, of de eeuwigheid der pijnigingen van de hel

(Hoofdstuk II vers 74 en Hoofdstuk III vers 23), of de geneugten van

het paradijs loochenen, zooals die in den Koran worden beschreven. Het

blijkt echter uit de volgende woorden, dat hier hoofdzakelijk de

Joden en Christenen worden bedoeld.

[764] Dit is, naar het oordeel van geachte uitleggers, de ware

beteekenis der woorden an yadin, die letterlijk zouden moeten

luiden: bij of uit de hand, en op verschillende wijzen worden

uitgelegd. Sommigen veronderstellen, dat de bedoeling is, dat de

schatting gereedelijk of door hunne eigene handen, en niet door die

van anderen moet worden betaald; of wel, dat de schatting alleen van

den rijke moet worden gevorderd, of van hen, die in staat zijn haar

te betalen, en niet van den arme; of ook, dat het als eene gunst moet

worden beschouwd, dat de Mahomedanen met zoo weinig tevreden zijn (Al

Beid‚wi). Dat de Joden en Christenen, overeenkomstig deze wet, tegen

betaling van schatting, moeten worden toegelaten tot het ontvangen

van ondersteuning, kan niet betwijfeld worden. De Mahomedaansche

geleerden verschillen echter ten aanzien der belijders van andere

godsdiensten. Men zegt, dat Omar het eerste weigerde schatting van

een MagiÎr aan te nemen, tot Abd'alrahm‚d Ebn Awf hem verzekerde, dat

Mahomet zelf ondersteuning aan een MagiÎr verleend en bevolen had, dat

de leeraren van dien godsdienst zouden worden begrepen onder het volk

van het boek, of onder hen, wier godsdienst gegrond was op een boek,

hetwelk zij veronderstellen van goddelijken oorsprong te zijn. Het is

de meest algemeen aangenomen meening, dat alleen deze drie godsdiensten

konden worden geduld, op voorwaarde, dat zij schatting zouden betalen:

anderen voegen echter de SabeÔten daarbij. Aboe Hanifa veronderstelt,

dat de volkeren van elken godsdienst mochten worden geduld, behalve

de afgodendienende Arabieren. De laagste schatting, die van zulk een

persoon kan worden gevorderd, wordt algemeen op een dinar gesteld,

of op omstreeks f 6 per jaar. Hij kan echter gedwongen worden,

meer te betalen, indien hij er niet in toestemt; en dit, zeggen

zij, is zoowel op den arme als op den rijke toepasselijk. (Reland,

de Jure Militari Mohammedanor., p. 17 en 50). Aboe Hanifa bepaalde

echter, dat de rijke acht en veertig dirhems (waarvan twintig of

soms vijfentwintig een dinar uitmaken) per jaar zou betalen; iemand

in middelbare omstandigheden de helft dier som, en een arme man,

die in staat is in zijn onderhoud te voorzien, een vierde daarvan:

maar dat hij, die niet in staat is in zijn onderhoud te voorzien,

niets zou betalen. (Al Beid‚wi).

[765] Deze ongerijmde beschuldiging tegen de Joden, trachten de

uitleggers te ondersteunen, door te verhalen, dat hier wordt bedoeld op

sommige oude, hetorodoxe Joden, of wel op sommige Joden van Medina die

dit alleen beweerden, omdat, aangezien de wet gedurende de Babylonische

gevangenschap geheel vergeten en verloren was, Ezra of Esdras weder

in het leven werd terug geroepen, nadat hij gedurende honderd jaren

dood was geweest (zie Hoofdstuk II vers 261); die haar op nieuw geheel

aan de schrijvers uit zijn hoofd opzegde. Het volk was hierdoor zeer

verwonderd, en verklaarde, dat hij dit niet zou hebben kunnen doen,

indien hij niet de zoon van God ware. (Al Beid‚wi, Al Zamakshari, enz.)

[766] Zie Hoofdstuk III: vers 57 en de noot.

[767] Door het nemen van steekpenningen, zegt Al Beid‚wi, daarbij

waarschijnlijk bedoelende, het geld dat zij aannemen, om dispensatie

van Gods bevelen te verleenen, en door verzachting van straf te

belooven.

