[485] Dat is: Zij zullen met gebrek en gierigheid gestraft worden. Deze

woorden doelen, volgens de meening van sommigen, ook op de wijze waarop

de goddeloozen op den jongsten dag zullen verschijnen, namelijk met

hunne rechterhanden aan hunnen nek gekluisterd, hetgeen de eigenlijke

beteekenis van het Arabisch woord is.

[486] Namelijk de Koran.

[487] Dat is: Zij zullen zoowel de genoegens des hemels als die der

aarde genieten.

[488] Alvorens dit vers werd geopenbaard, onderhield Mahomet eene

lijfwacht van gewapenden voor zijne zekerheid: toen hij echter deze

verzekering van Gods bescherming ontving, dankte hij die dadelijk

af. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)

[489] Zie de noot van Hoofdstuk II, vers 59.

[490] Zie Hoofdstuk II, vers 59.

[491] Door hunne oogen en ooren voor overtuiging en de bevelen der

wet te sluiten, zooals toen zij het kalf aanbaden.

[492] Zie Hoofdstuk IV, vers 170.

[493] Die nimmer aanspraak er op maakte, van goddelijken aard, of de

moeder Gods te zijn. (Jallalo'ddin).

[494] Daar zij verplicht waren, hun leven op dezelfde wijze door

te brengen, en aan dezelfde behoeften en gebreken als de overige

menschen onderworpen en dientengevolge van geen' goddelijken oorsprong

waren. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[495] Zie Hoofdstuk IV, vers 169. Hier zijn deze woorden echter

uitsluitend tot de Christenen gericht.

[496] Dat is: van de geestelijken en voorgangers, die dwalen, door

aan Christus goddelijkheid toe te kennen, alvorens Mahomet werd

gezonden. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[497] Zie hiervoren de noot 3 op blz. 162.

[498] David had de Sabbatschenders in apen veranderd, Hoofdstuk

II. vers 61; Jezus veranderde de boozen onder IsraÎl in varkens.

[499] Zie Hoofdstuk II vers 89.

[500] De personen die op deze plaats rechtstreeks worden bedoeld,

zijn: Ûf Ashama, koning van EthiopiÎ, en verschillende bisschoppen

en priesters, die, tot dat doel vergaderd, Jaafar Ebn Taleb hoorden,

en die bij de eerste vlucht naar deze plaats vlood, en de 29e en 30e

en later de 18e en 19e Hoofdstukken van den Koran las, op het hooren

waarvan de koning en de overige aanwezenden in tranen uitbarstten

en bekenden, dat het met de waarheid overeenkomstig was; vooral de

vorst zelf werd een proseliet van het Mahomedanisme (Al Beid‚wi, Al

Thalabi, Albufed. Vit. Moh., pag. 35 enz., Marracc, Prodr. ad Refut,

Alcor. pars. I pag. 45), of dertig, doch gelijk anderen zeggen zeventig

personen, die door dien zelfden koning van EthiopiÎ als afgezanten tot

Mahomet waren gezonden, aan welken de profeet zelf het 36e hoofdstuk

voorlas, waarop zij begonnen te weenen, zeggende: Hoezeer gelijkt dat

op hetgeen door Jezus werd geopenbaard! en zich dadelijk als Moslems

bekenden. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, ook Marrace, t. a. pl.)

[501] Deze woorden geopenbaard, toen sommigen van Mahomets volgelingen,

goed dachten te doen, door voortdurend te vasten en te waken, en door

zich van vrouwen, het eten van vleesch, het slapen op een bed en andere

geoorloofde genoegens des levens te onthouden, in navolging van sommige

Christenen; doch de profeet keurde dit af, zeggende: dat hij geene

monniken in zijnen Godsdienst verlangde te hebben. (Jallalo'ddin,

Al Beid‚wi).

[502] Zie Hoofdstuk II, vers 224.

[503] (Aboe HanÓfa zegt, dat dit drie dagen te zamen is). Dit wordt

echter in het gebruik niet gevolgd, daar het nergens bepaald in den

Koran, noch in de Sonna wordt bevolen.

