om u in uwen tongval te onderrichten, zoudt gij in uwe afgodendienst
zijn voortgegaan, en tot verderf gedoemd zijn; diegenen alleen
uitgezonderd, welke door Gods gunst en hun buitengewoon begrip, ware
denkbeelden der godheid zouden hebben, zooals bij voorbeeld: Zaid Ebn
Amroe Ebn Nofail (zie Millium, de Mohammedanismo ante Moh. h. 311),
en Waraka Ebn Nawfal, die, vÛÛr de zending van Mahomet, de afgoden
verlieten en slechts ÈÈn God erkenden (Al Beid‚wi).
[373] Dit heeft betrekking op hen, die Mahomet verlof vroegen,
van Medina naar elders te gaan wonen, en die dagelijks voortgingen,
tot zij afgodendienaars ontmoetten. Het oordeel der Muzelmannen was
verdeeld, daar zij niet wisten, of zij die menschen als huichelaars en
ongeloovigen moesten aanzien, dan wel als geloovigen, die het toeval
te midden der ongeloovigen had geworpen.
[374] Dit zijn, naar men zegt, de leden van den stam Modlaj, die tot
Mahomet toetraden, maar niet gedwongen wilden zijn, hem in den oorlog
bij te staan.
[375] Dat is: bij ongeluk en zonder opzet. Deze plaats werd geopenbaard
om het geval van Ayash Ebn Abi Rabia te beslissen, de broeder van
moeders zijde van Aboe Jahl, die eens Hareth Ebn ZeÔd doodde, toen
hij hem op den weg ontmoette, niet wetende, dat hij het Mahomedanisme,
had omhelsd (Al Beid‚wi).
[376] Deze bloedprijs moet verdeeld worden ingevolge de wet der
erfenissen, in het begin van dit hoofdstuk voorkomende (Al Beid‚wi).
[377] En er zal geen bloedprijs worden betaald; omdat in dit geval
zijne bloedverwanten, als ongeloovigen en in verklaarden krijg met de
Moslems zijnde, geen recht hebben om te erven wat hij heeft nagelaten.
[378] Dat is: tot hij berouw gevoelt. Anderen echter meenen dat hier
van geen eeuwige verdoemenis sprake is (daar, volgens de algemeene
leer der Mahomedanen, niemand die tot dat geloof behoort, eeuwig in
de hel zal blijven), maar alleen gedurende langen tijd (Al Beid‚wi).
[379] Het gebeurde zeer dikwijls, dat de Mahomedanen, op hunne tochten,
menschen ontmoetten, die zij niet kenden, en welke zij doodden. De
aanvallers zeiden, om zich te verdedigen, dat het ongeloovigen
waren; terwijl zij hen slechts als ongeloovigen behandelden, om hen
te berooven.
[380] Hiermede worden de Arabieren bedoeld, die, na den Islam
te Mekka te hebben omhelsd, niet uittrokken, uithoofde dit moest
geschieden om de betrekkingen met de afgodendienaars af te breken,
maar deze betrekkingen veeleer onderhielden. Volgens anderen zijn
zij de zwakken, omdat zij niet in staat zouden zijn te vluchten, en
gedwongen zijn de ongeloovigen in den oorlog te volgen. De engelen,
waarvan hier wordt gesproken, zijn de twee engelen, die de dooden in
hunne graven bezoeken.
[381] Zoo als zij deden, die naar EthiopiÎ en Medina vluchtten.
[382] Volgens Al Beid‚wi werd deze plaats geopenbaard tengevolge van
het gebeurde met Jondob Ebn Dampa. Deze persoon werd op zijne vlucht
ziek, en dientengevolge door zijne zonen op een rustbed gedragen;
maar voor hij te Medina aankwam, voelde hij zijn einde naderen. Hij
sloeg met zijn rechterhand op zijne linker en stierf, na vooraf
plechtig zijn geloof aan God en diens gezant te hebben betuigd.
[383] Het Mahomedaansche gebed bestaat in kniebuigingen, rika en
aanbiddingen, soedjoed, die daarin gelegen zijn, dat men het aangezicht
ter aarde buigt.
