[610] Door de snelheid van ons begrip, de klaarheid van ons verstand en

onze gemakkelijkheid, wetenschappen aan te leeren; zooals blijkt uit

onze geschiedenis, dichtkunde en welsprekendheid; desniettegenstaande

zijn wij een ongeletterd volk. (Al Beid‚wi).

[611] Want geloof in het volgende leven zal geen voordeel aanbrengen

voor hen, die in dit leven niet hebben geloofd, noch in dit leven

geloofd zonder goede daden.

[612] Dat is: wie in een gedeelte daarvan gelooven, en een ander

deel daarvan niet gelooven, of die daarin secten vormen. Men zegt,

dat Mahomet heeft verklaard, dat de Joden in eenenzeventig secten

waren verdeeld, en de Christenen in tweeÎnzeventig, en dat zijne

eigene volgelingen in drieÎnzeventig secten gesplitst waren, en dat

allen verdoemd zouden worden, bebalve ÈÈne van ieder. (Al Beid‚wi.)

[613] Zie Hoofdstuk VI; vers 14.

[614] Al Ara is de afscheiding tusschen het paradijs en de hel;

zoo als in dit hoofdstuk wordt verklaard.

[615] Misschien met uitzondering van vijf of acht verzen.

[616] Volgens sommigen kent alleen God de beteekenis van deze

letters. Anderen meenen echter, dat daarmede worden aangeduid de

woorden: Allah, GabriÎl, Mahomet, vrede zij met hen. Zie Soera I,

vers 2 in de noot.

[617] Zie Hoofdstuk II: vers 32.

[618] Uit hoofde er niet bijzonder bepaald is, tot welken tijd de

straf voor den duivel is uitgesteld, zeggen de uitleggers, dat zijn

verzoek niet geheel werd toegestaan, maar dat hij, evenals andere

schepselen op het tweede trompetgeschal zal sterven. (Al Beid‚wi,

en d'Herbelot, Bibl. OriÎnt, art. Eblis).

[619] De boven- en onderzijde zijn weggelaten, om, zooals de uitleggers

zeggen, aan te duiden, dat de macht van den duivel beperkt is. (Al

Beid‚wi).

[620] Het Mohamedaansche evangelie van Barnabas zegt, dat de straf

die God over de slang uitsprak, omdat hij den duivel in het paradijs

had gebracht, daarin bestond (zie Hoofdstuk II: vers 34 en de noot),

dat zij niet alleen uit het paradijs verdreven, maar dat hare voeten

door den engel MichaÎl, met Gods zwaard afgehouwen zouden worden,

en dat de duivel zelf, omdat hij onze voorouders onrein had gemaakt,

veroordeeld werd hunne uitwerpselen en die van hunne nakomelingschap

te eten.

[621] Die zij te voren niet hadden opgemerkt.

[622] Naar men beweert, zouden dit vijgebladeren zijn geweest (zie

Hoofdstuk II: 33 en de noot).

[623] Niet alleen geschikte grondstoffen, maar ook vindingrijkheid

des verstands en vlugheid van hand, om daarvan gebruik te maken

(zie Hoofdstuk II: vers in de noten op vers 22-33).

[624] Door de fijnheid hunner lichamen en hunne

kleurloosheid. (Jallalo'ddin).

[625] Deze plaats werd geopenbaard om eene onwelvoegelijke gewoonte

der afgodendienende Arabieren te wraken, welke de gewoonte hadden,

den Caaba naakt te omringen; daar kleederen, gelijk zij zeiden,

de teekens van hunne ongehoorzaamheid aan God waren (Jallalo'ddin,

Al Beid‚wi). De sonna beveelt, dat indien iemand gaat bidden, hij

zijne goede kleederen moet aantrekken, uit eerbied voor de goddelijke

majesteit, voor welke hij zal verschijnen. Maar ofschoon de Mahomedanen

het onvoegzaam achten, eensdeels om op eene slordige wijze in Gods

tegenwoordigheid te verschijnen, zoo gelooven zij anderdeels, dat

men in geene te rijke of prachtige kleederen voor hem moet komen,

en bijzonder niet in kleederen met goud of zilver versierd, omdat

men dan den schijn van trotschheid zou hebben.