[504] Hiermede worden alle bedwelmende dranken en kansspelen

bedoeld. Zie Hoofdstuk II, vers 216.

[505] Al Beid‚wi en sommige andere uitleggers zeggen, dat hier

van afgoden wordt gesproken, anderen beweren echter, en met meer

waarschijnlijkheid, dat hier de gesneden menschenbeelden worden

bedoeld, waarmede de afgodendienende Arabieren schaak spelen, zijnde

kleine figuren van menschen, olifanten, paarden en drommedarissen.

[506] De uitleggers trachten de tautologie van deze plaats te

verontschuldigen, door de veronderstelling, dat de drievoudige

vermelding van vreezen en gelooven betrekking heeft op de drie

toestanden van den tijd, namelijk het verledene, het tegenwoordige en

het toekomstige of op den drievoudigen plicht van den mensch, omtrent

God, zich zelven en zijn naaste. (Al Beid‚wi). Volgens anderen weder

heeft deze herhaling plaats gehad, omdat Mahomet duidelijk wilde

aantoonen, dat de ware vroomheid niet in het onthouden van zekere

spijzen ligt.

[507] Hiermede wordt bedoeld, dat hij een offer in den tempel van

Mekka zal brengen, hetgeen daar gedood en onder de armen verdeeld zal

worden, of wel een of ander huis- of tam dier, van gelijke waarde

als datgene wat hij zal hebben gedood; zooals b.v. een schaap ter

vergoeding van een antilope, een duif voor een patrijs enz. En over

deze waarde moeten twee voorzichtige personen oordeelen. Indien de

overtreder niet in staat was dit te doen, rustte de verplichting op

hem eene zekere hoeveelheid voedsel aan een of meer arme lieden te

geven, of een evenredig aantal dagen te vasten.

[508] Dit, zegt Jallalo'ddin, is toepasbaar op alle visschen die in de

zee leven, en niet op diegene, welke zoowel in de zee als op het land

leven; zooals: krabben, enz. De Turken die tot de Hanifieten behooren,

eten deze soort van visschen nimmer, maar de secte van Malec Ebn Ans,

en misschien eenige anderen, zien daarin geen godsdienstig bezwaar.

[509] Want het oordeel over zaken moet niet met het oog op hare

schaarschte of menigvuldigheid, maar naar heure wezenlijke goede of

slechte hoedanigheden worden uitgesproken, (Al Beid‚wi).

[510] Dit waren de namen door de afgodendienende Arabieren aan sommige

kameelen of schapen gegeven, die in eenige gevallen van de gewone

diensten waren bevrijd. Zij waren van een of ander kenteeken voorzien,

gelijk gespleten ooren, enz. opdat zij herkend konden worden. Dit

deden zij ter eere hunner goden. Deze bijgeloovige gewoonte wordt

hier verklaard, geen bevel van God te zijn en als een verzinsel van

dwazen gekenschetst.

[511] Zij die deze woorden zoodanig uitleggen, dat daarmede personen

van eenen anderen godsdienst worden bedoeld, zeggen, dat dit afgeschaft

is, en dat de getuigenis van zulk een' niet tegen een Moslem kan

gelden. (Al Beid‚wi).

[512] Voor het geval dat er eenige twijfel bestond, werden de getuigen

van het gezelschap afgezonderd, opdat zij niet verleid mochten worden:

dit duurde voort, tot zij hunne verklaring hadden afgelegd, hetgeen

zij gewoonlijk deden als het namiddaggebed was uitgesproken; daar dit

het oogenblik was, dat het volk zich in het openbaar verzamelde, of,

gelijk sommigen beweren, de beschermengelen dan iedereen bijstonden,

zoodat er vier engelen tegen hen konden getuigen, indien zij valsche

verklaringen aflegden. Er zijn echter anderen die veronderstellen,

dat zij na het uur van ieder gebed mochten verhoord worden, indien

daarbij een genoegzaam aantal menschen verzameld was. (Al Beid‚wi).

[513] Dat is op den dag der opstanding.

[514] Zie Hoofdstuk II, vers 81, in de noot.

[515] Zie Hoofdstuk III, vers 41.