[384] Tima Abn Obeirak, een zoon van Dhafar, en een van Mahomets
makkers, stal een maliÎnkolder van zijnen buurman Kit‚da Ebn al Noman,
verborg dien in eene mand met meel en verkocht dit bij een jood,
Zeid Ebn al Samin genaamd. Daar men Tima verdacht hield, vroeg men
hem om den maliÎnkolder, maar hij ontkende er iets van te weten, men
volgde echter het spoor van het meel, dat door eene opening der mand
was gevallen, welk spoor naar het huis van Zeid leidde: daar vond
men het gestolene en beschuldigde hem van den diefstal: Zeid bracht
echter onderscheidene getuigen, die verklaarden dat hij den kolder
van Tima had gekocht; de zonen van Dhafar kwamen daarop tot Mahomet,
en verlangden, dat hij zijn makker tegen de beschuldiging verdedigen
en Zeid veroordeelen zou. Daar hij nu eenigszins gedwongen was daaraan
toe te geven, werd deze plaats geopenbaard, waarin zijn onbezonnen
voornemen gelaakt en hem geboden werd, niet te diens nadeele en
volgens zijne neiging, maar volgens den aard der zaak te oordeelen
(Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya).
[385] Al Beid‚wi voegt er, als een voorbeeld van de goddelijke
rechtvaardigheid, bij, dat Tima na het bovenvermelde feit, naar Mekka
vlood, weder den afgodendienst omhelsde, en daar onder den muur van
een huis doorgroef, met het doel om te stelen. De muur stortte echter
in en doodde hem.
[386] Dat is: als zij in het geheim middelen aanwenden, door valsche
getuigenis, of op andere wijze, om hunne misdaden op onschuldige
personen te werpen.
[387] Hier wordt op de zonen van Dhafar gedoeld.
[388] Door u te onderrichten in de kennis van het goed en het kwaad
en de lessen der rechtvaardigheid.
[389] De Arabieren aanbaden Allat, al Uzza en Menat, die zij voor
dochters van God hielden.
[390] Of, zoo als het letterlijk luidt: een gedeelte, bestemd of
voorbestemd om door mij verleid te worden.
[391] Hetwelk door de oude afgodendienende Arabieren uit bijgeloof werd
gedaan. De noten der vijfde Soera vermelden meer omtrent deze gewoonte.
[392] Hetzij door die te verlammen, of tot doeleinden aan te wenden,
waartoe zij niet door God bestemd is. Al Beid‚wi veronderstelt,
dat de tekst hier niet alleen doelt op de bijgeloovige gewoonte van
de ooren en andere gedeelten van het vee af te snijden, maar ook
op de castratie van slaven, het merken hunner lichamen met figuren,
die geprikt en daarna met weede of indigo werden ingewreven, gelijk
de Arabieren deden en nog doen, het scherpen hunner tanden, door die
af te vijlen, zoo ook sodomie en de onnatuurlijke driften tusschen
vrouwen, het aanbidden der zon, maan en andere natuurlichamen enz.
[393] Dat is: door Gods dienst te verlaten en de werken des duivels
te verrichten.
[394] Deze woorden kunnen ook in toestemmenden zin worden opgevat,
daar de zin van den tekst hier zeer twijfelachtig is door het woordje
an, dat vooral in den Koran, zoowel in toestemmenden als ontkennenden
zin wordt gebezigd. Men kan dus hier even goed zeggen, wie gij niet
geeft... en die gij weigert te huwen, als: aan wie gij niet geeft... en
die gij wilt huwen.
[395] Door der vrouw een deel van haren bruidschat te geven, of andere
verplichtingen omtrent haar te voldoen.
[396] Dit beteekent: daar gij van haar niet even als van eene gehuwde
vrouw kunt genieten, moet gij sommige maatregelen van rechtvaardigheid
omtrent haar in acht nemen; want indien een man niet geheel in staat
is aan zijne plichten te voldoen, moet hij die echter daarom niet
geheel verwaarloozen (Al Beid‚wi.)
[397] Of gelijk een, die nooit een echtgenoot had, noch gescheiden is,
en de vrijheid heeft een ander te huwen.
