[278] De uitleggers zeggen, om deze plaats te verklaren, dat Caab Ebn

Al Ashraf en Malec Ebn Al Seif (twee Joden van Medina), hunne gezellen

roepen, toen de Kebla was veranderd, te doen alsof zij geloofden,

dat die door God was gegeven, door des ochtends te bidden naar den

Caaba gewend, en dat zij des avonds, zooals gewoonlijk, naar Jeruzalem

gekeerd, zouden bidden, opdat de volgelingen van Mahomet, die zich

verbeeldden, dat de Joden betere rechters dan zij op dit punt waren,

hun voorbeeld zouden volgen. Anderen zeggen echter, dat het zekere

Joodsche priesters of khaibar waren, die sommigen van hun volk bevalen,

des ochtends voor te geven, dat zij den Mahomedaanschen godsdienst

hadden omhelsd, maar aan het einde van den dag te zeggen, dat zij

hunne boeken der schrift nagezien en hunne rabijnen geraadpleegd

hadden, doch dat zij niet konden vinden, dat Mahomet de persoon was,

in de wet beschreven en bedoeld; door welke list zij hoopten, twijfel

in de harten der Mahomedanen te doen ontstaan (Al Beid‚wi).

[279] In het Arabisch staat voor het woord talent: kintar, dat

duizend dinars of goudstukken waard was. Als een voorbeeld van deze

plaats halen de uitleggers Abd'allah Ebn Sal‚m aan, een jood, die

zeer bevriend was met Mahomet (Prideaux, Life of Moham, pag. 33),

aan wien een der KoreÔshieten 1200 oncen goud leende, welke hij zeer

stipt op den bepaalden tijd betaalde (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[280] Mahomet spreekt hier van de Christenen, die, volgens hem, aan

Jezus, zoon van Maria en eenvoudig sterveling, eene taal in den mond

leggen, welke hij, als profeet en oprecht vereerder van God, nimmer

heeft kunnen voeren. Al Beld‚wi voegt er bij, dat twee Christenen,

Abn R‚fË al Koradhi en Al Seynd al Najr‚ni, aanboden, Mahomet als

hunnen God te erkennen en hem te aanbidden, waarop hij geantwoord had:

God verbiedt, dat wij iemand naast hem zouden vereeren.

[281] Dat is: hen te aanbidden en rabb (meester, heer) te noemen,

hetwelk men slechts aan God schuldig is.

[282] Becca of Mekka. Mahomet ontving deze plaats toen de Joden zeiden,

dat hunne Kebla, of de tempel van Jeruzalem, ouder was dan die der

Mahomedanen, of de Caaba.

[283] Letterlijk: Houdt vast aan de koord van God, d.i. verzekert

u zelven, door den Islam aan te nemen, welke hier figuurlijk wordt

uitgedrukt door "koord," omdat het een zeker middel is, hen te redden,

die anders eenen godsdienst belijden, waardoor zij hiernamaals verloren

zouden zijn, daar het vasthouden aan een touw het voorbehoedmiddel is

tegen het vallen in een put of andere plaats. Men zegt dat Mahomet,

om de zelfde reden, den Koran Habl Allah al matiu noemt, d.i. de

zekere koord van God (Al Beid‚wi).

[284] Als de Joden en Christenen, die omtrent de eenheid van God

enz. twistten.

[285] Zoo als Abd'allah Ebn Sal‚m en zijne metgezellen (Al Beid‚wi)

en diegenen van de stammen Al Ans en Al Khazraj welke het mahomedanisme

hebben omhelsd.

[286] Die namelijk welke het islamismus hebben aangenomen.

[287] Dat is, tot eenen anderen godsdienst.