[768] Volgens deze plaats is de toevoeging van eene maand aan ieder

derde of tweede jaar, hetgeen de Arabieren van de Joden hadden

geleerd, ten einde hunne maanjaren tot zonnejaren te maken, volkomen

onwettig. Daardoor bepaalden zij den tijd van den pelgrimstocht en

van de Ramad‚n-vasten op zekere getijden van het jaar, die beweeglijk

moeten zijn. (Zie Prid., Life of Moh. p. 65, enz.)

[769] Zijnde de tafel die in den hemel wordt bewaard.

[770] Zie Hoofdstuk V: vers 59.

[771] Zijnde, dat Aboe Bekr alleen met hem was.

[772] Zijnde: Hetzij de ondernemingen aangenaam is of niet, of dat

gij toereikende wapenen of leeftocht hebt of niet, of dat gij te paard

of te voet zijt, enz. (Jong en oud, trekt op om te strijden, Savary).

[773] Daar Mahomet verscheidene zijner manschappen, op hun verzoek,

er van ontsloeg, aan dezen tocht deel te nemen.

[774] Zijnde met de vrouwen en kinderen, en andere weerlooze personen.

[775] Zooals zij deden in den slag van Ohod. Zie Hoofdstuk III vers 49.

[776] Zijnde: Hetzij voor een duidelijk oordeel van den hemel of door

hunne straf aan de ware geloovigen op te dragen.

[777] De uitleggers maken een onderscheid in het oorspronkelijk

tusschen de twee woorden fakir en meskin: het eene, zeggen zij,

beteekent iemand die geheel ontbloot is, zoowel van geld als van

een middel van bestaan; het andere, iemand die wezenlijk in armoede

verkeert, maar in staat is iets te winnen, om in zijn onderhoud te

voorzien. De critici verschillen echter onderling ten opzichte van

de beteekenis van elk dezer woorden.

[778] Dat is: Hij hoort alles wat wij zeggen.

[779] Aan niets geloof slaande wat u zou kunnen deren.

[780] Namelijk Sodom en Gomorrah en de andere steden die haar lot

deelden, en thans Al Motokifat, of de omvergeworpene worden genoemd.

[781] Letterlijk: de tuinen van Eden. In het Hebreeuwsch beteekent

het eene plaats van geneugte en in het Arabisch eene plaats die voor

het weiden van kudden is ingericht (Savary).

[782] Mahomets verblijf te Medina was namelijk van groot voordeel

voor die plaats.

[783] Gedurende de laatste ziekte van Abda'llah Ebn Obra, de huichelaar

(die in het negende jaar der hedjira overleed) kwam zijn zoon, eveneens

Abda'llah genaamd, tot Mahomet, en verzocht dezen, God vergiffenis

voor hem vragen. Hij deed dit, waarop het eerste van dit vers werd

geopenbaard. De profeet beschouwde dit echter niet als eene afwijzing,

en zeide, dat hij zeventig malen voor hem zou bidden; daarop werd het

laatste gedeelte van dit vers geopenbaard. Het verdient opmerking,

dat de getallen 7 en 70 herhaalde malen door de Oostersche schrijvers

worden gebruikt, niet zoozeer om een juist dan wel om een onbepaald,

hetzij grooter of kleiner getal uit te drukken (Al Beid‚wi). Een aantal

bewijzen hiervoor worden in de H. Schrift gevonden. Opmerkenswaardig

is tevens de overeenkomst in de Hebreeuwsche taal van de woorden

verzadigen en zeven, beiden Sb` genaamd, als ware het 't volkomene, het

verzadigde getal: vergelijk Schillers Piccolominii 2de bedr. 1ste toon,

en Vrijmetselaars Woordenboek (Amsterdam 1845, 3 deelen) art. Zeven.

[784] Noch door zijne begrafenis bij te wonen, noch door zijn grafstede

te bezoeken.

[785] Gelijk reeds bij herhaling werd gezegd, wordt ieder hoofdstuk

van den Koran eene Soera genaamd.

[786] Door hunne groote armoede, zooals de van Joheina, Mozeina en

Banoe Odhra (Al Beid‚wi).