[626] Daar de boozen, die eveneens van de zegeningen van dit leven

genieten, geen deel zullen hebben in de geneugten van het volgende.

[627] Zijnde de engel des doods en zijne helpers.

[628] Dat is: het volk, welks voorbeeld hen tot afgodendienarij en

andere boosheden heeft gebracht.

[629] De eenen, omdat zij zich niet alleen verdierven, maar

ook de aanleiding waren van het verderf der overigen, en de

anderen, om hun eigen ongeloof en hunne navolging van een slecht

voorbeeld. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[630] Dat is: als hunne zielen na den dood ten hemel zullen stijgen;

maar zij zullen op een mesthoop onder de zevende aarde worden geworpen

(Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[631] Deze uitdrukking is zeer gewoon in het oosten en wordt er als

spreekwoord gebezigd: vergelijk Matth. XIX vers 24.

[632] Zoodat, indien er verschillen of vijandschap tusschen hen

gedurende hunnen leeftijd mochten hebben bestaan, die thans vergeten

en door liefde en vriendschap vervangen zullen zijn.

[633] Al Araf is volgens Mahomet, de naam van een muur of afscheiding

tusschen de hel en het paradijs.

[634] Uit deze omstandigheid schijnt men te mogen afleiden, dat de

meening de meest waarschijnlijke is, volgens welke dit tusschengedeelte

eene soort van vagevuur is voor hen, die hoewel zij niet verdienen in

de hel te worden gezonden, geene toereikende aanspraak hebben om de

onmiddellijke toelating tot het paradijs te erlangen, en hier eenigen

tijd in verzoeking gebracht zullen worden, door hen de gelukzaligheid

dier plaats te doen aanschouwen.

[635] Zijnde de aanvoerders en drijvers der ongeloovigen. (Al Beid‚wi.)

[636] Dit waren de minder aanzienlijken en armen onder de geloovigen,

welke deze gedurende hunnen leeftijd, als Gods gunst onwaardig,

verachtten.

[637] Deze woorden zijn in het bijzonder gericht tot de arme en

verachte geloovigen, waarvan in de vorige noot wordt gesproken.

[638] Zijnde van de andere vloeistoffen of vruchten van het paradijs.

[639] Dat is: het vervullen der daarin vervatte beloften en

bedreigingen.

[640] Hoofdstuk VI, vers 24, noot.

[641] Die zich gedurende het gebed aanmatigend gedragen, of met eene

schreeuwende stem, of met eene menigte woorden en ijdele herhalingen

bidden. (Al Beid‚wi).

[642] Zijnde, nadat God zijne profeten gezonden en zijne wetten

geopenbaard heeft, tot hervorming en verbetering van den mensch.

[643] Of die uitspreidt over eene groote uitgestrektheid lands. Sommige

afschriften hebben hier in plaats van noshram, goede tijdingen,

boshram daar het opsteken van den wind, onder zulke omstandigheden

de voorlooper van regen is.

[644] Of een droog en verdord land.

[645] Noach, de zoon van Lamech, was, volgens de Mahomedaansche

schrijvers, een der zes voornaamste profeten, doch hij had geene

geschreven openbaringen, welke hem werden overgeleverd (Zie Reland

de Relig. Moh., p. 34). Hij was tevens de eerste die na zijn

overgrootvader Edris of Enoch verscheen. Dat Noach het goede onder

de booze ante-deluvianen predikte, wordt door de schrift bevestigd

(2 Petr. II : 5). De Oostersche Christenen zeggen, dat, toen God

aan Noach beval de ark te bouwen, hij hem tevens den weg wees om een

houten werktuig te vervaardigen, gelijk aan datgene, waarvan nog heden

ten dage, in het Oosten in plaats van klokken gebruik wordt gemaakt,

om het volk naar de kerk op te roepen, en dat in het Arabisch N‚k˚s

en in het nieuwe Grieksch Semandra wordt genoemd. Noach moest dit

werktuig gebruiken om daarop driemaal per dag te slaan, ten einde

de werklieden bij elkander te roepen, terwijl 't hem gelegenheid zou

geven, zijn volk dagelijks te waarschuwen, voor het dreigende gevaar

van den zondvloed, die hen zekerlijk zou verdelgen, indien zij geen

berouw gevoelden (Eufych, Ann. p. 37.)