[516] Zie ald., vers 43.

[517] Zie ald., vers 48.

[518] Zie Hoofdstuk III, vers 41-43.

[519] De uitleggers verhalen dit wonder op de volgende wijze: Nadat

Jezus dit, op verzoek zijner volgelingen, van God had gevraagd, daalde

voor hunne oogen dadelijk een roode tafel tusschen twee wolken neder:

zij werd voor hem geplaatst. Vervolgens stond Jezus op en bad, na de

reiniging te hebben verricht, waarop hij het kleed weg nam, dat de

tafel bedekte, zeggende: "In den naam van God, die het best van voedsel

voorziet." Omtrent de spijzen die zich op de tafel bevonden, zijn de

uitleggers het oneens. De meest verspreide overlevering zegt echter,

dat er, zoodra het kleed van de tafel was weggenomen, een geheel gereed

gemaakte visch met groente, brood, olijven enz. verscheen. Zij voegen

er, behalve verdere bijzonderheden, nog bij, dat Jezus, op verzoek

der apostelen, een ander wonder voor hen verrichtte, door den visch

weder in den oorspronkelijken vorm terug te brengen en weder levend

te maken, waarna hij hem in den toebereidenden toestand herstelde;

Eenduizenddriehonderd mannen en vrouwen, die allen met lichaamsgebreken

bezocht, of arm waren, aten van deze spijzen en werden verzadigd,

terwijl de visch geheel bleef, zooals hij oorspronkelijk was. Daarop

rees de tafel voor aller oog, weder ten hemel, en ieder die van dit

voedsel had genoten, was van zijne gebreken en ongelukken bevrijd. De

tafel daalde daarop nog gedurende veertig dagen, tegen etenstijd neder

en bleef op den grond staan, tot de zon daalde, waarop zij weder

door de wolken werd opgenomen. Sommige Mahomedaansche schrijvers

zeggen, dat deze tafel niet werkelijk nederdaalde, maar achtten 't

eene parabel; de meesten meenen echter, dat de woorden van den Koran

juist het tegenovergestelde te kennen geven. Eene andere overlevering

zegt, dat verscheiden menschen in zwijnen werden veranderd, omdat

zij niet aan dit wonder geloofden, en het aan tooverij toeschreven,

of, zooals anderen beweren, omdat zij sommige levensmiddelen van de

tafel stalen. (Al Beid‚wi, Al Thalabi.)

[520] Zie Hoofdstuk III, vers 48, nopens de reden waarom hier de

woorden: "gij hebt mij tot u opgenomen", in plaats van: "gij hebt mij

doen sterven", zijn geplaatst. Zie ook Hoofdstuk XXXIX, vers 43, noot.

[521] Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat daarin worden behandeld

sommige bijgeloovige gewoonten der bewoners van Mekka, die op het

vee betrekking hebben.

[522] Behalve zes, of, volgens anderen, drie verzen.

[523]

[524] Mahomet schijnt hier de oude en sterke stammen van Ad en Thamud

te bedoelen.

[525] Of zinsbedrog.

[526] Gelijk GabriÎl gewoonlijk aan Mahomet verscheen, die, hoewel

een profeet, niet in staat was, zijn gezicht te verdragen, als hij in

zijn gewonen vorm verscheen; zoodat anderen dit des te minder zouden

kunnen doen.

[527] Deze plaats werd geopenbaard, toen de KoreÔshieten Mahomet

verhaalden, dat zij de Joden en Christenen nopens hem hadden

ondervraagd, en dat die hun hadden verzekerd, dat zij geene melding

of beschrijving van hem in hunne schriften vonden. Daarom, zeiden

zij: wie legt de getuigenis voor u af, dat gij Gods gezant zijt? (Al

Beid‚wi, Jallalo'ddin.)

[528] Dat is: zij weten zeer goed dat Mahomet Gods gezant is. Zie

Hoofdstuk II, vers 141.

[529] Zeggende dat de engelen dochters van God zijn, en

tusschenpersonen voor ons bij hem, enz.

[530] Zijnde: Uwe afgoden en valsche goden.