[288] Dit was de slag van Ohod, een berg op vier mijlen ten Noorden

van Medina. De KoreÔshieten hadden namelijk, om hun verlies bij Bedr

(zie het begin van deze soera) te wreken, in het volgende jaar, zijnde

het derde der Hedjira, een leger van 3000 man te zamen getrokken,

waaronder 200 paarden en 200 man, die met maliÎnkolders waren

gewapend. Deze strijdkrachten werden aangevoerd door Aboe Sofi‚n

en maakten te Dhu'lholeifa, een dorp op zes mijlen afstands van

Medina halt. Mahomet, wiens leger veel minder talrijk was dan dat

zijner vijanden, had eerst besloten, hen in de stad af te wachten,

maar later volgde hij den raad van sommigen zijner makkers en rukte

tegen hen op, aan het hoofd van 1000 man (sommigen zeggen hij had

1050 man, anderen 900, waarvan 100 met maliÎnkolders waren voorzien,

maar hij had slechts ÈÈn paard, behalve het zijne, in het geheele

leger). Met deze strijdkrachten vormde hij een kamp in een dorp bij

Ohod, welken berg hij in den rug verlangde te hebben, om het voordeel,

zijne manschappen tegen omsingeling te behoeden, waartoe hij nog

50 boogschutters in de achterhoede plaatste, met streng bevel, hunne

posten niet te verlaten. Toen het gevecht begon, was het voordeel eerst

aan Mahomets zijde, maar later verloor hij den slag door de schuld

zijner boogschutters, die de gelederen verlieten om te plunderen,

en zoodoende toelieten, dat de paarden der vijanden de Mahomedanen

omsingelden en hen in de achterhoede aanvielen. Mahomet had daarbij

echter zijn leven verloren, daar zijn leger door eene hagelbui van

steenen aangevallen, en door twee pijlen in het aangezicht gewond

werd, waardoor hij, toen men die uittrok, twee zijner voorste tanden

verloor. Van de Moslems waren 90 man gedood, waaronder Hamzoe, de oom

van Mahomet en van de ongeloovigen 22 (Abulfeda). Deze plaats moest

dienen om den slechten uitslag van dit gevecht te verontschuldigen,

en den nedergeslagen moed zijner volgelingen weder op te wekken.

[289] Dit waren sommigen van de gezinnen van Banoe Salma van den

stam van Al Khagraj en Banoel, Nareth van den stam van Al Aws, die

de beide vleugels van Mahomets leger vormden.

[290] Deze plaats werd geopenbaard, toen Mahomet gewond werd in den

slag van Ohod en uitriep: Hoe zal het volk kunnen zegepralen, dat

het aangezicht van zijnen profeet met bloed heeft bevlekt, terwijl

hij hen tot hunnen God riep: De persoon die hem wondde was Otha de

zoon van Abboe Wakk‚s (Al Beid‚wi).

[291] Toen zij te Bedr werden geslagen. Het is opmerkelijk, dat het

getal der Mahomedanen die bij Ohod werden gedood gelijk is aan dat

der afgodendienaars die de Bedr vielen. Dit was zoo door God bevolen,

om eene elders op te geven reden (VIIIe Soera).

[292] Deze plaats heeft betrekking op vele van Mahomets volgelingen,

die niet te Bedr tegenwoordig waren geweest, en welke de gelegenheid

wenschten te hebben, in een ander gevecht dezelfde eer te genieten

als zij die als martelaren in den slag vielen, maar ontmoedigd werden,

toen zij het grooter getal afgodendienaars in den slag van Ohod lagen.

[293] Ten einde de klachten van zijn volk om hunne nederlaag des

te krachtiger te stillen, stelt Mahomet het zÛÛ voor, als ware de

levenstijd van iederen mensch vooraf bij God bepaald, en dat zij,

die in den slag vielen, hunnen dood niet zouden hebben ontgaan,

indien zij te huis waren gebleven, terwijl zij nu het glorierijke

voordeel genoten, als martelaars voor het geloof te vallen.

[294] Dat is: de overwinning en den buit.

[295] Zeggende: komt hier tot mij, o dienaren van God! Ik ben

Gods gezant. Hij, die terugkeert, zal in het paradijs komen. Maar

niettegenstaande al zijne pogingen om zijne lieden te verzamelen,

kon hij niet meer dan dertig van hen daartoe brengen.