[646] Uit deze woorden en andere plaatsen van den Koran, waar van

Noachs prediking wordt gesproken, blijkt het, dat, volgens de meening

van Mahomet, eene voorname zonde der ante-diluvianen afgodendienst was

(Zie Hoofdstuk XI.)

[647] Hetzij de dag der opstanding, hetzij die waarop de zondvloed

begon.

[648] Zijnde zij, die hem geloofden en met hem in dat vaartuig

gingen. Hoewel er eene overlevering bij de Mahomedanen bestaat,

die gezegd wordt van den profeet zelven ontvangen te zijn, en

volgens welke, evenals in de Heilige Schrift gezegd wordt, niet

meer dan acht personen door de ark werden gered, wordt dat getal

echter door sommigen van hen verschillend opgegeven. Eenigen stellen

zes, tien, twaalf, achtenzeventig en tachtig van beiderlei kunne

(Al Zamakhshari, Jallalo'ddin, Ebn Shohnah), en daaronder Jorham,

die, volgens sommigen, de bewaarder der Arabische taal was. Zie

Pocock. Orat. praefix. Carm. Tograi.

[649] Ad was een oude en machtige Arabische stam van

afgodendienaren. (Abulfeda.)

[650] Deze wordt gezegd dezelfde persoon als Heber te zijn.

[651] Dat is, nopens de afgodsbeelden en uitgedachte voorwerpen van

uwe aanbidding, aan welke gij, in de boosheid uws harten, de namen,

eigenschappen en eer geeft, die alleen den waren God toekomen.

[652] Thamoed was een andere Arabische stam, die tot den afgodendienst

overging.

[653] De Thamoedieten drongen op een mirakel aan, en sloegen Saleh

voor, met hen naar hun feest te gaan, waar zij hunne goden en hij

de zijne aanroepen zou, onder de belofte, de godheid te volgen, die

antwoord gaf. Maar nadat zij hunne afgodsbeelden gedurende eenigen

tijd, zonder eenigen uitslag, hadden aangeroepen, wees Jonda Ebn

Amroe, hun vorst, op eene alleenstaande rots, en verzocht Saleh

daaruit een wijfjeskameel met een jong te doen voortkomen, terwijl

hij zich plechtig verbond, indien Saleh dit deed, te zullen gelooven;

zijn volk beloofde hetzelfde. Het gevraagde wonder had daarop plaats.

[654] De stam van Thamoed woonde eerst in den omtrek van de Adieten,

doch daar hun getal toenam, verhuisden zij naar het grondgebied van

Hejr wegens de bergen; hier hieuwen zij zich woningen in de rotsen,

die nog ten huidigen dage bestaan.

[655] Gelijk hevige en herhaalde donderslagen, die volgens sommigen

niets anders waren, dan de stem van den engel GabriÎl, die hunne

harten verscheurde. (Abulfeda, Al Beid‚wi.)

[656] Toen Mahomet in de expeditie van Tab˚c, die hij in het negende

jaar der hedjira tegen de Grieken ondernam, door Hejr trok, waar deze

oude stam had gewoond, verbood hij zijn leger, niettegenstaande het

door honger en dorst werd geteisterd, hier eenig water te putten,

terwijl hij hun beval, indien zij van dat water hadden gedronken,

het uit te spuwen, of, indien zij daarmede meel hadden gekneed, dit

aan hunne kameelen te geven, (Abulfeda. Vit. Moh. p. 124) en nadat hij

zijn gezicht in zijne kleederen had gehuld, gaf hij zijn' muilezel de

sporen, uitroepende: Betreedt het huis van deze snoode menschen niet,

maar ween veeleer, anders zou u kunnen gebeuren wat hun overkwam;

nadat hij dit had gezegd, rende hij in vollen galop en met omsluierd

aangezicht voort, tot hij de vallei was doorgetrokken. (Al Bokhari.)

[657] Zie Hoofdstuk XI, omtrent nadere bijzonderheden van Loth.

[658] Zijnde Loth en zij die in hem geloofden.