[531] Dat is: Hunne ingebeelde goden bewijzen niets te zijn, en

verdwijnen als ijdele droombeelden en hersenschimmen.

[532] Om gericht te worden.

[533] De laatste dag wordt hier het uur genoemd, zooals in 1 Johannes

vers 25 enz., en de voorafgaande uitdrukking: verschijning voor God

op dien dag, kan mede aangenomen worden dat te beteekenen. 1 Thess. IV

: 17.

[534] Op deze plaats wordt Mahomet gelaakt, dat hij geen geduld

tegenover de halsstarrigheid zijner landgenooten plaatste over zijne

ongepaste begeerte, om te verwezenlijken wat God niet besloten had;

te weten de bekeering en redding van alle menschen. (Al Beid‚wi.)

[535] Daar zij onbekend waren met Gods almacht, en met het gevolg

van hetgeen zij vroegen; hetgeen tot hunne volslagen vernietiging

kon voeren.

[536] Daar zij evenzeer onder Gods hoede zijn als het menschelijk

geslacht.

[537] Dat is: in de bewaarde tafel, waarop alle goddelijke

besluiten zijn opgeschreven, en alle zaken die in de wereld gebeuren

(zoowel de kleinste als de meest uitgebreide), nauwkeurig worden

opgeschreven. Reeds vroeger is, in den loop van dit werk, hierover

bij herhaling gesproken.

[538] Want, volgens het Mahomedaansche geloof, zullen alle schepselen

op den dag des laatsten oordeels voor God verschijnen, om rekenschap

van hunne daden af te leggen.

[539] Dat is: satan heeft hunne daden verbloemd, of: satan heeft

hunne daden geschikt zooals het hem behaagde.

[540] Dat is; wij gaven hun allerlei overvloed, ten einde, nadat zij

niet door hunne droefenis werden geleerd, hun voorspoed een valstrik

voor hen zou worden, en zij zich zelven spoediger tot vernietiging

zouden brengen.

[541] Dat is, volgens Al Beid‚wi: Ûf zonder eenige voorafgaande

aankondiging, Ûf na het geven van eene waarschuwing.

[542] Sommigen zeggen, dat de opperhoofden van Mekka alle armen uit

hunne stad verdreven; hun zeggende tot Mahomet te gaan. Zij deden dit

en boden aan, zijnen godsdienst te omhelzen; doch hij maakte eenige

zwarigheid, hen te ontvangen, daar hij vreesde, dat de nood en geene

oprechte overtuiging de drijfveer was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin);

waarna deze plaats werd geopenbaard.

[543] Deze plaats moet tot antwoord strekken op de uitdagingen der

ongeloovigen, die tot Mahomet zeiden, indien hij een waar profeet was,

een stortregen van steenen of een andere wonderdadige straf van den

hemel af te bidden, om hen te vernietigen. (Al Beid‚wi).

[544] Zie hiervoren vers 38, noot.

[545] Woordelijk zou dit moeten luiden: onze gezanten, nemen ieder

uwer op; ontvangen zijn adem, zijne ziel. Die engel heet Irafil.

[546] De lezing van een ander afschrift van den Koran is in den derden

persoon. Indien hij ons bevrijdt, enz.

[547] Door tot uwe vroegere afgodendienarij terug te keeren.

[548] Door stormen des hemels; zooals bij de ongeloovigen van Noach en

Loth, en het leger van Abraha, den heer van den olifant. (Al Beid‚wi).

[549] Zooals bij Pharao en zijn leger, en bij Korach, of (gelijk de

Mahomedanen hem noemen) Karun. (Al Beid‚wi.)

[550] De Muzelmannen maakten de opmerking, dat, indien men zich

telkenmale van de ongeloovigen moest verwijderen als zij den nieuwen

godsdienst bespotten, men nergens een enkel oogenblik zou kunnen

blijven. Mahomet vulde daarop het voorschrift van het vorige vers

met deze plaats aan.