[296] Na het gevecht werden zij, die in den slag pal bleven staan,

terwijl zij in het veld lagen, door een aangenamen slaap verkwikt,

zoodat hun de zwaarden uit de handen vielen; maar zij, die zich slecht

hadden gedragen, werden verontrust, en hunne harten verbeeldden zich,

dat zij aan het verderf waren overgegeven (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[297] Dat is: Is hier eenige schijn van goed gevolg, of van de

goddelijke gunst en ondersteuning die ons is toegezegd? (Al Beid‚wi,

Jallalo'ddin).

[298] Indien God ons ondersteunt, volgens zijne belofte, of, zooals

anderen die woorden teruggeven, indien wij den raad van Aballah Eboe

Obba Soll˚l hadden gevolgd, en in de stad Medina waren gebleven,

hadden onze makkers het leven niet verloren (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[299] Volgens het zeggen van sommigen in deze plaats geopenbaard bij

de verdeeling van den geplunderden buit te Bedr, toen sommigen der

soldaten Mahomet verdacht hielden, zich in het geheim van een zijden

dekkleed, dat zeer prachtig was, en hetwelk vermist werd te hebben

meester gemaakt (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Anderen veronderstellen,

dat de boogschutters, die oorzaak waren van den slag van Ohod, hunne

gelederen verlieten, omdat zij zich verbeeldden, dat Mahomet geen deel

aan den buit zou geven, naardien hij eens, zoo als verhaald wordt,

een deel vooruit zond, en in denzelfden tijd den vijand aanviel,

waarvan hij den ruimen buit onder degenen verdeelde, die met hem in het

gevecht waren, en niets gaf aan het korps, dat wegens plichtsvervulling

afwezig was.

[300] Volgens eene overlevering van Mahomet, zal hij, die in deze

wereld zijn naaste zal hebben bedrogen, op den dag der opstanding

verschijnen, met de voorwerpen op den schouder welke hij door bedrog

heeft verkregen, en bedekt met schande.

[301] Zijnde: de Sonna (Al Beid‚wi).

[302] Het was het gevolg van uwe ongehoorzaamheid aan de bevelen van

den profeet, en door dat gij uw post verliet om te plunderen.

[303] Deze plaats werd geopenbaard voor de oproerige en ongehoorzame

Mahomedanen, die tot Mahomet hadden gezegd, dat, indien hij een ware

profeet was, hij gemakkelijk de wezenlijk geloovigen van de huichelaars

kon onderscheiden (Al Beid‚wi).

[304] Men zegt dat Mahomet heeft verklaard, dat degeen die zijne

wettelijke bijdrage aan aalmoezen niet stipt betaalde, op den dag

der opstanding, eene slang om zijn hals gedraaid zal hebben.

[305] Mahomet met den Koran.

[306] Zoo als sommigen verhalen, werden deze woorden in den Koran

gevoegd, omdat Omm Salma, een der vrouwen van den profeet, hem

verhaalde wat zij had opgemerkt, dat God dikwijls melding maakt van

de mannen die hunne woonplaatsen verlaten voor de zaak van het geloof,

maar van de vrouwen niet gewaagt (Al Beid‚wi).

[307] De oorspronkelijke uitdrukking beteekent eigenlijk: goeden

uitslag in de zaken van het leven, bijzonder in den handel. Men

zegt dat deze plaats werd geopenbaard, omdat velen van Mahomets

volgelingen den voorspoed der afgodendienaars opmerkten en benijdden,

en hun leedwezen uitdrukten, dat die vijanden van God in zulke vreugde

en overvloed leefden, terwijl zij zelven van honger en vermoeidheid

stierven (Al Beid‚wi).

[308] Om den korten duur.

[309] Dit hoofdstuk werd met dien naam bestempeld, omdat het

hoofdzakelijk over zaken handelt met vrouwen in verband staande,

zooals huwelijken, echtscheidingen, enz.

[310] De Arabieren hadden namelijk de gewoonte, bij het vragen van

iets, te zeggen: "In Gods naam, doe of zeg mij iets."

[311] Letterlijk vertaald, zou dit moeten zijn: de ingewanden.

[312] Dat wil zeggen: neem niet wat gij van waarde onder hunne goederen

vindt, voor uw gebruik, door daarvoor iets van mindere waarde in de

plaats te geven.