[398] Dat is: hij zal den man en vrouw doen vinden, die hem beter
behaagt, en aan de vrouw een' anderen man, die het verlies zal
vergoeden van hem, die haar heeft verstooten.
[399] Daar hij den dienst van geen schepsel behoeft.
[400] Zie de zesde Soera.
[401] Dat is: hebben wij u niet bijgestaan? Geef ons dus een deel
van den buit (Al Beid‚wi).
[402] Dat wil zeggen: met de tong en niet met het hart.
[403] Hinkende tusschen twee gedachten, en noch van de Moslems,
noch van de ongeloovigen standvastige vrienden zijnde.
[404] Dit verhaal schijnt een toevoegsel te zijn tot hetgeen Mozes
van de zeventig oudsten zegt, die met hem, A‰ron, Nadab en Abihu den
berg bestegen en den God van IsraÎl zagen. Exodus XXIV : 9, 10, 11.
[405] Zie de 2e Soera, vers 48.
[406] Zie ibid, v. 51.
[407] Zie ibid, v. 60.
[408] Zie ibid, v. 55.
[409] Jallalo'ddin leidt uit dit woord af, dat aan het einde van
dezen volzin de woorden: daarom hebben wij hen gevloekt, of iets
dergelijks ontbreekt.
[410] Door haar van ontucht te beschuldigen.
[411] Zie de 3e Soera vers 48 en de bijgevoegde noten.
[412] Sommigen houden namelijk vol, dat hij inderdaad en te recht werd
gekruisigd: anderen beweren, dat hij niet Jezus was, maar een ander,
wiens aangezicht op het zijne geleek, terwijl de overige deelen
van zijn lichaam zoo zeer verschilden, dat zij het bedrog volkomen
bewezen. Sommigen zeggen, dat hij in den hemel werd opgenomen, en
anderen, dat zijn menschelijk gedeelte alleen heeft geleden en zijne
goddelijkheid naar den hemel opsteeg. (Al Beid‚wi).
[413] Volgens een overlevering van Hej‚j, strijken de engelen, als
een Jood sterft, hem over den rug en het aangezicht, terwijl zij tot
hem zeggen: o, gij vijand van God! Jezus was als een profeet tot u
gezonden, en gij geloofdet niet in hem, waarop hij zou antwoorden:
Thans geloof ik van hem dat hij de man Gods is; en tot den stervenden
Christen zeggen zij: Jezus was als een profeet tot u gezonden, en
gij hebt hem toegedicht God, of de zoon van God te zijn: waarna hij
gelooven zal, dat die slechts de dienaar van God en zijn apostel is,
en dat derhalve de onderstelling, dat Jezus een zoon van God of zelf
een God zij, zonde tegen den eenigen God is, terwijl ieder voor zijn
dood aan Mahomet zal gelooven.
[414] Dat is: tegen de Joden, die hem geheel verwerpen, en tegen de
Christenen, die hem God en den zoon van God noemen (Al Beid‚wi).
[415] In geschenken, tot het omkoopen der rechters of andere slechte
gebruiken.
[416] Zoo als Abdallah Ebn Sal‚m en zijne makkers (Al Beid‚wi).
[417] Hetzij door Jezus geheel te verwerpen en te loochenen, zooals
de Joden doen, hetzij door hem tot de gelijkheid met God te verheffen,
zooals de Christenen (Al Beid‚wi.)
[418] Namelijk God, Jezus en Maria (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin Yahya). De
Oostersche schrijvers maken melding van eene Christelijke secte, die
gelooft, dat de drieÎenheid uit deze is samengesteld (Elmacim, p. 227,
Eutych, p. 120), maar men meent, dat deze ketterij reeds sedert lang
is verdwenen (Ahmed Ebn Abd'al Halim). Deze plaats is echter eveneens
tegen de drieÎenheid gemunt, zooals die volgens de leer der orthodoxe
Christenen bestaat, welke, zooals Al Beid‚wi zegt, er aan gelooven,
dat de Godheid uit drie personen bestaat; de Vader, de Zoon en de
Heilige Geest. Door den Vader verstaat men namelijk Gods wezen,
door den Zoon, zijne kennis en door den Heiligen Geest, zijn leven.