[551] Dit is de naam dien de Mahomedanen aan Abrahams vader gaven

en die in de H. Schrift Terah wordt genaamd, hoewel sommigen hunner

schrijvers beweren, dat Azer de zoon was van Terah (TarÓkh Montakhab,

bij d'Herbel. Bibl. OriÎnt. p. 12) en d'Herbelot zegt, dat de

Arabieren hen in hunne geslachtslijsten steeds als verschillende

personen beschouwen, maar dat, aangezien Abraham, volgens Mozes, de

zoon van Terah was, door Europeesche schrijvers verondersteld wordt,

dat Terah dezelfde is als de Azer der Arabieren.

[552] Dat Azer of Terah een afgodendienaar was, wordt algemeen

toegegeven; ook kan het niet worden geloochend, daar in de Schrift

opzettelijk wordt gezegd, dat hij vreemde goden diende (Josua XXIV,

2, 14). De Oostersche schrijvers nemen eenparig aan, dat hij een

beeldhouwer was en afgodsbeelden vervaardigde; en hij wordt als de

eerste voorgesteld, die beelden van klei maakte; alleen schilderijen

waren vÛÛr hem in gebruik (Epiphan, Adv. Haer. lib. 1, p. 7, 8), en men

veronderstelt, dat die als afgoden werden aangebeden. Men zegt echter

dat zijn bedrijf eerbiedwaardig (Zie Hyde, de Rel. Vet. Persar, p. 63)

en hij een groot man en zeer bevriend met Nimrod, zijn schoonvader

was (d'Herbel), daar hij afgodsbeelden voor hem maakte en in zijne

kunst uitmuntte.

[553] Dat is: Ik ben niet verschrikt door uwe valsche goden, die mij

niet kunnen deren, uitgenomen wanneer God het veroorlooft, of wanneer

het hem behaagt mij te bedroeven.

[554] De uitleggers verklaren hier het woord onrechtvaardig door

afgodendienarij, of openbaar verzet tegen God.

[555] Sommigen passen het woord "zijne" op Abraham toe, als de persoon

waarvan op deze plaats voornamelijk wordt gesproken; sommigen op Noach;

daar Jonas en Loth, gelijk zij zeggen, niet van Abrahams zaad waren;

anderen veronderstellen, dat de personen in dit en het volgende vers

bedoeld, als de afstammelingen van Abraham moeten worden beschouwd

en die in het naastvolgende vers als de afstammelingen van Noach. (Al

Beid‚wi.)

[556] De Mahomedanen zeggen, dat hij tot het geslacht van Ezau

behoorde. Zie Hoofdstuk XXI en XXXVIII.

[557] Zie Hoofdstuk XXXVII.

[558] Zie Hoofdstuk X, XXI en XXXVII.

[559] Zie Hoofdstuk VII enz.

[560] Dit zijn de KoreÔshieten. (Al Beid‚wi).

[561] Volgens Jallalo'ddins oordeel is dit vers en ook de beide

volgende te Medina geopenbaard.

[562] Door te zeggen, dat, behalve in de tien geboden, God aan Mozes

vrijheid heeft gegeven, de openbaringen naar zijne keuze in te kleeden.

[563] Daar sommige Arabieren, naar het schijnt, voorgaven, dat

indien het hun behaagde, zij een boek konden schrijven, hetwelk in

hoedanigheid niet onder den Koran zou staan. Anderen zeggen, dat dit

betrekking zou hebben op eenige valsche profeten, die in Mahomets

tijd leefden; zoo als MoÁaÔlama, El Aswad en anderen.

[564] Dat is: zonder uw rijkdom, uwe kinderen of uwe vrienden, waarop

gij u in uwen leeftijd zoo zeer hebt verlaten.

[565] Of valsche goden.

[566] Betreffende de tusschenkomst uwer afgoden, of het niet gelooven

aan toekomstige belooningen en straffen.

[567] Zie Hoofdstuk III, vers 26.

[568] Namelijk: in de lendenen uwer vaderen en de ingewanden uwer

moeders. (Al Beid‚wi).

[569] Dit beteekent de soort van redelijke, onzichtbare wezens,

hetzij engelen of duivels, of de tusschensoort, gewoonlijk geniussen

genaamd. Eenige der uitleggers verstaan hier engelen, welke door

de afgodendienende Arabieren vereerd werden; anderen duivels,

hoofdzakelijk omdat, volgens het stelsel der magiÎrs, de duivel als

een soort schepper en als het beginsel van alle kwaad aangezien werd,

terwijl God als de oorzaak van al het goede werd beschouwd. (Al

Beid‚wi.)