[313] De uitleggers vatten deze plaats verschillend op. De ware

beteekenis schijnt de hier opgegevene te zijn.

[314] Oorspronkelijk staat hier: Wat uwe rechterhanden hebben

verworven, zijnde de bepaalde uitdrukking, om een slaaf, die men voor

geld heeft gekocht, of een door den krijg verworvene aan te duiden. Uit

dit vers blijkt voorts, dat slavinnen geen zoo grooten bruidschat,

of zooveel van onderhoud als vrije vrouwen kostten, waardoor de man

onderscheidene der eerste, even gemakkelijk als eene der laatste

kon bezitten.

[315] Het is noodig hier te doen opmerken (en deze opmerking geldt voor

alle gelijkluidende plaatsen in den Koran), dat het woord sadoeka,

dat gewoonlijk met bruidschat wordt vertaald, het geld is, of de

voorwerpen van waarde, die de man aan de ouders der vrouw schenkt

welke hij huwt. Het is dus niet de vrouw die haren man iets aanbrengt,

maar de man geeft haar een bruidschat.

[316] Met dit woord worden de minderjarige weezen bedoeld, die in

staat zouden zijn een slecht gebruik van hunne erfenis te maken en

haar te verspillen.

[317] Dat is: onderzoekt of zij goed bekend zijn met de grondbeginselen

van den godsdienst, en draagt voldoende zorg voor het waarnemen

hunner zaken. Onder deze uitdrukking is tevens de plicht van den

voogd begrepen, om zijne pupillen te onderrichten.

[318] Of den ouderdom van rijpheid, die algemeen op vijftien jaren is

bepaald; eene beslissing die door eene overlevering van Mahomet wordt

gestaafd. Aboe Hanofah houdt echter den achttienjarigen ouderdom voor

den geschikten (Al Beid‚wi).

[319] Zoodat zij spoedig den ouderdom zullen bereikt hebben, om alles

te ontvangen wat hun toekomt.

[320] Dat is: niet meer dan eene voldoende belooning voor de moeite,

door hunne opvoeding veroorzaakt.

[321] Dit voorschrift werd gegeven, om eene bij de afgodendienende

Arabieren bestaande gewoonte af te schaffen, volgens welke vrouwen

noch kinderen eenig deel van de erfenis van hunnen echtgenoot of

vader mochten ontvangen, op grond dat alleen zij mochten erven,

die in staat waren ten oorlog te gaan (Al Beid‚wi).

[322] Zijnde: Houdt immer het lot uwer eigene kinderen voor oogen,

terwijl gij u met kinderen bezighoudt, die door anderen zijn

achtergelaten; en handelt zooals gij zoudt willen dat men met de

uwen handelde.

[323] Dit is de algemeene regel, welke bij de verdeeling der

nalatenschap van den overledene moet worden gevolgd, gelijk men uit

de daarna opgegevene gevallen zal zien.

[324] Of: indien er twee en niet meer zijn zullen zij hetzelfde

deel ontvangen.

[325] En het overblijvende derde gedeelte, of de overblijvende helft

der nalatenschap, waarover hier niet uitdrukkelijk wordt beschikt,

of wel, indien de overledene vader noch zoon achterlaat, vervalt

aan de openbare schatkist. Sommigen over deze plaats van den Koran

sprekende, zeggen verkeerdelijk, dat, indien er een zoon en eene

eenige dochter achterblijft, ieder hunner de helft ontvangt. Wel kan

de dochter de eene helft ontvangen, doch alleen in het geval dat er

geen zoon achterblijft; want in gevolge van bovenstaand voorschrift,

kan zij slechts een derde ontvangen, indien er een zoon achterblijft.

[326] En zijn vader bijgevolg de twee anderen derden (Al Beid‚wi).

[327] Op deze en volgende plaatsen worden hoofdzakelijk met het woord

legaten, diegene bedoeld, welke tot vrome doeleinden zijn bestemd,

daar het geene gewoonte bij de Mahomedanen is, dat een persoon

aan niemand anders dan aan zijn gezin en naaste betrekkingen zijn

vermogen achterlaat.