[419] Volgens Savary aldus: Wel verre van een' zoon te hebben,
regeert hij alleen den hemel en de aarde. Hij is zichzelven toereikend.
[420] Dat is Mahomet en zijn' Koran.
[421] Zijnde tot den Islamitischen godsdienst in deze wereld, en tot
het het paradijs in de toekomstige.
[422] De andere helft wordt in de openbare schatkist gestort.
[423] Dat is: hij zal hare geheele bezetting erven.
[424] Deze titel is ontleend aan de tafel, welke aan het einde van dit
hoofdstuk gezegd wordt, uit den hemel aan Jezus te zijn gezonden. Het
wordt ook soms het hoofdstuk der verbintenissen ('choed) genaamd,
welk laatste woord in het eerste vers voorkomt.
[425] Zoo als: Kameelen, ossen en schapen, als ook wilde koeien,
antilopen enz. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi), maar geene varkens, noch
datgene, wat gedurende de bedevaart is gejaagd.
[426] De ceremoniÎn die bij de bedevaart naar Mekka gebruikelijk zijn.
[427] De offerande, waarvan hier sprake is, is het schaap, dat naar
Mekka wordt vervoerd, om daar geofferd te worden, welks nek men
gewoonlijk met slingers, kransen of andere versierselen omhangt,
ten einde het als eene heilige zaak te beschouwen.
[428] In de expeditie van Al Hodeibiya.
[429] Bij de afgodendienende Arabieren was het gebruik, bij het dooden
van eenigerhande dier, dat tot voedsel moest strekken, het om zoo
te zeggen, aan hunne afgoden toe te wijden, door het uitspreken der
woorden: In den naam van Allat of Al Uzza (zie Soera II).
[430] Of door een dier, dat voor de jacht is afgericht. (Al Beid‚wi).
[431] Dat is: behalve dat gij nog tijdig genoeg komt om leven in het
dier te vinden, en het den hals af te snijden.
[432] Dit woord beteekent ook zekere soort steenen, die door de
afgodendienende Arabieren werden gebruikt tot opstapeling nabij hunne
huizen, en waarvoor zij uit bijgeloof dieren doodden, ter eere hunner
goden. (Al Beid‚wi.)
[433] De afgodendienende Arabieren hadden de gewoonte, een gedooden
kameel onder elkander te verdeelen, door het lot te trekken, wien dit
of dat gedeelte zou te beurt vallen; dit geschiedde met pijlen zonder
ijzer of vederen, die, ten getale van zeven, in den tempel van Caaba
werden bewaard. Met betrekking tot de woorden "heden," of "op dezen
dag" wordt beweerd, dat deze plaats Vrijdag-ochtend werd geopenbaard,
zijnde de dag, waarop de bedevaartgangers den berg Arafat bezochten,
den laatsten keer, dat Mahomet den tempel van Mekka bezocht. Deze
pelgrimstocht wordt daarom de bedevaart des afscheids genoemd (Al
Beid‚wi). Zie Prid. Life of Moham., p. 99.
[434] Daarom zeggen de uitleggers, dat na dien tijd geen positief of
negatief voorschrift werd gegeven. Zie Abulfed Vit. Moham., p. 131.
[435] Daar ik u een waren en volmaakten godsdienst heb gegeven; of
door de verovering van Mekka en de vernietiging van den afgodendienst.
[436] Het woord taiibat, dat hier in het oorspronkelijke staat heeft
eene even algemeene beteekenis als het woord goed. Men moet hier
echter door goed verstaan datgene, wat zuiver en niet schadelijk voor
de gezondheid is.
[437] Hetzij viervoetige dieren of vogels.
[438] Zoowel als gij het wild een hond, valk of ander dier achterna
zendt, als indien gij het doodt.
[439] Zijnde door Joden of Christenen gedood, of gereed gemaakt.
[440] Dit zijn de gemengde huwelijken tusschen Muzelmannen en Joodsche
en Christen vrouwen; de vrouwen der afgodendienaars zijn van dit
verlof uitgesloten.