[659] Zie Hoofdstuk XI.

[660] Zie hetzelfde Hoofdstuk.

[661] Madian of Midian, was eene stad in Hej‚z, en de woonplaats van de

afstammelingen van Midian, de zoon Abraham uit Ketura (Gen. XXV : 2),

die, naar het schijnt, zich later met de IsmaÎlieten vereenigde. Deze

stad lag aan de Roode Zee en is ontwijfelbaar dezelfde als Modiana;

wat daarvan in Mahomets tijd was overgebleven, werd in de opvolgende

oorlogen (Zie Golii, not. in Alfrag. p. 143) verwoest, en verkeert in

onzen tijd in een treurigen toestand. Het volk in den omtrek beweert de

put te bezitten, waaraan Mozes de kudden van Jethro drenkte. (Abulfeda,

Desc. Arab. p. 42. Geogr. Nub. p. 109.)

[662] Sommige Mahomedaansche schrijvers maken dezen tot den zoon

van Mikail, den zoon van Yashjar, den zoon van Madian (Al Beid‚wi,

Tarikh Montakhab). In het algemeen veronderstellen zij tevens, dat hij

dezelfde persoon was als de schoonvader van Mozes, die in de Heilige

Schrift Reuel of Raguel en Jethro wordt genaamd Exod. II : 18, III : 1.

[663] Hij zou zijn schoonzoon de wonderdoende roede hebben geschonken

(Al Beid‚wi, Zie ook Shalshel. Hakhab, p. 12), waarmede deze

de verschillende wonderen in Egypte en de woestijn verrichtte, en

waardoor hij tevens uitstekenden raad en onderricht gaf (Exod. XXVII:

13 enz.); weshalve hij den bijnaam van KhatÓb Al Anbiy‚, of prediker

der profeten verkreeg (Zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt. Art. ShoaÔb.)

[664] Een der groote misdaden waaraan de Midianiten schuldig waren,

was het gebruik van verschillende maten en gewichten, en wel groote

en kleine, waarvan de eerste bij in-, de andere tot den verkoop

dienden. (Zie d'Herbelot, t. a. pl. Al Beid‚wi, Deut. XXV : 13, 14.)

[665] Zie hiervoren bladz. 195 vers 54 en de noot.

[666] Hierdoor wordt figuurlijk de wijze uitgedrukt, hoe God met

trotsche en ondankbare menschen handelt, door hen te vergunnen,

de maat hunner onrechtvaardigheid vol te meten, zonder hen door

kastijding en droefenis tot besef van hunnen toestand te brengen,

tot zij, op het oogenblik, dat zij dit het minst verwachten, geheel

verloren zijn. (Al Beid‚wi.)

[667] Door niet daarin te gelooven.

[668] De Arabische schrijvers vermelden vele fabelen van deze

slang. Zoo verhalen deze, dat zij behaard en van zulk eene

uitgestrekte grootte was, dat, als zij den muil opende, hare kaken

80 elleboogslengten van elkander waren verwijderd en als zij met

hare onderkaak op den grond lag, het bovenste kakebeen tot aan den

top van het paleis reikte. Zij voegen er tevens bij, dat Pharao

daarop Mozes bij God bezwoer, die hem had gezonden, de slang weg

te nemen, en beloofde, niet alleen in hem te gelooven, maar tevens

de IsraÎlieten te laten vertrekken; doch toen Mozes gedaan had, wat

Pharao verlangde, trok hij zijn woord terug, en behandelde hen even

slecht als vroeger. (Al Beid‚wi.)

[669] De Arabieren noemen verschillende dier toovenaars, behalve

hunnen opperpriester Simeon.

[670] De uitleggers voegen er bij, dat toen de slang al de staven

en koorden had verslonden, zij zich onmiddellijk tot de toeschouwers

wendde, en hun zooveel schrik aanjoeg, dat zij vluchten, en een aantal

hunner in het gedrang werden gedood. Daarna nam Mozes de slang op en

zij werd weder een staf als te voren. De toovenaars verklaarden daarop,

dat het geene tooverij kon zijn, daar in zulk een geval hunne staven

en koorden niet zouden zijn verdwenen. (Al Beid‚wi.)