[328] Dit dient bij contract, of op eene andere, bijzondere wijze

bepaald te zijn.

[329] Hier, en in het volgende geval, ontvangen de broeder en de zuster

gelijke deelen, hetgeen eene uitzondering op den algemeenen regel is,

volgens welken de mannelijke erfgenaam het dubbele van de vrouwelijke

ontvangt. Hiervoor wordt als reden opgegeven, de kleinheid der deelen

die zulk een nauwkeurigheid in de verdeeling niet toelaat. In andere

gevallen echter wordt de regel, zoowel omtrent broeder en zuster als

nopens andere betrekkingen, volgehouden.

[330] Hiermede wordt zoowel hoereeren als overspel bedoeld. Het woord

nica, vrouwen, heeft hier niet strikt de beteekenis van echtgenooten:

het woord, dat men gewoonlijk gebruikt om overspel aan te duiden,

is zina. In het begin der invoering van het Islamismus, werd de

schuldige vrouw ingemetseld; eene straf, die echter niet bij den

Koran was bepaald. Men heeft dit later, voor eene ongehuwde vrouw,

door zweepslagen en verbanning vervangen. Wat het overspel betreft,

zoo is de overlevering, die de steeniging vorderde, door de bepalingen

van den Koran (Soera XXIV, vers 2-10) vernietigd.

[331] Men gelooft dat hiermede sodomie of pederastie wordt

bedoeld. Oorspronkelijk zegt de Koran: Doe hun kwaad of schade,

waaruit eenigen opmaken, dat men hen alleen in het openbaar berispen

(Jallalo'ddin, Yahya, Aboe'l, Kasem Heba Tallah, Al Beid‚wi), of hen

met de pantoffels om het hoofd slaan moet (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi),

hetgeen in het Oosten als eene groote beleediging geldt, terwijl

anderen (Al Beid‚wi) zeggen, dat zij gegeeseld moeten worden.

[332] Zooals ongehoorzaamheid, ongemanierdheid en dergelijke (Al

Beid‚wi.)

[333] Dat is: indien gij van een vrouw scheidt om eene andere vrouw

te huwen, ontneem dan der vrouw, welke gij verlaat, de huwelijksgift

van honderd dinars niet, welke zij van u heeft ontvangen.

[334] Zie Soera II, v. 229, 231, 238, 242.

[335] Woordelijk: uwe moeders die u hebben gezoogd. Een der uitleggers

zegt bij deze plaats: God heeft het zogen zoo zeer met het moederschap

vereenzelvigd, dat hij de min moeder noemde.

[336] Men mocht niet raken aan hetgeen reeds was geschied, en zoodoende

der wet eene terugwerkende kracht geven.

[337] Volgens deze plaats is het niet geoorloofd, eene vrije

vrouw te huwen, die reeds gehuwd is, hetzij zij al of niet tot

den Mahomedaanschen godsdienst behoort, behalve wanneer zij door

echtscheiding wettig van haren man mocht zijn gescheiden; maar het

is wettig degene te huwen, die slavinnen of in den oorlog genomen

zijn, nadat zij de bijzondere zuiveringen zullen hebben ondergaan,

niettegenstaande hare echtgenooten mochten leven. Volgens de beslissing

van Aboe Hanifah is het nog onwettig, zulke vrouwen te huwen, wier

echtgenooten gevangen genomen zijn, of, op dat tijdstip, zich tegelijk

met haar in slavernij bevinden.

[338] Dat is: Bepaal haar heuren bruidschat.

[339] Het Arabische woord monsanat beteekent eigenlijk bewaarde

vrouwen; zijnde de vrouwen die onder de macht van een man staan

en zeer ingetogen in hare manieren zijn; vrouwen van goeden huize,

vrije vrouwen (Al Beid‚wi).

[340] Volgens sommigen beteekent dit: Wees tevreden met de verklaring

van haar welke gij huwt, zonder heure overtuiging geweld aan te

willen doen.