[441] Deze voorschriften, die aan de mannen werden gegeven, zijn
bijna in dezelfde uitdrukkingen vervat als die, welke de vrouwen
betreffen. Zie hoofdstuk IV, vers 29. Het woord khidn, meervoudig
akhdan, hier in den tekst gebruikt, beteekent geliefde en ook bijzit.
[442] Deze reiniging met zand, bij gebrek aan water, wordt teiemmoem
genaamd (Zie soera IV, vers 46.)
[443] Deze woorden maken het formulier uit, dat bij de inhuldiging
van een vorst wordt uitgesproken, en Mahomet bedoelt hier den eed van
getrouwheid, dien zijne volgelingen hem te Al Akaba hadden gedaan. Zie
Albulfed, Vit. Moham, p. 43.
[444] Deze plaats moet betrekking hebben op een moordaanslag op den
persoon van Mahomet. Hiervan bestaan verschillende lezingen. Volgens
eene zou een Arabier, toen Mahomet eens zijne wapens afgelegd en
die aan een boom opgehangen had, terwijl zijn gevolg zich op eenigen
afstand van hem bevond, zich op hem geworpen hebben en, terwijl hij
een bloote sabel boven zijn hoofd hield, gezegd hebben: "Wie belet mij
u te dooden?"--"Dat is God," hernam Mahomet; hierop ontnam de engel
GabriÎl de sabel aan den Arabier. Mahomet, greep de sabel en vroeg
den Arabier op zijne beurt; "Wie belet mij, u te dooden?"--"Niemand,"
hernam de Arabier; en hij omhelsde den Islam.
[445] Hier spreekt God. Gelijk wij bij herhaling hebben opgemerkt,
heeft de verwisseling van de voornaamwoorden wij en hij te dikwijls
in den Koran plaats, dan dat het mogelijk zou zijn, dit telkens,
wanneer het plaats heeft, te doen opmerken.
[446] Door voor den heiligen oorlog geschenken te geven. Volgens
Savary: Besteedt uwe rijkdommen voor de verdediging van den heiligen
godsdienst.
[447] Dat is: Indien zij berouw gevoelen en gelooven, of zich er aan
onderwerpen, schatting te betalen. Sommigen echter zijn van meening,
dat deze woorden door het vers van het zwaard zijn afgeschaft. (Al
Beid‚wi).
[448] Zooals het vers betreffende het steenigen van overspeligen
(Hoofdstuk III, vers 22, noot), de beschrijving van Mahomet, en
de profetie van Christus nopens dezen onder den naam van Ahmed
(Al Beid‚wi).
[449] Dat is: Zulke, wier herstelling niet noodig was.
[450] Het Arabische woord al Fatra beteekent het tijdsverloop
tusschen twee profeten, gedurende hetwelk geen nieuwe openbaring of
kwijtschelding werd gegeven, zooals de tijd, die tusschen Mozes en
Jezus verliep, of tusschen Jezus en Mahomet, op het einde van welke
laatste tijdruimte Mahomet gezonden werd.
[451] Dit werd vervuld, Úf door dat God hun een koninkrijk gaf, en
eene lange opvolging van vorsten, Úf door dat hij hem tot koningen of
meesters over hen zelven maakte, door hen van de Egyptische slavernij
te verlossen.
[452] Daar hij de Roode Zee voor u scheidde en u, door middel van
eene wolk, leidde en u ook met kwakkels en manna voedde (Al Beid‚wi).
[453] De grootste dezer reuzen, was volgens de uitleggers Og, de zoon
van Anak, nopens wiens reusachtige houding, zijne ontkoming aan den
vloed en de wijze waarop hij door Mozes werd gedood, de Mahomedanen
verschillende fabels verhalen. Zie Marracc., in Alcor. p. 231 enz.,
d'Herbel. Bibl. OriÎnt, p. 336.
[454] Namelijk Caleb en Josua.
[455] De uitleggers beweren, dat de IsraÎlieten, terwijl zij in de
woestijn reisden, binnen een cirkel van omstreeks achttien, of volgens
het zeggen van sommigen, van zevenentwintig mijlen werden gehouden,
waardoor zij, hoewel van den ochtend tot den avond reizende, zich
den volgenden dag telkens op de plaats bevonden vanwaar zij waren
uitgegaan. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[456] Zijnde KaÔn en Abel, welke door de Mahomedanen K‚bil en H‚bÓl
genoemd worden.