[671] Dat is: uwe rechter hand en uwen linker voet.

[672] Sommigen zeggen, dat Pharao de eerste uitvinder dezer straf was.

[673] Zijnde de sterren of andere afgoden.

[674] Door wiens wil en besluit zij zoozeer werden bedroefd, als eene

straf voor hunne boosheid.

[675] Daar er in de MozaÔsche wet van geene dergelijke overstrooming

sprake is, zoo veronderstellen sommigen, dat deze plaag eene pestziekte

of eenige andere besmettelijke ziekte was. (Al Beid‚wi.) Het woord

Toefan, dat op deze plaats wordt gebruikt, en in het algemeen met

overstrooming wordt vertaald, kan ook, meer algemeen, verwoesting of

sterfte beteekenen.

[676] Deze gebeurtenis wordt in de Xe en XXe Hoofdstukken meer

bijzonder besproken.

[677] Dat is het land van SyriÎ, waartoe de Oostersche

aardrijkskundigen Palestina rekenen te behooren, en waarin, volgens de

uitleggers de kinderen IsraÎl, de koningen van Egypte en de Amalekieten

opvolgden. (Al Beid‚wi.)

[678] Vooral den hoogen toren, dien Pharao had doen bouwen, om den God

van Mozes te kunnen aanvallen. (Zie hoofdstuk XXVIII en Hoofdstuk XL.)

[679] Men zegt dat hunne afgodsbeelden nabootsingen van ossen waren,

die het eerste aanleiding gaven tot het maken van het gouden kalf. (Al

Beid‚wi).

[680] De Arabieren rekenen bij nachten, zooals wij bij dagen. Deze

gewoonte komt ontwijfelbaar uit de bijzondere hitte van hun klimaat

voort. Als de zon ondergaat, verlaten zij de tenten en genieten

de koelte en den meest verrukkelijken hemel. De nacht is dan ook

in groote mate voor hen wat de dag voor ons is. Hunne dichters

bezingen ook nooit de bekoorlijkheden van een schoonen dag, maar de

woorden Leili! Leili! O nacht, o nacht! worden in al hunne liederen

herhaald. (Savary.)

[681] Zonder de bemiddeling van een ander, en van aangezicht tot

aangezicht, zooals hij met de engelen sprak (Al Beid‚wi). Zie

d'Herbel. Bibl. OriÎnt p. 650.

[682] Deze berg wordt door de Arabieren al Zehir (Heb. hr S`yr)

genoemd.

[683] Sommige uitleggers beweren, dat God den berg leven gaf en het

vermogen om te zien.

[684] Deze woorden moeten niet in hunne strikte beteekenis worden

opgevat. Zie in Hoofdstuk VI. vers 14 eene dergelijke uitdrukking.

[685] Volgens sommigen waren deze tafels zeven in getal, volgens

anderen tien. Naar het gevoelen van andere uitleggers waren zij uit

eene soort Lotusboom gesneden, die in het Paradijs Al Sedra werd

genaamd. Anderen wederom zeggen, dat zij van chrysoliten, smaragden,

robijnen, of van gewonen steen waren (Al Beid‚wi); ieder van tien

of twaalf ellebogen lengte. Ook veronderstellen zij dat deze niet

alleen de tien geboden vertoonden, maar dat de geheele wet daarop

was geschreven.

[686] Dat is eene volkomen wet, bevattende alle noodige

onderrichtingen, zoowel nopens godsdienstige en zedelijke plichten,

als omtrent het eigenlijk beheer.

[687] Dat is, volgens de opvatting van sommigen, samengesteld uit

vleesch en bloed, of, volgens anderen, een eenvoudig lichaam, of

eene metaalmassa, zonder ziel (Al Beid‚wi). Zie ook Hoofdstuk XX en

de noot op Hoofdstuk II, vers 48.

[688] Zie de beide genoemde Hoofdstukken en de noot op het laatste

Hoofdstuk.

[689] Zooals hunne gouden en zilveren ringen en armbanden (Al Beid‚wi).

[690] Door zijne voorschriften te verwaarloozen, en door u zijne

wraak over den hals te halen.