[570] Of, letterlijk vertaald, de onbegrijpelijke (Al Beid‚wi.)

[571] Dat is: gij werdt hieromtrent door de Joden en Christenen

onderricht, en hebt ons alleen stuksgewijze verhaald, wat gij van hen

hebt geleerd. Dit werd Mahomet door de ongeloovigen tegengeworpen,

daar zij het voor hem onmogelijk hielden, helder en duidelijk over

onderwerpen van zoo verheven aard te spreken, zonder goed bekend te

zijn met de leeren en de heilige schriften dier godsdiensten.

[572] Hier tracht Mahomet zijne onmacht tot voortbrenging van een

mirakel te verontschuldigen, door te verklaren, dat God het niet

geschikt achtte, aan hunne begeerten te voldoen, en ofschoon hij

het wel had willen doen, het toch te vergeefs zou zijn geweest; en

daar zij niet door den Koran waren overtuigd, zouden zij ook door

het grootste mirakel niet overtuigd worden. Vergelijk Lucas XVI :

31. De laatste woorden van het vers beteekenen eigenlijk: Ach,

hoe gaarne zou ik u, geloovigen, willen doen begrijpen, dat zij,

de ongeloovigen, er niet aan gelooven.

[573] Namelijk aan den Koran.

[574] De bewoners van Mekka eischten namelijk dat Mahomet hun een

engel zou toonen, die voor hun oog uit den hemel zou nederdalen,

of dat hij hunne overleden vaderen zou opwekken, opdat zij met hen

zouden kunnen spreken, of dat hij God en zijne engelen zou overhalen,

hun in een lichamelijken toestand te verschijnen.

[575] IJdele woorden, welker schijn verleidt en in dwaling brengt.

[576] Sommigen zeggen, dat dit betrekking heeft op de onverwrikbaarheid

van Gods besluiten, anderen op zijne bijzondere belofte, dat hij den

Koran voor de verdraaiingen en vervalschingen zou bewaren, die, volgens

hen, in den Pentateuchus en het Evangelie hebben plaats gehad (Soera

XV) en anderen weder op den onschendbaren duur der Mahomedaansche wet,

die volgens hen, tot aan het einde der wereld zal voortduren.

[577] Zie Hoofdstuk II, vers 168 en Hoofdstuk V, vers 4.

[578] Dat is: gij moogt van elk dier eten, dat onder het aanroepen van

Gods naam is geslacht; waarvan natuurlijk doode dieren, varkensvleesch

enz. zijn uitgesloten.

[579] Dat is: de openlijke en verborgen zonde.

[580] Op dezelfde wijze als wij in Mekka hebben gedaan.

[581] Dit vers is toepasselijk op de grooten, en de rijke lieden van

Mekka, die Mahomet het meest vijandig waren: zij namen de zwakken

des volks tegen hem in.

[582] Dat is: eenigerhande vers of plaats van den Koran.

[583] Dit waren de woorden der KoreÔshieten, die beweerden, dat

er onder hen personen waren, meer waardig Gods zendeling te zijn

dan Mahomet.

[584] Evenals bij vele oude Arabische dichters wordt hier, volgens

sommigen, het verontruste hart bij een vogel vergeleken, die de

vleugels beweegt. Volgens anderen wordt hier eene onmogelijkheid

bedoeld.

[585] Duivels.

[586] Door hen in verzoeking te brengen, of tot zonde te verleiden.

[587] Zijnde de dag der opstanding, waaraan wij op de vorige wereld

niet hebben geloofd.

[588] De Mohamedanen gelooven, dat God afgezanten zond, zoowel om

geniussen als om menschen te bekeeren. Deze zouden altijd van het

menschenras zijn geweest.

[589] Dit is: dat God, alvorens eene stad te straffen, zendelingen

stuurde om haar te waarschuwen.