[457] De oorzaak van het brengen van dit offer, wordt volgens
de gewoonlijke overlevering van het Oosten aldus verhaald (zie
Abu'lfarag., p. 6 en 7, Eutych, annol. p. 15 en 16 en d'Herbelot,
Bibl. OriÎnt. Art. Cabil): Ieder van hen beiden was met een
tweelingzuster geboren, en toen zij opgegroeid waren, beval Adam, door
Gods ingeving, aan KaÔn, Abels tweelingzuster te huwen, aan Abel beval
hij hetzelfde ten opzichte van KaÔns tweelingzuster. KaÔn weigerde dit
echter op te volgen, daar zijne eigene zuster de schoonste was. Adam
beval hun daarop hunne offeranden aan God te brengen en daarbij de
beslissing van het geschil aan God over te laten. (Al Beid‚wi). De
uitleggers zeggen, dat KaÔns offerande een gaaf was van het slechtste
koren dat hij bezat, terwijl die van Abel in een vet lam het beste
van zijne kudde bestond.
[458] Namelijk van Abel, waarvan God de aanneming op een zichtbare
wijze deed plaats hebben. Hij deed namelijk vuur uit den hemel
nederdalen, waardoor het werd verteerd, zonder dat het offer van KaÔn
werd aangeraakt. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[459] Om Abels geduld te verheffen. Al Beid‚wi verhaalt, dat hij de
sterkste der twee was, en dus gemakkelijk zijn broeder had kunnen
overmeesteren.
[460] Zooals afgodendienarij, of roof op den openbaren weg. (Al
Beid‚wi).
[461] Daar hij het gebod zal hebben geschonden, waarbij het vergieten
van bloed wordt verboden.
[462] De schriftgeleerden zijn het niet eens omtrent de toepassing
van deze straffen. De uitleggers veronderstellen echter, dat zij
die alleen moord hebben gepleegd, op de gewone wijze ter dood
moeten gebracht worden; zij die moord of roof te gelijk plegen,
zouden gekruisigd worden: hun die rooven, zonder daarbij moord te
plegen, zou de rechterhand en de linkervoet afgesneden worden; zij
die personen aanvallen en hun vrees aanjagen, zouden moeten gebannen
worden. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Ook is het twijfelachtig, of zij,
die gekruisigd moeten worden, levend aan het kruis genageld, of na
hunnen dood die straf moeten ondergaan, of wel aan het kruis moeten
opgehangen worden tot zij sterven. (Al Beid‚wi).
[463] Volgens de Sonna (de overlevering), kan deze straf niet worden
opgelegd, dan wanneer de waarde van het gestolene vier dinars (f 24)
bedraagt. Voor de eerste misdaad moet de veroordeelde de rechterhand
verliezen, die aan den pols wordt afgesneden; bij herhaling wordt de
linkervoet aan den enkel afgesneden; bij de tweede herhaling zijne
linkerhand; bij de derde herhaling zijn rechtervoet; en indien hij
voortgaat misdaden te begaan, zal hij, naar het oordeel des rechters
gegeeseld worden. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Deze wet is niet meer
bij de Turken in gebruik. Het toedienen van stokslagen is de gewone
straf voor diefstal. Roovers worden dikwijls onthoofd. Deze misdaad
is echter zeldzaam in Turksche steden, maar de slechte staat der
politie veroorzaakt, dat zij soms op groote wegen, en vooral in de
woestijnen, voorvalt. Thans mag in de Turksche staten geen doodvonnis
worden voltrokken, zonder door den sultan bekrachtigd te zijn.
[464] Dit wil zeggen: dat God hem daarna er niet meer voor zal
straffen; maar zijn berouw belet hier echter de uitvoering der wet
niet, noch ontheft hem van restitutie. Al Sh‚feÔ beweert echter, dat
hij niet zal gestraft worden, indien de beleedigde partij hem vergeeft,
alvorens hij voor den magistraatpersoon verschijnt. (Jallalo'ddin,
Al Beid‚wi.)