[341] Zijnde alle uit Adam en hetzelfde geloof voortgekomen. (Al

Beid‚wi).

[342] De reden hiervan is, dat zij verondersteld worden, geene zoo

goede opvoeding te hebben genoten. Daarom ontvangt eene slavin in zulk

een geval vijftig slagen en wordt zij voor een half jaar gebannen;

zij wordt echter niet gesteenigd, daar dit eene straf is, die niet

voor de helft kan worden opgelegd. (Al Beid‚wi).

[343] Dat is: gebruikt het niet voor dingen door God verboden, zoo

als woeker, enz. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin); maar gij moogt het goed

van anderen door arbeid, handel, enz. wettig bezitten.

[344] Letterlijk; Doodt uwe zielen niet, dat is, zegt Jallalo'ddin:

door doodelijke zonden, of zulke misdaden te bedrijven, waardoor zij

eeuwig zullen vernietigd worden. Anderen zijn echter van meening,

dat zelfmoord, gelijk de ongeloovige Indianen deden en nog doen, ter

eere hunner afgodsbeelden, of ook eenigen waren geloovigen het leven

te benemen, door deze plaats wordt verboden (Al Beid‚wi). Intusschen

schijnt het begin van het vers aan te duiden, dat hier niet alleen

van zelfmoord sprake kan zijn.

[345] Al Beid‚wi berekent, op grond eener overlevering van Mahomet,

dat deze zonden zeven in getal zijn, en wel: afgodendienst, moord,

valsche beschuldiging van eerbare vrouwen van overspel, het vermogen

van weezen verspillen, woeker, desertie bij een godsdienstigen tocht

en ongehoorzaamheid jegens ouders.

[346] Dit voorschrift is overeenkomstig een oude gewoonte der

Arabieren, volgens welke, indien twee personen innige vriendschap

of een bondgenootschap hebben aangegaan, die overlevende vriend

een zesde deel van des overledenen nalatenschap ontvangt. Dit werd

echter volgens Jallalo'ddin en Zamakhshari, afgeschaft, ten minste

wat de ongeloovigen betreft. Ook kan deze plaats zÛÛ worden opgevat,

als ware daar slechts sprake van een bijzondere verbintenis, volgens

welke de overlevende een zeker deel der bezittingen van den eerst

stervende ontvangt. (Al Beid‚wi).

[347] Zoowel door de bezittingen harer echtgenooten voor verlies en

verwoesting te behouden, als zich zelve voor alle onkuischheid. (Al

Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[348] Dat is: Bant haar van uw bed.

[349] Op deze plaats wordt het den Mahomedanen duidelijk geboden,

hunne vrouwen te tuchtigen, in geval van halsstarrige ongehoorzaamheid,

maar op geene hevige of gevaarlijke wijze (Al Beid‚wi.)

[350] Dat is: Laat de magistraten eerst twee scheidsrechters zenden:

een van iedere zijde, om het verschil uit te maken, en zoo mogelijk

de kwade gevolgen eener openlijke breuk te voorkomen.

[351] Afgoden.

[352] Die tot uw eigen volk, of uw eigen geloof behoort.

[353] Dit heeft zoowel betrekking op de belooning, welke men wegens

goede daden heeft verdiend, als op de strenge straf voor begane

zonden. Integendeel zal hij eerstgenoemden in het toekomstige leven

ver boven hunne verdiensten beloonen. Het Arabische woord aharra,

hetwelk eigenlijk eene soort van kleine mieren is, doch hier door

het woord atoom werd vertaald, wordt gebruikt om iets aan te duiden

dat bijzonder klein is.

[354] Deze wijze van reiniging wordt teimemoem genoemd.

[355] Ra'ina. Zie omtrent dit woord soera II. vers 98.

[356] Dit is: dat er slechts een zeer klein getal Joden zijn, die

het Mahomedanisme hebben omhelsd.

[357] Zie soera II, vers 61.

[358] Dit is de letterlijke vertaling van den tekst. Deze plaats

wordt echter op twee wijzen verklaard: den verdoemden zal den hals

worden omgedraaid, zoodat wat van voren was van achteren zal komen;

of wel de gelaatstrekken, de mond, de neus zullen uitgewischt en

geÎffend worden, zooals het achtergedeelte van het hoofd is.