[590] Dit is: Gij kunt voortgaan in uw verzet tegen God en in uw boos

opzet jegens mij, en in uw ongeloof volharden; doch ik zal volharden

uwe beleedigingen met geduld te verdragen en de openbaringen mede te

deelen, die God mij heeft bevolen (Al Beid‚wi).

[591] Dat is: onze afgoden. In deze beteekenis wordt dit woord

meermalen op deze plaats gebruikt.

[592] Dit vers heeft betrekking op eenige godsdienstige gebruiken

der afgoden dienende Arabieren; zooals de verdeeling der gronden, der

vruchten en der oogsten in twee deelen, waarvan een voor de hoogste

godheid, en het andere voor de ondergeschikte godheden, was bestemd,

die door de afgodsbeelden werden voorgesteld. Het deel van God diende

om de armen en de reizigers te voeden, dat der afgoden werd voor

de offeranden en tot de bezoldiging der priesters gebruikt. Indien

een vrucht afviel van het deel voor God bestemd, gaf men het aan

de afgoden; doch men handelde niet zoo in het tegenovergestelde

geval; want God, zeiden de afgodendienaars, is rijk, en kan alles

ontberen. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)

[593] Hetzij door de onmenschelijke gewoonte, die bij de Arabieren

van Kendah of andere stammen bestond, om hunne dochters levend te

verbranden, zoodra zij ter wereld kwamen, indien zij vreesden haar

niet te kunnen onderhouden (Zie Hoofdstuk LXXXI), of wel door die

aan hunne afgoden te offeren.

[594] Door den godsdienst, dien IsmaÎl zijnen nakomelingen heeft doen

erven, met afschuwelijk bijgeloof te besmetten (Al Beid‚wi).

[595] Die zij, in hun bijgeloof, in sommige bijzondere gevallen van

zulke diensten verschoonden. (Hoofdstuk V).

[596] Zie Hoofdstuk V.

[597] Want indien zulke dieren hunne jongen werpen, mogen zoowel de

vrouwen als de mannen daarvan eten.

[598] Daar zij geen duidelijk begrip van Gods Voorzienigheid hebben.

[599] Zie deze Soera, de laatste noot van vers 137.

[600] Of, zooals sommigen deze woorden vertalen: hetzij boomen of

planten, die door den arbeid der menschen geplant zijn hetzij die

van nature in de woestijnen en op de bergen groeien.

[601] Dat is: geef daarvan aalmoezen aan de armen; en deze aalmoezen

waren, zooals Al Beid‚wi opmerkte, wat zij gewoon waren te geven

vÛÛr de Zac‚t werd ingesteld, hetgeen geschiedde vÛÛr Mahomet Mekka

verliet, waar dit vers werd geopenbaard. Sommigen zijn echter eene

andere meening toegedaan, en zeggen om diezelfde reden, dat dit vers

te Medina werd geopenbaard.

[602] Dat is: Geef daarvan niet zooveel aan aalmoezen weg, dat daardoor

uwe eigene gezinnen in nood worden gebracht; want weldadigheid begint

met zich zelven.

[603] Op deze plaats tracht Mahomet de Arabieren van hunne bijgeloovige

dwaasheid te overtuigen, in het verbieden, hetzij de mannetjes, hetzij

de wijfjes of de jongen van deze vier soorten te eten. (Al Beid‚wi).

[604] Dat is: vloeibaar bloed, in tegenstelling van lever en milt

door de Arabieren verondersteld ook bloed, doch niet vloeibaar,

te zijn en welke zij geoorloofd achten. (Al Beid‚wi).

[605] Zie Leviticus VII : 23 en III : 16.

[606] Zijnde het vet van den stuit of den staart der schapen, die in

het Oosten zeer zwaar zijn, naardien eene kleine tien of twaalf pond

en sommigen zelfs zestig pond wegen.

[607] Dit vers en de twee volgende worden door Jallalo'ddin

verondersteld te Medina geopenbaard te zijn.

[608] Het oorspronkelijke woord beteekent bijzonder ontucht en

gierigheid.

[609] Zoo als moord, afvalligheid of overspel. (Al Beid‚wi.)

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 69 / 89 段