[465] Dat is: die de eerste gelegenheid aangrijpen om het masker af
te werpen en zich bij de ongeloovigen aansluiten.
[466] Zijnde de huichelachtige Mahomedanen.
[467] Deze woorden zijn voor twee uitleggingen vatbaar. Volgens
sommigen doelen zij op de leugens en verdraaiingen van de rabbijnen of
de christelijke geestelijken, die de geboden van Mahomet verwerpen;
volgens anderen, dat zij alleen naar Mahomet kwamen luisteren om
hem te bespieden en hunne makkers mede te deelen wat hij had gezegd,
en hem als een leugenaar voor te stellen (Al Beid‚wi.)
[468] Zie Hoofdstuk IV, vers 48.
[469] Dat is: indien Mahomet u den tekst der schrift geeft, zooals
wij u dien geven, neemt dien aan: zoo niet verwerpt dien.
[470] Sommigen zeggen, dat dit betrekking heeft op het gebruik
van verboden vleeschsoorten: anderen op woeker en omkooping (Al
Beid‚wi). Het Arabische woord, hier door eten vertaald, geeft tot
beide beteekenissen evenveel aanleiding. Het Hebreeuwsch nSr (verwant
met bijten) is elke rente.
[471] Dat is: kies zelf, of gij hunne geschillen al of niet wilt
beslechten. Vandaar was Al Sh‚feÔ van meening dat een rechter niet
verplicht was, in geschillen tusschen Joden en Christenen uitspraak
te doen. Indien echter een hunner, of beiden schatplichtigen waren,
of onder de bescherming der Mahomedanen stonden, waren zij daartoe
verplicht, en behoefden zij om dit vers zich niet te bekreunen. Aboe
Hanifa meent echter, dat de magistraten verplicht zouden zijn, alle
zaken te richten, die hun worden onderworpen. (Al Beid‚wi.)
[472] Maar zij dobberen in twijfel en gelooven niet.
[473] Dat is: waakzaam, om er schending van te voorkomen.
[474] Het oorspronkelijke woord is: ziel.
[475] Zie Exod. XXI : 24, enz.
[476] Deze plaats is voor nog eene uitlegging vatbaar; te weten:
hij die aalmoezen geeft, na iemand gewond te hebben, zal vergeving
zijner zonden verkrijgen.
[477] Het woord, hier door open weg vertaald, is eigenlijk het pad,
dat naar de drinkplaats leidt. Figuurlijk wordt dit woord voor de
gedragslijn volgens de wet gebruikt.
[478] Of weigeren, door den Koran gericht te worden.
[479] De onwetendheid, eldjahiliieh, wordt bij de Arabieren altijd
gebruikt om het tijdperk van den afgodendienst aan te duiden. Deze
plaats beteekent: Achten zij het beter, volgens de woeste wetten der
afgodendienaars, dan door de goddelijke wet geoordeeld te worden?
[480] Deze woorden werden tot de Mahomedanen of wel tot Joden gericht,
naardien de huichelaars hunne eeden aan beiden hebben gezworen. (Al
Beid‚wi).
[481] Het Arabische woord weli beteekent: vriend patroon, beschermer,
bondgenoot, heilige (vriend van God).
[482] Deze woorden werden ingevoegd, bij gelegenheid dat een zeker
Christen, die, toen hij den Muadhdhin of roeper, tot het gebed hoorde
oproepen, en dit gedeelte van de gebruikelijke formule herhaalde:
Ik geloof dat Mahomet de apostel van God is, luid zeide: Moge God
den leugenaar verbranden; maar eenige nachten later geraakte zijn
huis door de onvoorzichtigheid van een bediende in brand, waarbij
hij zelf en zijn gezin in de vlammen omkwamen. (Al Beid‚wi).
[483] De eersten waren de Joden van Ailah, die den Sabbath schonden
(Zie Hoofdstuk II, vers 61), en de laatsten zij, die niet geloofden
aan het mirakel van de tafel, welke aan Jezus uit den hemel, werd
nedergezonden.
[484] Zie Hoofdstuk II, vers 247.