[787] De personen hier bedoeld, waren zeven man van de Ansars, die

tot Mahomet kwamen, en vroegen, dat hij hun eenige gelapte laarzen

en gezoolde schoenen zou geven, daar het hun onmogelijk was, in zulk

een jaargetijde barrevoets te marcheeren. Hij antwoordde hun echter,

dat hij hen niet kon helpen, waarop zij weenende vertrokken.

[788] En hen niet kastijden.

[789] Om hunne woeste levenswijze, de ruwheid hunner harten, door

niet om te gaan met menschen van kennis, en de weinige gelegenheden

die zij hebben onderricht te worden. (Al Beid‚wi).

[790] Of eene bijdrage door dwang gevorderd, waarvan hij de betaling

op geenerlei wijze kan ontwijken.

[791] Hopende, dat eenigerhande tegenspoed eene geschikte gelegenheid

zou mogen opleveren, om den last af te werpen.

[792] Zijnde in de nabuurschap van Medina. Dit waren de stammen van

Joheina, Mozeina, Aslam, Ashja en Ghifar (Al Beid‚wi).

[793] Hetzij door hen aan openbare schande bloot te stellen en hen

ter dood te brengen, of door eene dezer straffen en de marteling

van het graf; of wel door hen aalmoezen tot boete af te eischen en

lichamelijk te straffen. (Al Beid‚wi.)

[794] Zijnde die van Kob‚, eene plaats op twee mijlen afstands van

Medina gelegen waar Mahomet gedurende zijne vlucht van Mekka vier dagen

bleef, alvorens hij die stad binnentrok, en waar hij den grondslag

legde van eene moskee (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Ebn Shonnah) die

later door Banoe Amroe Ebn Awf werd volbouwd. Volgens eene daarvan

verschillende overlevering echter, is de hier bedoelde moskee diegene,

welke door Mahomet te Medina werd gesticht.

[795] Sommigen passen deze woorden toe op de berooving van hun oordeel

en verstand, en anderen op de straf welke zij te wachten hebben,

hetzij door den dood in deze wereld, door de pijniging des grafs,

of de pijn der hel.

[796] Door als ongeloovigen te sterven. Overigens is het niet alleen

wettig, maar zelfs loffelijk voor ongeloovigen te bidden, dat er hoop

bestaat hen te bekeeren.

[797] Zijnde door te bidden, dat God zijn hart tot berouw moge

neigen. Sommigen veronderstellen, dat dit eene belofte was aan Abraham

door zijn vader gedaan, dat hij in God wilde gelooven. Deze woorden

kunnen echter op twee wijzen worden opgevat.

[798] Door op te houden voor hem te bidden, na door ingeving verzekerd

te zijn geworden, dat hij niet bekeerd was, of nadat hij werkelijk

als ongeloovige was gestorven. Zie Hoofdstuk VI, vers 78 en volg.

[799] Zijnde door hen als zondaren te beschouwen of te straffen. Deze

plaats werd geopenbaard om degenen te beschuldigen, die vÛÛr het was

verboden, voor hunne vrienden hadden gebeden, welke als afgodendienaars

gestorven waren; of wel om sommigen te verontschuldigen, die onwetend

volgens de eerste Kebla hadden gebeden, wijn gedronken, enz.

[800] Drie Ansars, die Mahomet niet naar Taboec gevolgd waren.

[801] Dat is: indien sommigen van iederen stam of stad achtergelaten

worden, zullen de achterblijvenden zich op de studie moeten

toeleggen en eene juister kennis van de verschillende punten van

hunnen godsdienst trachten te verkrijgen, ten einde in staat te zijn,

degenen te onderwijzen, die door hunne aanhoudende deelneming aan de

oorlogen, geen andere gelegenheid hebben om zich te onderrichten.

[802] Zijnde uwe bloedverwanten en naburen: deze verdienen namelijk

uw medelijden en uwe zorg in de eerste plaats, en hunne bekeering

moet in de voornaamste plaats bevorderd worden.

[803] Zijnde door verschillende wijzen van beproevingen; door ten

oorlog opgeroepen en getuige gemaakt te worden van de wonderdadige

bescherming, welke God den geloovigen schenkt.