[691] Die allen verbroken en in den hemel opgenomen werden, uitgenomen

eene enkele; deze bevatte, zooals zij zeggen, de bedreigingen en

gerechtelijke bevelen, en werd later in de ark nedergelegd. (Al

Beid‚wi, Zie d'Herbelot p. 649.)

[692] Zie Hoofdstuk II, vers 48-57.

[693] Of de stukken van het overgeblevene.

[694] Volgens Savary werden zij door eene aardbeving verzwolgen. Zie

ook nopens deze plaats Hoofdstuk II, t. a. pl. en Hoofdstuk IV,

vers 152.

[695] Dat is Mahomet.

[696] Zie Hoofdstuk III, vers 44.

[697] Zooals het eten van bloed en varkensvleesch, het nemen van

woeker, enz.

[698] Zie Hoofdstuk II, vers 286.

[699] Dat is: aan alle menschen in het algemeen, en niet aan een

bijzonder volk, zooals de vroegere profeten werden gezonden.

[700] Zie Hoofdstuk II, vers 57.

[701] Zie Hoofdstuk II, vers 54.

[702] Zie omtrent de uitlegging van deze plaats Hoofdstuk II, vers 55.

[703] Deze stad was Ailah of Elath, aan de Roode Zee. Sommigen

veronderstellen echter, dat het Median was, en anderen Tiberias. Zie

voorts Hoofdstuk II, vers 61, in de noot.

[704] Dat wij onzen plicht hebben gedaan, door hen van hunne snoodheid

terug te houden.

[705] Zie Hoofdstuk II, vers 61 in de noot.

[706] Door steekpenningen aan te nemen, om een vonnis te verdraaien en

voor de vervalsching van afschriften van den Pentateuchus, enz. (Al

Beid‚wi).

[707] Vooral door uit te strooien, dat God hunne verdorvenheid zonder

oprecht berouw en boetedoening zou vergeven.

[708] Zie Hoofdstuk II, vers 60, in de noot.

[709] De uitleggers verhalen, dat God over Adams rug streek, en

uit zijne lendenen zijne geheele nakomelingschap voortbracht, het

eene geslacht na het andere; dat deze menschen verzameld werden in

de gedaante van kleine, met verstand begaafde mieren, en dat zij,

na hunne afhankelijkheid van God te hebben betuigd, op nieuw in de

lendenen van hunnen aartsvader terugkeerden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin,

Yahya. Zie ook d'Herbelot. Bibl. OriÎnt, p. 54). Uit deze verdichting

blijkt, dat de leer van het voortbestaan den Mahomedanen niet onbekend

is, en dat er eene kleine overeenkomst is tusschen dit en de nieuwere

theorie van de generatie ex animalculus in semine maritum.

[710] Sommigen achten dit Bileam, den zoon van BÈor, wel bekend, ten

minste met een gedeelte van de schrift, daar hij zelfs met eenige

openbaringen van God was begunstigd. Dezen werd door zijn volk

verzocht, Mozes en de kinderen IsraÎls te vloeken. Eerst weigerde

hij dit, zeggende: Hoe kan ik hen vloeken, die door de engelen

worden ondersteund? Maar later werd hij door giften overgehaald,

en nauwelijks had hij het gedaan, of hij stak zijn tong uit, als een

hond, en deze hing op zijne borst neder. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin,

Al Zamakhshari. Zie ook d'Herbelot. Bibl. OriÎnt. Art. Balaam.)

[711] Door het loon der onrechtvaardigheid te beminnen en gretig,

als belooning, op dwaling azende. 2 Petrus II : 5, Richteren II.

[712] Door het uitdrukken van zijne attributen. Marracci telt er negen

en negentig op, die bij de Arabieren in gebruik zijn (In Alc. p. 414.)

[713] Zooals Walid Ebn al Mogheira deed, die op het hooren dat

Mahomet aan God den titel van Al Rahman, of de genadige gaf,

luid begon te lachen en zeide, dat hij niemand van dien naam kende

(Marracc. Vit. Moh. p. 19), of, zooals de afgoden dienende bewoners

van Mekka deden, die de namen hunner afgoden van die van den waren

God afleidden, zooals b.v. All‡t, van Allah, Al Uzza, van Al Aziz,

de machtige en Manat van Al Mannan, vol van goedheid (Al Beid‚wi,

Jallalo'ddin.)