[359] Woordelijk: Hij zal vergeven wat dezerzijds is. Dat is: de

zonde der afgodendienst is de grootste der zeven hoofdzonden.

[360] Dat is: De Joden en Christenen, die zich zelven de kinderen

Gods en zijn bemind volk noemen. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[361] Hier staat oorspronkelijk: in Jibt (of Djibt) en

Thagut. Eerstgenoemd woord wordt verondersteld de eigennaam van een

afgod te zijn geweest; het schijnt echter veeleer de meer algemeene

naam van een of andere valsche godheid te zijn. Van laatstgenoemd

woord gaven wij reeds eene uitlegging. Zie soera II vers 259.

[362] Dat is: Raadpleegt den Koran, die Gods woord is.

[363] Dat is: Voor de rechtbanken van ongeloovigen. Deze plaats

is haar ontstaan aan de volgende opmerkenswaardige gebeurtenis

verschuldigd. Zekere Jood had twist met een goddeloozen Mahomedaan,

welke laatste de beslissing van Coab abn el Ashraf, een voornaam Jood,

en de eerste die van Mahomet inriep. Ten laatste kwamen zij echter

overeen, de zaak alleen aan den profeet te onderwerpen, die haar ter

gunste van den Jood uitwees: de Mahomedaan weigerde in deze beslissing

te berusten, en achtte het noodig de zaak door Omar, later Kalif,

op nieuw te doen onderzoeken. Toen zij tot hem kwamen, verhaalde de

jood hem, dat Mahomet de zaak reeds te zijner gunste had beslist, maar

dat de Mahomedaan zich niet aan die uitspraak wilde onderwerpen. Toen

nu de Mahomedaan bekende, dat dit de waarheid was, verzocht Omar

hun, even te wachten, en nadat hij zijn zwaard had getrokken, sloeg

hij den halsstarrigen Mahomedaan het hoofd af, uitroepende: Dit is

de belooning voor hem, die weigert zich aan de uitspraak van God

en zijnen gezant te onderwerpen. Door deze daad verkreeg Omar den

bijnaam van Al Far˚k, hetgeen niet alleen doelt op de scheiding van

des schelms hoofd van zijn lichaam, maar ook daarop dat hij leugen

en waarheid van elkander wist te onderscheiden. (Jallalo'ddin, Al

Beid‚wi, d'Herbelot. Bibl. Orient, p. 688 en Ockley, Hist. of the

Sarac., p. 365.) Daarom schijnt dan ook de naam van Thagut hier aan

Coab abn el Ashraf te zijn gegeven. Zie soera II, vers 259.

[364] Dit was namelijk de verontschuldiging der vrienden van den

Mahomedaan, dien Omar had gedood, toen zij voldoening voor diens

bloed kwamen vragen. (Al Beid‚wi).

[365] Door goddeloos te handelen, en de uitspraak van ongeloovigen

in te roepen.

[366] Dat is: Weest waakzaam, en voorziet u zelven van wapenen en

benoodigdheden.

[367] Daar geen mensch het slagveld mocht verlaten, dan nadat hij als

martelaar was gevallen, of eenig voordeel voor de zaak had behaald

(Al Beid‚wi).

[368] Woordelijk trekt uwe handen terug, d.i. raakt geenerlei

arbeid aan.

[369] Dat is: Den natuurlijken dood.

[370] Op deze wijze werd door velen, die niet tot Mahomets volgelingen

behoorden, aan hem de duurte der levensmiddelen toegeschreven, toen

hij naar Medina ging, hetgeen gemakkelijk kan worden uitgelegd,

door de talrijkheid der personen, die tot zijn gevolg behoorden.

[371] Men moet deze woorden niet opvatten, als waren zij in tegenspraak

met de voorafgaande: dat alles van God komt; daar het kwaad dat over

de menschen komt, hoewel door God bevolen, nochtans het gevolg van

hunne eigene slechte daden is.

De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz. · 第 67 / 89 段