[804] Deze profeet wordt aan het einde van dit hoofdstuk

vermeld. Achter dien naam voegt Savary de woorden: Vrede zij met hem.

[805] En niet een der machtigsten van hen; de KoreÔshieten zeiden dan

ook, dat het wonderlijk was, dat God geen andere gezant kon vinden,

dan den ouderloozen pupil van Aboe Taleb. (Al Beid‚wi).

[806] Deze woorden werden geopenbaard tot wederlegging der dwaze

meening van de afgodendienende bewoners van Mekka, die zich

verbeeldden, dat hunne afgoden tusschenpersonen voor hen bij God waren.

[807] Hetzij de wederkeerige groete der zaligen, die van de engelen

aan de zaligen.

[808] Dat is: in alle houdingen en op alle tijdstippen. Verg. Deut. XI

: 19.

[809] Want zoo oud was Mahomet alvorens hij de zending van profeet

aannam (Abulfed Vit. Moh. c 7), gedurende welken tijd zijne medeburgers

wel wisten, dat hij er zich niet op had toegelegd iets te leeren,

noch met geleerde mannen om te gaan; noch zich had geoefend in het

samenstellen van gedichten of redevoeringen, waardoor hij kennis van

de rethorica of sierlijkheid van taal zou hebben kunnen verkrijgen. Al

Beid‚wi ziet daarin een duidelijk bewijs, dat hij in dit boek door

niemand dan door God kon zijn onderwezen.

[810] Dit is: Dat hij aan hem gelijken of makkers in den hemel of op

aarde heeft: daar hij niemand als zoodanig kent.

[811] Dat hunne denkbeeldige godheden vervloekt mogen zijn. (Savary).

[812] Dit wil zeggen: den waren godsdienst of het Islamisme, dat

algemeen werd beleden, zooals sommigen zeggen, tot Abel werd vermoord,

of, volgens anderen, tot de dagen van Noach. Sommigen veronderstellen,

dat hier de eerste eeuwen na den zondvloed worden bedoeld, anderen den

toestand van den godsdienst in ArabiÎ, van den tijd van Abraham tot

dien van Amroe Ebn Lohai, den grooten invoerder van den afgodendienst

in die streken.

[813] Zijnde het Paradijs.

[814] Want hunne belooning zal de verdienste hunner goede daden

onmetelijk overtreffen. Al Ghazali veronderstelt, dat deze toegevoegde

belooning in het visioen der gelukzaligen zal bestaan.

[815] Dat is: uwe afgoden, of de makkers welke gij aan God toevoegt.

[816] Maar inderdaad bidt gij slechts uwe eigene vleeschelijke lusten

aan, en werdt gij niet door ons, maar door uwe eigene, bijgeloovige

grillen tot afgoderij verleid. Men beweert dat God op den laatsten dag

den afgoden de spraak zal ontnemen, en dat zij dit hunne aanbidders

zullen verwijten, in plaats van voor hen tusschenbeiden te treden,

gelijk zij hopen.

[817] Dit is: Er zijn eenigen van hen die inwendig wel overtuigd

zijn van de waarheid uwer leer; ofschoon zij zoo snood zijn om die

te bestrijden; en er zijn anderen van hen, die het door vooroordeel

en gebrek aan nadenken niet gelooven.

[818] Want God berooft hen niet van hunne zinnen of hun verstand,

maar zij bederven die, en maken er een slecht gebruik van.

[819] Hetzij in de wereld of in het graf.

[820] Indien de goddelijke wraak u onverwachts overvalt, hetzij bij

dag of bij nacht, denkt gij dan dat die door de zondaren kan worden

verhaast? (Savary).

[821] Sommigen vatten echter het werkwoord, dat hier met verbergen is

vertaald, in een tegenovergestelden zin op, en dan moet het luiden:

Zij zullen hun berouw openlijk verklaren.

[822] Zie Hoofdstuk VI, vers 40 en volg.

[823] Zie Hoofdstuk IV, vers 44 noot.

[824] Zijnde de goddelooze en oproerige taal der ongeloovigen.

[825] Zie Hoofdstuk VII, vers 57 enz.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 71 / 89 段