[714] Door hen te vleien met voorspoed in dit leven en hun toe te

staan, in eene onverstoorbare zekerheid te zondigen, tot zij bevinden,

dat zij onverwachts ten gronde zijn gericht. (Al Beid‚wi)

[715] Al Beid‚wi zegt, dat de Koran op deze plaats Kosai, een

van Mahomets voorouders, en zijne vrouw bedoelt, die God om kroost

smeekten, en die den vier zonen, welke hem werden verleend, de namen

Abd Menaf, Abd Shains, Abd ul Uzza en Abd al Dar gaven, naar de namen

der vier voornaamste afgoden der KoreÔshieten. De genoemde uitlegger

veronderstelt ook, dat de volgende woorden op hunne afgodendienende

nakomelingen moeten worden toegepast.

[716] Als zijnde aan het volstrekte bevel van God onderworpen. De

hoofd-afgoden der Arabieren waren: de zon, de maan en de sterren.

[717] Dit hoofdstuk werd in het leven geroepen door de hoogloopende

twisten, die veroorzaakt werden door de verdeeling van den buit in

den slag van Bedr behaald (zie Hoofdstuk III, vers 11, in de noot),

en welke twisten waren ontstaan tusschen de jongelieden, die gestreden

hadden en alles wilden hebben, en de oude lieden die niet gestreden

hadden en een deel verlangden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Mahomet

deelde den buit in gelijke deelen onder hen, na aftrek van een vijfde

deel voor het lager te melden doel.

[718] Behalve zeven verzen (30-36), die, volgens sommigen, te Mekka

werden geopenbaard.

[719] Dat is: nopens hunnen goeden uitslag tegenover Aboe Juhl en

de KoreÔshieten; des niettegenstaande had God beloofd hen te zullen

aanmoedigen.

[720] De reden van dit terugtrekken was hunne weinige talrijkheid,

in vergelijking met den vijand; zij waren namelijk alleen te voet,

en hadden slechts twee paarden bij zich, terwijl de KoreÔshieten

honderd paarden bezaten (Al Beid‚wi, en Abulfed. Vit. Moh. p. 56).

[721] Dat is, hetzij de karavaan, hetzij de hulpbenden van

Mekka. Marracci verwart al ir en al nafir, dat de karavaan en het

korps hulpbenden beteekent, en ziet ze aan voor twee familienamen

van KoreÔshieten, welke nooit bekend waren en door hem Airenses en

Naphirenses genaamd worden (Marracci in Alc. p. 297.)

[722] Dat is: de karavaan, die slechts veertig paarden bezat, terwijl

de tegenpartij sterk en goed voorzien was.

[723] Alsof hij had gezegd: Uw gezicht diende alleen om den buit van de

karavaan prijs te maken en om gevaar te vermijden; maar God bepaalde de

uitroeiing zijner tegenstanders, om zijnen godsdienst te verheerlijken.

[724] Toen Mahomets manschappen zagen, dat zij den strijd niet konden

vermijden, bevalen zij zich in Gods ondersteuning aan, terwijl hun

profeet met grooten ernst bad, voortdurend uitroepende: O God! vervul

wat gij mij hebt beloofd. O God! indien dit gedeelte mocht worden

afgesneden, zult gij op aarde niet meer aangebeden worden. (Al Beid‚wi,

Abulfed, Vit. Moh. p. 38.)

[725] Zie Hoofdstuk III, vers 145.

[726] Dit is de opzettelijk bepaalde straf voor de vijanden van den

Mahomedaanschen godsdienst. De Moslim pasten die echter niet toe op

de personen welke zij te Bedr gevangen namen, waarover zij in dit

Hoofdstuk berispt worden.

[727] Zie Hoofdstuk III, vers II, in de noot.

[728] Zie de zoo even aangeduide plaats.

[729] Daar hij niet alleen de meest verborgen dingen van zijn hart

kent, maar zelfs de voornemens des menschen beheerscht, en hem hetzij

tot geloof hetzij tot ongeloof geneigd maakt.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 70 / 89 段